Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AR7190

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
25-01-2005
Datum publicatie
31-01-2005
Zaaknummer
01698/04
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AR7190
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Afwijzing getuigenverzoek. Niet blijkt van onderzoek door het hof naar de reden van afwezigheid van de in het buitenland woonachtige getuige, hoewel zij volgens mededeling van de A-G had toegezegd naar de terechtzitting te zullen komen en op de dag van de terechtzitting op Schiphol zou landen. ’s Hofs oordeel dat niet valt te verwachten dat die getuige binnen aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen is, zonder nadere, doch ontbrekende, motivering onbegrijpelijk.

Conclusie A-G gaat meer in het algemeen in op de wijze waarop de HR omgaat met gebreken in aan hem voorgelegde beslissingen van feitenrechters.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2005, 46
JOL 2005, 67
NJ 2006, 411

Conclusie

Nr. 01698/04

Mr. Jörg

Zitting 30 november 2004 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[verzoeker=verdachte]

1. Verzoeker is door het gerechtshof te Amsterdam bij arrest van 23 september 2003 wegens, kort gezegd, samen met anderen(1) gepleegde mensenhandel ten aanzien van verscheidene vrouwen en het deelnemen aan een criminele organisatie, veroordeeld tot twee jaren gevangenisstraf. Voorts heeft het hof de benadeelde partijen in hun vorderingen niet-ontvankelijk verklaard.

2. Namens verzoeker hebben mr. G.P. Hamer en mr. A.M. Ficq-Kengen, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt over schending van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM, omdat tussen het instellen van cassatie en het binnenkomen van de stukken ter griffie van de Hoge Raad ruim acht en een halve maand zijn verstreken.

4. Tussen het instellen van cassatie op 3 oktober 2003 en het inkomen van de stukken ter griffie van de Hoge Raad op 24 juni 2004 zijn ongeveer acht maanden en drie weken verstreken. De redelijk te achten inzendtermijn van acht maanden is dus overschreden.

5. Uw Raad kan verzoeker echter ter wille zijn. Indien de Hoge Raad binnen zestien maanden na het instellen van het cassatieberoep (dus vóór 3 februari 2005) in deze zaak arrest wijst kan deze termijnoverschrijding zonder gevolgen blijven. In dat geval wordt de overschrijding van de inzendtermijn immers gecompenseerd geacht door een bijzonder voortvarende behandeling van het cassatieberoep (vgl. HR 23 maart 2004, NJ 2004, 476, m.nt. YB). Om de martelende onzekerheid waarin verzoeker verkeert te bekorten en Uw Raad tot voortvarende afdoening te stimuleren wordt deze conclusie bij vervroeging genomen.

6. Het tweede middel klaagt over de motivering van de afwijzing van het verzoek tot het horen van de getuige [slachtoffer 1].

7. [Slachtoffer 1] is zowel door de politie als door de rechter-commissaris als getuige gehoord. Bij het verhoor door de rechter-commissaris is namens verzoeker een advocaat aanwezig geweest die in de gelegenheid is gesteld vragen te stellen aan de getuige. Ter terechtzitting in eerste aanleg van 20 december 1999 is het verzoek om deze getuige te horen afgewezen. Ter terechtzitting in eerste aanleg van 10 maart 2000 is het verzoek van de raadsman toegewezen om aanwezig te mogen zijn bij het verhoor van [slachtoffer 1] bij de rechter-commissaris in het kader van de zaak tegen een medeverdachte van verzoeker. Ter terechtzitting in eerste aanleg van 22 maart 2000, waarop het onderzoek wegens de gewijzigde samenstelling van de rechtbank opnieuw is aangevangen, is niet opnieuw verzocht om [slachtoffer 1] als getuige te horen.

8. Wel is toen als verweer gevoerd dat de getuige op 23 november 1998, dus na de tenlastegelegde periode, tegenover een notaris in Bulgarije een verklaring heeft afgelegd die ontlastend voor verzoeker is. Het vervelende is echter dat op diezelfde dag voor dezelfde Bulgaarse notaris ene [betrokkene 1] heeft verklaard over de vrijwilligheid waarmee een ander slachtoffer in Berlijn de prostitutie bedreef, terwijl dit slachtoffer ([slachtoffer 4]) ook in de bewezenverklaring ten laste van verzoeker voorkomt. Het `notarisverhaal' wekt dus niet meteen de indruk dat er geen manipulaties met betrekking tot de waarheid hebben plaats gevonden ten gunste van verzoeker. Hoe dit ook zij: non-existent is die verklaring nu ook weer niet en bij haar verhoor door de rechter-commissaris op 9 juni 1999 heeft [slachtoffer 1] eveneens verklaard dat haar aangifte bij de politie vals is geweest.

9. De rechtbank heeft op 5 april 2000 haar vonnis gewezen waartegen verzoeker hoger beroep heeft ingesteld. Ter terechtzitting in hoger beroep van 19 september 2002 is het verzoek om [slachtoffer 1] als getuige te horen toegewezen en is daartoe haar oproeping bevolen. Ter terechtzitting van 30 januari 2003 is [slachtoffer 1], hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter terechtzitting verschenen. De raadsman van verzoeker heeft de hernieuwde oproeping van de getuige verzocht en de advocaat-generaal bij het hof heeft medegedeeld dat getracht zal worden om haar oproeping mede via een rechtshulpverzoek te bewerkstelligen. Het hof heeft de hernieuwde oproeping van de getuige bevolen tegen de terechtzitting van 22 mei 2003. Op die terechtzitting is het onderzoek geschorst tot de terechtzitting van 9 september 2003 te 9.30 uur, mede omdat "de rechtshulpverzoeken meer tijd vergen dan aanvankelijk voorzien". Het hof heeft de oproeping van de getuige [slachtoffer 1] bevolen tegen die nadere terechtzitting.

10. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 9 september 2003 houdt, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"De getuigen [slachtoffer 10] en [slachtoffer 1] zijn niet ter terechtzitting verschenen.

()

De advocaat-generaal legt een bundel met oproepingen van de getuigen en rechtshulpverzoeken aan het hof over, die bij de stukken in het dossier is gevoegd, en verklaart, zakelijk weergegeven:

De getuige [slachtoffer 1] is met behulp van een rechtshulpverzoek opgeroepen en daarnaast is een aangetekende brief naar haar woonadres gestuurd. Zij heeft telefonisch contact gehad met een medewerker van het parket, waarin zij mededeelde dat zij naar de zitting zou komen en deze ochtend met het vliegtuig landt op Schiphol. Ten aanzien van de getuige [slachtoffer 10] is dezelfde procedure gevolgd. Zij is door middel van het rechtshulpverzoek opgeroepen maar ik heb daarop geen reactie van haar ontvangen.

