Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AR6661

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
04-02-2005
Datum publicatie
04-02-2005
Zaaknummer
C03/305HR
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSGR:2002:AE1912
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AR6661
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

4 februari 2005 Eerste Kamer Nr. C03/305HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: DE GEMEENTE NOORDWIJKERHOUT, gevestigd te Noordwijkerhout, EISERES tot cassatie, advocaat: mr. M.E. Gelpke, t e g e n WONINGSTICHTING SINT ANTONIUS VAN PADUA, gevestigd te Noordwijkerhout, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. E. Grabandt. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 72
JWB 2005/49
Verrijkte uitspraak

Conclusie

C03/305HR

Mr. F.F. Langemeijer

Zitting 26 november 2004

Conclusie inzake:

Gemeente Noordwijkerhout

tegen

Woningstichting St. Antonius van Padua

In deze zaak gaat het om de vraag of de gemeente jegens de woningstichting aansprakelijk is voor het derven van subsidie op grond van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende(1):

1.1.1. In 1991 heeft eiseres in cassatie (hierna: de Gemeente) op verzoek van verweerster in cassatie (hierna: de Stichting) op de voet van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 (hierna: de Regeling) aan de Stichting een subsidie verleend van f 765.127,- voor het uitvoeren van groot onderhoud aan 50 van haar huurwoningen in de wijk Guldemond te Noordwijkerhout(2).

1.1.2. Een van de voorwaarden voor subsidieverlening was dat de Gemeente van het Rijk geldelijke steun tot een gelijke omvang zou ontvangen. Deze steun werd weliswaar aan de Gemeente toegezegd, maar tot volledige uitbetaling aan de Gemeente - en doorbetaling aan de Stichting - van het bedrag van f 765.127,- is het niet gekomen omdat het Rijk (de staatssecretaris van VROM) een korting van f 385.064,- heeft toegepast op de toegezegde subsidie wegens te late gereedmelding van het project.

1.1.3. De gereedmelding diende in principe op 1 september 1994 te zijn ontvangen, maar is pas medio januari 1995 bij VROM binnengekomen.

1.1.4. De staatssecretaris had de Gemeente bij brief van 13 april 1994 reeds op de datum 1 september 1994 attent gemaakt, haar medegedeeld dat niet-tijdige indiening van de gereedmelding tot intrekking van de toegekende subsidie zou leiden en haar gewezen op de mogelijkheid vóór 1 juli 1994 door middel van een gemotiveerd verzoekschrift ontheffing van de termijn van 1 september 1994 aan te vragen. Het is buiten geschil dat de Gemeente deze brief niet (in afschrift) heeft doorgezonden aan de Stichting.

1.2. Bij inleidende dagvaarding d.d. 16 mei 1997 heeft de Stichting de Gemeente gedagvaard voor de rechtbank te 's-Gravenhage. Zij heeft gesteld dat de Gemeente onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door haar niet in kennis te stellen van de bovengenoemde brief van 13 april 1994, als gevolg waarvan de gereedmelding niet tijdig bij VROM is ingediend en de gemeente en uiteindelijk de Stichting niet de volledige subsidie hebben ontvangen(3). De Stichting heeft een schadevergoeding van f 385.064,- gevorderd, te vermeerderen met f 10.000,- incassokosten en de wettelijke rente.

1.3. De Gemeente heeft zich primair verweerd met de stelling dat zij de Stichting tijdig (telefonisch) op de hoogte heeft gesteld van de inhoud van de brief van 13 april 1994. De Gemeente meent dat zij met een telefonische mededeling mocht volstaan, mede gezien de specialistische kennis die bij de Stichting omtrent dit soort subsidiekwesties mocht worden verondersteld(4). In haar eindvonnis, rov. 2.6, heeft de rechtbank in de stellingen van de Gemeente tevens het "deelverweer" gelezen dat de Stichting ook zónder de informatie van de Gemeente bedacht had moeten te zijn op het verstrijken van de termijn op 1 september 1994 en op de gevolgen van een overschrijding en dat, nu de Stichting kennelijk daarop niet bedacht is geweest, de gevolgen niet ten laste van de Gemeente kunnen worden gebracht. Subsidiair heeft de Gemeente aangevoerd dat de gevorderde schadevergoeding slechts toewijsbaar kan zijn tot een bedrag van f 148.025,- omdat, kort gezegd, door een aan de Stichting toerekenbare omstandigheid de gereedmelding niet al in oktober 1994 naar het ministerie van VROM is gezonden, hetgeen drie maanden strafkorting zou hebben gescheeld.

