Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AR6663

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
04-02-2005
Datum publicatie
04-02-2005
Zaaknummer
C03/312HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AR6663
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

4 februari 2005 Eerste Kamer Nr. C03/312HR RM/JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: BOCCHI FRUIT TRADE BENELUX B.V., gevestigd te Bleiswijk, EISERES tot cassatie, advocaat: mr. R.T.R.F. Carli, t e g e n de vennootschap naar Spaans recht IBERIA LINEAS AERAS DE ESPANA SOCIEDAD ANONIMA (SP), gevestigd te Madrid, Spanje, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. R.S. Meijer. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 73
JWB 2005/45
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. C03/312HR

Mr L. Strikwerda

Zt. 26 nov. 2004

conclusie inzake

Bocchi Fruit Trade Benelux B.V.

tegen

Iberia Lineas Aeras de Espana Sociedad Anonima (SP)

Edelhoogachtbaar College,

1. Deze zaak betreft een vordering tot schadevergoeding in verband met internationaal luchtvervoer. Partijen houdt verdeeld of er sprake is geweest van vertraging in de zin van art. 19 van het Verdrag van Warschau (Verdrag van 12 oktober 129, Stb. 1933, 365, zoals gewijzigd bij het Protocol van 's-Gravenhage van 28 september 1955, Trb. 1956, 26 en het Protocol no. 4 van Montreal van 25 september 1975, Trb. 1982, 82).

2. De feiten liggen als volgt (zie r.o. 3 van het arrest van het hof in verbinding met r.o. 1.1 t/m 1.4 van het vonnis van de rechtbank).

(i) Thans verweerster in cassatie, hierna: Iberia, heeft op 20 december 1999 ten vervoer van Buenos Aires, Argentinië, naar Maastricht aangenomen 8.270 kartons druiven. Afzender was Expofrut S.A. te Argentinië. Thans eiseres tot cassatie, hierna: Bocchi, was geadresseerde. Op de desbetreffende Air Way Bill (AWB) met nummer 044-3417-7651 is onder "Airport of Departure (addr. of First Carrier) and Requested Routing" vermeld: Buenos Aires, onder "Airport of Destination": Maastricht en onder "Requested Flight/Date": 9710/20. Op de AWB is vermeld:

"(...) Shipper agrees that the shipment may be carried via intermediate stopping places which the carrier deems appropriate. (...)"

(ii) Onderdeel van de onder (i) aangeduide vervoerovereenkomst waren de IATA Conditions of Contract. Deze houden, voor zover hier van belang, in:

"8(a) Carrier undertakes to complete the carriage hereunder with reasonable dispatch. Carrier may substitute alternate carriers or aircraft and may without notice and with due regard to the interests of the shipper substitute other means of transportation. Carrier is authorized to select the routing or to change or deviate from the routing on the face hereof."

(iii) Iberia heeft de kartons druiven door de lucht vervoerd van Buenos Aires naar Madrid. Op 21 december 1999 kwamen de druiven in Madrid aan.

(iv) Iberia heeft vanuit Madrid 1.119 kartons druiven en 1.689 kartons druiven op 22 december 1999 naar Brussel gevlogen. Verder vervoer naar Maastricht vond plaats per vrachtwagen, waar deze kartons druiven op 23 december 1999 arriveerden. Iberia heeft vanuit Madrid op 24 december 1999 4.360 kartons rechtstreeks door de lucht van Madrid naar Maastricht vervoerd, die daar dezelfde dag aankwamen. Op 26 december 1999 heeft Iberia 650 kartons door de lucht vervoerd van Madrid naar Brussel; verder vervoer naar Maastricht vond plaats per vrachtwagen, waar de kartons op 27 december 1999 aankwamen. Bocchi heeft aan Iberia laten weten te zullen weigeren de 263 kartons druiven die nog niet in Maastricht waren gearriveerd, indien zij nog in Maastricht zouden arriveren, in ontvangst te nemen.