Desgevraagd deelt de raadsman mede dat hij zijn verzoek ten aanzien van de genoemde getuigen handhaaft.

()

Na hervatting van het onderzoek deelt de gerechtsbode mede dat de getuigen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 10] niet zijn verschenen.

De raadsman verklaart, zakelijk weergegeven, dat de verdediging het verzoek tot het horen van de getuigen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 10] ter zitting handhaaft.

Desgevraagd verklaart de advocaat-generaal, zakelijk weergegeven:

De getuige [slachtoffer 1] heeft het parket gisteren telefonisch laten weten dat zij vandaag op Schiphol zou landen. Het rechtshulpverzoek is ten aanzien van [slachtoffer 10] succesvol uitgevoerd.

Het hof onderbreekt het onderzoek ter terechtzitting voor beraad in raadkamer.

Na hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het verzoek tot het hernieuwd oproepen van de getuigen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 10] wordt afgewezen, nu niet te verwachten is dat de getuigen binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zullen verschijnen.

Ten aanzien van beide getuigen is in de loop van het proces verschillende malen getracht hen ter zitting te horen, hetgeen tot op heden niet is gelukt. Gelet op de duur van deze procedure acht het hof het niet aanvaardbaar de behandeling van het onderzoek ter terechtzitting wederom aan te houden."

11. Het hof heeft gedeelten van de door [slachtoffer 1] bij de politie en bij de rechter-commissaris afgelegde verklaringen tot het bewijs gebezigd. De aanvulling op het verkorte arrest bevat in dit verband de volgende overweging:

"Ten aanzien van het gebruik van de verklaringen van de getuige [slachtoffer 1] voor het bewijs kan aan de raadsman worden toegegeven dat de verdediging niet in staat is geweest deze getuige (ik begrijp: nader; NJ) te ondervragen en dat de verdediging er belang bij heeft deze getuige te horen, doch dit hoeft er niet toe te leiden dat deze verklaringen niet tot het bewijs gebezigd mogen worden.

Nu deze verklaringen, die zich in het dossier bevinden, niet op zichzelf staan doch in voldoende mate steun vinden in andere bewijsmiddelen en dit steunbewijs betrekking heeft op die onderdelen van de verdachte belastende verklaringen die hij betwist, is het hof van oordeel dat de verklaringen voor het bewijs gebruikt mogen worden, waarbij het hof echter wel uiterste behoedzaamheid heeft betracht."

12. In de toelichting op het middel wordt de hiervoor onder 6 weergegeven motivering van de afwijzing ter terechtzitting van 9 september 2003 van het verzoek de getuige [slachtoffer 1] opnieuw op te roepen onbegrijpelijk genoemd, in het licht van de mededeling van de advocaat-generaal dat de getuige telefonisch contact heeft gehad met een medewerker van het parket, waarin zij heeft meegedeeld naar de zitting te zullen komen en op de ochtend van de zitting op Schiphol te zullen landen. Gelet op deze mededeling kon het hof niet volstaan met zijn overweging dat niet te verwachten viel dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zou verschijnen. In dit verband wordt er in de toelichting voorts op gewezen dat, nu de terechtzitting van 9 september 2003 om 9.30 uur is aangevangen en uit het proces-verbaal niet blijkt dat het onderzoek is geschorst voor het nuttigen van de lunch, het erop lijkt dat de behandeling in de ochtend is afgerond.

13. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 9 september 2003 beslaat meer dan tien bladzijden en houdt onder meer de uitgebreide getuigenverklaring van [slachtoffer 4] en de verklaring van verzoeker in. Beide verklaringen zijn met behulp van een tolk tot stand gekomen, zodat daarmee veel tijd gemoeid moet zijn geweest. Tevens wordt in het proces-verbaal vermeld dat het op schrift gestelde requisitoir en de pleitnota aan het hof zijn overgelegd en dat de inhoud daarvan is voorgedragen. Deze stukken beslaan onderscheidenlijk 20 en 25 bladzijden. De ervaring leert dat een zo omvangrijke behandeling van een strafzaak zelden in een ochtend kan worden afgerond. Het ziet er dus naar uit dat de behandeling met een viertal onderbrekingen tot in de middag heeft geduurd en dat het hof toen heeft aangenomen - omdat nog niets van de getuige was vernomen - dat [slachtoffer 1] weliswaar gezegd heeft te zullen verschijnen, doch dit in werkelijkheid niet van plan is geweest en dat het gelet hierop niet waarschijnlijk was dat zij binnen aanvaardbare termijn ter terechtzitting zou verschijnen. Deze gedachtegang staat echter niet in het proces-verbaal verwoord, zoals hierboven te lezen valt in punt 10. Het hof heeft een en ander ook niet vastgesteld. Het is mijn beredeneerde gok.

14. Het proces-verbaal van de terechtzitting houdt dus niet in op welke grond het hof tot de conclusie is gekomen dat het verschijnen ter terechtzitting van de getuige binnen aanvaardbare termijn niet aannemelijk was. Uit het proces-verbaal kan niet meer worden opgemaakt dan dat zij niet is verschenen. Niet blijkt van een onderzoek naar het waarom van haar afwezigheid en evenmin heeft het hof omtrent de reden van haar afwezigheid iets uitdrukkelijk vastgesteld. Het hof had via de advocaat-generaal door een medewerker van het parket navraag kunnen laten doen of er die ochtend een vlucht uit Bulgarije naar Schiphol was voorzien, en zo ja, of de getuige op die vlucht was geboekt en ingestapt. Kijkt men enkel naar de inhoud van het proces-verbaal, dan is niet uitgesloten dat de getuige tijdens de zitting onderweg is geweest naar het hof en vijf minuten na sluiting van het onderzoek de zittingszaal is binnengelopen.

15. In het licht van de door de advocaat-generaal bij het hof gedane mededelingen omtrent de door de getuige aan een medewerker van het parket gedane mededelingen (die de tegenwoordigheid van geest had moeten hebben - maar dit is achteraf makkelijk praten, waarbij ik de mogelijke taalbarrière maar even oversla - de vluchtgegevens aan de getuige te vragen) behoefde de beslissing van het hof nadere motivering. Het middel dat klaagt over het ontbreken daarvan treft dus doel.

