Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AR7256

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
19-04-2005
Datum publicatie
19-04-2005
Zaaknummer
00551/04
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHAMS:2003:AM2717
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AR7256
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Belediging kroonprins en zijn echtgenote door in vloeistof gedrenkte tampon naar gouden koets te gooien. Op de in art. 111 en 112 Sr strafbaar gestelde misdrijven zijn van toepassing de in Titel XVI van Boek II Sr onderscheiden wijzen waarop de aldaar strafbaar gestelde vormen van belediging kunnen worden aangedaan. De extra bescherming tegen belediging van de in art. 111 en 112 Sr bedoelde personen wordt tot uitdrukking gebracht door het vervallen van het klachtvereiste, de hogere strafbedreiging en doordat de in Titel XVI van Boek II Sr omschreven strafuitsluitingsgronden op de onderhavige delicten niet van toepassing zijn. Voor het overige zijn de in art. 266 Sr gemaakte onderscheidingen hier van toepassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 242
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 00551/04

Mr. Fokkens

Zitting: 30 november 2004

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam veroordeeld wegens het gooien van een in vloeistof gedrenkte tampon naar de gouden koets tijdens de rijtoer van Z.K.H. Willem-Alexander Prins van Oranje en zijn echtgenote H.K.H. Maxima Zorreguieta Prinses van Oranje ter gelegenheid van hun huwelijk. Het Hof heeft de verdachte wegens "Opzettelijke belediging van de vermoedelijke opvolger van de Koning en opzettelijke belediging van de echtgenoot van de vermoedelijke opvolger van de Koning" veroordeeld tot een geldboete van € 100,-- subsidiair 2 dagen hechtenis.

2. Er bestaat samenhang met de zaak onder nummer 00814/04 inzake het gooien van een verfbom naar de Gouden Koets op diezelfde dag. In beide zaken zal ik vandaag concluderen.

3. Namens verdachte heeft mr. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel klaagt dat het Hof heeft verzuimd de inleidende dagvaarding ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde feit nietig te verklaren wegens innerlijke tegenstrijdigheid, subsidiair dat het Hof het onder 1 bewezenverklaarde feit ten onrechte als het strafbare feit van art. 112 Sr heeft gekwalificeerd.

5. Na toewijzing van de vordering wijziging telastelegging door het Hof luidt het aan de verdachte tenlastegelegde:

"hij op of omstreeks 02 februari 2002 te Amsterdam opzettelijk de vermoedelijke opvolger van de koningin, te weten Prins Willem-Alexander en/of de echtgenote van de vermoedelijke opvolger van de koningin, te weten Maxima Zorreguieta tijdens de rijtoer met de gouden Koets, ter gelegenheid van hun huwelijk, in het openbaar door feitelijkheden heeft beledigd, door een of meer (in een onbekende vloeistof gedrenkte) tampons naar, althans in de richting van de Gouden Koets te gooien;"

6. Het Hof heeft ten laste van de verdachte bewezen verklaard:

"hij op 2 februari 2002 te Amsterdam opzettelijk de vermoedelijke opvolger van de koningin, te weten Prins Willem-Alexander en de echtgenote van de vermoedelijke opvolger van de koningin, te weten Maxima Zorrequieta, tijdens de rijtoer met de Gouden Koets, ter gelegenheid van hun huwelijk, in het openbaar door feitelijkheden heeft beledigd door een in vloeistof gedrenkte tampon naar de Gouden Koets te gooien."

7. Onder verwijzing naar het commentaar in Noyon-Langemeijer-Remmelink stelt de steller van het middel zich op het standpunt dat er slechts sprake is van strafbare belediging in de zin van art. 112 Sr indien aan alle vereisten voor strafbaarheid conform de artikelen 261 e.v. Sr is voldaan. Concreet zou dit betekenen dat in dit geval, waarin het gaat om eenvoudige belediging door feitelijkheden, slechts sprake zou zijn van een strafbaar feit indien was tenlastegelegd dat deze belediging was gedaan in tegenwoordigheid van de beledigde. Nu in de tenlastelegging aan verdachte echter belediging in het openbaar wordt verweten (en dat is niet strafbaar als het gaat om belediging door feitelijkheden, maar wel als het gaat om andere vormen van eenvoudige belediging) zou de tenlastelegging innerlijk tegenstrijdig zijn, althans geen strafbaar feit inhouden. Verder stelt art. 266 slechts strafbaar belediging door feitelijkheden en niet belediging door één feitelijkheid.