1.4. De rechtbank heeft in een tussenvonnis van 9 december 1998 voorop gesteld dat van de Gemeente een hoge mate van zorgvuldigheid mocht worden verwacht (rov. 5.2 Rb). Vervolgens heeft de rechtbank de Gemeente toegelaten feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit blijkt dat de Stichting tijdig door tussenkomst van de Gemeente kennis droeg van de inhoud van de brief van 13 april 1994(5), meer in het bijzonder van de eis van het indienen van de gereedmelding vóór 1 september 1994 en de nadelige consequenties van het niet halen van de deadline, c.q. kennis droeg van de mogelijkheid gemotiveerd uitstel te vragen voor het later indienen van de gereedmelding. Tevens liet de rechtbank de Gemeente toe feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit volgt dat de Gemeente ervan mocht uitgaan dat zij met een telefonische mededeling kon volstaan.

1.5. Na getuigenverhoren heeft de rechtbank bij eindvonnis van 2 februari 2000 het verlangde bewijs niet geleverd geacht, het primaire en het subsidiaire verweer verworpen en de vordering toegewezen.

1.6. De Gemeente heeft tegen het tussenvonnis en tegen het eindvonnis hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. Bij tussenarrest van 21 maart 2002 heeft het hof eerst grief 1 besproken, inhoudende dat de rechtbank heeft miskend dat het sanctiebeleid van VROM niet slechts kenbaar is gemaakt in de bewuste brief van 13 april 1994, maar tevens in gepubliceerde circulaires, met name in Circulaire MG 94-28 d.d. 22 juni 1994 en een daarnaar verwijzende "werkwijzer" van het NCIV (een koepelorganisatie van woningstichtingen) d.d. 29 juni 1994. De Gemeente leidde hieruit af dat de Stichting met een en ander bekend moet zijn geweest. In rov. 6 verwierp het hof deze grief.

1.7. Na ook de andere grief tegen de bewijsopdracht en de grief tegen de bewijswaardering in het eindvonnis te hebben verworpen, heeft het hof het subsidiaire verweer, dat de vordering slechts tot f 148.025,- toewijsbaar is, besproken (rov. 9-10). Het hof heeft hieromtrent een comparitie van partijen gelast tot het geven van inlichtingen, met name over de vraag hoeveel tijd de accountant van de Stichting nodig zou hebben gehad wanneer hem om een spoedbehandeling zou zijn verzocht.

1.8. Bij eindarrest van 7 augustus 2003 heeft het hof ook het subsidiaire verweer verworpen (rov. 2 - 12). Omdat partijen inmiddels tot overeenstemming waren gekomen over de hoogte van de mede gevorderde buitengerechtelijke kosten, heeft het hof het tussenvonnis van de rechtbank bekrachtigd en het eindvonnis alleen vernietigd met betrekking tot de hoogte van het dienaangaande toegewezen bedrag en voor het overige bekrachtigd.

1.9. De Gemeente heeft - tijdig - cassatieberoep ingesteld tegen het tussenarrest en tegen het eindarrest. De Stichting heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk laten toelichten; namens de Gemeente is, bij wijze van repliek, een aanvullende schriftelijke toelichting gegeven.

2. Inleidende beschouwingen

2.1. De Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 diende ter uitvoering van het Besluit geldelijke steun volkshuisvesting (Stb. 1976, 472), dat op zijn beurt strekte tot uitvoering van de Woningwet 1962(6). Uit de toelichting op de art. 60-64 Woningwet 1962:

"Aan het ontwerp ligt, evenals aan de bestaande wet, de gedachte ten grondslag, dat de volkshuisvesting in de eerste plaats gemeentezorg is. Daarom gaat in de rij der financiële bepalingen de regeling van de steun van gemeentewege voorop. Deze artikelen geven een opsomming van de maatregelen die ter vervulling van deze taak door de gemeenten zullen kunnen worden genomen. Het is voor deze maatregelen dat de gemeenten krachtens art. 67 van Rijkswege geldelijke steun kunnen ontvangen. De mate waarin en de voorwaarden waaronder zowel de gemeentelijke steun als de steun van Rijkswege aan de gemeenten wordt verleend, wordt geregeld in de a.m.v.b. bedoeld in art. 72"(7).