3. Bij dagvaarding van 20 juli 2000 heeft Bocchi Iberia voor de rechtbank te Amsterdam aangesproken tot betaling van schadevergoeding ad f 233.431,81 met rente en kosten. Bocchi heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat Iberia haar verplichting uit de vervoerovereenkomst om de druiven rechtstreeks en tijdig naar Maastricht te vervoeren heeft geschonden. De druiven waren bestemd voor de verkoop via een actie kort voor de kerstdagen door een Duitse supermarktketen. Door de te late levering konden de druiven niet meer in de kerstactie worden verkocht, was de levensduur van de druiven bekort en heeft Bocchi de druiven slechts met aanzienlijke minderwaarde kunnen verkopen. Iberia is voor de schade aansprakelijk op grond van art. 19 van het Verdrag van Warschau. Volgens vast gebruik in de luchtvaart hadden de kartons druiven op 21 december 1999 in Maastricht moeten aankomen en mochten ladingbelanghebbenden ervan uitgaan dat in elk geval binnen twee dagen, derhalve uiterlijk op 22 december 1999, Maastricht zou worden bereikt, aldus Bocchi.

4. Iberia heeft verweer gevoerd tegen de vordering. Zij heeft betwist dat sprake is geweest van vertraging volgens art. 19 van het Verdrag van Warschau. Zij heeft de lading naar Maastricht vervoerd "with reasonable dispatch", zoals vereist volgens art. 8 van de Conditions of Contract. Niet is overeengekomen dat Iberia de druiven rechtstreeks van Buenos Aires naar Maastricht moest vervoeren. Evenmin is een precieze aankomstdatum overeengekomen. Iberia heeft op 13 december 1999 eveneens een lading voor Bocchi van Expofrut S.A. op dezelfde wijze in gedeelten vervoerd. Dat vervoer heeft vier dagen in beslag genomen. Bocchi heeft daar toen geen bezwaar tegen gemaakt en wist dus wat de normale gang van zaken was bij vervoer door Iberia van Buenos Aires naar Maastricht, aldus Iberia.

5. Bij vonnis van 6 maart 2002 (S&S 2002, 99) heeft de rechtbank de vordering van Bocchi afgewezen. Zij heeft overwogen dat een aankomstdatum niet is overeengekomen en dat Bocchi niet heeft gesteld dat Iberia wist dat de kartons druiven bestemd waren voor een kerstactie in Duitse supermarkten (r.o. 5). Voorts heeft de rechtbank overwogen dat Bocchi onvoldoende heeft weersproken de stelling van Iberia dat zij ingevolge de AWB een tussenlanding in Madrid mocht maken en vandaaruit de druiven verder mocht vervoeren naar Maastricht (r.o. 6). Op grond van dit een en ander en in aanmerking genomen dat Iberia niet behoefde te weten dat de zaken die zij op 20 december 1999 ten vervoer in ontvangst nam op grond van de desbetreffende vervoerovereenkomst aanzienlijk sneller moesten worden vervoerd dan de zaken van 13 december 1999, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake geweest van vertraging als bedoeld in art. 19 van het Verdrag van Warschau (r.o. 7).

6. Bocchi is van het vonnis van de rechtbank in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te Amsterdam, doch tevergeefs: bij arrest van 22 mei 2003 (S&S 2004, 11) heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

7. Naar 's hofs oordeel kan een verplichting van Iberia tot rechtstreeks vervoer van Buenos Aires naar Maastricht niet worden aangenomen (r.o. 4.5). Het hof heeft daartoe overwogen:

"4.4 Op de AWB is onder 'Airport of Destination' vermeld: Maastricht. Anders dan Bocchi meent, volgt daaruit niet dat een rechtstreekse vlucht van Buenos Aires naar Maastricht is overeengekomen, en al helemaal niet dat dit een essentieel onderdeel van de vervoersovereenkomst vormde. De AWB houdt immers in 'the shipment may be carried via intermediate stopping places'. Daarbij komt dat onder 'Requested Flight/Date' op de AWB is vermeld: 9710/20. Het nummer 9710 is het vaste vluchtnummer voor de vlucht van Buenos Aires naar Madrid (en 20 heeft betrekking op de datum waarop die vlucht wordt uitgevoerd, in dit geval 20 december 1999). Dat op de AWB slechts één vluchtnummer is genoemd en dat vermelding van een tussenlanding ontbreekt, doet hieraan niet af.