8. Art. 112 luidt:

"Opzettelijke belediging van de echtgenoot van de Koning, van de vermoedelijke opvolger van de Koning, van diens echtgenoot, of van de Regent, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie."

9. De Memorie van Toelichting op de artikelen 111 en 112 Sr houdt in:

"Het begrip beleediging moet worden verklaard uit titel XVI. Evenals in het opschrift van dien titel is beleediging hier een nomen generis, waaronder smaad, smaadschrift, laster, eenvoudige beleediging en lasterlijke aanklagt begrepen zijn. Om alzoo wegens deze beleediging strafbaar te zijn moet op zijn minst aan de vereischten van art. 285 [266] voldaan wezen.

Met het oog op de personen tegen wie het misdrijf gepleegd wordt, draagt elke beleediging hier een zoo ernstig karakter, dat de onderscheidingen van titel XVI buiten aanmerking blijven, en het maximum der straf dat tegen laster behoort te overtreffen. Aan de regter is eene groote ruimte gelaten om bij de toepassing der straf op den aard van de beleediging behoorlijk te kunnen acht slaan."(1)

10. Anders dan in het middel wordt verdedigd, kan ik uit deze passage in de MvT niet afleiden dat de regering van mening was dat aan alle bestanddelen uit de artikelen 261 e.v moet zijn voldaan voor strafbaarheid ex art. 111 en 112 Sr. De regering wijst hier voor de inhoud van het begrip belediging naar die artikelen en dat betekent dat smaad, laster en overige beledigingen in woord, geschrift, afbeelding of door feitelijkheden daaronder vallen, maar impliceert nog niet dat de overige voor de strafbaarheid van de "gewone belediging" in de wet gestelde eisen hier ook gelden. Zo stelde de regering zich bij de herziening van de strafbaarstelling van belediging op het standpunt dat de strafuitsluitingsgronden uit art. 261 lid 3 en art. 266 lid 2 Sr niet van toepassing zijn op de in art.118 Sr strafbaar gestelde belediging van bevriende staatshoofden. Ik verwijs naar de MvT bij het ontwerp van de Wet van 25 maart 1978, houdende nieuwe regelen betreffende strafbare belediging (TK 11 249, nr. 3, p. 9-10, en de beschouwingen van minister De Ruiter bij de mondelinge behandeling van het ontwerp, TK 2 februari 1978, p.664-665). Uit die discussie kan worden afgeleid dat de regering dezelfde opvatting koesterde ten aanzien van de in de art. 111 en 112 strafbaar gestelde belediging van de Koning, de troonopvolger en hun echtgenoten. Uitgaande van die opvatting, die berust op het verschil in grond voor de strafbaarstelling van gewone belediging en de in de artikelen 111, 112 en 118 strafbaar gestelde belediging, is er ook geen reden om de in artikel 266 aan eenvoudige belediging gestelde voorwaarden voor strafbaarheid hier van toepassing te achten. Zo ook Noyon-Langemeijer-Remmelink in aant. 1a bij art. 111 ten aanzien van de toepasselijkheid van de strafuitsluitingsgronden. Anders dan in aant. 2 van dat commentaar op art. 111 wordt gesteld, meen ik dan ook dat voor strafbaarheid van belediging door feitelijkheden op grond van art. 112 Sr niet aan alle bestanddelen van art. 266 behoeft te zijn voldaan.

