Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AR7438

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
18-02-2005
Datum publicatie
18-02-2005
Zaaknummer
R04/030HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AR7438
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

18 februari 2005 Eerste Kamer Rek.nr. R04/030HR JMH/AS Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [De man], wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, advocaat: mr. J. Groen, t e g e n [De vrouw], wonende te [woonplaats], VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 114
JWB 2005/68
Verrijkte uitspraak

Conclusie

R04/030HR

Mr. F.F. Langemeijer

Parket, 10 december 2004

Conclusie inzake:

[de man]

tegen

[de vrouw]

In deze alimentatiezaak wordt in cassatie opgekomen tegen een oordeel over de verdiencapaciteit van de vrouw.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

1.1.1. Verzoeker tot cassatie (hierna: de man) en verweerster in cassatie (de vrouw) zijn op 25 januari 1977 met elkaar gehuwd. Bij beschikking van 27 juni 1996 is de echtscheiding uitgesproken. Deze is op 22 juli 1996 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

1.1.2. Partijen hebben in maart 1996 een echtscheidingsconvenant gesloten dat onder meer inhield dat zij over en weer afstand deden van hun recht op partneralimentatie, zij het dat de man zich heeft verplicht voor de periode tot 1 januari 1997 aan de vrouw een bijdrage te betalen van f 2.000,- per maand.

1.1.3. Eind december 1996/begin januari 1997 zijn partijen nader overeengekomen dat de man tot 1 juli 1997 een bijdrage aan de vrouw zal betalen van f 1.800,- per maand. In deze overeenkomst is uitdrukkelijk bepaald dat de vrouw nadien geen wijziging van de afspraak meer kan vragen op de grond dat zij door fysieke of psychische beperkingen niet in staat is inkomsten uit arbeid te verwerven.

1.1.4. Bij brief van 17 januari 2000 is namens de vrouw de nietigheid ingeroepen van de verklaring van afstand van verdere alimentatie, op de grond dat zij destijds leed aan een geestelijke stoornis en dat een met haar verklaring overeenstemmende wil ontbrak.

1.2. Bij inleidend verzoekschrift, ingediend op 18 januari 2000, heeft de vrouw aan de rechtbank te Maastricht verzocht de man te veroordelen tot betaling van een bijdrage in haar levensonderhoud groot f 3.150,- (€ 1.429,41) per maand. De vrouw heeft zich beroepen op de nietigheid van haar verklaring in het echtscheidingsconvenant waarin zij afstand van haar verdere rechten op partneralimentatie had gedaan.

1.3. Het geschil heeft zich aanvankelijk geconcentreerd op de vraag of de vrouw zich terecht heeft beroepen op de nietigheid van haar verklaring. Bij tussenbeschikking van 3 oktober 2000 heeft de rechtbank een deskundige benoemd(1). Bij tussenbeschikking van 14 mei 2002 heeft de rechtbank geconstateerd dat de vrouw geruime tijd, in elk geval in maart 1996, leed aan een ernstige psychiatrische stoornis die een redelijke waardering van de betrokken belangen heeft belet. De rechtbank achtte de vrouw niet gebonden aan de in maart 1996 gesloten overeenkomst, noch aan de daarop voortbouwende nadere overeenkomst van december 1996 (rov. 2.9 Rb). Met betrekking tot de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man heeft de rechtbank inlichtingen gevraagd.

1.4. Nadat deze inlichtingen waren verschaft en de vrouw het verzoek had vermeerderd tot een bedrag van € 2.100,- (f 4.627,79) per maand, heeft de rechtbank bij beschikking van 26 november 2002 - onder wijziging van hetgeen dienaangaande in het convenant van maart 1996 was opgenomen - de man veroordeeld om met ingang van 22 juli 1996 als bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw € 998,32 (f 2.200,-) per maand aan haar te voldoen.