Deze algemene maatregel van bestuur is het zojuist genoemde Besluit geldelijke steun volkshuisvesting waarop de Regeling is gebaseerd. In de toelichting op de Regeling staat onder I.1: "Wellicht ten overvloede wordt opgemerkt, dat derden, niet zijnde gemeenten, geen beroep kunnen doen op de rijksregeling".

2.2. Art. 47 van de Regeling bepaalt, voor zover voor dit geding relevant(8):

"1. Er wordt slechts een bijdrage in de kosten van de voorzieningen verstrekt, indien:

a. de aanvraag om verstrekking van een dergelijke bijdrage overeenkomstig artikel 45 is ingediend voor 1 september van het jaar, dat drie jaar ligt na het jaar waarin het besluit tot het in aanmerking brengen van het plan voor verstrekking van een dergelijke bijdrage is genomen, of

b. (...)

2. (...)

3. (...)

4. De minister kan de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde termijn verlengen op een vóór het verstrijken van die termijn ingediend, gemotiveerd verzoek."

Het genoemde artikel 45 legt de verantwoordelijkheid voor het indienen van de aanvraag om verstrekking van de rijksbijdrage bij het college van burgemeester en wethouders. Uit het tweede lid van art. 45 in verbinding met art. 46 volgt dat deze aanvraag moet zijn vergezeld van, onder meer, een door het gemeentebestuur goedgekeurde opgave van de gemaakte kosten die aan bepaalde eisen moet voldoen.

2.3. De toelichting op art. 47 van de Regeling houdt onder VII.2 in, voor zover van belang voor dit geschil:

"Nadat de werkzaamheden door de verhuurder bij de gemeente zijn gereedgemeld en hij tevens een aanvraag om uitbetaling van de hem verleende gemeentelijke subsidie heeft ingediend, zal de gemeente moeten controleren of de werkzaamheden overeenkomstig het destijds ingediende, en door de gemeente goedgekeurde, plan zijn verricht. Tevens dient de gemeente zich aan de hand van de rekeningen en betalingsbewijzen ervan te vergewissen, dat de opgegeven kosten de werkelijk gemaakte kosten zijn (zie art. 47, tweede lid, onder b). Indien dit het geval is, kan de gemeente het rijk om uitbetaling van de rijkssteun vragen. (...) Hierbij wordt aangetekend, dat een aanvraag om uitbetaling van (het restant van) de rijksbijdrage per plan uiterlijk bij de HID moet zijn binnengekomen vóór 1 september van het jaar dat drie jaar ligt na het jaar waarin voor het plan een planbeschikking c.q. in aanmerkingkomingsbesluit is afgegeven (zie artikel 47, eerste lid). Indien dat tijdstip wordt overschreden, zal in beginsel niet tot uitbetaling van de restant bijdrage worden overgegaan en kan tot terugvordering van de reeds betaalde voorschotten worden overgegaan."

2.4. In een circulaire van de staatssecretaris van VROM aan alle colleges van burgemeester en wethouders d.d. 28 september 1989, nr. MG 89-33, Stcrt. 1989,199, is onder II.6 verduidelijkt:

"Op grond van artikel 47, eerste lid, dient de gereedmelding van een plan te zijn ingediend voor 1 september van het jaar, dat drie jaar ligt na het jaar waarin het besluit tot het in aanmerking brengen van het plan voor verstrekking van een bijdrage is genomen. Plannen beschikt in 1987 dienen derhalve vóór 1 september 1990 te worden gereedgemeld. In een enkel geval zal genoemde datum vanwege onvoorziene omstandigheden wellicht niet haalbaar zijn. Ik heb dan ook besloten in de regeling een ontheffingsmogelijkheid op te nemen. (...)"