11. Naar mijn mening doet deze opvatting ook meer recht aan de strekking van de artikelen 111 en 112. Deze artikelen beogen de "hooge" en "koninklijke waardigheid" van de in de artikelen genoemden te beschermen:

"Dit misdrijf toch is tevens eene inbreuk op de koninklijke waardigheid en moet daarom, in het maatschappelijk belang, onvoorwaardelijk tekeer gegaan."(2)

12. Met die waardigheid strookt niet dat de echtgenoot van de koning en de andere in het artikel genoemden een klacht indienen, zoals in titel XVI wel is vereist.(3) Voor die strekking is niet van belang op welke wijze de vermoedelijke troonopvolger wordt beledigd. Die belediging kan mondeling, schriftelijk, door een afbeelding of door feitelijkheden plaatsvinden. Op al die wijzen kan immers aan de waardigheid van de troonopvolger worden afgedaan. Stel dat iemand voordat het prinselijk paar ter plekke arriveerde onder het uitroepen van de woorden "Weet je wat ik van dit koninklijk stel vind?", de Hitlergroet had gebracht, zou dit geen belediging in de zin van art. 112 zijn? Dat lijkt mij, zoals hierboven al opgemerkt, geen recht doen aan de strekking van de bepaling.

13. Ik laat de vraag naar de verhouding tussen art. 111 e.v. en de commune beledigingsbepalingen verder rusten, omdat dit voor de beslissing in deze zaak mijns inziens niet van belang is. De tenlastelegging en bewezenverklaring houden immers in dat de belediging is gedaan in tegenwoordigheid van het prinselijk paar, nu het verwijt is dat de in vloeistof gedrenkte tampon werd gegooid naar de gouden koets waarin zij een rijtoer maakten en dat is een feitelijke omschrijving van "in zijn aanwezigheid(4)".

14. Overigens zou, geheel afgezien van de uitleg die aan art. 111 moet worden gegeven, het bezwaar dat in het middel tegen de tenlastelegging wordt aangevoerd niet tot nietigheid van de dagvaarding kunnen leiden, omdat de dagvaarding daardoor niet onduidelijk of innerlijk tegenstrijdig is geworden. De toevoeging van de woorden "in het openbaar" is overbodig, maar kan ook in de in het middel verdedigde uitleg van art. 111 Sr niet tot onduidelijkheid leiden over de vraag welk feit aan verdachte wordt verweten: beledigen door feitelijkheden (anders dan in HR 24-6-1980, NJ 1981, 34 bijvoorbeeld het geval was, omdat daar niet duidelijk was op welk verbod de tenlastelegging het oog had).

15. Verder is er nog de klacht dat voor een veroordeling wegens belediging door feitelijkheden is vereist dat sprake is van meer feitelijkheden en dat niet kan worden volstaan met één enkele gedraging, zoals is tenlastegelegd. Afgezien van de omstandigheid dat een dergelijk verzuim niet tot nietigheid van de dagvaarding zou kunnen leiden, berust deze klacht op een onjuiste rechtsopvatting. Wat de wetgever hier tot uitdrukking heeft willen brengen is dat niet alleen woorden, maar ook gebaren e.d. beledigend in de zin van de wet kunnen zijn. Niets duidt erop dat de wetgever door hier gewag te maken van feitelijkheden meer gedragingen heeft willen eisen voor de strafbaarheid. Zoals één woord voldoende kan zijn voor belediging, kan ook één gebaar belediging opleveren. Feitelijkheden moet worden verstaan als enige feitelijkheid. Vgl. HR 11 januari 1994, NJ 1994, 278 waarin het vol in gezicht spugen als beledigen door feitelijkheden werd beschouwd.

16. Het voorgaande betekent ook dat de klachten dat het Hof de bewezenverklaring ten onrechte als het strafbare feit van art. 112 Sr heeft gekwalificeerd, omdat deze bewezenverklaring niet onder één van de in art. 266 Sr genoemde varianten zou kunnen worden gerubriceerd, falen. Zelfs als die eis zou gelden, heeft het Hof kunnen oordelen dat het bewezenverklaarde valt onder het bereik van art. 112 Sr: beledigen door feitelijkheden in iemands tegenwoordigheid.

17. Het tweede middel klaagt dat het bewezenverklaarde opzet van de verdachte niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen.

18. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard zoals hierboven onder 6 vermeld. Het Hof heeft daartoe de volgende bewijsmiddelen gebezigd:

- de verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep luidende:

"Op 2 februari 2002 te Amsterdam heb ik een in vloeistof gedrenkte tampon, die ik op dat moment in mijn hand vast had, naar de Gouden Koets gegooid. Ik ben naar het Koningsplein gegaan om een tegengeluid te bieden omdat ik geen fan ben van het koningshuis en omdat ik het niet eens ben met de eenvoudige wijze waarop Maxima Zorrequieta tot de monarchie is toegelaten en Nederlands staatsburger is geworden. Omstanders hingen tampons aan hun oren en in hun hanenkam en gaven mij ook een tampon, die ik vervolgens zelf in limonade heb gedrenkt. Ik hield de tampon in mijn hand. Kort te voren had mijn toenmalige vriendin, die een kind van mij verwachtte en met wie ik zou gaan trouwen, onze relatie verbroken. Ik was hierdoor zeer aangedaan. Wij zouden ook in een koets gaan trouwen. Op het moment dat ik de gouden koets zag, zag ik mijn mislukte huwelijk en werd ik overmand door emoties en persoonlijke frustratie en heb de tampon gegooid. Ik begreep dat het gooien van de tampon naar de koets onacceptabel gedrag was, maar had niet verwacht dat ik gearresteerd zou worden."

- een proces-verbaal van politie, inhoudende:

"Op 2 februari 2002 bevonden wij ons op het Koningsplein te Amsterdam, welk plein die dag was omgedoopt tot het "Witte Plein", in afwachting van het langsrijden van de Gouden Koets waarmee Prins Willem Alexander en Maxima Zorrequieta hun rondrit maakten.

Op zaterdag 2 februari 2002, te 13.14 uur, zagen wij verbalisanten dat de vrouw de in een vloeistof gedrenkte tampons nog steeds in haar rechterhand vasthield. Wij zagen dat zij vervolgens deze tampons overgaf in de rechterhand van de naast haar staande man. Wij verbalisanten zagen dat deze man zijn rechterhand achter zijn lichaam bracht en wij verbalisanten zagen vervolgens dat deze man kennelijk met kracht met zijn rechterarm de in vloeistof gedrenkte tampons gooide in de richting van de op dat moment passerende Gouden Koets. Kort daarvoor hadden wij verbalisanten gezien dat de Gouden Koets aan kwam rijden.

Op zaterdag 2 februari 2002 te 13.15 uur, hielden wij verbalisanten deze man aan, terzake overtreding van artikel 112 van het Wetboek van Strafrecht.

In het Hoofdbureau van Politie te Amsterdam heb ik eerste verbalisant deze verdachte medegedeeld dat hij niet tot antwoorden verplicht was. Op mijn daartoe strekkende vragen, verklaarde deze verdachte: "De tampons waren gedrenkt in limonade. Ik heb niet gehoord dat je de vrouw die naast mij stond daar net voor had gewaarschuwd om niet te gooien. Als ik jullie had gezien, had ik natuurlijk niet gegooid".

Naar zijn naam gevraagd gaf de verdachte op te zijn genaamd:

Naam: [verdachte] (man)

Voornamen: [...]

Geboren te : [geboorteplaats] op [geboortedatum]1974

Geboorteland: Nederland

Nationaliteit: Nederlandse

Adres: [...]

Plaats: [woonplaats]

Land: Nederland"

19. Het Hof heeft in zijn arrest overwogen:

"Verdachte is op 2 februari 2002 naar het Koningsplein in Amsterdam gegaan, welk plein die dag was omgedoopt tot het "Witte Plein". Daar wilde verdachte demonstreren tegen de monarchie en de eenvoudige wijze waarop Maxima Zorrequieta tot de monarchie was toegelaten. Daar aangekomen kreeg hij van omstanders, die zich voor de gelegenheid hadden behangen met tampons, een tampon aangeboden. Verdachte drenkte die tampon in limonade. Verdachte hield vervolgens die natte tampon enige tijd in zijn hand. Toen de gouden koets met daarin Prins Willem Alexander en Prinses Maxima in zicht kwam, gooide verdachte die tampon in de richting van de koets. Hoewel aannemelijk is, dat verdachte ten tijde van het gooien van de tampon leed onder de ingrijpende gebeurtenissen die zich kort tevoren in zijn relatie hadden voorgedaan, is noch uit het dossier noch uit het verhandelde ter terechtzitting aannemelijk geworden dat hij toen niet besefte wat hij deed en bij hem alle opzet om te beledigen ontbrak. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij wel begreep dat het gooien van een tampon naar de gouden koets onacceptabel was, maar dat hij niet had verwacht dat hij daarvoor gearresteerd en vervolgd zou worden. Het hof leidt hieruit af dat verdachte zich bewust is geweest van het laakbare van zijn handelen. Van een zodanig impulsieve handeling, dat verdachte niet heeft beseft wat hij deed -zoals door de raadsman is betoogd- is dan ook naar het oordeel van het hof geen sprake geweest.