4.5 De omstandigheid dat het een zeer grote hoeveelheid druiven betrof is onvoldoende om aan te nemen dat een rechtstreekse vlucht van Buenos Aires naar Maastricht is bedongen. Uit het verschil tussen luchtvrachtkosten en de kosten van zeevervoer kan zo'n beding evenmin worden afgeleid. (...)."

Voorts kan naar 's hofs oordeel niet worden aangenomen dat Iberia verplicht was de lading uiterlijk op 22 december 1999 in Maastricht uit te leveren. Daartoe heeft het hof als volgt overwogen:

"4.6 (...). Ingevolge artikel 11 lid 1 van het toepasselijke Verdrag van Warschau (...) levert de luchtvrachtbrief bewijs op van de voorwaarden van het vervoer, behoudens tegenbewijs.

4.7 Bij gebreke aan een expliciet in de AWB vermelde aankomstdatum, moet aanknoping worden gezocht bij de toepasselijke en op de achterzijde van de AWB weergegeven Conditions of Contract, waarvan artikel 8.1 inhoudt (voor zover van belang):

'Carrier undertakes to complete the carriage hereunder with reasonable dispatch.'

Het hof overweegt dat het hierbij gaat om naar omstandigheden als behoorlijk aan te merken spoed."

Tot de hier bedoelde omstandigheden zijn naar 's hofs oordeel te rekenen "de aard van de te vervoeren zaken" (r.o. 4.8) en "de voor soortgelijke zaken gebruikelijke vervoerstermijn" (r.o. 4.9). Wat de eerst bedoelde omstandigheid betreft, heeft het hof overwogen:

"4.8 (...). Indien bederfelijke waar wordt vervoerd is de termijn, waarbinnen die waar met het oog op zijn levensduur nog verhandelbaar is, mede bepalend voor de spoed waarmee vervoerd moet worden.

4.9 Vast staat dat delen van de partij op 23 december, op 24 december en op 27 december te Maastricht aankwamen. Bocchi heeft die druiven verkocht en niet is gesteld of gebleken dat de verhandelbaarheid van die druiven in verband met hun levensduur was verminderd. Al eerder, op 13 december 1999, heeft Iberia druiven voor Bocchi vervoerd van Buenos Aires naar Maastricht. Die druiven kwamen op 17 december 1999 te Maastricht aan. Bij die gelegenheid heeft Bocchi niet geprotesteerd tegen een vervoerstermijn van vier dagen, zodat het er voor moet worden gehouden dat ook toen de verhandelbaarheid in verband met de levensduur niet negatief was beïnvloed."

Wat de andere omstandigheid betreft, heeft het hof overwogen dat Bocchi zich erop beroept en te bewijzen aanbiedt dat naar vast gebruik in het luchtvervoer de maximale transportduur twee dagen bedraagt (r.o. 4.11). De door Bocchi in dit verband overgelegde verklaring van [betrokkene 1] is naar het oordeel van het hof evenwel onvoldoende om te komen tot de conclusie dat overschrijding van een termijn van twee dagen in strijd zou zijn met de in art. 8 Condities voorgeschreven bekwame spoed (r.o. 4.12). Voorts heeft het hof overwogen:

"4.13 Voorts moet worden onderzocht of sprake is van de in artikel 11 [Verdrag van Warschau] bedoelde situatie 'behoudens tegenbewijs'. Het hof zal Bocchi's stellingen als een beroep daarop begrijpen. Uit het aanvangen in oktober 1999 van de onderhandelingen kan geen expliciete, van de voorwaarden van de AWB afwijkende, afspraak over een aankomstdatum worden afgeleid.