In de bestuursrechtspraak is deze bepaling aan de orde geweest in ARRvS 26 juli 1993, AB 1994, 291. In die zaak stelde een college van burgemeester en wethouders dat de in art. 47 lid 1 onder a bedoelde termijn niet op 1 september 1990, maar op 1 september 1991 eindigde. De Afdeling deelde die zienswijze niet en overwoog:

"(...) dat, voor zover omtrent de uitleg van evengenoemde zinsnede onduidelijkheid zou kunnen bestaan, deze onduidelijkheid in ieder geval wordt weggenomen in de circulaire van verweerder [de staatssecretaris van VROM, noot A-G] van 28 september 1989, nr. MG 89-33. Onder punt II.6 van deze circulaire is immers expliciet vermeld dat plannen beschikt in 1987, zoals in het onderhavige geval, voor 1 september 1990 dienen te worden gereedgemeld. Voorts hecht de Afdeling rechtspraak eraan op te merken dat, zo er bij appellanten onduidelijkheid bestond omtrent het bepaalde in art. 47 eerste lid aanhef en onder a van de regeling, appellanten in ieder geval middels het schrijven van verweerder van 7 mei 1990 ervan op de hoogte zijn gebracht dat 1 september 1990 in dezen de kritieke datum was."

2.5. De inwerkingtreding van de Algemene wet bestuursrecht op 1 januari 1994 heeft geleid tot een circulaire van de staatssecretaris van VROM aan alle colleges van burgemeester en wethouders d.d. 22 juni 1994, nr. MG 94-28, over de toepassing van het evenredigheidsbeginsel bij de uitvoering van subsidieregelingen op het vlak van de volkshuisvesting. Ingevolge art. 3:4 lid 2 Awb moet bij besluiten het evenredigheidsbeginsel worden toegepast. De circulaire komt, kort samengevat, hierop neer dat bij een overschrijding van de termijn (in casu: voor indiening van de gereedmelding) de aanspraak op een rijksbijdrage niet zonder meer vervalt, maar een korting wordt toegepast tot een nominaal minimumbedrag en daarboven een korting van 10 % van de toegezegde rijksbijdrage voor iedere kalendermaand waarmee de termijn is overschreden.

3. Bespreking van het cassatiemiddel

3.1. Ofschoon het hof dit niet uitdrukkelijk heeft vastgesteld, kan in cassatie ervan worden uitgegaan dat het besluit van de staatssecretaris van VROM d.d. 1 maart 1995 tot toepassing van een korting van f 385.064,- op de rijksbijdrage onherroepelijk is geworden(9). Omdat, blijkens de door het hof vastgestelde feiten, de toekenning door de Gemeente van geldelijke steun aan de Stichting was gekoppeld aan de voorwaarde dat de Gemeente tot een gelijk bedrag van het Rijk geldelijke steun zal ontvangen, heeft de Stichting tot het bedrag van f 385.064,- geen recht op subsidie van de Gemeente. De vordering strekt dan ook niet tot incassering van een toegekende subsidie, maar is gegrond op een onrechtmatige daad van de Gemeente jegens de Stichting.

3.2. In de wet is niet geregeld wie van beide partijen verantwoordelijk is voor de bewaking van de termijn welke de Regeling stelt voor het indienen van de gereedmelding bij het ministerie van VROM. In de rechtsverhouding tussen het Rijk en de gemeenten is in ieder geval het gemeentebestuur verantwoordelijk voor het tijdig indienen van de gereedmelding. Aleen gemeenten hebben een rechtstreekse aanspraak op geldelijke steun van het Rijk; de Stichting heeft die niet.