Het gooien van een natte tampon naar een rijtuig met daarin jong gehuwden tijdens een rijtoer ter ere van hun huwelijk, kan naar het oordeel van het hof op grond van algemeen geldende ervaringsregels in Nederland niet anders worden aangemerkt dan als een uiting van minachting jegens de inzittenden, door welke uiting de eer en goede naam van de betrokkenen worden aangetast."

20. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat het Hof het verweer van de raadsman dat de verdachte geen opzet op de belediging had, ten onrechte heeft opgevat als een verweer inhoudende dat de verdachte van elk inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de gevolgen daarvan was verstoken.

21. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt in als verklaring van de verdachte:

"Op 2 februari 2002 te Amsterdam heb ik een in vloeistof gedrenkte tampon, die ik op dat moment in mijn hand vast had, naar de Gouden Koets gegooid. Ik ben naar het Koningsplein gegaan om een tegengeluid te bieden omdat ik geen fan ben van het koningshuis en omdat ik het niet eens ben met de eenvoudige wijze waarop Maxima Zorrequieta tot de monarchie is toegelaten en Nederlands staatsburger is geworden. Omstanders hingen tampons aan hun oren en in hun hanenkam en gaven mij ook een tampon, die ik vervolgens zelf in limonade heb gedrenkt. Ik was niet van plan met de tampon te gooien.

Kort te voren had mijn toenmalige vriendin, die een kind van mij verwachtte en met wie ik zou gaan trouwen, onze relatie verbroken. Ik was hierdoor zeer aangedaan. Wij zouden ook in een koets gaan trouwen. Op het moment dat ik de gouden koets zag, zag ik mijn mislukte huwelijk en werd ik overmand door emoties en persoonlijke frustratie en heb de tampon gegooid. Ik dacht dat ik wel zou worden aangesproken. Ik begreep dat het gooien van de tampon naar de koets onacceptabel gedrag was, maar had niet verwacht dat ik gearresteerd zou worden. De politie heeft mij 45 minuten doorgezaagd over wat er door mijn hoofd ging op het moment van gooien. Zij vroegen toen of ik het me kon voorstellen dat het niet leuk is als er een tampon naar je wordt gegooid. Ik heb toen geantwoord dat ik me dat wel kan voorstellen. Het woord "belediging" heb ik echter niet gehoord en ik heb dat ook niet zo gezegd. Ik kan me wel voorstellen dat het als teken van minachting wordt gezien. Dat is echter voor iedereen anders."

22. De in hoger beroep overgelegde pleitnota houdt voor zover van belang in:

"Opzet

3. Over de ook voor belediging noodzakelijke opzet is bij de rechtbank het nodige gezegd, waarbij ik een aantal keren geciteerd heb uit het standaardwerk dat in 1998 door Janssens over dit onderwerp geschreven is:

Er is over het onderwerp belediging een standaardwerk geschreven door de heer A.L.J.M. (Fred) Janssens: Strafbare belediging (A.L.J. Janssens, Strafbare belediging, Amsterdam 1998). Janssens is in 1998 op dit onderwerp gepromoveerd.

Janssens schrijft in zijn boek dat de opzetproblematiek bij belediging door feitelijkheden bijzondere aandacht verdient:

'Bij één bepaalde wijze van eenvoudige belediging komt het wilsaspect meer pregnant aan de orde. Bij belediging door feitelijkheden begaan, dient dit aspect soms meer uit de verf te komen dan bij andere wijzen van belediging (...) . Met name indien de feitelijkheden hebben bestaan uit het duwen of stompen van het slachtoffer, eist volgens de Commissie De Wal een juiste 'kwalificatiebeslissing', dat vastgesteld wordt waar het opzet op gericht is. Het opzet op de eerkrenking (animus iniuriandi) dient te worden onderscheiden van het opzet op (eenvoudige) mishandeling (animus laedendi).' (ibidem, p. 217).