4.14 Uit de stellingen van Bocchi vloeit verder voort dat zij wilde profiteren van een bijzondere situatie die zich vlak voor kerstmis voordoet, zowel wat betreft de verkoopprijzen van druiven als voor wat betreft de omzetten, die volgens Bocchi van algemene bekendheid is. Bocchi wijst er op dat het voor tijdige distributie nodig was dat de druiven uiterlijk op 22 december vroeg arriveerden zodat consumenten voor kerstmis nog drie dagen gelegenheid zouden hebben ze te kopen. Niet valt echter in te zien waarom Iberia, die door Bocchi niet op de hoogte was gesteld van deze omstandigheden, had moeten begrijpen dat de druiven uiterlijk op 22 december te Maastricht moesten arriveren. Van een luchtvervoerder - ook een professionele luchtvervoerder van bederfelijke waar - kan immers niet worden verwacht dat hij rekening houdt met alle mogelijke, de ladingbelanghebbende betreffende, commerciële motieven en bedrijfsmatige aspecten. Ook uit dit betoog van Bocchi valt niet af te leiden dat tussen partijen een bijzondere, niet in de AWB vastgelegde, vervoerstermijn gold."

Ten slotte heeft het hof overwogen dat de grief van Bocchi tegen het oordeel van de rechtbank dat Iberia niet behoefde te weten dat de zaken die zij op 20 december 1999 ten vervoer in ontvangst nam sneller moesten worden vervoerd dan de zaken van 13 december 1999, geen doel treft (r.o. 4.16):

"Immers, Bocchi heeft geen bezwaar gemaakt tegen de wijze waarop de vlucht van 13 december 1999 is uitgevoerd en Iberia hoefde, zoals hiervoor onder 4.14 is overwogen, niet te begrijpen dat Bocchi op 20 december 1999 van een bijzondere situatie wilde profiteren."

8. Bocchi is tegen het arrest van het hof (tijdig) in cassatie gekomen met drie middelen die door Iberia zijn bestreden met conclusie tot verwerping.

9. Middel 1 keert zich tegen het oordeel van het hof dat een verplichting van Iberia tot rechtstreeks vervoer van Buenos Aires naar Maastricht niet kan worden aangenomen, alsook tegen het oordeel van het hof dat niet kan worden aangenomen dat Iberia verplicht was de lading uiterlijk op 22 december 1999 in Maastricht uit te leveren. Het middel verwijt het hof ofwel deze oordelen te hebben gegrond op overwegingen die niet zijn terug te voeren op door Bocchi aangevoerde bezwaren tegen het vonnis van de rechtbank, ofwel wezenlijke stellingen van Bocchi onbehandeld te hebben gelaten, althans zijn oordelen niet naar behoren te hebben gemotiveerd. Deze algemene klacht wordt uitgewerkt in zes onderdelen.

10. Onderdeel 1.a klaagt over een tegenstrijdigheid in het bestreden arrest, nu het hof zou hebben aangenomen dat er twee verschillende "destinations" bestaan, te weten Maastricht en Madrid.

11. Het onderdeel faalt. Het hof heeft met betrekking tot de tussen partijen omstreden vraag of op Iberia een verplichting rustte tot rechtstreeks vervoer van Buenos Aires naar Maastricht geoordeeld dat op de AWB onder "Airport of Destination" weliswaar Maastricht staat vermeld, maar dat hieruit, anders dan Bocchi meent, niet volgt dat een rechtstreekse vlucht van Buenos Aires naar Maastricht is overeengekomen. In dit verband heeft het hof van belang geacht dat de AWB bepaalt dat "the shipment may be carried via intermediate stopping places", en dat onder "Requested Flight/Date" op de AWB als vluchtnummer het vaste vluchtnummer voor de vlucht van Buenos Aires naar Madrid (9710) is vermeld. Het hof heeft dus niet geoordeeld dat zowel Madrid als Maastricht als "destination" gold, doch heeft geoordeeld dat Maastricht als "destination" gold, terwijl uit de AWB volgt dat Iberia gerechtigd was het vervoer naar Maastricht via tussenstops (in Madrid) uit te voeren. Van een tegenstrijdigheid is geen sprake.

12. Uit het vorenstaande volgt dat ook onderdeel 1.b faalt. Het mist feitelijke grondslag. Het hof heeft niet geoordeeld dat Madrid als "destination" onder de vervoerovereenkomst gold, doch slechts dat Iberia onder de bepalingen van de AWB gerechtigd was een tussenstop in Madrid te maken.