1.5. De man heeft hoger beroep ingesteld en de vrouw incidenteel hoger beroep. Bij tussenbeschikking van 26 juni 2003 heeft het gerechtshof te 's-Hertogenbosch te kennen gegeven behoefte te hebben aan een aanvullend deskundigenbericht met betrekking tot de geestelijke toestand van de vrouw in december 1996/januari 1997. Hierop heeft de man aan het hof laten weten dat hij geen behoefte heeft aan een nieuw deskundigenbericht en dat hij in het kader van deze procedure aanvaardt dat ten aanzien van de geestelijke stoornis en het effect daarvan ten aanzien van de nadere overeenkomst eender wordt geoordeeld als ten aanzien van het aanvankelijke convenant. Namens de man is aangedrongen op een beslissing over zijn argumenten met betrekking tot de behoefte van de vrouw en zijn draagkracht.

1.6. Bij beschikking van 20 november 2003 heeft het hof beslist dat van een lagere draagkracht van de man moet worden uitgegaan dan de rechtbank had aangenomen. Het hof heeft de eindbeschikking van de rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de alimentatie vastgesteld op € 1.389,- per maand voor het tijdvak van 1 augustus 1999 tot 1 januari 2000, op € 1.634,- per maand voor het jaar 2000 en op € 1.452,- per maand met ingang van 1 januari 2001.

1.7. Tegen deze beschikking heeft de man - tijdig - cassatieberoep ingesteld. De vrouw heeft een verweerschrift ingediend.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1. Het cassatiemiddel is gericht tegen rov. 8.8, waar het hof omtrent de behoefte van de vrouw overwoog:

"De derde grief van de man heeft betrekking op de verdiencapaciteit van de vrouw. De man voert daarbij aan dat de vrouw in aanmerking kon en kan komen voor een uitkering ingevolge de AAW, nu zij in de periode van 1 april 1992 tot maart 1996 in dienst is geweest bij de onderneming van de man. Volgens de man moet de vrouw gedurende die periode worden beschouwd als een meewerkend echtgenote in de zin van de AAW dan wel de WAZ.

8.8.1. In haar verweerschrift heeft de vrouw gesteld dat maanden geleden een aanvraag is ingediend om in aanmerking te komen voor AAW-uitkering met terugwerkende kracht tot maart 1996. De vrouw heeft echter nog geen (positief) bericht van de uitkeringsinstantie ontvangen. De vrouw acht het uiterst twijfelachtig dat zij voor die uitkering in aanmerking komt.

Gelet hierop en de onweersproken stelling van de vrouw dat zij geen enkele kans maakt op de arbeidsmarkt en ook niet in aanmerking komt voor een andere uitkering gaat het hof er (vooralsnog) van uit dat de vrouw niet in eigen levensonderhoud kan voorzien."

2.2. Het middel voert aan dat dit oordeel "ten onrechte" is gegeven en verwijst naar hetgeen door de man is betoogd op blz. 14 van zijn beroepschrift in appel (het middel citeert een gedeelte daaruit). Subsidiair klaagt het middel over het passeren van het door de man in appel (blz. 16 beroepschrift) gedane bewijsaanbod.

2.3. De klacht dat het oordeel "ten onrechte" is gegeven voldoet niet aan de eisen welke art. 426a lid 2 Rv aan een cassatiemiddel stelt. De toevoeging in het cassatierekest, dat in de aangehaalde passage door de man "volkomen terecht" een eigen verantwoordelijkheid bij de vrouw wordt gelegd om te zorgen voor een uitkering, maakt dit niet anders.

2.4. In de (in het cassatierekest) aangehaalde passage uit het beroepschrift van de man kunnen twee stellingen worden onderscheiden, te weten dat de vrouw aanspraak heeft op een uitkering ingevolge de AAW/WAZ én dat zij zich onvoldoende heeft ingespannen om deze uitkering te verkrijgen. Voor zover in het cassatierekest is bedoeld dat het hof, gelet op deze stellingen, een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven, althans tenminste de man had behoren toe te laten tot levering van bewijs hiervan, geldt het volgende.