Janssens eist dus een juiste en heldere "kwalificatiebeslissing", met name bij belediging door feitelijkheden. Uitdrukkelijk zal dienen te worden vastgesteld waar het opzet van de verdachte op gericht was. Iemand die een steen gooit naar een politieagent, om maar een voorbeeld te noemen, doet dit natuurlijk lang niet altijd met de bedoeling die politieagent te beledigen. Daar liggen in de regel andere motieven aan ten grondslag.

Janssens waarschuwt in zijn boek dan ook nadrukkelijk voor lichtvaardige veroordelingen. De beledigingsartikelen (zoals ook art. 112 Sr.) mogen niet worden gebruikt als algemeen vangnet voor bewijsrechtelijke problemen:

'Wel dient, naar mij toelijkt, gewaakt te worden tegen een al te ongebreidelde toepassing van deze strafbaarstelling'. (ibidem, p. 242).

4. Kern van mijn betoog voor de politierechter was dat, juist bij de belediging door feitelijkheden, uiterst zorgvuldig met dit opzet dient te worden omgesprongen.

5. Met Janssens ben ik van mening dat gewaakt moet worden voor de ongebreidelde toepassing van deze artikelen en dat zij niet mogen worden gebruikt als vangnet voor bewijsrechtelijke problemen. De beledigingsartikelen mogen, met andere woorden, met als een deus ex machina uit de kast worden gehaald als justitie niet meer weet hoe zij anders tot een veroordeling zou moeten komen.

6. Altijd zal moeten worden vastgesteld of de verdachte wel daadwerkelijke het opzet op de belediging heeft gehad.

'Bekentenis'

7. [Verdachte] is bijzonder onaangenaam getroffen geweest door het vonnis van de politierechter. Deze is namelijk volledig voorbij gegaan aan het door [verdachte] ter zitting en ook bij de politie voor zijn handelen gegeven motief.

8. [Verdachte] heeft nooit de bedoeling gehad iemand met zijn daad te beledigen, ondanks het feit dat hij bij de politie zou hebben gezegd dat hij wist dat hij met zijn tampon Willem-Alexander en Máxima had beledigd:

"Ik realiseer mij dat ik fout geweest ben. Ik weet dat ik iets strafbaar heb gedaan. Ik weet dat [ik] hierdoor het koninklijk huis beledigd heb." (proces-verbaal van verhoor, p. 18).

9. Zoals in eerste instantie al betoogd, zegt deze 'bekentenis' meer over de suggestieve wijze waarop de politie tijdens verhoren vraag en antwoord heeft geverbaliseerd, dan over de werkelijke beweegredenen van [verdachte]. Deze ook door de politierechter in zijn vonnis geciteerde passage uit het proces-verbaal, zegt in mijn ogen meer over het mogelijke dan het beoogde effect van de door [verdachte] gegooide tampon. Als bewijs heeft deze verklaring dan ook geen enkele waarde.

Beweegredenen

10. [Verdachte] is op 2 februari 2002 naar Amsterdam afgereisd om, kort gezegd, te demonstreren tegen de monarchie en de eenvoudige wijze waarop Máxima uiteindelijk tot dat instituut is toegelaten. Met name het feit dat haar daarbij het Nederlanderschap werd geschonken, was en is [verdachte] een doorn in het oog.

11. Maar dat is niet de reden geweest van voor het uiteindelijke gooien van de tampon. Dat is vooral een impulsieve actie geweest, voortgesproten uit persoonlijke frustratie. Hierover is ook in eerste instantie gesproken, achter gesloten deuren:

"Het klinkt eigenaardig, maar toch is het zo. Wat op het eerste gezicht misschien leek op een politieke daad, een politiek 'statement', was uiteindelijk niet meer dan een uit persoonlijke nood geboren wan hoopsdaad.

Dit is ook de reden dat [verdachte] de voorkeur geeft aan behandeling van deze zaak achter gesloten deuren.