13. Onderdeel 1.c neemt tot uitgangspunt dat het hof inderdaad heeft kunnen oordelen dat Iberia gerechtigd was een tussenstop te maken in Madrid en de druiven vervolgens door te vervoeren naar Maastricht. In dat geval is echter onduidelijk, zo betoogt het onderdeel, welke gedachtengang het hof heeft geleid tot het oordeel dat het Iberia vrijstond om alleen maar naar Madrid te vliegen en het traject van Madrid naar Maastricht te laten overbruggen op de drie manieren waarop dat in feite geschiedde.

14. Het onderdeel zal niet tot cassatie kunnen leiden. Het verliest uit het oog dat het hof - onbestreden in cassatie - is uitgegaan van het door de rechtbank vastgestelde feit dat in art. 8 van de op de vervoerovereenkomst toepasselijke Conditions of Contract onder meer is bepaald dat "carrier may substitute alternate carriers or aircraft and may without notice and with due regard to the interests of the shipper substitute other means of transportation" en dat "carrier is authorized to select the routing". Tegen deze achtergrond is, ook zonder nadere motivering, door het hof voldoende duidelijk gemaakt waarom het heeft geoordeeld dat Iberia haar uit de vervoerovereenkomst voortvloeiende verplichtingen niet heeft geschonden door de druiven eerst naar Madrid te vliegen en het traject van Madrid naar Maastricht te overbruggen op de manieren waarop dit in feite geschiedde. Voor zover het onderdeel voorts wil betogen dat het hof niet heeft duidelijk gemaakt hoe dit valt te rijmen met "de voor het luchtvervoerrecht cruciale hoge vervoerssnelheid", verliest het uit het oog dat het hof in r.o. 4.7 e.v. de vraag heeft onderzocht of Iberia naar omstandigheden als behoorlijk aan te merken spoed in acht heeft genomen, om deze vraag met redenen omkleed bevestigend te beantwoorden. Het hof heeft daarmee voldoende inzicht gegeven in zijn gedachtengang.

15. Onderdeel 1.d bevat de klacht dat het hof in r.o. 4.4 ten onrechte heeft geoordeeld dat Bocchi uitsluitend op grond van de in de AWB genoemde "airport of destination" heeft gemeend dat een rechtstreekse vlucht van Buenos Aires naar Maastricht werd overeengekomen. Bocchi heeft immers, zo stelt het onderdeel, haar door het hof bedoelde standpunt gebaseerd op de totstandgekomen vervoerovereenkomst en op het gezamenlijk effect van de samenhangende omstandigheden van het geval. Aldus zou het hof een onverklaarbare reductie hebben toegepast op de stellingen van Bocchi.

16. Het onderdeel berust op een verkeerde lezing van de gewraakte overweging van het hof. Het hof heeft zich bij zijn onderzoek van de stelling van Bocchi dat een rechtstreekse vlucht van Buenos Aires naar Maastricht is overeengekomen, niet uitsluitend beperkt tot de vraag welke "airport of destination" op de AWB staat vermeld, doch heeft - in r.o. 4.5 - tevens andere in dit verband door Bocchi aangevoerde omstandigheden (omvang van de lading; verschil tussen luchtvrachtkosten en kosten van zeevervoer) in zijn onderzoek betrokken.

17. Onderdeel 1.f klaagt dat het hof in r.o. 4.5 bij zijn beoordeling van de vraag of een rechtstreekse vlucht van Buenos Aires naar Maastricht is overeengekomen slechts acht heeft geslagen op een geïsoleerde omstandigheid, te weten de omvang van de lading, en voorts het in het vervoerrecht bekende verschil tussen de luchtvrachtkosten en de kosten van vervoer per schip verkeerd heeft begrepen door het niet te bezien in samenhang met de omstandigheid dat de luchtvervoerder de gelegenheid heeft een hoge vracht in rekening te brengen, juist omdat snel wordt uitgeleverd.

18. Het hof heeft bij zijn beoordeling van de vraag of een rechtstreekse vlucht van Buenos Aires naar Maastricht is overeengekomen, waarde gehecht aan het op de AWB vermelde vluchtnummer en aan de omstandigheid dat de AWB vermeldt dat "the shipment may be carried via intermediate stopping places". De klacht dat het hof bij zijn beoordeling slechts acht heeft geslagen op de omvang van de lading, mist derhalve feitelijke grondslag.

