Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AR6656

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-02-2005
Datum publicatie
11-02-2005
Zaaknummer
C03/172HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AR6656
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

11 februari 2005 Eerste Kamer Nr. C03/172HR RM/JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiseres], wonende te [woonplaats], EISERES tot cassatie, advocaat: mr. P. Garretsen, t e g e n COÖPERATIEVE RAIFFEISEN BOERENLEENBANK "HOOGLAND" B.A., gevestigd te Hoogland, gemeente Amersfoort, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. J.A.M.A. Sluysmans. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 157
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 95
JWB 2005/64
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnummer C03/172HR

mr. De Vries Lentsch-Kostense

Zitting 26 november 2004

Conclusie inzake

[Eiseres]

tegen

Coöperatieve Raiffeissen Boerenleenbank "Hoogland" B.A.

Inleiding

1. In deze - door thans eiseres tot cassatie, verder: [eiseres], tegen thans verweerster in cassatie, verder: de Bank, aangespannen - procedure staat centraal de vraag of [eiseres] de nalatenschap van haar echtgenoot, met wie zij buiten iedere gemeenschap van goederen was gehuwd, zuiver dan wel beneficiair heeft aanvaard.

2. Tussen partijen staat onder meer het volgende vast (zie de rechtsoverwegingen 2.1-2.12 van het vonnis van de rechtbank van 21 november 2001 en de rechtsoverwegingen 3 en 4.1 van het arrest van het hof):

i) [Eiseres] is op 19 augustus 1994 op huwelijkse voorwaarden (onder uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen) gehuwd met [betrokkene 1], verder: [betrokkene 1].

ii) Aan [eiseres] en [betrokkene 1] behoorde, aan ieder voor de onverdeelde helft, de door hen bewoonde echtelijke woning te [plaats] (verder: de woning) in eigendom toe nadat [betrokkene 1] reeds vóór het huwelijk, bij akte van 18 augustus 1992, de onverdeelde helft van deze destijds geheel aan hem toebehorende woning aan [eiseres] had verkocht en geleverd.

iii) Bij vonnis van 29 mei 1996 heeft de rechtbank te Utrecht [betrokkene 1] veroordeeld om aan de Bank te voldoen een bedrag van f 203.000,- te vermeerderen met rente en kosten. De Bank heeft na betekening van het vonnis op 7 augustus 1996 bij exploot van 13 augustus 1996 executoriaal beslag gelegd op de woning. Nadat erop was gewezen dat [eiseres] en [betrokkene 1] niet in gemeenschap van goederen waren gehuwd, heeft de Bank op 28 augustus 1996 dit beslag gewijzigd in een executoriaal beslag op de aan [betrokkene 1] toebehorende onverdeelde helft van de woning.

iv) [Betrokkene 1] is op 27 maart 1997 overleden. Nadat zijn drie kinderen uit een eerder huwelijk de nalatenschap hadden verworpen, bleef [eiseres] als enig erfgenaam over.

v) De Bank heeft [eiseres] rond juni 1997 op haar verzoek toestemming verleend om de woning onderhands te verkopen.

vi) [Eiseres] heeft de woning op 8 augustus 1997 verkocht voor f 385.000,- (inclusief f 20.000,- voor roerende zaken).

vii) [Eiseres] heeft op 21 augustus 1997 - bij volmacht - ter griffie van de rechtbank Utrecht een verklaring afgelegd inhoudende dat zij de nalatenschap van [betrokkene 1] beneficiair aanvaardde.

viii) De door [eiseres] ingeschakelde notaris heeft de Bank bij brief van 16 september 1997 om opgave van haar vordering verzocht, waarna de Bank opgave van haar vordering heeft gedaan tot het bedrag van haar gehele vordering. Bij brief van 10 oktober 1997 heeft de Bank de notaris desverzocht medegedeeld dat tegen ontvangst van een bedrag van f 312.486,09 royement voor het in augustus gelegde beslag op de woning zou worden verleend.

ix) Het transport van de woning heeft plaatsgevonden op 20 oktober 1997. De Bank heeft op die datum integrale betaling gekregen van haar vordering op [betrokkene 1] ingevolge het vonnis van 29 mei 1996 van de rechtbank te Utrecht.

