Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AR7439

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
04-03-2005
Datum publicatie
07-03-2005
Zaaknummer
R04/070HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AR7439
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

4 maart 2005 Eerste Kamer Rek.nr. R04/070HR JMH/AS Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [Verzoeker], kantoorhoudende te [vestigingsplaats], VERZOEKER tot cassatie, advocaat: mr. H.H.M. de Vries-Veringa, t e g e n [Verweerder], wonende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, advocaat: mr. A.L.C.M. Oomen. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Wet tarieven in burgerlijke zaken 37
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 137
JWB 2005/101
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rek. nr R04/070HR

mr J. Spier

Parket 10 december 2004

Conclusie inzake

[Verzoeker]

tegen

[Verweerder]

1. Feiten

1.1 [Verzoeker] komt in cassatie op tegen een beslissing van de Kantonrechter tot nadere vaststelling van het salaris dat [verweerder] aan hem verschuldigd is (art. 33 Wet tarieven in burgerlijke zaken, hierna Wtbz).

1.2 Aan rov. 2 van het bevelschrift van de Kantonrechter te Lelystad kunnen de volgende feiten worden ontleend, die in cassatie vast staan.

1.3 De betwiste declaratie betreft juridische bijstand in het kader van een arbeidsgeschil, in welk kader [verzoeker] voor [verweerder] een ontbindingsprocedure heeft gevoerd.

2. Procedure

2.1 Op 29 augustus 2001 heeft [verzoeker] de Raad van Toezicht (hierna: RvT) te Utrecht verzocht op de voet van art. 32 WTBZ tot begroting over te gaan van - naar valt aan te nemen - het bedrag dat [verweerder] hem verschuldigd zou zijn. Volgens de RvT zou het gaan om een bedrag van fl. 21.640,24.

2.2 Na verweer heeft de RvT bij beslissing van 26 juli 2002 de begroting van het salaris ingevolge artikel 32 Wtbz nader vastgesteld op een bedrag van € 6.031,78.

2.3 [Verzoeker] is tegen deze beslissing in beroep gekomen bij de Rechtbank Zwolle, sector Kanton; zulks bij verzoekschrift gedateerd op 15 augustus 2002, bij het Kantongerecht ingekomen op 19 augustus 2002. Hij heeft, in zijn nadere gronden, verzocht het salaris nader vast te stellen overeenkomstig art. 33 Wtbz en wel conform zijn urenspecificatie.

2.4 [Verweerder] heeft aangegeven zich met de beslissing van de RvT te kunnen verenigen.

2.5 Bij bevelschrift van 29 maart 2004 heeft de Kantonrechter Lelystad het salaris van [verzoeker] vastgesteld op een bedrag van € 4.685,53.

2.6 Bij verzoekschrift, kennelijk ingekomen op de civiele administratie van Uw Raad op 10 mei 2004, heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld.

2.7 Bij brief van de (wnd.) griffier van de Hoge Raad van 13 mei 2004 is de advocaat van [verzoeker] erop gewezen dat in deze zaak herziening kan worden gevraagd op de voet van art. 37 lid 3 Wtbz. De griffier heeft het dossier geretourneerd.

2.8 Op 17 mei zendt [verzoeker] de griffier een kopie van een brief aan zijn "procureur". Daarin laat hij weten "die beker" [d.i. de herziening] gaarne aan zich voorbij te laten gaan. In zijn brief aan de griffier doet hij weten graag van de Hoge Raad te willen vernemen. Nu [verzoeker] in deze zaak partij is, kan Uw Raad van zijn schrijfsel evenwel geen kennis nemen.

2.9 Dat behoeft ook niet nu [verzoeker] bij ongedateerd verzoekschrift, dat op 26 mei 2004 bij de civiele administratie van Uw Raad is binnengekomen, (andermaal) beroep in cassatie heeft ingesteld.

2.10 [Verweerder] heeft een verweerschrift ingediend.

3. Om welk beroepschriftuur gaat het in cassatie?

3.1 Zoals reeds geschetst onder 2 heeft [verzoeker] zich blijkbaar tweemaal van beroep in cassatie voorzien. Het laatste schriftuur trof ik bij de stukken aan. Het eerste niet meer, hetgeen niet behoeft te verbazen nu dat door de griffier was geretourneerd.

3.2 Om praktische redenen houd ik het ervoor dat slechts acht behoeft te worden geslagen op het tweede verzoekschrift. Het belang van die vraag nadert trouwens asymptotisch tot nul nu [verzoeker] m.i. hoe dan ook niet-ontvankelijk is.

4. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

4.1 Ingevolge art. 398 aanhef en onder 1 Rv. staat beroep in cassatie open tegen a) in eerste en hoogste ressort gewezen uitspraken en b) in hoger beroep gewezen uitspraken. Staat tegen een rechterlijke beslissing geen hoger beroep (of ander gewoon rechtsmiddel) open en heeft dat ook niet opengestaan, dan is het in beginsel mogelijk om daartegen beroep in cassatie in te stellen (art. 78 lid 5 Wet RO).

4.2 Art. 399 Rv. bepaalt over het cassatieberoep dat:

"Het beroep staat niet open voor hem die zijn bezwaren kan doen herstellen door dezelfde rechter bij wie de zaak heeft gediend."

4.3 De gedachte achter art. 399 Rv. is dat wie nog bij dezelfde rechter terecht kan, geen belang heeft bij het cassatieberoep.(1)

4.4 De door de Wtbz geplaveide weg ter begroting van het salaris van advocaten waarover onenigheid bestaat, is - kort gezegd en voor zover thans van belang - de volgende. De begroting vindt plaats door de RvT in het arrondissement waar de advocaat woonachtig is (art. 32).(2)

4.5 Neemt de advocaat met de begroting door de RvT geen genoegen dan wordt het salaris "nader vastgesteld door den voorzitter van het collegie waar de zaak, waarin het salaris berekend is, heeft gediend, of door een der leden, daartoe door hem benoemd" (art. 33 Wtbz).

4.6 Tot zover heeft [verzoeker] de juiste weg bewandeld door na de hem onwelgevallige beslissing van de RvT aan te kloppen bij de onder 4.5 bedoelde rechter;(3) zie hiervoor onder 2.

4.7 Ingevolge art. 37 lid 3 Wtbz kan de advocaat verzoeken om herziening van de door de rechter op de voet van art. 33 Wtbz vastgestelde begroting van het aan de advocaat verschuldigde salaris. Het herzieningsverzoek dient te worden gericht aan de instantie waaraan de voorzitter of het benoemde lid die de begroting heeft opgesteld, verbonden was. Op het herzieningsverzoek wordt pas beslist nadat belanghebbenden door twee "commissarissen" zijn "opgeroepen, om in hunne belangen te worden gehoord".

4.8 De vraag kan worden gesteld of de in art. 37 lid 3 Wtbz genoemde voorziening valt aan te merken als een bij "dezelfde rechter" als bedoeld in art. 399 Rv. Immers blijkt uit art. 37 lid 3 Wtbz niet dat/of de beslissing moet worden genomen door de rechter tegen wiens beslissing een herzieningsverzoek is gericht.

4.9 Ik stel voorop dat het voor de hand ligt en m.i. als hoofdregel zelfs vereist is(4) dat de herzieningsbeslissing - zo enigszins mogelijk - mede wordt genomen door de twee "commissarissen". Dat brengt mee dat zij allicht veelal niet uitsluitend door "dezelfde rechter" in de fysieke zin des woords zal worden genomen als de rechter die de eerdere beslissing heeft gegeven. Dat lijkt mij trouwens slechts een voordeel, in elk geval voor de advocaat.

4.10 Los hiervan: het zal niet steeds mogelijk zijn dat dezelfde rechter zich buigt over het verzoek op de voet van art. 37 lid 2 Wtbz. Hij kan bijvoorbeeld zijn gepensioneerd, bevorderd of overleden.(5)

4.11 Het zou alzo niet alleen zinloze letterknechterij zijn, maar het zou bovenal onoplosbare praktische problemen (kunnen) opleveren om onder "dezelfde rechter" te verstaan: dezelfde persoon.

4.12 Een redelijke en op de praktijk toegespitste uitleg brengt veeleer mee dat daaronder wordt verstaan: hetzelfde rechterlijk college.

4.13 Een zekere aanwijzing daarvoor kan worden gevonden in de voorganger van het huidige art. 399 Rv., art. 103 Wet RO.(6) In deze laatste bepaling wordt nog wat duidelijker dan in art. 399 Rv. aangegeven waarom het gaat: de vraag of "de gewone wijze van procederen toereikende is om hare bezwaren te doen herstellen." In dit verband verdient nog aantekening dat met beide bepalingen inhoudelijk hetzelfde wordt beoogd.(7)

