Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AR7351

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-02-2005
Datum publicatie
11-02-2005
Zaaknummer
R03/111HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AR7351
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

11 februari 2005 Eerste Kamer Rek.nr. R03/111HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [De man], wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, advocaat: mr. A.G.M. Haase, t e g e n [De vrouw], wonende te [woonplaats], VERWEERSTER in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 91
RFR 2005, 35
JWB 2005/61
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rek.nr. R03/111HR

Mr L. Strikwerda

Parket, 3 dec. 2004

conclusie inzake

[de man]

tegen

[de vrouw]

Edelhoogachtbaar College,

1. In deze echtscheidingszaak staan in cassatie ter discussie de door het hof gegeven beslissingen inzake de afrekening van de "Zugewinngemeinschaft" waarin partijen naar Duits recht zijn gehuwd.

2. In cassatie dient van het volgende te worden uitgegaan.

(i) Partijen, hierna: de man en de vrouw, zijn op 30 juni 1975 te Nijmegen met elkaar gehuwd. De man bezit de Duitse nationaliteit. De vrouw bezat ten tijde van het huwelijk de Spaanse nationaliteit; inmiddels bezit zij de Nederlandse nationaliteit.

(ii) Het huwelijksvermogensregime van partijen wordt ingevolge het Haagse Huwelijksgevolgenverdrag van 17 juli 1905, Stb. 1912, 285, beheerst door Duits recht, zodat partijen, nu zij noch vóór, noch tijdens hun huwelijk een regeling van de vermogensrechtelijke gevolgen van hun huwelijk zijn overeengekomen, zijn gehuwd in de "Zugewinngemeinschaft" als bedoeld in § 1363 van het Duitse Bügerliches Gesetzbuch (BGB).

3. Bij het dit geding inleidende verzoekschrift heeft de vrouw zich op 4 juli 2000 gewend tot de rechtbank te Arnhem en de rechtbank verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Voorts verzocht zij de rechtbank onder meer partijen te bevelen met elkaar over te gaan tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.

4. Bij beschikking van 15 februari 2001 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De beschikking is op 8 oktober 2001 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Bij de echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank voorts (onder meer) partijen bevolen met elkaar over te gaan tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.

5. De man is van de beschikking van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te Arnhem. De vrouw stelde van haar kant incidenteel hoger beroep in. In het incidenteel hoger beroep verzocht de vrouw het hof de gemeenschap bij beschikking te verdelen overeenkomstig een door haar voorgestelde verdeling. De man heeft dit verzoek bestreden.

6. Na tussenbeschikkingen van 30 oktober 2001, 29 januari 2002, 5 november 2002 en 21 januari 2003, heeft het hof bij eindbeschikking van 24 juni 2003 de beroepen beschikking van de rechtbank vernietigd voor zover deze de verdeling van de gemeenschap betreft en, in zoverre opnieuw beschikkende, de man veroordeeld aan de vrouw terzake van de afrekening van de "Zugewinngemeinschaft" waarin partijen met elkaar waren gehuwd een bedrag te betalen van Euro 26.197,26, en voorts voorzieningen getroffen met betrekking tot de verdeling van de tot de eindvermogens van partijen behorende aandelen in gemeenschappelijke vermogensbestanddelen, waaronder de (voormalige) echtelijke woning en de inboedelgoederen.

7. De man is tegen de tussenbeschikkingen en de eindbeschikking van het hof (tijdig) in cassatie gekomen met acht middelen. De vrouw heeft geen verweerschrift in cassatie ingediend.

8. Tegen de tussenbeschikkingen van het hof van 30 oktober 2001, 29 januari 2002 en 21 januari 2003 zijn geen middelen aangevoerd, zodat de man in zijn cassatieberoep, voor zover dit is gericht tegen deze beschikkingen, niet kan worden ontvangen.