x) Blijkens de akte van levering van 20 oktober 1997, waarvan in hoger beroep door de Bank een afschrift in het geding is gebracht, heeft [eiseres], in deze akte aangeduid als comparante sub 1, verklaard (zie rechtsoverweging 4.3 van 's hofs arrest):

"De comparante sub 1 heeft zich, voordat zij de nalatenschap beneficiair heeft aanvaard, gedragen als zuiver erfgenaam zodat zij aan gemelde beneficiaire aanvaarding geen rechten kan ontlenen en zij mitsdien als enige erfgenaam in de nalatenschap van haar echtgenoot, [betrokkene 1], voornoemd, opkomt. O(p) grond van gemelde akte de dato achttien augustus negentienhonderdtweeënnegentig (de hiervoor onder (ii) gemelde akte: DVL) en de hiervoor gemelde vererving is de comparante beschikkingsbevoegd ten aanzien van het verkochte."

3. Bij inleidende dagvaarding van 12 mei 1998 heeft [eiseres] de Bank gedagvaard voor de rechtbank te Utrecht en gevorderd de Bank te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van f 127.486,09 vermeerderd met wettelijke rente, alsmede f 7.934,30 aan buitengerechtelijke incassokosten en voorts proceskosten. Na vermeerdering van eis bij conclusie van repliek tevens akte vermeerdering van eis, heeft [eiseres] voorts veroordeling van de Bank tot betaling van immaterile schadevergoeding nader op te maken bij staat gevorderd. [Eiseres] heeft haar vordering strekkende tot betaling van het bedrag van f 127.486,09 in hoofdsom gebaseerd op onverschuldigde betaling dan wel ongerechtvaardigde verrijking. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de Bank bedoeld bedrag ten onrechte heeft ontvangen omdat onder het beslag op de onverdeelde helft van de woning niet de gehele doch slechts de helft van de opbrengst van de woning viel. (Overigens betoogt de cassatieadvocaat van de Bank, onder 7 op p. 3 van zijn schriftelijke toelichting, dat het gaat om een eventueel onverschuldigd betaald bedrag van f 129.986,09). Zij heeft aan haar vordering tot immateriële schadevergoeding ten grondslag gelegd dat zij door het handelen van de Bank het haar toekomende deel uit de opbrengst van de echtelijke woning is kwijtgeraakt en dat de labiele toestand waarin zij toch al verkeerde toen de Bank haar vordering begon te verhalen, daardoor ernstig is verslechterd (in welk verband zij aanvoert dat zij nog steeds onder psychiatrische behandeling is).

De Bank heeft verweer gevoerd. Zij heeft gesteld dat zij pas in november 1997, dat wil zeggen nadat zij integrale betaling van haar vordering op [betrokkene 1] had verkregen, te weten is gekomen dat [eiseres] de nalatenschap beneficiair had aanvaard aangezien zij toen pas de conceptakte van levering onder ogen heeft gekregen waarin staat vermeld dat [eiseres] als comparante verklaart dat zij de erfenis beneficiair heeft aanvaard. (Op de inhoud van de akte van levering zoals deze uiteindelijk is verleden, heeft de Bank zich pas in appel (kunnen) beroepen nadat zij daarover de beschikking had gekregen). De Bank heeft zich - in eerste aanleg - op het standpunt gesteld dat [eiseres] evenwel kennelijk het voorrecht van boedelbeschrijving heeft laten varen en de schuld van haar echtgenoot in het kader van de afwikkeling van zijn nalatenschap vrijwillig heeft voldaan nu de voldoening door de notaris van de volledige vordering aan de Bank de instemming van [eiseres] had. Zij heeft voorts erop gewezen dat uit de in het geding gebrachte koopovereenkomst blijkt dat [eiseres] pro se de woning heeft verkocht zonder dat daarbij enig voorbehoud in verband met een beneficiaire aanvaarding is gemaakt.