4.14 De uitsluiting van rechtsmiddelen in art. 40 lid 3 Wtbz vormt ook een argument om cassatieberoep tegen een beslissing krachtens art. 33 Wtbz uitgesloten te achten. Art. 40 sluit in de eerste plaats verzet, hoger beroep en cassatie uit tegen een uitspraak die is gegeven op het verzet van degene die tot het betalen van het advocatensalaris is veroordeeld. In de tweede plaats zijn deze hogere voorzieningen uitgesloten tegen de beslissing op een verzoek tot herziening als bedoeld in art. 37 lid 3 Wtbz.(8)

4.15 Het kan niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest dat en zou bovendien leiden tot ongerijmde resultaten als een advocaat die om begroting van zijn salaris verzoekt, daarna de keuze zou hebben ófwel cassatieberoep in te stellen, danwel herziening te vragen in welk geval later beroep in cassatie uitdrukkelijk is uitgesloten.

4.16 De - in mijn ogen niet bestaande - keuzevrijheid voor een advocaat zou bovendien leiden tot een in het oog springende en niet (goed) te rechtvaardigen ongelijkheid ten opzichte van degene ten laste van wie een bevelschrift wordt afgegeven. Voor hem geldt de keuzevrijheid niet, zo blijkt uit de rechtspraak van Uw Raad.(9)

4.17 M.i. behoeft niet te worden betreurd dat de wetgever voor dit soort zaken, die zoal niet geheel, dan toch in hoogst overwegende mate feitelijk van aard zijn, (in elk geval) geen beroep in cassatie heeft opengesteld. Een beroep dat, gezien het feitelijk karakter, trouwens ook zelden succes zou kunnen hebben.

4.18 Zoëven werd al gewag gemaakt van de wet waarbij het oude art. 103 Wet RO tot wet werd verheven. Het ging daar om een omvangrijke bezuiningsoperatie. In de MvT op één van de vele onderdelen is te lezen:

"In deze paragraaf zijn enkele vereenvoudigingen opgenomen, waardoor de kantonrechter meer tijd krijgt voor nuttige bezigheden."(10)

4.19 Omarming van het door [verzoeker] bepleite stelsel van rechtsbescherming zou ertoe leiden dat de Hoge Raad zou worden afgehouden van nuttige bezigheden.(11) Het zou er, ontdaan van franje, op neer komen dat hij zich zou moeten gaan bezighouden met vragen over het nut en de noodzaak van de door een advocaat (beweerdelijk) aan een zaak bestede uren, telefoontjes en zo meer. Aantrekkelijk kan ik dat niet vinden. Het is bovendien, als gezegd, volkomen overbodig nu een adequate herzieningsmogelijk bestaat.(12)

4.20 Voor de goede orde vermeld ik nog dat in een andere zaak, waarin de BV van [verzoeker] het cassatieberoep heeft ingesteld, heden door mijn ambtgenote Wesseling-van Gent wordt geconcludeerd. In die zaak gaat het om dezelfde problematiek.

Conclusie

Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [verzoeker].

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 W.D.H. Asser, Civiele cassatie blz. 58.

2 Zie over de kleurrijke wetsgeschiedenis A-G Biegman-Hartogh voor HR 26 februari 1988, NJ 1989, 28 onder 3 e.v.

3 Uw Raad heeft geoordeeld dat de advocaat niet de mogelijkheid heeft de door de Wtbz geplaveide weg geheel te negeren; zie HR 26 februari 1988, NJ 1989, 28.

4 Vgl. art. 155 Rv. Die bepaling ziet niet op de onderhavige kwestie maar de achterliggende gedachte is dezelfde.

5 Vgl. art. 155 lid 2 Rv. en daarover T&C Burgerlijke Rechtvordering (Morée) art. 155 aant. 3.

6 Art. 399 is bij de wet van 20 juni 1963, Stb. 272 ingevoerd. Voordien was een vergelijkbare regeling te vinden in art. 103 Wet RO, dat op zijn beurt bij de wet van 29 november 1935, Stb. 685 is geïntroduceerd.

7 Losbladige Burgerlijke Rechtsvordering art. 399 (Korthals Altes) aant. 1.

8 Onder bijzondere omstandigheden kan een hogere voorziening toch openstaan. Zie nader HR 11 juni 1999, NJ 1999, 615 rov. 3.3. Het middel doet op zodanige omstandigheden evenwel geen beroep.

9 HR 26 februari 1988, NJ 1988, 506 (verkort weergegeven).

10 Handelingen TK, zitting 1934-1935, 362.3 blz. 69.

11 Zie nader onder 4.16. Volledigheidshalve zij aangestipt dat [verzoeker] in elk geval één rechtsklacht postuleert: middel I.

12 Vgl. HR 26 februari 1988, NJ 1988, 506.