3.3. Ook in de rechtsverhouding tussen de gemeenten en de woningstichtingen is het gemeentebestuur verantwoordelijk voor een tijdige indiening van de gereedmelding bij het ministerie van VROM: een woningstichting kan niet rechtstreeks bij het ministerie de gereedmelding doen. Art. 47 legt niet een verplichting tot gereedmelding op aan de Stichting. In de systematiek van de artikelen 45-47 van de Regeling ligt evenwel besloten dat het gemeentebestuur de gereedmelding aan het Rijk alleen kan doen wanneer zij (voor wat betreft de vereiste gegevens en documenten, zoals de facturen van de bouw of de onderhoudswerkzaamheden) door de woningstichting daartoe in staat is gesteld. Indien de desbetreffende woningstichting, door tijdig de in art. 47 bedoelde gegevens en documenten bij het gemeentebestuur in te leveren, het gemeentebestuur in staat stelt tijdig de gereedmelding bij het ministerie van VROM te doen, mag worden aangenomen dat - vanuit een algemene verplichting van de Gemeente om als subsidietoezegger zorgvuldig te handelen jegens de woningstichting(10) - op de Gemeente een verplichting jegens de woningstichting rust om de gereedmelding op tijd bij het ministerie in te dienen. Maar wie is ervoor verantwoordelijk dat de woningstichting tijdig de in art. 47 van de Regeling bedoelde gegevens en documenten bij het gemeentebestuur inlevert?

3.3. Titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht maakt in dergelijke gevallen onderscheid tussen de fase van de subsidieverlening en de fase van de subsidievaststelling. Art. 4:37 Awb gaat ervan uit dat het bestuursorgaan in de fase van de subsidieverlening aan de subsidie-ontvanger verplichtingen kan opleggen met betrekking tot, onder meer,

- de administratie van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten;

- het vóór de subsidievaststelling verstrekken van gegevens en bescheiden die nodig zijn voor een beslissing omtrent de subsidie;

- het afleggen van rekening en verantwoording omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de subsidie van belang zijn.

Op deze wijze kan het bestuursorgaan de verantwoordelijkheid voor de termijnbewaking neerleggen bij de subsidie-ontvanger. Titel 4.2 Awb is echter in werking getreden op 1 januari 1998, dus ná de in deze zaak relevante periode(11).

3.4. Een blik op het raadsbesluit d.d. 27 juni 1991(12) leert dat de subsidie aan de Stichting is toegekend met inachtneming van, onder meer, de volgende voorschriften en beperkingen:

"a. alle bepalingen in de rijksregeling, die op de verlening van geldelijke steun betrekking hebben, zijn van overeenkomstige toepassing;

b. de werkzaamheden dienen binnen een door burgemeester en wethouders te stellen termijn voltooid en aan burgemeester en wethouders gereedgemeld te zijn".

Afgaand op het raadsbesluit, hadden burgemeester en wethouders dus een mogelijkheid om aan de Stichting een termijn te stellen voor de gereedmelding aan B en W.

3.5. Onderdeel 1 van het cassatiemiddel behelst de klacht dat het hof onvoldoende is ingegaan op het betoog van de Gemeente dat de Stichting - ook zonder van de Gemeente een kopie van de brief van 13 april 1994 te hebben ontvangen en zonder door de Gemeente telefonisch van de inhoud van die brief op de hoogte te zijn gesteld - op de hoogte was, althans had moeten zijn, van de uiterlijke termijn van indiening op 1 september 1994, van de nadelige consequenties die aan termijnoverschrijding konden worden verbonden en van de mogelijkheid om gemotiveerd om een ontheffing van deze termijn te vragen. Het onderdeel beroept zich op:

1.a.1: de stelling dat de Stichting gehouden was de voorwaarden welke de Gemeente heeft verbonden aan haar subsidiebesluit en (daarmede) de voorwaarden die het Rijk heeft verbonden aan zijn besluit tot het in aanmerking brengen voor een bijdrage en (daarmede) ook de bepalingen van de rijksregeling, na te leven, en

1.a.2:het vertrouwen dat de Gemeente mocht hebben in de eigen deskundigheid van de Stichting en in de eigen verantwoordelijkheid van de Stichting als ontvanger van de bijdrage.