16. Ter zijde wil ik hier opmerken dat het mij vaker opvalt dat de feitenrechter een nodeloos riskante inhoud aan zijn uitspraak geeft. Zou het voor het beeld omtrent verzoeker en zijn optreden enig verschil uitmaken of [slachtoffer 1] nu wel of niet als slachtoffer in de bewezenverklaring voorkomt? Of het om acht dan wel negen tot prostitutie gebrachte vrouwen gaat maakt toch - ook voor de strafmaat - niet wezenlijk uit? Nu ik dit neerschrijf moet ik denken aan een eerdere rechterlijke exercitie om van de in eerste aanleg bewezenverklaarde doodslag moord te kunnen maken en de straf van zes tot zeven (!) jaar te kunnen verhogen. Daarvoor moest de veiligheid van de anonieme getuige op het spel gezet worden, en toen de rechter-commissaris dit weigerde, doorbrak het hof de wettelijke regeling (HR 20 april 1999, NJ 1999, 677, m.nt. 'tH).

17. Terug naar de zaak. De vraag rijst wat het gevolg zou moeten zijn van het succesvolle middel. Dient 's hofs beslissing geheel of partieel te worden vernietigd? Kan de Hoge Raad de zaak vervolgens zelf afdoen en is dat wenselijk? Zo nee, dient dan terugwijzing of verwijzing te volgen?

18. Op deze vragen ga ik hieronder wat uitvoeriger in, mede omdat daarmee enige gezichtspunten de revue kunnen passeren ten aanzien van de wijze waarop de Hoge Raad omgaat met gebreken in de aan hem voorgelegde beslissingen van feitenrechters, zoals die ook bij gelegenheid van de onlangs gehouden interne conferentie met als thema 'De Hoge Raad gespiegeld', aan de orde zijn geweest. Zowel door D.R. Doorenbos, advocaat te Amsterdam, in zijn hoedanigheid van spreker in de discussiegroep 'Advocatuur strafrecht', als door J.H.M. Willems, coördinerend vice-president van het gerechtshof te Amsterdam, als spreker in de discussiegroep 'feitenrechtspraak', werd op de opstelling van de Hoge Raad op dit punt kritiek geuit, zij het op uiteenlopende gronden.

19. Heel kort samengevat achtten beiden de Hoge Raad te zeer geneigd fouten en vergissingen van de feitenrechter weg te poetsen. Eerstgenoemde betoogde dat daarbij te weinig oog leek te bestaan voor het verdedigingsbelang. Laatstgenoemde sprak zijn hoop uit dat de kwaliteit van de rechtspraak in feitelijke instanties zou kunnen worden verbeterd door de feitenrechter zijn fouten meer onder de neus te wrijven. Mede omdat beide opvattingen meer worden gehoord voel ik mij uitgenodigd hierop te reageren.

20. In de rechtspraak van de Hoge Raad van de afgelopen jaren is als trend te ontwaren dat in cassatie ontdekte fouten van de feitenrechter - vaker dan vroeger het geval was - geen aanleiding geven tot een nieuwe feitelijke behandeling. Allerlei steken die de feitenrechter laat vallen worden door de Hoge Raad hersteld of zodanig beschouwd dat zij niet tot cassatie behoeven te leiden.

21. Zonder uitputtend te zijn wil ik hier een opsomming geven van het soort beslissingen waarin geconstateerde gebreken niet tot een nieuwe feitelijke behandeling leiden. Het zijn beslissingen waarin de Hoge Raad:

- gebreken in de bewijsvoering oplost door zelf delen van de bewezenverklaring te veranderen,(2) te laten vervallen(3) of daaraan iets toe te voegen,(4) (delen van) bewijsmiddelen buiten beschouwing te laten(5) of delen van bewijsmiddelen toe te voegen;(6)

- oordeelt dat het verzuim van de feitenrechter om te antwoorden op een responsieplichtig verweer niet tot cassatie behoeft te leiden, omdat de Hoge Raad kan uitleggen waarom het verweer slechts verworpen had kunnen worden;(7)

- de kwalificatie verbetert;(8)

- een verbetering aanbrengt in de vermelde toepasselijke wettelijke voorschriften;(9)

- kennelijke vergissingen in de strafoplegging herstelt;(10)

- kennelijke vergissingen in de strafmotivering verbeterd leest;(11)

- de zaak zelf afdoet na constatering van een fout in de hoogte van de opgelegde ontnemingsmaatregel;(12)

- de zaak zelf afdoet na constatering van een fout in de strafoplegging;(13)

- de zaak zelf afdoet na constatering van een gebrek dat van invloed is op de strafoplegging;(14)

- de zaak zelf afdoet na constatering van een gebrek in het oordeel van de feitenrechter dat de redelijke termijn niet is overschreden;(15)

- zelf alsnog vrijspreekt van (delen van) het tenlastegelegde en door de feitenrechter bewezenverklaarde;(16)

- zelf ontslaat van alle rechtsvervolging;(17)

- een herstelpassage in de aanvulling op het verkorte arrest afkeurt, maar vervolgens zelf het verkorte arrest verbetert in de zin van de herstelpassage;(18)

- fouten met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij herstelt;(19)

- vergissingen herstelt in de vermelding in de beslissing van de feitenrechter van de terechtzittingen naar aanleiding waarvan dat arrest zou zijn gewezen(20) of in de in het arrest vermelde uitspraakdatum;(21)

- overwegingen van de feitenrechter verbeterd leest en aldus delen schrapt,(22) verandert,(23) of aan die overwegingen toevoegt;(24)

- (delen van) de door de feitenrechter aan zijn beslissing gegeven motivering buiten beschouwing laat(25) of de juistheid daarvan in het midden laat;(26) en waarin de Hoge Raad

- de door de feitenrechter aan zijn beslissingen gegeven motivering welwillend uitlegt, in welk verband de Hoge Raad er wel eens gewag van maakt dat de feitenrechter zich in "minder gelukkige bewoordingen" heeft uitgedrukt.(27)

22. De voormelde jurisprudentie laat zich ruwweg categoriseren in de gevallen van evidente ("kennelijke") vergissingen. Dat sprake is van een zodanige vergissing kan dan veelal uit de overige inhoud van de beslissing worden afgeleid. De Hoge Raad leest de beslissing in die gevallen verbeterd en doet daarmee niet meer dan de inhoud van de beslissing volgens de klaarblijkelijke bedoeling van de feitenrechter vaststellen.

23. Een andere categorie van gevallen betreft die waarin uit de beslissing blijkt (of waarin het lijkt) dat de feitenrechter van een onjuist of onbegrijpelijk oordeel is uitgegaan, maar die door de Hoge Raad desalniettemin zelf kunnen worden afgedaan, bijvoorbeeld omdat de fout niet wezenlijk is of omdat de Hoge Raad zonder nader feitelijk onderzoek kan beslissen.