Over de precieze aard van [verdachte]s problemen kan hij het beste zelf vertellen. In ieder geval was hij tot voor kort van plan te gaan trouwen, in een koets die al gehuurd was. Dit huwelijk is kort voor 2 februari afgeblazen door [verdachte]s vriendin. Sindsdien weigert zij ieder contact, ook om afspraken te maken over de gemeenschappelijke opvoeding van het kind waarvan zij in verwachting is. [Verdachte] is de vader van dit kind, iets dat hij kort voor 2 februari te horen had gekregen, mét de mededeling dat hij er niet op hoefde te rekenen dat hij zijn kind ooit zou kunnen zien.

Het mag in dit licht eigenlijk geen verbazing wekken dat [verdachte] kort na zijn vrijlating, op zondag 3 februari, is ingestort en (op eigen verzoek) in een crisiscentrum van het RIAGG is opgenomen."

12. Ik denk niet dat het aan mij is om nu opnieuw op die persoonlijke achtergronden in te gaan. [Verdachte] kan dat zelf beter, zoals ook blijkt uit het proces-verbaal van de raadkamerzitting in eerste instantie.

13. Dat de persoonlijke problemen van [verdachte] niet uit de lucht gegrepen zijn, volgt onder meer uit de brief die ik vorig jaar ontving van de heer Mol, sociaal psychiatrisch verpleegkundige van de Riagg in Purmerend. Ik hecht deze opnieuw aan mijn pleitaantekeningen, net als in eerste instantie, omdat ik de inhoud van die brief belangrijk vind (brief M. Mol aan mr. M. Pestman, 25 april 2002, productie).

14. Het is werkelijk onbegrijpelijk dat de politierechter eenvoudigweg aan deze brief voorbij is gegaan, terwijl daar toch duidelijk uit blijkt dat [verdachte] kort na het 'gooi-incident' met ernstige problemen bij de Riagg is opgenomen. Ook wordt in deze brief gesproken over "naar buiten gerichte impulsdoorbraken", die verband houden met een "vrij forse verlatingsreactie". Het verbaast mij dat de politierechter geen woorden aan deze brief vuil heeft willen maken, omdat juist de daarin gestelde diagnose volledig aansluit bij de door [verdachte] zelf ten overstaan van de politierechter gegeven lezing van de gebeurtenis

15. Het gooien van de tampon was een impulsieve actie, ontegenzeggelijk ingegeven of veroorzaakt door bij [verdachte] aantoonbaar aanwezige persoonlijke problemen. Dat er daarnaast, onder die bijzondere omstandigheden, ook nog sprake zou zijn geweest van opzet tot beledigen, in welke vorm dan ook, is bijzonder onwaarschijnlijk. Vrijspraak is daarom de enige juiste conclusie."

Met de hand is hier de volgende tekst bijgeschreven:

"Zijn gemoedstoestand op dat moment i/d weg stond aan redelijke afweging risico."

23. Het Hof heeft in zijn overwegingen vastgesteld dat de verdachte nadat hij een tampon had ontvangen, deze zelf in limonade heeft gedrenkt en dat hij begreep dat het gooien van de tampon naar de gouden koets onacceptabel gedrag was. Verder heeft het Hof overwogen dat het gooien van een tampon in Nederland als een gebaar van minachting wordt opgevat. Daaruit heeft het Hof kunnen afleiden dat de verdachte zich van het beledigende karakter van het gooien van een in vloeistof gedrenkte tampon bewust moet zijn geweest, tenzij hij toen niet besefte wat hij deed. (5) Dat laatste heeft het Hof niet aannemelijk geacht.

24. Het middel faalt.

25. Ik heb ook overigens geen gronden voor cassatie aangetroffen. Daarom concludeer ik dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

plv.

1 H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, Tweede Deel, Haarlem 1881, pp. 41-42.

2 H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, Tweede Deel, Haarlem 1881, p. 42.

3 H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, Tweede Deel, Haarlem 1881, p. 42.

4 Dat "in aanwezigheid" impliceert dat de beledigde op de hoogte moet zijn van de belediging kan ik noch in de tekst van de wet, noch in de parlementaire behandeling van het ontwerp Wetboek van strafrecht terugvinden.

5 Vgl. HR 9 juni 1981, NJ 1983, 412; HR 24 september 1985, NJ 1986, 532 en J. de Hullu, Materieel strafrecht, 2e druk, pp. 230-231.