4. Nadat de rechtbank bij incidenteel vonnis van 14 oktober 1998 de incidentele vordering van de Bank tot oproeping in vrijwaring van de notaris voor wie in 1997 de notarile akte van levering van de woning was verleden, had afgewezen en bij vonnis van 16 februari 2000 een comparitie van partijen had gelast, heeft de rechtbank bij vonnis van 21 november 2001 de vorderingen van [eiseres] afgewezen. Zij heeft daartoe vooropgesteld dat beneficiaire aanvaarding van een nalatenschap geen rechtsgevolg heeft indien komt vast te staan dat de erfgenaam vóórdat hij beneficiair aanvaardde de nalatenschap reeds al dan niet stilzwijgend zuiver heeft aanvaard door het verrichten van een daad die de bedoeling van de erfgenaam de erfenis te aanvaarden noodzakelijk aan de dag legt en tot welke daad hij slechts in zijn hoedanigheid van erfgenaam bevoegd zou zijn geweest (art. 4:1094 (oud) BW). Zij heeft vervolgens geoordeeld dat [eiseres] met de aan de beneficiaire aanvaarding voorafgaande verkoop van de gehele woning die voor de onverdeelde helft in de nalatenschap viel, een zodanige daad heeft verricht nu [eiseres] deze verkoop op eigen verzoek ter hand heeft genomen na verkregen toestemming van de Bank. De rechtbank heeft geconcludeerd dat er geen sprake is geweest van onverschuldigde betaling of van ongerechtvaardigde verrijking aangezien [eiseres] als erfgenaam verplicht was tot betaling van de tot de nalatenschap behorende schuld als eigen schuld. De rechtbank heeft met betrekking tot de vordering tot vergoeding van immateriële schade voorts overwogen dat - nog daargelaten dat niet is gesteld of gebleken van causaal verband tussen de ziekteverschijnselen van [eiseres] na het overlijden van haar echtgenoot en de handelwijze van de Bank - de door [eiseres] aan de Bank gedane verwijten onterecht zijn bevonden.

5. [Eiseres] heeft tegen het vonnis van de rechtbank van 21 november 2001 hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam onder aanvoering van een aantal grieven.

De Bank heeft bij memorie van antwoord een kopie van de definitieve akte van levering d.d. 20 oktober 1997 in het geding gebracht onder de aantekening dat zij daarover de beschikking heeft gekregen doordat zij bij het kadaster een kopie had opgevraagd nadat de advocaat van [eiseres] in eerste aanleg aan de Bank slechts de conceptakte ter hand had gesteld die de Bank in het geding heeft gebracht. De Bank heeft erop gewezen dat in de definitieve akte de cruciale passage is opgenomen als hiervoor onder 1 (x) geciteerd, te weten de eigen verklaring van [eiseres] dat zij zich vóórdat zij de nalatenschap beneficiair heeft aanvaard, heeft gedragen als zuiver erfgenaam, zodat zij aan gemelde beneficiaire aanvaarding geen rechten kan ontlenen en zij mitsdien als enige erfgename in de nalatenschap van haar echtgenoot, [betrokkene 1], opkomt. De Bank heeft in dat verband betoogd dat de cruciale passage in de conceptakte zoals haar ter hand gesteld, kennelijk is "weggelakt".

De advocaat van [eiseres] heeft in zijn pleitnota bij gebrek aan wetenschap ontkend dat de Bank de conceptakte die zij in het geding heeft gebracht heeft ontvangen van de advocaat van [eiseres] in eerste aanleg; hij heeft betoogd dat uit de dossiers geenszins blijkt van "weglakken" en dat hier sprake is van een (ongepaste) verdachtmaking. Hij heeft verder aangevoerd dat het in bedoelde passage gaat om een eenzijdige vaststelling van de notaris waarmee [eiseres] noch haar advocaat hebben ingestemd. Hij heeft betoogd dat de verkoop van de woning niet als daad van zuivere aanvaarding kan worden beschouwd.

6. Het hof heeft bij arrest van 16 januari 2003 het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Het heeft daartoe - voor zover in cassatie relevant - het volgende overwogen:

"4.3 Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat sprake is geweest van een zuivere aanvaarding van de nalatenschap van [betrokkene 1] door [eiseres] en maakt dit oordeel tot het zijne. [Eiseres], gerechtigd tot de onverdeelde helft van de woning, heeft immers de (gehele) woning onderhands verkocht en geleverd. [Eiseres] was tot zodanige vervreemding slechts bevoegd indien zij als (enig overgebleven) erfgenaam de nalatenschap van [betrokkene 1], waarin de onverdeelde helft van de woning, waartoe hij gerechtigd was, viel, zuiver had aanvaard. Blijkens de door [eiseres] ondertekende akte van levering van 20 oktober 1997, waarvan thans in hoger beroep door de Bank een afschrift in het geding is gebracht, heeft [eiseres], comparante sub 1, verklaard:

"De comparante sub 1 heeft zich, voordat zij de nalatenschap beneficiair heeft aanvaard, gedragen als zuiver erfgenaam zodat zij aan gemelde beneficiaire aanvaarding geen rechten kan ontlenen en zij mitsdien als enige erfgenaam in de nalatenschap van haar echtgenoot, [betrokkene 1], voornoemd, opkomt. O(p) grond van gemelde akte de dato achttien augustus negentienhonderdtweeënnegentig en de hiervoor gemelde vererving is de comparante beschikkingsbevoegd ten aanzien van het verkochte."

Zuivere aanvaarding brengt mee dat [eiseres] als erfgenaam verplicht is de tot de nalatenschap van [betrokkene 1] behorende schuld aan de Bank te voldoen. Van onverschuldigde betaling aan of ongerechtvaardigde verrijking van de Bank is geen sprake geweest gelet op het vonnis dat aan de vordering van de Bank op [betrokkene 1] ten grondslag lag.

4.4 [Eiseres] heeft bij pleidooi in hoger beroep aangevoerd dat de hiervoor geciteerde passage uit de leveringsakte een eenzijdige vaststelling van de notaris betreft welke niet haar instemming heeft (gehad). Het hof verwerpt dit betoog als niet dan wel onvoldoende onderbouwd en toegelicht. Een nadere uiteenzetting, welke ontbreekt, had met name in het licht van art. 157 Rv op de weg van [eiseres] gelegen nu blijkt dat zij bij de door haar ingeschakelde notaris is verschenen en de akte van levering heeft ondertekend.

4.5 Het verwijt van [eiseres] dat de Bank niet te goeder trouw heeft gehandeld treft geen doel. De Bank heeft onbetwist gesteld dat zij eerst in november 1997 te weten is gekomen dat [eiseres] de nalatenschap beneficiair had aanvaard. In hoger beroep is thans gebleken dat [eiseres] - blijkens de leveringsakte - wist dat zij aan de beneficiaire aanvaarding geen rechten kon ontlenen. Het stond de Bank vrij in het kader van de afwikkeling van de nalatenschap van [betrokkene 1], haar gehele vordering aan de door [eiseres] ingeschakelde notaris op te geven, die daarom had verzocht. Noch in eerste aanleg noch in hoger beroep is (voldoende) gesteld of gebleken dat de Bank aan [eiseres] heeft toegezegd dat zij afstand deed van haar vorderingsrecht voor dat gedeelte van de waarde van de woning dat niet door het beslag werd getroffen.

(..)

4.7 [Eiseres] heeft nog gesteld dat de Bank onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld tengevolge waarvan zij immateriële schade heeft geleden. [Eiseres] voert daartoe aan dat de druk die de Bank op haar uitoefende in verband met de executie van het vonnis haar situatie heeft doen verslechteren. Met haar situatie doelt [eiseres] kennelijk op de psychiatrische ziekteverschijnselen waaraan zij lijdende en waarvoor zij onder behandeling was. De Bank heeft betwist dat zij druk op [eiseres] heeft uitgeoefend. Zij heeft daarentegen gesteld dat zij juist geduld heeft betracht en in verband met het overlijden van [betrokkene 1] pas op de plaats heeft gemaakt.

De omstandigheid dat de Bank de aangevangen executie op enig tijdstip wilde voortzetten hetgeen [eiseres] als druk heeft ervaren maakt het op zichzelf rechtmatig handelen van de Bank niet onrechtmatig. Daar komt bij dat uit de door [eiseres] ter onderbouwing van haar standpunt in het geding gebrachte brieven van Ziekenhuis Eemland op geen enkele wijze volgt dat het optreden van de Bank oorzaak of mede-oorzaak is van de psychiatrische klachten van [eiseres], dan wel deze hebben doen verergeren. Uit die (overigens gedeeltelijk onleesbaar gemaakte) brieven blijkt veeleer dat die klachten aan gehele andere oorzaken toegeschreven worden. De rechtbank heeft dit onderdeel van de vordering dan ook terecht ongegrond bevonden.