3.6. Ofschoon het onderdeel mede als een rechtsklacht is gepresenteerd, kan ik in de klacht dat het hof onvoldoende is ingegaan op een bepaald betoog van de Gemeente niet méér dan een motiveringsklacht lezen. De desbetreffende voorschriften van de Regeling zijn gericht tot het gemeentebestuur dat geldelijke steun van het Rijk heeft aangevraagd; zij leggen geen verplichtingen op aan anderen dan de gemeente. Aangenomen al dat (uit hoofde van de van overeenkomstige toepassingverklaring in het raadsbesluit) op de Stichting een verplichting rustte om de in art. 47 van de Regeling bedoelde gegevens en documenten tijdig vóór 1 september 1994 aan B en W ter beschikking te stellen(13), sluit dit niet uit dat de Gemeente onzorgvuldig jegens de Stichting kan hebben gehandeld door de brief van 13 april 1994 niet aan de Stichting door te sturen en/of door de Stichting niet voldoende te attenderen op de noodzaak de gegevens en documenten tijdig vóór 1 september 1994 aan B en W ter beschikking te stellen. Het hof heeft in rov. 6 van het tussenarrest gewezen op de onduidelijkheid van de termijn en op de positie van de gemeente als medeverantwoordelijke tussenschakel. Daarmee heeft het hof zijn beslissing, dat de Gemeente onzorgvuldig heeft gehandeld door de brief niet in kopie door te sturen naar de Stichting, naar behoren met redenen omkleed. (Of de termijn voor indiening van de gereedmelding inderdaad zo onduidelijk was, komt afzonderlijk aan de orde in middelonderdeel 2). Het bewijsoordeel in rov. 8 bouwt hierop voort.

3.7. Het standpunt van de Gemeente, dat de Stichting zelf al bekend was althans bekend had behoren te zijn met de uiterste datum voor indiening van de gereedmelding bij het ministerie van VROM - en dus met de noodzaak dat de daarvoor noodzakelijke gegevens en documenten tevoren aan het gemeentebestuur ter beschikking werden gesteld -, heeft de Gemeente onderbouwd met een verwijzing naar een "werkwijzer" van het NCIV en met het betoog dat de Stichting, gelet op haar werkzaamheden in de sfeer van de huisvesting, hiermee bekend mocht worden geacht. Het hof heeft dit standpunt in rov. 5 onderkend en in rov. 6 verworpen. Aldus is het hof niet voorbijgegaan aan het betoog van de Gemeente.

3.8. Voor het overige gaat het middelonderdeel uit van de veronderstelling dat de Gemeente in feitelijke aanleg niet alleen heeft betwist dat zij onzorgvuldig heeft gehandeld, maar ook het verweer heeft gevoerd dat de schade aan de Stichting zelf moet worden toegerekend (art. 6:101 BW). Bij die veronderstelling kan een vraagteken worden geplaatst: het door de rechtbank zo genoemde "deelverweer" (zie alinea 1.3) kan evengoed worden verstaan als een nadere uitwerking van het verweer dat de Gemeente niet onzorgvuldig heeft gehandeld. Hoe dan ook, het hof heeft in rov. 9 van het tussenarrest het "eigen schuld"-verweer onderscheiden in (i) het verweer dat de Gemeente in het geheel niet voor de gestelde schade aansprakelijk is en (ii) het (in eerste aanleg als subsidiair verweer gepresenteerde) verweer dat de vordering slechts tot een bedrag van f 148.025,- toewijsbaar is omdat de Stichting in elk geval vanaf eind september/begin oktober 1994 op de hoogte was van de inmiddels verstreken termijn en ook toen niet meteen de benodigde stukken bij de gemeente heeft ingeleverd. Het hof heeft het onder (i) genoemde verweer uitdrukkelijk verworpen. De subonderdelen 1.b, 1.c en 1.d missen derhalve feitelijke grondslag. De slotsom is dat onderdeel 1 niet tot cassatie leidt.

3.9. Onderdeel 2 klaagt dat het hof, in rov. 6 van het tussenarrest, ten onrechte heeft overwogen "dat artikel 47 lid 1 van de in dit geval toepasselijke subsidieregeling onduidelijk is wat betreft de aanwijzing van de uiterste datum van indiening van de gereedmelding" en dat hiermee zowel 1 september 1994 als 1 september 1995 bedoeld kan zijn. De kwestie is van belang omdat het hof oordeelt dat verduidelijking geboden was en zulke verduidelijking met de (door de Gemeente niet aan de Stichting doorgestuurde) brief van 13 april 1994 werd gegeven. Subonderdeel 2.a.1 voert samengevat aan dat de tekst van de Regeling geen ruimte laat voor twijfel: wanneer het besluit om het project voor geldelijke steun op grond van de Regeling in aanmerking te brengen in 1991 is genomen, behoort de gereedmelding uiterlijk 1 september 1994 bij het ministerie van VROM te zijn ingediend.