9. Middel 1 is gericht tegen r.o. 1.3 van de tussenbeschikking van 5 november 2002. Het hof overwoog aldaar dat het geen acht slaat op de inhoud van een namens de man ingezonden brief met bijlagen van 9 juli 2002, omdat deze brief is ingekomen na afloop van de door het hof vastgestelde termijn en de vrouw daartegen bezwaar heeft gemaakt. Het middel klaagt dat het hof met deze beslissing het recht heeft geschonden, aangezien de beslissing strijdig is met een goede procesorde en de man door de beslissing wordt geschaad, omdat daarmee een inbreuk wordt gemaakt op het principe van hoor en wederhoor.

10. Het middel faalt. Waar het middel niet bestrijdt dat het hof bevoegd was een termijn vast te stellen voor het inzenden van de brief en evenmin aanvoert dat de gestelde termijn naar maatstaven van een goede procesorde te kort is geweest, is het aan het hof gemaakte verwijt ongegrond: van schending van een goede procesorde c.q. van het beginsel van hoor en wederhoor is geen sprake, nu de man niet (tijdig) gebruik heeft gemaakt van de hem door het hof geboden gelegenheid.

11. Middel 2 keert zich tegen r.o. 2.11 van de tussenbeschikking van 5 november 2002. In deze rechtsoverweging heeft het hof de man gehouden aan de datum van 8 oktober 2001 als peildatum voor de samenstelling en waardering van de eindvermogens van partijen. Het middel acht dit oordeel van het hof onjuist en onbegrijpelijk, omdat - kort gezegd - de man op dat punt een voorbehoud had gemaakt en zich bij brief van 24 mei 2002 heeft uitgesproken voor een andere datum.

12. Het middel zal niet tot cassatie kunnen leiden. Het hof heeft uit de processuele houding van de man afgeleid dat deze de door de vrouw voorgestelde peildatum (8 oktober 2001) heeft aanvaard. Het hof heeft daartoe overwogen dat de man niet afwijzend heeft gereageerd op deze datum en, ondanks het voorbehoud, deze datum heeft gehanteerd bij diverse afspraken en berekeningen. Deze overwegingen zijn niet onbegrijpelijk en kunnen, gezien 's hofs - in cassatie niet bestreden - uitleg van § 1384 BGB, het bestreden oordeel van het hof dragen. Voor het overige kan dit oordeel, nu het berust op de beoordeling van de processuele houding van de man en dus feitelijk van aard is, in cassatie op juistheid niet worden getoetst. Voor zover het middel voorts wil betogen dat het hof op onbegrijpelijke gronden heeft geoordeeld dat de omstandigheid dat de man in een later stadium van de procedure (bij de brief van 24 mei 2002) zich heeft verzet tegen 8 oktober 2001 als peildatum en zich op het standpunt gesteld dat 1 juni 2002 als peildatum aangehouden dient te worden, geen aanleiding vormt om een andere peildatum aan te houden dan 8 oktober 2001, kan het evenmin doel treffen. Het hof heeft ten aanzien van deze positiewijziging van de man geoordeeld dat het hanteren van een andere peildatum dan de eerder overeengekomen datum vertraging en extra (rechtsbijstand)kosten meebrengt, hetgeen alleen kan worden gerechtvaardigd indien de daarmee gemoeide belangen zulks naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid rechtvaardigen. Dit is naar 's hofs oordeel niet het geval. Voorts heeft het hof zijn oordeel doen steunen op de overweging dat de verandering van opstelling van de man "op de valreep" bovendien in strijd is met een goede procesorde. Al aangenomen dat het middel zich ook richt tegen laatstbedoelde grond (die het oordeel van het hof zelfstandig kan dragen), geeft het middel niet aan waarom de door het hof gebezigde gronden onbegrijpelijk zijn.

13. Middel 3 neemt stelling tegen het oordeel van het hof - in r.o. 2.13 van de tussenbeschikking van 5 november 2002 - dat tussen partijen vaststaat dat de man een bedrag van f 78.445,- heeft vergokt. Het middel acht dit oordeel strijdig met een goede procesorde, nu de man in zijn eerdergenoemde brief van 9 juli 2002 heeft weersproken wat het hof als vaststaand heeft aangenomen.