24. De grondslag voor de eerste categorie kan worden gevonden in het gezond verstand, die van de tweede in de art. 440 en 441 Sv. Het is dus niet zo - hetgeen te proeven viel uit de bijdrage van Doorenbos, waarin hij verslag deed van de uitkomst van een beperkte opiniepeiling die hij onder advocaten had uitgevoerd, inhoudende dat de Hoge Raad tegenover het optreden van advocaten steeds strenger wordt, maar tegenover dat van de feitenrechter steeds soepeler(28) - dat de eigen afdoening door de Hoge Raad van scheef gelopen zaken van de feitenrechter een geheel eigen keus van de Hoge Raad zou zijn. Het is integendeel een wettelijke opdracht (art. 440, tweede lid, Sv):

"() de Hoge Raad [doet] de zaak zelf af indien dit mogelijk is zonder in een nieuw onderzoek naar de feiten te treden."

25. In dit verband verdienen voorts de al oude cassatieregels aandacht. Deze staan vermeld in de aantekeningen in de Editie Cremers Wetboek van Strafvordering bij art. 441. Daar worden steeds zeer oude arresten vermeld, waarvan niet is teruggekomen en die dus als vaste rechtspraak kunnen gelden (voor zover de redacteuren daaraan zelf al niet de kwalificatie vaste rechtspraak hebben gegeven). Die regels houden in dat:

- de gegrondheid van een cassatiemiddel niet leidt tot cassatie indien de rechter op andere gronden tot een gelijke beslissing had moeten komen;

- indien een beslissing berust op twee zelfstandige gronden, en één ervan vruchteloos wordt bestreden, de al of niet juistheid van de andere gronden niet behoeft te worden onderzocht;

- alleen onjuiste beslissingen, niet onjuiste overwegingen, tot cassatie kunnen leiden; en dat

- een middel niet opgaat, als rekwirant daarbij elk redelijk belang mist.

26. Aan deze en aan de hiervoor onder punt 21 weergegeven jurisprudentie ligt ten grondslag dat niet ieder gebrek in de beslissing van de feitenrechter tot vernietiging van die beslissing en tot een nieuwe behandeling moet leiden, doch dat ruimte is voor een beoordeling van de aard van het gebrek en voor een afweging van alle belangen die een rol kunnen spelen bij de wijze waarop met dat gebrek wordt omgegaan. Wie voorgaande lijst ziet zal niet onmiddellijk instemmen met het oordeel van Elzinga in T&C Sv, 5e, aant. 5b op art. 441, dat de cassatierechter al snel op zijn beperkingen in het zelf afdoen stuit.

27. Dat de Hoge Raad niet bij elk gebrek klakkeloos vernietigt en terugwijst (of verwijst) sluit nauw aan bij de ontwikkeling sinds de jaren '70 van de vorige eeuw op het terrein van de vormverzuimen onder de noemer van de déformalisering, waarvoor onder meer kan worden verwezen naar de Wet vormverzuimen.(29) In dit verband kan ook worden gewezen op de ontwikkeling van de substantiële nietigheden en de relativering van formele nietigheden, waarmee het fundament is gelegd voor de hedendaagse door wetgever en rechter gedeelde opvatting dat uitgangspunt moet zijn dat de wetgever vormvoorschriften vaststelt, maar dat de rechter de rechtsgevolgen van schending ervan bepaalt.(30) In de memorie van toelichting bij voormelde Wet wordt gesignaleerd dat er een verschuiving valt waar te nemen 'in de weging van processuele belangen van de wetgever naar de rechter: met andere woorden, van een beoordeling in abstracto naar een concrete weging.'(31) Dit betekent in de praktijk dat schending van een vormvoorschrift zonder gevolgen blijft in die gevallen, waarin in concreto geen redelijk belang is geschonden.(32)

28. Bij de constatering van een gebrek in de beslissing van de feitenrechter vindt dus in beginsel een belangenafweging plaats met betrekking tot de vraag: wat nu?

29. In sommige gevallen geeft de Hoge Raad expliciet blijk van die door hem uitgevoerde belangenafweging,(33) terwijl ook de conclusies van de advocaten-generaal bij de Hoge Raad veelal een uitgeschreven belangenafweging bevatten. Zo hanteert de Hoge Raad bij het sleutelen aan de bewezenverklaring voor het uitblijven van cassatie met regelmaat uitdrukkelijk het argument dat 'de aard en de ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd door de wijziging in de bewezenverklaring niet wordt aangetast.'(34) soms onder toevoeging van de zinsnede 'ook bezien in het licht van het strafmaximum.'(35) Een ander argument dat men aantreft is dat ook de 'verdachte moet hebben begrepen' dat de door de Hoge Raad gegeven verbeterde lezing de juiste is.(36) Indien de Hoge Raad na constatering van een fout van de feitenrechter overweegt dat hij de zaak zelf kan afdoen bezigt hij daarvoor bijvoorbeeld als argument dat voor het nemen van de beslissing geen nieuw onderzoek naar de feiten nodig is(37) en/of doet hij een beroep op redenen van doelmatigheid.(38)

30. Dat bij de vorenbedoelde afweging het belang van de verdachte steeds een zeer belangrijke rol speelt, behoeft geen betoog. Zodra de rechtens te respecteren belangen van de verdachte werkelijk op het spel staan, bijvoorbeeld indien het gaat om gebreken die materieel-strafrechtelijk beschouwd doen twijfelen aan de juistheid van de veroordeling(39) of waardoor de eerlijkheid van het proces als bedoeld in art. 6 EVRM in het gedrang komt(40) is de Hoge Raad in mijn ogen terecht onverminderd streng.

31. De toevoeging rechtens te respecteren is hier geen loze kreet. Anders dan mij onder meer tijdens eerder genoemde conferentie is voorgehouden, is de Hoge Raad er niet om schrijffouten of andere niet wezenlijke gebreken af te straffen. Uiteraard heeft de veroordeelde recht op een gang naar de Hoge Raad maar, zoals het EHRM er - in de woorden van Myjer(41) - niet zit voor zweetvoeten, zit de Hoge Raad er niet voor onzinnige klachten(42) en evenmin voor het bestraffen van de nalatige feitenrechter dan wel het opleggen van een taakstraf aan een andere rechter die de zaak gedeeltelijk moet overdoen.

32. Voorzover de klacht dat de hiervoor weergegeven jurisprudentie te weinig oog heeft voor het verdedigingsbelang betrekking heeft op het belang bij een nieuwe feitelijke behandeling waarin elke uitkomst weer mogelijk is, verdient hier te worden opgemerkt dat zulks geen rechtens te respecteren belang is. Een visie op de feitenrechtspraak als loterij waarbij in een nieuwe feitelijke behandeling alle opties weer open zijn, kan geen grondslag vormen voor de beslissingen van de Hoge Raad. Een recht op meer dan twee feitelijke instanties bestaat niet. Begrijpelijk is de wens wel om het hele register aan verdedigingsmiddelen opnieuw open te kunnen trekken ten einde de cliënt de dans te laten ontspringen, maar met de opvatting van Doorenbos dat het alleen aan de verdediging toekomt om een oordeel te hebben over de mérites van de zaak na een eventuele verwijzing (of terugwijzing), kan niet worden ingestemd. Dat de Hoge Raad zonder noodzaak aan dat orgelspel niet wil meewerken, is even begrijpelijk.