19. Het hof heeft het feit dat luchtvervoer duurder is dan zeevervoer onvoldoende geacht om daaruit af te leiden dat een rechtstreekse vlucht van Buenos Aires naar Maastricht is overeengekomen. Het bestreden arrest biedt geen aanknopingspunten voor de veronderstelling dat het hof daarbij heeft miskend dat de luchtvervoerder gezien de snelheid van luchtvervoer in de gelegenheid is een hogere vracht in rekening te brengen dan de zeevervoerder. Uit de overwegingen in r.o. 4.7 e.v., die uitmonden in het oordeel dat Iberia als luchtvervoerder de naar omstandigheden als behoorlijk aan te merken spoed in acht heeft genomen, blijkt dat het hof zich rekenschap heeft gegeven van het feit dat van de luchtvervoerder, ook indien partijen daaromtrent niets zijn overeengekomen, bekwame spoed in de uitvoering van het vervoer kan worden gevergd. Ook de klacht dat het hof het in het vervoerrecht bekende verschil tussen de luchtvrachtkosten en de kosten van vervoer per schip verkeerd heeft begrepen door het niet te bezien in samenhang met de omstandigheid dat de luchtvervoerder de gelegenheid heeft een hoge vracht in rekening te brengen, juist omdat snel wordt afgeleverd, mist derhalve feitelijke grondslag.

20. Onderdeel 1.f verwijt het hof in r.o. 4.6 t/m 4.15 geen (duidelijk) antwoord te hebben gegeven op de vraag of de lading op 22 december 1999 dan wel op een andere datum had moeten aankomen. Voorts wordt het hof verweten dat het, door impliciet te oordelen dat Iberia de lading mocht afleveren zoals zij heeft gedaan, heeft miskend dat het de gewoonte is dat bij luchtvervoerovereenkomsten eerder in uren dan in dagen wordt gerekend. De afwijzing van het bewijsaanbod van Bocchi kan niet worden gedragen door de daartoe door het hof gegeven reden, aldus het onderdeel.

21. Het hof heeft - in r.o. 4.7 - tot uitgangspunt genomen dat, in aanmerking genomen dat in de AWB geen aankomstdatum is opgenomen en gezien het bepaalde in art. 8 van de Conditions of Contract, het ervoor gehouden moet worden dat de lading vervoerd moet worden met naar omstandigheden als behoorlijk aan te merken spoed. Dit uitgangspunt getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Zie I. Koller, Transportrecht, 4. Aufl. 2000, Art. 19 WA 1955, Rz. 6; J. Basedow, red., Münchener Kommentar zum Handelsgesetzbuch, Band 7, Transportrecht, 1997, Art. 19 WA 1955, RdNr. 16 (H. Kronke). Bij de beoordeling van de vraag wat als behoorlijk aan te merken spoed heeft te gelden, speelt onder meer een rol wat partijen van elkaar mogen verwachten. Zie Kronke t.a.p. Een factor die daarbij in aanmerking mag worden genomen is de tijdsduur die eerder door de luchtvervoerder voor deze wederpartij verricht soortgelijk vervoer in beslag heeft genomen. Zie L.B. Goldhirsch, The Warsaw Convention Annotated: A Legal Handbook, 2nd ed. 2000, blz. 101. Van vertraging is dan sprake wanneer de termijn die gewoonlijk voor vergelijkbaar vervoer is gehanteerd, duidelijk is overschreden ("substantially exceeded"). Zie Giemulla/Schmid, Ed., Warsaw Convention, Art. 19, para. 6 (R. Schmid) onder verwijzing naar K. Grönfors, The Concept of Delay in Transportation Law, European Transport Law, 1974, blz. 412. De door het middel verdedigde opvatting dat het de gewoonte is dat bij luchtvervoerovereenkomsten eerder in uren dan in dagen wordt gerekend, kan derhalve in haar algemeenheid niet als juist worden aanvaard.

22. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hof niet een onjuiste maatstaf heeft aangelegd door bij de beoordeling van de vraag of sprake is geweest van vertraging in de zin van art. 19 van het Verdrag van Warschau rekening te houden met de tijd (vier dagen) die met het onderhavige vervoer vergelijkbaar, door Iberia eerder verricht vervoer voor Bocchi in beslag heeft genomen. Het oordeel van het hof is ook niet onbegrijpelijk; de tijd die het onderhavige vervoer in beslag heeft genomen, verschilt niet duidelijk van de tijd die het vervoer van 13 december 1999 in beslag nam.