14. Het middel faalt. Het hof heeft - in r.o. 1.3 van de tussenbeschikking van 5 november 2002 - geoordeeld dat op de brief van de man van 9 juli 2002 geen acht kan worden geslagen. Dit oordeel wordt door middel 1 tevergeefs bestreden.

15. Middel 4 klaagt erover dat het hof - in r.o. 2.18 van de tussenbeschikking van 5 november 2002 - ten onrechte de stelling van de vrouw dat de voormalige echtelijke woning moet worden verkocht aan een derde, heeft geïnterpreteerd als een verzoek tot verdeling.

16. Het middel is tevergeefs voorgesteld. Het bestreden oordeel van het hof berust op een aan het hof als feitenrechter voorbehouden uitleg van de stellingen van de vrouw en kan, als feitelijk oordeel, in cassatie op juistheid niet worden getoetst.

17. Middel 5 beklaagt zich over de beslissing van het hof - in r.o. 2.3 van de eindbeschikking van 24 juni 2003 - om voorbij te gaan aan de stelling van de man dat de bedragen die hij 's avonds contant heeft opgenomen zijn besteed aan betaling van hypotheeklasten. Het middel strekt ten betoge dat het hof de stelling van de man feitelijk onjuist heeft weergegeven en daarmee een "feitelijk onjuist oordeel (heeft) gegeven, dat onbegrijpelijk is". Volgens het middel zou de man hebben gesteld dat er van de opnames die hij deed, hetzij overdag hetzij op andere tijdstippen, een substantieel gedeelte een substantieel gedeelte bestemd was om te dienen voor betaling van hypotheeklasten.

18. Het middel kan geen doel treffen. Nog daargelaten dat het middel nalaat vindplaatsen van de stelling van de man in de gedingstukken op te geven en in zoverre niet voldoet aan de ingevolge art. 426a lid 2 Rv aan een cassatieklacht te stellen eisen, valt niet in te zien waarom de gronden waarop het hof tot zijn beslissing is gekomen (de man heeft van zijn door de vrouw betwiste stelling geen bewijsstukken overgelegd; de man heeft geen verklaring gegeven voor dergelijk - ongebruikelijk - betalingsgedrag) de beslissing van het hof niet kunnen dragen, indien wordt uitgegaan van de door het middel gestelde lezing van de stelling van de man.

19. Middel 6 is kennelijk gericht tegen r.o. 2.4 onder f van de eindbeschikking van 24 juni 2003. In deze rechtsoverweging heeft het hof vastgesteld dat partijen het eens zijn over de waarde van de inboedel ad Euro 20.000,-. Het hof heeft dit afgeleid uit de omstandigheid dat de vrouw aan de inboedel een waarde toekent van Euro 20.000,- en dat de man bij zijn brief van 7 januari 2003 in dit verband heeft gesteld dat de vrouw alles, met uitzondering van de persoonlijke zaken van de man en de zaken die van zijn familie afkomstig zijn, mag hebben tegen betaling van Euro 10.000,-. Volgens het middel is het onbegrijpelijk dat het hof uit deze stelling van de man heeft afgeleid dat de man heeft ingestemd met de waardebepaling ad Euro 20.000,-. De man, zo stelt het middel, beoogde te betogen dat de inboedelzaken lang niet de door de vrouw gestelde waarde hebben en dat er derhalve aanleiding is de inboedel te laten taxeren.

20. Ook dit middel is tot falen gedoemd. Het richt zich tegen de uitleg die het hof heeft gegeven aan een stelling van de man. Die uitleg is, gezien de stelling van de man, geenszins onbegrijpelijk en kan voor het overige, als feitelijk oordeel, in cassatie niet op juistheid worden getoetst.

21. De middelen 7 en 8 bouwen voort op de eerder voorgestelde middelen en zullen het lot daarvan moeten delen.

De conclusie strekt

- tot niet-ontvankelijk verklaring van de man in zijn beroep voor zover dit is gericht tegen de beschikkingen van het hof van 30 oktober 2001, 29 januari 2002 en 21 januari 2003, en

- tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,