3.10. Aan de steller van het middel kan worden toegegeven dat artikel 47, lid 1 onder a, van de Regeling geen grote rekenkundige vaardigheid van de lezer vergt. Niettemin heeft het hof, blijkens rov. 6, twijfel over de uitleg van deze bepaling mogelijk geacht. Dat oordeel is begrijpelijk in het licht van twee bijzonderheden die in feitelijke aanleg onder de aandacht van het hof zijn gebracht:

- In de eerste plaats is het besluit van de staatssecretaris om de gemeente in aanmerking te brengen voor geldelijke steun genomen op 6 september 1991; de Stichting heeft aangevoerd dat de Regeling meebracht dat de gereedmelding uiterlijk 1 september moest worden ingediend na het verstrijken van een periode van drie jaren vanaf het besluit om de gemeente voor geldelijke steun in aanmerking te brengen, zodat zij meende dat in casu de termijn zou verstrijken op 1 september 1995(14).

- In de tweede plaats heeft de Stichting een beroep gedaan op een uitspraak van de voorzitter van de ARRvS d.d. 21 januari 1993, AB 1993, 350, over de bepaling van de termijn in een verwante VROM-subsidieregeling, in welke uitspraak een uitleg is aanvaard die meer overeenkomt met de lezing welke door de Stichting wordt verdedigd dan met de lezing welke door de Gemeente wordt verdedigd. Dat in de (hiervoor in alinea 2.4 besproken) uitspraak van de ARRvS van 26 juli 1993 anders is beslist doet volgens de Stichting hieraan niet af, omdat in de laatstgenoemde uitspraak de nadruk is gelegd op duidelijkheid die toen werd verkregen uit een separaat schrijven aan het desbetreffende gemeentebestuur(15).

3.11. Tegen deze achtergrond heeft het hof kunnen oordelen dat voor de Stichting niet duidelijk was dat de termijn op 1 september 1994 zou verstrijken. Omdat het hof in rov. 6 van het tussenarrest onderscheid maakt tussen "algemene informatie over het ministeriële sanctiebeleid" en een meer gerichte aanwijzing van de uiterste datum van indiening en het hof bovendien de Gemeente aanwijst als "noodzakelijke tussenschakel", mag m.i. worden aangenomen als impliciet oordeel van het hof dat het op de weg van de Gemeente lag de uiterste datum kenbaar te maken waarop de Stichting actie diende te ondernemen teneinde het gemeentebestuur in staat te stellen de gereedmelding op tijd bij het ministerie van VROM in te dienen. Om dezelfde reden is het hof voorbijgegaan aan de omstandigheid dat de mogelijkheid van verlenging van de gereedmeldingstermijn al vanaf 1989 in art. 47 stond(16).

3.12. Subonderdeel 2.a.2 gaat uit van de veronderstelling dat 's hofs oordeel in rov. 6 van het tussenarrest (omtrent de onduidelijkheid van de termijnbepaling voor de Stichting) voortkomt uit 's hofs oordeel dat de Gemeente in hoger beroep niet is opgekomen tegen het desbetreffende oordeel van de rechtbank: zie rov. 6 van het eindarrest.

3.13. De klacht mist feitelijke grondslag. In rov. 6 van het tussenarrest bespreekt het hof het primaire verweer van de Gemeente (grief 1); in rov. 6 van het eindarrest bespreekt het hof alleen nog het subsidiaire verweer van de Gemeente (grief 4). Ook overigens baat deze klacht de Gemeente niet. In haar memorie van grieven onder 21 heeft de Gemeente inderdaad betwist dat de Stichting heeft mogen menen dat de deadline niet 1 september 1994, maar 1 september 1995 was. De beslissing van het hof in rov. 6 van het tussenarrest dat de bepaling van artikel 47 gerede twijfel toeliet, vormt een afdoende weerlegging van dat standpunt van de Gemeente.