23. Nu het hof tot het oordeel is kunnen komen dat in het onderhavige geval, gelet op de tijdsduur van het eerder verrichte soortgelijke vervoer, het vervoer tijdig is geschied, is onjuist noch onbegrijpelijk dat het hof het bewijsaanbod van Bocchi dat de transportduur naar vast gebruik maximaal twee dagen mag bedragen, als niet ter zake dienend heeft gepasseerd.

24. Middel 1 is, zo volgt, tevergeefs voorgesteld.

25. Middel 2 keert zich in vijf onderdelen tegen de gronden waarop het hof tot het oordeel is gekomen dat niet kan worden aangenomen dat Iberia verplicht was de lading uiterlijk op 22 december 1999 in Maastricht uit te leveren, alsmede - naar ik begrijp - tegen het oordeel van het hof dat, nu van vertraging in de zin van art. 19 van het Verdrag van Warschau geen sprake is, Iberia niet aansprakelijk kan worden gehouden voor de door Bocchi gestelde schade.

26. Onderdeel 2.a klaagt dat het hof - in r.o. 4.9 - blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting van het begrip schade als bedoeld in art. 19 van het Verdrag van Warschau, doordat het heeft miskend dat ook een lading die onbeschadigd is een lagere waarde kan vertegenwoordigen indien zij niet tijdig - in dit geval: met het oog op de kerstdagen - wordt uitgeleverd.

27. Het onderdeel faalt. Het verliest uit het oog dat het hof heeft geoordeeld en ook heeft kunnen oordelen dat Iberia tijdig heeft uitgeleverd. Op de vraag op vergoeding van welke schade Bocchi aanspraak zou hebben kunnen maken, indien wel sprake zou zijn geweest van vertraging in de zin van art. 19 van het Verdrag van Warschau, is het hof derhalve niet ingegaan en behoefde het ook niet in te gaan.

28. Onderdeel 2.b herhaalt in andere woorden de klachten van onderdeel 1.f. Het faalt op de gronden waarop onderdeel 1.f faalt.

29. Onderdeel 2.c keert zich tegen het oordeel van het hof - in r.o. 4.13 - dat uit het aanvangen in oktober 1999 van de onderhandelingen geen expliciete, van de voorwaarden van de AWB afwijkende, afspraak over een aankomstdatum kan worden afgeleid. Het onderdeel strekt ten betoge dat het hof niet tot dit oordeel had mogen komen, zonder eerst Bocchi toe te laten tot het aangeboden getuigenbewijs.

30. Het onderdeel kan niet tot cassatie leiden omdat het niet voldoet aan de ingevolge art. 407 lid 2 Rv aan een cassatieklacht te stellen eisen. Het onderdeel geeft niet aan op welk bewijsaanbod van Bocchi wordt gedoeld, terwijl ook de vindplaats van dit bewijsaanbod in de gedingstukken niet wordt vermeld.

31. Onderdeel 2.d neemt stelling tegen de verwerping door het hof - in r.o. 4.14 - van de stelling van Bocchi dat Iberia had moeten begrijpen dat de druiven in verband met de aanstaande kerstdagen uiterlijk op 22 december te Maastricht hadden moeten arriveren. Het hof wordt verweten niet te hebben gereageerd op het betoog van Bocchi dat - kort gezegd - ongeloofwaardig is dat een vervoerder niet zou weten dat in de periode voor de kerstdagen een extra hoge graad van spoedeisendheid kan worden gevergd. Voorts zou het hof zijn uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting van het begrip "omstandigheid van algemene bekendheid" in de zin van art. 149 lid 2 Rv, althans zijn arrest op dit punt niet naar behoren hebben gemotiveerd.