33. Alleen rechtens te respecteren belangen van de verdachte worden dus in de afweging betrokken. Vergissingen en fouten waarvan duidelijk is dat zij niet van wezenlijke invloed zijn geweest op de beslissing raken niet aan die belangen. Indien een veroordeling ter zake van vier feiten heeft plaatsgevonden en er doet zich ten aanzien van één feit een wezenlijk probleem in de bewijsvoering voor, dan kan worden volstaan met vernietiging wat betreft de bewezenverklaring ten aanzien van dit feit en van de strafoplegging. Voor zover de Hoge Raad niet zelf in de zaak kan voorzien, kan de verwijzingsopdracht zich beperken tot de behandeling van dat ene feit en tot de strafoplegging. Dat de verdachte wellicht liever zou hebben dat de uitspraak geheel zou worden vernietigd omdat een nieuwe behandeling door een andere feitenrechter mogelijk tot een andere uitkomst kan leiden ter zake van ook de andere drie feiten, is begrijpelijk, maar geen belang dat in rechte respect verdient. Indien de uitspraak de toetsing in cassatie (groten)deels kan doorstaan dient deze in zoverre in stand te blijven.

34. Bij het probleem van terug- of verwijzing heb ik nog niet gewezen op het punt dat een nieuwe behandeling van de zaak voor slachtoffers zeer belastend kan zijn, niet alleen om opnieuw te moeten wachten op het onherroepelijk worden van een uitspraak waarin hun eventuele vordering is toegewezen, en niet alleen omdat een definitieve schuldigverklaring van degene die hen leed heeft toegebracht steeds uitblijft, maar ook omdat slachtoffers wellicht opnieuw aan een (belastend) verhoor onderworpen zullen kunnen worden. Waar sprake is van relatiecriminaliteit kan een nieuwe ronde van het-leven-zuur-maken aanbreken, en bij delicten waarbij slachtoffers/getuigen schokkende ervaringen hebben gehad, zullen zij veelal weinig behoefte hebben om dat schokkende nog een keer te herbeleven en publiekelijk te gaan vertellen.

35. Ten slotte is er ook nog een heel banaal argument: de overheidsfinanciering van de strafrechtspleging kent geen open eind. Datgene wat niet nodig is dient, bezien vanuit de schaarse middelen, ook achterwege te blijven. Hoewel het recht het epitheton ornans `ars boni et aequi' draagt, is het in financiële zin niet met een muze te vergelijken.

36. Verdient de hiervoor beschreven rechtspraak van de Hoge Raad positieve waardering? De rechtspraak past in de ontwikkeling waarin de rechter op basis van een belangenafweging bepaalt welk gevolg er aan een gebrek verbonden moet worden. Behalve voor het algemene belang om verspilling van gemeenschapsmiddelen en verhoging van de werklast van de feitelijke rechtspraak te voorkomen door niet onnodig op een nieuwe feitelijke behandeling aan te sturen heeft de Hoge Raad voldoende oog voor de rechtens te respecteren belangen van de verdachte. Dat er gevallen zijn waarin men zelf tot een ander resultaat zou zijn gekomen dan dat waarvoor de Hoge Raad kiest, is eigen aan het rechterlijke métier van het afwegen van tegengestelde belangen, en doet aan het voorgaande niet af.

37. Het aspect van de kwaliteitsbevordering is tot hier toe nog niet aan de orde geweest. Ik deel de door mr. Willems uitgesproken zorg ten aanzien van de zich schijnbaar aftekenende ontwikkeling dat de kwaliteit van de rechtspraak in hoogste feitelijke instantie afneemt. Wat wij in de cassatieprocedure in toenemende mate waarnemen stemt niet vrolijk, maar het is de vraag of wat wij zien het topje van de ijsberg is, of de gehele ijsberg. De Hoge Raad is een ongeschikte instantie voor integrale kwaliteitstoetsing. Beroep in cassatie wordt slechts tegen ongeveer 10 % van de arresten van de gerechtshoven ingesteld.(43) De Hoge Raad bepaalt wel de inhoudelijke kwaliteitseisen voor rechterlijke beslissingen maar is geen kwaliteitsinspecteur.

38. Kan men die ontwikkeling een halt toegeroepen door meer zaken na vernietiging van het arrest terug te wijzen of te verwijzen? Deze benadering suggereert dat de rechter die een beroepsfout maakt meer van die fout leert wanneer een ander(44) die fout moet herstellen, dan wanneer hem wordt meegedeeld dat hij zelf een fout beging. Dat is onwaarschijnlijk. Er lijkt mij meer te verwachten van een goede (en dus snelle) terugkoppeling van de overwegingen van de cassatierechter naar de feitenrechter, en dan niet alleen in hoogste aanleg, maar ook in eerste aanleg, en niet alleen naar de colleges als zodanig, maar ook naar de individuele rechter. Aangenomen mag worden dat de rechter die zijn beslissing door de Hoge Raad verbeterd gelezen of vernietigd ziet, daarvan goede nota neemt en daaruit lering trekt. Weliswaar valt er iets te zeggen voor het psychologische argument dat het vervelend is wanneer collega's in het eigen, maar ook in een ander college geconfronteerd worden met de steken die iemand heeft laten vallen,(45) doch van de rechter als professional mag verwacht worden dat hij een dergelijke stimulans niet nodig heeft om zich in te spannen voor een goede rechtsbedeling.