2.5. Uit de aangevallen rechtsoverweging blijkt dat het hof de eerste stelling van de man (dat de vrouw recht heeft op een uitkering ingevolge de AAW/WAZ en daarom geacht moet worden gedeeltelijk in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien) onder ogen heeft gezien. Het hof is blijkbaar van oordeel dat het bestaan van die aanspraak onzeker is totdat de uitkeringsinstantie op de uitkeringsaanvrage heeft beslist, zodat in het kader van deze alimentatieprocedure niet daarvan kan worden uitgegaan. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting(2). Gelet op de betwisting van die stelling door de vrouw, is 's hofs oordeel evenmin onbegrijpelijk. In dit verband voert het middel nog aan dat uit een brief van het UWV van 2 februari 2004 - dus daterend van ná de bestreden beschikking van het hof - blijkt dat de vrouw vanaf 30 januari 1997 recht had op een WAZ-uitkering doch dat deze uitkering (welke zou neerkomen op € 1.327,50 bruto per maand) pas ingaat per 16 mei 2002 omdat de uitkering te laat is aangevraagd(3). Op deze nieuwe stelling kan de cassatierechter geen acht slaan: zie art. 429 in verbinding met art. 419 lid 2 Rv.

2.6. Het voorgaande maakt tevens duidelijk waarom het hof niet is toegekomen aan de stelling dat de vrouw zich onvoldoende heeft ingespannen om een uitkering ingevolge de AAW/WAZ te verkrijgen. Ook de subsidiaire klacht, dat het hof aan de man de gelegenheid had moeten bieden deze stellingen te bewijzen, gaat niet op. Waar het hof geen genoegen wenste te nemen met een voorspelling, maar zekerheid verlangde omtrent de uiteindelijke beslissing van het uitkeringsorgaan, kon het voorbij gaan aan dit bewijsaanbod. Voor zover de man doelt op de regel dat de rechter bij de vaststelling van de behoefte van de alimentatiegerechtigde rekening mag houden met inkomsten welke deze feitelijk niet heeft doch zich in redelijkheid kan verwerven(4), geldt evenzeer dat het hof niet vooruit behoefde te lopen op een beslissing van de uitkeringsinstantie over de aanvraag tot uitkering van de vrouw. De man kan de desbetreffende stelling desgewenst opnieuw naar voren brengen in het kader van een verzoek tot wijziging van alimentatie op grond van art. 1:401 BW.

2.7. De slotsom is dat het middel in al zijn onderdelen faalt. De klachten nopen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 De tussenbeschikkingen van 4 juli 2000 en van 23 oktober 2001 blijven onbesproken; in deze tussenbeschikkingen werd aan partijen gelegenheid tot commentaar gegeven.

2 Vgl. HR 12 maart 1999, NJ 1999, 384, rov. 3.2: "Indien de rechter bij de vaststelling of wijziging van een uitkering tot levensonderhoud een redelijke mate van zekerheid heeft dat zich in de toekomst een omstandigheid zal voordoen, die voor die uitkering van belang is, staat het hem vrij daarmee reeds op voorhand rekening te houden, door de uitkering met inachtneming van die omstandigheid vast te stellen of te wijzigen. Ingeval achteraf blijkt dat, anders dan de rechter ten tijde van zijn beslissing verwachtte, die omstandigheid zich niet heeft voorgedaan, kan op de voet van art. 1:401 lid 4 BW wijziging of intrekking van de uitspraak worden verzocht." Met andere woorden: de rechter kan vooruitlopen op een onzekere toekomstige omstandigheid (in casu: de toekenning of weigering van een AAW/WAZ-uitkering), maar behoeft dit niet te doen.

3 Deze brief, die aan het verzoekschrift tot cassatie zou zijn gehecht (zie blz. 6), bevindt zich niet bij de gedingstukken.

4 Zie bijv. HR 29 januari 1988, NJ 1988, 1031 m.nt. EAAL en Asser-De Boer, nr. 621.