3.14. Subonderdeel 2.a.3 komt neer op de klacht dat het hof ten onrechte geen aandacht heeft besteed aan het argument van de Gemeente, dat er voor de Gemeente geen aanleiding was ermee rekening te houden dat de Stichting in de veronderstelling verkeerde dat de termijn eerst op 1 september 1995 zou verstrijken. Ook deze klacht mist feitelijke grondslag. Het subonderdeel verwijst naar alinea 21 van de memorie van grieven, maar daar is de in het subonderdeel genoemde stelling niet te vinden. Voor zover het subonderdeel bedoelt dat het hof geen aandacht zou hebben besteed aan hetgeen wél in alinea 21 MvG door de Gemeente is betoogd ter toelichting op grief 4, faalt de klacht omdat het hof het argument van de eigen (normatieve) wetenschap van de Stichting heeft verworpen in rov. 9 in verbinding met rov. 5 en 6 van het tussenarrest.

3.15. Subonderdeel 2.a.4 behoeft na het voorgaande geen afzonderlijke bespreking meer.

4. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Zie rov. 1 en 2 van het bestreden tussenarrest in verbinding met rov. 2.1 - 2.9 van het tussenvonnis van de rechtbank.

2 Met dien verstande dat het hof in rov. 12 van het eindarrest overweegt dat uit hetgeen namens de Stichting is gesteld "kan volgen, dat de subsidie geen betrekking had op 50 specifieke woningen uit het plan Guldemond, maar op 50/75 deel van het totale renovatieproject Guldemond".

3 De tweede grondslag van de vordering - dat de Gemeente niet al datgene heeft gedaan wat redelijk is om ervoor te zorgen dat de toegekende subsidie daadwerkelijk wordt ontvangen, zie rov. 3.2 van het tussenvonnis van de rechtbank - speelt in hoger beroep geen rol meer (zie rov. 3 van het tussenarrest).

4 Rov. 4.1 tussenvonnis, kennelijk doelend op de CvA onder 36.

5 De rechtbank voegt hieraan toe: "op een zodanige wijze dat zij er zich van bewust was".

6 Wet van 12 juli 1962, Stb. 287 (inmiddels vervangen door de Woningwet, Stb. 1991, 439).

7 Editie Schuurmans & Jordens 19-I (1977), blz. 121-122.

8 De tekst van de Regeling is na zijn totstandkoming gewijzigd. De Regeling zoals deze luidt per 1 januari 1990 is gepubliceerd in Stcrt. 1989 nr. 199.

9 Zie: inl. dagvaarding onder 4, 7 en 9 en CvA onder 13-17. Het door B en W ingediende bezwaarschrift is bij beschikking van de staatssecretaris d.d. 12 juni 1995 ongegrond verklaard. Het beroep tegen die beschikking is ingetrokken.

10 Die algemene zorgvuldigheidsverplichting is in dit geding niet in discussie. Zie bijv. MvG onder 11: "Gezien de loketfunctie van de gemeente als formele subsidie-aanvrager kan niet worden ontkend dat zij zorgvuldigheid dient te betrachten bij het afhandelen van de subsidie-aanvraag". Zie ook: Hof 's-Hertogenbosch 11 januari 1994, NJ 1995, 255.

11 Zie over titel 4.2 Awb: A.J. Bok, Subsidies, Monografieën Awb A-6 (2002), i.h.b. blz. 86-94.

12 Prod. 3 bij CvA.

13 Zie hierover de s.t. van de Gemeente onder 27 en 28.

14 Zie de inl. dagv. onder 6 en het door de Gemeente ingediende bezwaarschrift (prod. 3 bij CvE); CvR onder 27.

15 De jurisprudentie van de ARRvS en ABRvS op dit punt wordt besproken in A.J. Bok, Subsidies (2002), blz. 122-125, maar met het oog op de toepassing van het evenredigheidsbeginsel.

16 Dit laatste in reactie op het slot van subonderdeel 2.a.1.