39. In de vorige zin stond aanvankelijk: tot het uiterste in te spannen. Ik kan echter niet onvermeld laten wat ik als reactie heb opgetekend op Uw rechtspraak inzake fouten in verkorte arresten die door de feitenrechter in de aanvulling op het arrest worden hersteld. (Ik vermeldde Uw rechtspraak hierboven, in noot 18.) Dit was: "Als we later ontdekken dat we fouten hebben gemaakt in het verkorte arrest, dan kunnen we dat altijd nog verbeteren. Dat mag weliswaar niet van de Hoge Raad, maar die verbetert het dan vervolgens zelf." Ook tekende ik als reactie op een moeilijk verweer op: "We beslissen op dit verweer zoals we denken dat het goed is, en dan zien we wel of er cassatieberoep wordt ingesteld. Dan kan de advocaat-generaal bij de Hoge Raad daar nog eens een mooi verhaal over schrijven, want die heeft tenslotte een heel wetenschappelijk bureau achter zich om het goed te laten uitzoeken." Ik wil het niet meteen gemakzucht noemen, en het vooral aan de overvolle rollen wijten wanneer rechters niet de tijd nemen om een verkort vonnis of arrest puntgaaf af te leveren of een verweer goed uit te zoeken. De Hoge Raad maakt het de feitenrechter in zoverre ook gemakkelijk door de onjuiste motivering van een juiste beslissing te vervangen door de juiste motivering, of door het werk van de feitenrechter te doen wanneer gevoerde verweren in het geheel niet zijn besproken, maar zij niettemin falen. Daarbij kan de feitenrechter het ook te gortig maken, zoals in de in de noot vermelde arresten van een economische strafkamer.(46)

40. Misschien werken de advocaten-generaal er ook wel aan mee door in gevallen waarin überhaupt niet op een verweer is gerespondeerd en vernietiging en verwijzing in de rede ligt, als service aan de feitenrechter in onze conclusies uiteen te zetten wat de mérites van het verweer zijn, zodat de feitenrechter niet gedwongen wordt zelf de zoektocht naar de juiste interpretatie van soms lastige wetgeving, of van Europese rechtspraak (etc.) te ondernemen. Het effect van het achterwege laten van die service zou kunnen zijn dat ook de (eerste) appèlrechter zelf die zoektocht onderneemt omdat hij er anders een collega-appèlrechter mee opzadelt (die ook geen wetenschappelijk bureau achter zich heeft).

41. (Overigens wil ik niet onvermeld laten dat ik in de SSR-cursus die ik regelmatig geef, even capabele juristen ontmoet als die welke tot onze ondersteuning in het wetenschappelijk bureau van de Hoge Raad werkzaam zijn. Ik vraag mij af of hun expertise wel voldoende wordt uitgebuit en gestimuleerd. Daarbij wil ik niets ten nadele zeggen van secretarissen die kunnen bogen op een schat aan ervaring. Waar het op aankomt is of men de juiste mensen het juiste werk laat doen.)

42. Het gevaar dat in het hier besprokene op de loer ligt is dat het probleemoplossend vermogen van de Hoge Raad geen vrijbrief mag worden voor afname van de concentratie van de feitenrechter; en evenmin voor een zodanige inrichting van de werkprocessen in feitelijke aanleg en een zodanige omvang van de werklast(47) dat de door de Hoge Raad te herstellen fouten op voorhand op de koop toe worden toegenomen; worden "ingeboekt". Opstand tegen een strafsectorvoorzitter die zulks zou propageren lijkt me aangewezen.

43. Sprak ik hiervoor over de wettelijke opdracht voor de Hoge Raad om te voorzien in de zaak wanneer dit mogelijk is zonder in een onderzoek naar de feiten te treden, ik vermeldde ook dat de wetgever de weging van processuele belangen in concreto aan de rechter heeft overgelaten. De belangenafweging kan dus ook anders uitvallen. Onder de afweging van die belangen in concreto mag mijns inziens begrepen worden het belang dat in toekomstige zaken niet dezelfde al dan niet kostbare fout wordt gemaakt. Met andere woorden: de Hoge Raad zou hier een zeker beleid kunnen voeren waarin ook aan het algemene aspect van de bevordering van de kwaliteit van de rechtspleging als zodanig een zwaar(der) gewicht wordt toegekend.

44. Alles afwegende meen ik dat - met behoud van het uitgangspunt dat nodeloos dubbel werk zoveel mogelijk moet worden voorkomen - in meer geëigende(48) gevallen een veelbetekenend signaal in de richting van de feitenrechter tot handhaving van een aanvaardbaar niveau van rechtspleging niet zou misstaan.

45. Opnieuw terug naar de onderhavige zaak.

46. Kort gezegd heeft het hof bewezenverklaard dat verzoeker in samenwerking met anderen negen vrouwen tot prostitutie heeft gebracht als bedoeld in art. 250ter (oud) Sr. Als feitelijke omschrijving van de wijze waarop deze vrouwen tot prostitutie zijn gebracht bevat de bewezenverklaring een opsomming van een aantal feitelijkheden. De getuige [slachtoffer 1] is één van de in de bewezenverklaring vermelde slachtoffers en in zoverre kan de ondeugdelijke motivering van de afwijzing van het verzoek om haar te horen worden geacht door te werken in de bewezenverklaring.

47. Het vorenstaande doet echter niet af aan de deugdelijkheid van de motivering van de bewezenverklaring voorzover het de acht andere slachtoffers betreft, waarover in cassatie overigens niet wordt geklaagd. Het dossier bevat geen aanwijzing dat de verklaring van [slachtoffer 1] van invloed zou kunnen zijn op de waardering van het bewijs ten aanzien van de overige slachtoffers. De bestreden uitspraak kan naar mijn oordeel dus uitsluitend niet in stand blijven wat betreft de bewezenverklaring voorzover deze betrekking heeft op [slachtoffer 1].

48. Dan rijst de vraag of dit tot verwijzing of terugwijzing moet leiden of dat de Hoge Raad de zaak zelf kan afdoen.

49. In dit verband heeft het mijn voorkeur om verzoeker om doelmatigheidsredenen vrij te spreken van het tenlastegelegde voorzover dat ziet op [slachtoffer 1]. Bij een nieuwe feitelijke behandeling heeft verzoeker dan geen belang meer. Daarbij heb ik in aanmerking genomen dat het hof gelet op de deugdelijk gemotiveerde - en in cassatie niet bestreden - bewezenverklaring ten aanzien van de overige slachtoffers kennelijk en niet onbegrijpelijk geen waarde heeft gehecht aan de verklaring van [slachtoffer 1], voorzover zij in haar latere verklaringen behalve aan haar eigen aanvankelijke aangifte ook afbreuk tracht te doen aan de belastende verklaringen van andere slachtoffers. Voorts heb ik in aanmerking genomen - ik heb hierover al in punt 16 geschreven - dat de veroordeling voorzover betrekking hebbend op [slachtoffer 1] geacht kan worden een verwaarloosbaar kleine invloed op de strafmaat te hebben gehad, nu zij één van de negen slachtoffers is en de bewezenverklaarde feitelijkheden ten aanzien van haar van de lichtste aard zijn. Wat betreft de strafoplegging behoeft naar mijn inzicht dus geen vernietiging te volgen. Indien de Hoge Raad daar anders over denkt zou met een kleine strafmatiging kunnen worden volstaan.