32. De eerstbedoelde klacht van het onderdeel faalt. Het mist feitelijke grondslag. Het hof heeft op het door het onderdeel bedoelde betoog van Bocchi gereageerd in r.o. 4.14 en overwogen dat niet valt in te zien waarom Iberia, die door Bocchi niet op de hoogte was gesteld van het feit dat het voor tijdige distributie nodig was dat de druiven uiterlijk op 22 december vroeg arriveerden zodat consumenten voor kerstmis nog drie dagen gelegenheid zouden hebben ze te kopen, had moeten begrijpen dat de druiven uiterlijk op 22 december te Maastricht moesten arriveren.

33. Ook de laatstbedoelde klacht kan geen doel treffen. Aangenomen dat de regel van art. 149 lid 2 Rv in het kader van het in art. 11 van het Verdrag van Warschau bedoelde tegenbewijs tot toepassing kan worden gebracht, verliest het onderdeel uit het oog dat het hof - onbestreden in cassatie - heeft overwogen dat de door Bocchi bedoelde omstandigheid behoort tot de ladingbelanghebbende betreffende commerciële motieven en bedrijfsmatige aspecten, en dat van een luchtvervoerder - ook een professionele luchtvervoerder van bederfelijke waar - niet worden verwacht dat hij daarmee rekening houdt, zonder dat daarover afspraken zijn gemaakt. Tegen deze achtergrond is onjuist noch onbegrijpelijk het oordeel van het hof dat het door Bocchi gestelde feit van algemene bekendheid, wat daar verder ook van zij, niet meebrengt dat Iberia, zonder dat in de AWB een vervoertermijn was vastgelegd, gehouden was de druiven uiterlijk op 22 december te Maastricht uit te leveren.

34. Onderdeel 2.e klaagt erover dat het hof niet de stelling van Bocchi heeft behandeld dat de lading de facto niet in Maastricht, maar in Madrid werd gelost.

35. Het onderdeel strandt op gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft - in r.o. 4.4 - tot uitgangspunt genomen dat op grond van de vervoerovereenkomst Maastricht als eindbestemming heeft te gelden en dat Madrid heeft te gelden als een plaats waar Iberia een tussenlanding heeft gemaakt en ook mocht maken, terwijl het hof - in r.o. 4.9 - ten aanzien van de vraag of sprake is geweest van vertraging in de zin van art. 19 van het Verdrag van Warschau de tijdstippen waarop de druiven in Maastricht aankwamen beslissend heeft geoordeeld. Daarin ligt besloten dat naar 's hofs oordeel de druiven niet - ook niet de facto - in Madrid zijn gelost, maar in Maastricht.

36. De slotsom is dat ook middel 2 niet tot cassatie zal kunnen leiden.

37. Middel 3 neemt stelling tegen het oordeel van het hof - in r.o. 4.16 - dat Bocchi niet mocht klagen over het onderhavige geval, omdat Bocchi ook niet geklaagd heeft over een situatie welke zich twee weken eerder had afgespeeld. Het middel acht dit oordeel onjuist en onbegrijpelijk.

38. De rechtsklacht is ongegrond. Voor zover het middel zich erop beroept dat het hof een regel heeft toegepast die het Nederlandse recht niet kent, ziet het eraan voorbij dat de vraag of Iberia geacht kan worden tijdig te hebben uitgeleverd, niet wordt beheerst door Nederlands recht maar door de bepalingen van het Verdrag van Warschau. Overigens is het oordeel van het hof niet onjuist. Zoals hierboven onder 21 is aangetekend heeft het hof niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door bij de beoordeling van de vraag wat als behoorlijk aan te merken spoed heeft te gelden, in aanmerking te nemen wat partijen van elkaar mogen verwachten en in dit verband van belang te oordelen welke tijdsduur eerder door de luchtvervoerder voor deze wederpartij verricht soortgelijk vervoer in beslag heeft genomen.

39. De motiveringsklacht faalt omdat zij niet voldoet aan de ingevolge art. 407 lid 2 Rv aan een cassatieklacht te stellen eisen. Het middel geeft niet aan waarom het oordeel van het hof onbegrijpelijk is. Voor zover het middel wil betogen dat het hof had behoren aan te geven waarom de door het hof toegepaste regel "tot norm verheven kon worden", ziet het eraan voorbij dat tegen een rechtsbeslissing in cassatie niet met motiveringsklachten kan worden opgekomen.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,