4.8 Uit het vorenstaande volgt dat [eiseres] de nalatenschap van [betrokkene 1] zuiver heeft aanvaard en dat de Bank jegens haar niet onrechtmatig heeft gehandeld. Het vonnis dient dan ook te worden bekrachtigd. Het door [eiseres] in hoger beroep aangeboden bewijs is niet ter zake dienend en zal worden gepasseerd. De grieven behoeven geen verdere bespreking meer omdat zij niet tot een andere beslissing kunnen leiden. [Eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep worden verwezen."

7. [Eiseres] heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. De Bank heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Beide partijen hebben hun stellingen schriftelijk toegelicht. [Eiseres] heeft nog gerepliceerd.

De cassatiemiddelen

8. Middel I richt zich tegen de rechtsoverwegingen 4.3 tot en met 4.8 en de beslissing van het bestreden arrest en bestaat uit zeven onderdelen, genummerd 1.1 tot en met 1.7. Middel II bevat geen zelfstandige klacht.

9. De middelonderdelen 1.2 tot en met 1.4 (middelonderdeel 1.1 bevat geen zelfstandige klacht) lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Deze onderdelen richten zich met een aantal in verschillende bewoordingen herhaalde klachten tegen het oordeel van het hof in rechtsoverweging 4.3 dat [eiseres] de nalatenschap van [betrokkene 1] zuiver heeft aanvaard en tegen de verwerping door het hof in rechtsoverweging 4.4 van het betoog van [eiseres] dat de door het hof in rechtsoverweging 4.3. geciteerde passage uit de akte van levering van 20 oktober 1997 een eenzijdige vaststelling van de notaris betreft die niet de instemming van [eiseres] heeft (gehad).

10. Bij de bespreking van deze middelonderdelen kan het volgende worden vooropgesteld. In de onderhavige zaak waarin het gaat om de vraag of een vóór 1 januari 2003 opengevallen nalatenschap zuiver of beneficiair is aanvaard door de verkoop en levering in 1997 van de tot de nalatenschap behorende onverdeelde helft van de woning terwijl na de verkoop doch voor de levering ter griffie van de rechtbank Utrecht een verklaring is afgelegd dat de nalatenschap beneficiair is aanvaard, is van toepassing het erfrecht zoals dat gold tot 1 januari 2003.

Met betrekking tot de aanvaarding geldt naar oud recht - evenals naar huidig recht - dat een erfgenaam die tot een nalatenschap wordt geroepen, de keuze heeft tussen zuivere aanvaarding, beneficiaire aanvaarding en verwerping van de erfenis, dat een eenmaal gedane keuze terugwerkende kracht heeft tot op het ogenblik van het openvallen van de nalatenschap en dat een eenmaal gedane keuze - op enkele, hier niet relevante uitzonderingen na - onherroepelijk is, zodat door een zuivere aanvaarding de bevoegdheid om beneficiair te aanvaarden (of te verwerpen) verloren gaat en een beneficiaire aanvaarding die wordt gedaan nadat reeds zuiver is aanvaard, geen rechtskracht heeft. De in het onderhavige geval niet van belang zijnde regelingen van art. 4:1099 en 1111 (oud) BW (art. 4:194 BW en 3:44 BW) kunnen hier buiten beschouwing blijven.

Art. 4:1070 e.v. (oud) BW bevat een regeling van "het regt van beraad" die het volgende inhoudt: een erfgenaam die nog geen keuze heeft gedaan, kan van de hem toekomende bevoegdheid zich te beraden gebruik maken door het afleggen van een verklaring ter griffie van de rechtbank binnen wier arrondissement de erfenis is opengevallen; gedurende de termijn van beraad, welke in beginsel vier maanden bedraagt, kan de erfgenaam niet worden genoodzaakt de hoedanigheid van erfgenaam aan te nemen en kan geen rechterlijke veroordeling tegen hem worden verkregen en blijft de uitvoering van vonnissen die ten laste van de overledene zijn uitgesproken, opgeschort. Beneficiaire aanvaarding kan ingevolge de art. 4:1070, 1075 en 1088 (oud) BW alleen uitdrukkelijk geschieden; vereist is het afleggen van een verklaring ter griffie van de rechtbank binnen wier arrondissement de erfenis is opengevallen.