50. Het eerste middel faalt indien Uw Raad voortvarend arrest wijst. Het tweede middel geeft aanleiding tot vernietiging van de bestreden uitspraak wat betreft de bewezenverklaring voorzover deze betrekking heeft op [slachtoffer 1], tot vrijspraak in zoverre en tot verwerping van het beroep voor het overige. Subsidiair ware de straf lichtelijk te verlagen. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

51. Deze conclusie strekt derhalve tot vernietiging van het bestreden arrest, op de wijze als in het vorige punt aangegeven.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Aangezien de bewezenverklaring (terecht) naar art. 250ter oud is gekwalificeerd, en het tweede lid van artikel voorziet in verhoging van de stafmaat bij medeplegen, dient vermelding van art. 47 onder de aangehaalde wetsartikelen achterwege te blijven.

2 Vgl. HR 9 november 2004, LJN AQ4870, rov. 4.8.2 en HR 1 juni 2004, LJN AO7020, rov. 4.3, in welke zaken de woorden "en/of" in de bewezenverklaring door de Hoge Raad verbeterd werden gelezen als "en". Zie ook HR 29 mei 1990, NJ 1990, 753, rov. 5.3.

3 Zie bijv. HR 27 april 2004, NJ 2004, 494, rov. 3.3. en HR 2 december 2003, LJN AM2520, rov. 6.3. Zie ook HR 2 februari 1988, NJ 1989, 58, rov. 5.1.

4 Zie bijv. HR 2 november 2004, LJN AP4229, rov. 3.3, waarin de Hoge Raad in de bewezenverklaring de woorden "van een opeisbare schuld" inlas, waarvan kennelijk bij vergissing was vrijgesproken en HR 7 september 2004, LJN AP2570, waarin de Hoge Raad in de bewezenverklaring het woord "opzettelijk" inlas, waarvan kennelijk bij vergissing was vrijgesproken. Zie ook HR 3 november 1992, NJ 1993, 196; HR 26 maart 1991, NJ 1991, 612, rov. 8.2 en HR 18 november 1986, NJ 1987, 276, rov. 7.1.

5 Vgl. bijv HR 3 juni 2003, LJN AF5087, rov. 6.3; HR 6 mei 2003, LJN AF1924, rov. 4.4 en HR 4 juni 2002, NJ 2002, 603. Zie ook HR 27 september 1983, NJ 1984, 173, rov. 6.

6 Zie HR 11 maart 2003, LJN AF3338, rov. 3.4.

7 Zie bijv. HR 22 juni 2004, NJ 2004, 442, rov. 3.9; HR 14 september 2004, LJN AP1513, rov. 3.3; HR 30 maart 2004, NJ 2004, 377, rov. 3.2 en HR 4 november 1997, NJ 1998, 177, rov. 6.4.

8 Zie bijv. HR 7 september 2004, LJN AP2570 en HR 14 januari 2003, LJN AE9675, rov. 5.2.

9 Zie bijv. HR 23 december 2003, LJN AL6161, rov. 4.2.1; HR 1 april 2003, NJ 2003, 553, rov. 7 en HR 18 januari 1977, NJ 1977, 538, zie hierover meer in het bijzonder de aantekeningen in Melai/Groenhuijsen op art. 441. De wettelijke opdracht hiertoe kan aan dit wetsartikel worden ontleend.

10 Zie HR 18 september 2001, NJ 2002, 108, rov. 4 (gevangenisstraf bij bewezenverklaarde overtreding gelezen als hechtenis); HR 22 mei 2001, LJN AB1759, rov. 7.3 (opgelegde boete in overeenstemming gebracht met uit strafmotivering blijkende bedoeling hof).

11 Zie bijv. HR 30 mei 1989, NJ 1989, 774, rov. 5.2.

12 Zie bijv. HR 14 oktober 2003, LJN AF8048, rov. 4.6.

13 Zie bijv. HR 20 mei 2003, NJ 2003, 510, rov. 4.2 (ten onrechte niet art. 62 Sr toegepast).

14 Zie bijv. HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 704 (in strijd met art. 359, zevende lid, Sv ongemotiveerde hogere straf (60 uren oatan) dan gevorderd (50 uren oatan) wordt door Hoge Raad zelf teruggebracht "na afweging van alle in aanmerking te nemen belangen, waaronder het belang van een doelmatige rechtspleging" tot de gevorderde straf) en HR 4 februari 1997, NJ 1997, 322 (Hoge Raad vermindert de straf naar aanleiding van het buiten beschouwing laten van een door het hof ten onrechte in de strafoplegging betrokken ad informandum gevoegd feit).

15 Zie bijv. HR 19 november 2002, LJN AE9025, rov. 3.6; HR 22 oktober 2002, LJN AE7634, rov. 3.6.

16 Zie bijv. HR 14 januari 2003, NJ 2003, 127, rov. 4.1.4 en HR 23 juni 1998, NJ 1998, 839, rov. 5.8.

17 Zie bijv. HR 21 maart 2000, NJ 2000, 482, rov. 7 en HR 17 oktober 1995, NJ 1996, 337, rov. 7.7.

18 Zie HR 23 januari 2001, NJ 2001, 182, waarin de Hoge Raad streng stelt dat het herstel in de aanvulling van een vergissing in de hoogte van het ontnemingsbedrag in het verkorte arrest niet is toegestaan, doch waarin de Hoge Raad vervolgens zelf de door het hof beoogde hersteloperatie uitvoert. Zie ook HR 27 juni 2000, NJ 2000, 548, waarin de Hoge Raad een verbetering van de bewezenverklaring in de aanvulling ontoelaatbaar oordeelde, maar deze verbetering vervolgens zelf aanbracht.

19 Zie HR 10 juli 2001, NJ 2001, 604 (hof wees is strijd met art. 421, tweede lid, Sv een hoger bedrag aan materiële schade toe).

20 Zie HR 16 april 2002, LJN AE0038, rov. 3.3.

21 Zie HR 2 december 1980, NJ 1981, 160, rov. 5.

22 Zie HR 12 november 2002, LJN AE9045, rov. 3.2.

23 Zie bijv. HR 29 september 1992, NJ 1993, 222, rov. 6.1.

24 Zie HR 12 september 1978, NJ 1979, 84.

25 Zie bijv. HR 22 mei 2001, NJ 2001, 698, rov. 4.4 en HR 24 oktober 2000, NJ 2001, 33, rov. 4.8-4.9.

26 Zie bijv. HR 30 september 1997, NJ 1998, 104, rov. 4.4 en HR 17 februari 2004, NJ 2004, 323, rov. 3.5.

27 Vgl. bijv. HR 6 juli 2004, NJ 2004, 468, rov. 3.5; HR 6 juli 2004, NJ 2004, 443, rov. 3.4; HR 30 maart 2004, NJ 2004, 521, rov. 3.7.3; HR 5 december 2000, NJ 2001, 82, rov. 4.2.4.