Ingevolge art. 4:1094 (oud) BW kan een zuivere aanvaarding ook stilzwijgend geschieden: van een zodanige aanvaarding is sprake "wanneer de erfgenaam eene daad verrigt, welke zijne meening om de erfenis te aanvaarden noodzakelijk aan den dag legt, en waartoe hij slechts in zijne hoedanigheid als erfgenaam zoude zijn bevoegd geweest." Algemeen wordt aangenomen dat de zinswending "en waartoe hij slechts in zijne hoedanigheid als erfgenaam zoude zijn bevoegd geweest" een overbodige en zelfs onjuiste aanvulling is en dat ook uit onbevoegd verrichte daden, bijvoorbeeld de verkoop van een zaak waarvan de erfgenaam ten onrechte aanneemt dat deze tot de nalatenschap behoort, kan blijken dat de erfgenaam zuiver heeft aanvaard; er wordt vanuit gegaan dat het erom gaat dat de erfgenaam tot de door hem verrichte daad niet ook in andere hoedanigheid dan die van erfgenaam bevoegd geweest moet zijn. Art. 4:1095 (oud) BW geeft een aantal voorbeelden van gevallen waarin geen sprake is van zuivere aanvaarding; kort gezegd gaat het hier om handelingen die betrekking hebben op de begrafenis en om daden die dienen om de nalatenschap "bij voorraad te beheren". Of uit een daad noodzakelijk de wil om zuiver te aanvaarden blijkt, is niet steeds zonder meer duidelijk; strakke regels zijn hier niet te geven. Wel kan men stellen dat beschikkingsdaden, zoals het vervreemden van een tot de nalatenschap behorende zaak, in de regel een daad van aanvaarding zullen opleveren. Er kunnen zich evenwel bijzondere omstandigheden voordoen op grond waarvan dergelijke daden worden aangemerkt als daden van beheer, noodzakelijk om rechten van de boedel te bewaren en nadelen te voorkomen. In dat verband kunnen worden genoemd: het innen van vorderingen ter voorkoming van verjaring of met het oog op het vertrek van de schuldenaar naar het buitenland alsmede het met gelden van de nalatenschap voldoen aan een zeer dringende betalingsplicht. Met betrekking tot de toetsing in cassatie geldt dat de vraag of een bepaalde daad een stilzwijgende aanvaarding kán opleveren, een rechtsvraag is, terwijl de vraag of een zodanige daad in het gegeven geval ook daadwerkelijk een stilzwijgende aanvaarding oplevert, een vraag is van feitelijke aard die is verweven met de omstandigheden van het geval. (Zie: Asser-Van der Ploeg-Perrick, 1996, nrs. 335-336; Kaassen-Eggens-Luijten, 1989, p. 280-284; Van Mourik, Erfrecht, Studiepocket privaatrecht nr. 37, 1997, p. 218-219; Pitlo, Erfrecht, 1991, p. 324-326. Vgl. ook Reinhartz, losbladige editie Erfrecht, aant. 3 bij art. 4:190 BW en aant. 2-5 en 10 bij art. 4:192 BW. Zie ook: HR 25 juni 1926, NJ 1926, p. 1023, m.nt. EMM; HR 4 mei 1928, NJ 1928, p. 1200, m.nt. EMM; HR 18 juni 1928, NJ 1928, p. 1507; HR 26 april 1968, NJ 1969, 322, m.nt. KW; HR 22 december 1976, BNB 1977, 29.)

Het nieuwe art. 4:192 lid 1 BW wijkt in zijn redactie af van art. 4:1094 (oud) BW. Het luidt als volgt: "Een erfgenaam die zich ondubbelzinnig en zonder voorbehoud als een zuiver aanvaard hebbende erfgenaam gedraagt, aanvaardt daardoor de nalatenschap zuiver, tenzij hij zijn keuze reeds eerder heeft gedaan." In de literatuur wordt aangenomen dat hiermee geen inhoudelijke wijziging is beoogd en dat de onder art. 4:1094 (oud) BW gewezen rechtspraak relevant blijft onder het nieuwe recht (Asser-Perrick, 2002, nr. 405; Reinhartz, losbladige editie Erfrecht, aant. 3 bij art. 4:190 BW en aant. 2 bij art. 4:192 BW; Verstappen in: Erfrecht T&C, 2002, p. 246). Van belang is in dit verband de volgende passage uit de MvA II bij de Vaststellingswet Boek 4 (Parl. Gesch. Vaststellingswet Erfrecht, p. 933-934):

"Een erfgenaam die, binnen de hem vergunde wettelijke termijn van beraad, met betrekking tot de op het ogenblik van erflaters overlijden van rechtswege op hem overgegane goederen der nalatenschap daden van beheer verricht, omdat hij (nog) niet van zins is de nalatenschap te verwerpen, kan - zeker als hij daarna definitief van verwerping afziet - moeilijk worden beschouwd als een zaakwaarnemer die zich inlaat met de behartiging van eens anders belang. Beperkt hij zich tot de daden van beheer waartoe de wet een erfgenaam die beneficiair heeft aanvaard bevoegd verklaart, dan behoort hij zijn keuzemogelijkheid niet te verspelen. Dat is wel het geval wanneer hij, gelijk vrijstaat aan erfgenamen die zuiver aanvaard hebben, over goederen der nalatenschap als heer en meester beschikt, of wanneer hij, eventueel in een andere vorm dan een verklaring ter griffie, duidelijk aan de schuldeisers der nalatenschap doet blijken dat hij de schulden der nalatenschap geheel voor zijn rekening neemt."

11. Het hof heeft uit het feit dat [eiseres] - die uit eigen hoofde slechts gerechtigd was tot de onverdeelde helft van de woning nu de onverdeelde helft van de woning waartoe [betrokkene 1] gerechtigd was, in de nalatenschap viel - de gehele woning onderhands heeft verkocht (nadat zij de verkoop op eigen verzoek - na verkregen toestemming van de Bank - ter hand had genomen) en vervolgens heeft geleverd, waarbij in de akte van levering bovendien nog als haar verklaring is opgenomen dat zij als enig erfgename in de nalatenschap van haar echtgenoot opkomt en dat zij aan de beneficiaire aanvaarding, die na de verkoop heeft plaatsgevonden, geen rechten kan ontlenen aangezien zij zich voordien (met die verkoop) reeds als zuiver erfgenaam had gedragen, afgeleid dat sprake is geweest van een zuivere aanvaarding. Dat oordeel geeft - het hiervoor onder 10 betoogde in aanmerking genomen - niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het bovendien noch onvoldoende gemotiveerd noch onbegrijpelijk is. In dit verband verdient voorts nog aantekening dat evenmin blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting 's hofs oordeel dat [eiseres] haar stelling dat de door het hof in rechtsoverweging 4.3. geciteerde passage uit de akte van levering een eenzijdige vaststelling van de notaris betreft die niet de instemming van [eiseres] heeft (gehad), in het licht van art. 157 Rv. nader had moeten adstrueren, terwijl 's hofs oordeel dat [eiseres] zulks heeft nagelaten een oordeel van feitelijke aard is dat in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst. Hierop lopen de middelonderdelen 1.2 tot en met 1.4 vast. Met betrekking tot de afzonderlijke middelonderdelen merk ik nog het volgende op.

Middelonderdeel 1.2 mist feitelijke grondslag met zijn klacht dat het hof heeft miskend dat [eiseres] reeds over de onverdeelde helft van de woning kon beschikken en ook heeft beschikt en dat [eiseres] daarnaast "als boedelberedderaar" is opgetreden voor de onverdeelde helft van die woning die behoorde tot de nalatenschap waarin zij krachtens beneficiaire aanvaarding opkwam. Met zijn klacht dat van een wilsverklaring gericht op zuivere aanvaarding geen sprake is geweest, miskent het middelonderdeel dat voor een zuivere aanvaarding geen uitdrukkelijke wilsverklaring is vereist. De in middelonderdeel 1.2 voorts nog vervatte klacht dat de door het hof geciteerde passage in de akte van levering een eenzijdige vaststelling van de betrokken notaris behelst, mist in zoverre feitelijke grondslag dat uit de akte van levering blijkt dat het hier gaat om een verklaring van [eiseres]; het hof is voorts terecht ervan uitgegaan dat het in dit geding in het licht van art. 157 Rv. op de weg van [eiseres] lag nader uiteen te zetten dat het hier ging om een eenzijdige vaststelling van de notaris die niet haar instemming heeft gehad.