28 Het eerste geluid hoor ik niet onder rechters uit de eerste aanleg, maar het tweede geluid wèl: dat de Hoge Raad niet streng genoeg is voor de gerechtshoven. Wie ervaart dat de behandeling in appèl niet steeds een meerwaarde, maar soms een minderwaarde oplevert ten opzichte van het vonnis in eerste aanleg, kan door dit geluid niet verbaasd zijn.

29 Stb. 1995, 411, inwerking getreden op 2 november 1996, Stb. 1996, 522.

30 Kamerstukken II 1993/94, 23 705, nr. 3, p. 3 (MvT).

31 Kamerstukken II 1993/94, 23 705, nr. 3, p. 3.

32 Kamerstukken II 1993/94, 23 705, nr. 3, p. 3 (MvT) en zie Melai/Groenhuijsen, aant. 3.1-3.5 op art. 359a (suppl. 119). Zie over het achterwege blijven van cassatie bij gebrek aan belang van de verdachte: Van Dorst's Cassatie in strafzaken, Deventer: Tjeenk Willink (2004), onder meer p. 35-37, en P.J.M. van den Bergh, De (toenemende?) rol van het redelijk belang bij de beoordeling van vormverzuimen in de jurisprudentie van de Hoge Raad, in: T.M. Schalken & E.J. Hofstee (red.), In zijn verdediging geschaad, (Remmelink-bundel), Arnhem: Gouda Quint 1989, p. 37-47.

33 Een aardig voorbeeld biedt HR 12 maart 2003, NJ 2002, 448, rov. 5.4, waarin het ontbreken bij de stukken van een door de raadsman overgelegd stuk niet tot nietigheid leidde.

34 Zie bijv. HR 18 november 2003, LJN AJ0533, rov. 4.3; HR 27 juni 2000, NJ 2000, 548, rov. 3.4.

35 Zie HR 26 november 2002, LJN AE8864, rov. 3.3.

36 Zie HR 8 april 2003, LJN AE9231, rov. 6.4.

37 Vgl. HR 22 juni 2004, NJ 2004, 440, rov. 4; HR 14 oktober 2003, LJN AF8048, rov. 4.6 en HR 23 september 2003, NJ 2004, 25.

38 Zie bijv. HR 20 mei 2003, NJ 2003, 510, rov. 4.2.; HR 19 november 2002, LJN AE9025, rov. 3.6.

39 Vgl. bijv. HR 2 november 2004, LJN AQ8770, waarin uit de bewijsmiddelen niet volgde dat aan het ruchtbaarheidsvereiste van art. 261 Sr was voldaan. Ook kan gewezen worden op de recente reeks arresten waarin de Hoge Raad heeft vernietigd wegens gebreken in de aanname door de feitenrechter van aanwezigheid van voorwaardelijk opzet, vgl. bijv. HR 25 maart 2003, NJ 2003, 556, m.nt. YB (bierglas in de wang); HR 25 maart 2003, NJ 2003, 552, m.nt. YB (HIV-1); HR 24 juni 2003, NJ 2003, 555 (HIV-2); HR 28 september 2004, LJN AP4455 (schieten in de grond levert zonder nadere motivering nog geen voorwaardelijk opzet op doodslag op) alsmede op de recente arresten waarin de Hoge Raad meer eisen blijkt te stellen aan de motivering van de verwerping van een beroep op noodweer(exces), vgl. HR 10 februari 2004, NJ 2004, 286, m.nt. YB (ontkenning staat op zichzelf niet aan subsidiair beroep op noodweer in de weg) en aan de vaststelling in dit verband van het bestaan van gelegenheid zich aan een aanranding te onttrekken, vgl. HR 11 juni 2002, NJ 2002, 467 (noodweer in de bus); HR 21 november 2000, NJ 2001, 160, m.nt. JdH (bierglas in de hals als reactie op omklemming); en waarin culpa-in-causa-achtige redeneringen aan banden zijn gelegd, vgl. HR 27 mei 2003, NJ 2003, 512 (meebrengen van illegaal vuurwapen staat op zichzelf niet in de weg aan een succesvol beroep op noodweer(exces)). Zie ook HR 16 november 2004, LJN AR3225: jarenlang als kat en hond samenleven sluit acute noodweersituatie niet uit.

40 Vgl. HR 9 maart 2004, NJ 2004, 263, m.nt. Sch (beletten van vragen aan getuige ontoereikend gemotiveerd); HR 12 maart 2002, NJ 2002, 317, m.nt., Sch. (overzichtsarrest aangaande betekening en aanwezigheidsrecht).

41 Straatsburg zit er niet voor zweetvoeten, afscheidsrede VU, B.E.P. Myjer, Wolf Legal Publishers 2004.

42 Hoe lang komt dezelfde gerenommeerde advocaat nu al niet aanzetten met als enige klacht dat het hof ten onrechte art. 57 Sr niet heeft aangehaald; dit, terwijl de straf (ver) beneden het maximum van het zwaarste delict is gebleven?

43 Genoemd percentage is een zeer ruwe schatting op basis van de uit het Jaarverslag 2003 van de NVvR volgende productie van de strafsectoren van de hoven over 2002 en 2003 (zie www.nvvr.org) en de instroomcijfers in de strafsector van de Hoge Raad over die jaren (zie www.rechtspraak.nl).

44 Op grond van art. 6 EVRM is het uitgesloten dat dezelfde rechter die zich reeds inhoudelijk over de zaak heeft uitgesproken, dezelfde zaak nóg eens mag beoordelen.

45 The mobilization of shame.

46 HR 25 november 2003, LJN AM2544 en LJN AM2547. Omdat het hof onvoldoende tijd had om binnen veertien dagen arrest te wijzen heropende het hof het onderzoek en sloot dit vervolgens weer onmiddellijk, en respondeerde vervolgens niet op het merendeel van de verweren.

47 Lezenswaardig in dit verband is de mooie bijdrage van R.E. de Winter aan het aan B.E.P. Myjer aangeboden Liber amicorum, Kees Lood v. The Netherlands, in: Via Straatsburg, p. 45-48, Wolf Legal Publishers 2004: ook rechters moet een redelijke termijn worden gegund, namelijk om zaken fatsoenlijk te kunnen afdoen.

48 Dit is natuurlijk een vaag woord. Ik bedoel ermee dat àlle aspecten van een zaak in de beoordeling worden betrokken, niet alleen de strikt processuele, maar ook bijvoorbeeld de grootte van het belang (de minimis non curat praetor); en wat men slachtoffers en/of getuigen met een verwijzing van de zaak aan doet.