Middelonderdeel 1.3 bouwt voort op middelonderdeel 1.2 met de klacht dat het hof heeft miskend dat [eiseres] zelf uit eigen hoofde reeds gerechtigd was tot de onverdeelde helft van de woning. Het betoog dat het hof heeft miskend dat [eiseres] zich niet jegens de Bank schuldig heeft erkend zodat rechtens in die constellatie niet van een zuivere aanvaarding sprake kan zijn, miskent dat ook zonder zodanige expliciete schuldigerkenning sprake kan zijn van een zuivere aanvaarding. Middelonderdeel 1.4 klaagt dat in dit verband van belang wordt dat [eiseres] de in de akte van levering voorkomende verklaring als eenzijdige vaststelling zijdens de notaris heeft geduid nu niet blijkt dat [eiseres] zelf die verklaring ten kantore heeft afgelegd, terwijl het hof onverklaard heeft gelaten dat die verklaring in de conceptakte van levering nog niet voorkwam doch die akte daar een merkwaardig blanco tussenstuk behelsde zodat het hof niet zonder nadere redengeving kan stellen dat [eiseres] bij de door haar ingeschakelde notaris is verschenen en de akte van levering heeft ondertekend. Dit middelonderdeel ziet eraan voorbij dat in de akte van levering met kracht van authenticiteit is vastgesteld dat [eiseres] is verschenen voor de notaris die de akte van levering heeft verleden en dat deze akte door [eiseres] is ondertekend. Voorts ziet het middelonderdeel eraan voorbij dat het - zoals gezegd - gezien art. 157 Rv. op de weg van [eiseres] lag om haar stelling dat de door het hof geciteerde passage niet haar instemming (heeft) gehad, nader te adstrueren.

12. Middelonderdeel 1.5 richt zich tegen rechtsoverweging 4.5, waarin het hof overwoog dat het verwijt van [eiseres] dat de Bank niet te goeder trouw heeft gehandeld, geen doel treft. Met zijn klacht dat het hof in de gewraakte rechtsoverweging ten onrechte heeft overwogen dat [eiseres] blijkens de akte van levering wist dat zij aan de beneficiaire aanvaarding geen rechten kon ontlenen, vormt het middelonderdeel een herhaling van de hiervoor besproken middelonderdelen. De klacht dat het hof ten onrechte in zijn oordeelsvorming heeft betrokken of de Bank wel of niet zou hebben toegezegd dat zij afstand deed van haar vorderingsrecht voor dat gedeelte van de waarde van de woning dat niet door het beslag werd getroffen, ziet eraan voorbij dat deze omstandigheid wel relevant is in het kader van de beoordeling van het in rechtsoverweging 4.5 door het hof beoordeelde verwijt van [eiseres] dat de Bank niet te goeder trouw heeft gehandeld, en voorts dat inderdaad sprake zou zijn geweest van onverschuldigde betaling ingeval de Bank afstand van recht zou hebben gedaan van haar vordering op [betrokkene 1] voorzover deze vordering de waarde overtrof van dat gedeelte van de woning dat niet door het beslag werd getroffen. Het middelonderdeel miskent verder nog dat de omstandigheid dat Bank destijds op grond van de tussen [betrokkene 1] en [eiseres] van toepassing zijnde huwelijkse voorwaarden slechts beslag kon leggen op de onverdeelde helft van de woning, niet meer relevant is gegeven het in cassatie tevergeefs bestreden oordeel van het hof dat [eiseres] de nalatenschap zuiver heeft aanvaard.

13. Middelonderdeel 1.6 richt zich tegen 's hofs oordeel in rechtsoverweging 4.7 dat de omstandigheid dat de Bank de aangevangen (het onderdeel schrijft "aangegeven", maar hier is sprake van een kennelijke verschrijving) executie op enig tijdstip wilde voortzetten hetgeen [eiseres] als druk heeft ervaren, het op zichzelf rechtmatige handelen van de Bank niet onrechtmatig maakt.

Het middelonderdeel plaatst rechtsoverweging 4.7 mede in het teken van misbruik van omstandigheden, een leerstuk dat in deze rechtsoverweging niet aan de orde is. Voor het overige geldt dat het middelonderdeel niet opkomt tegen 's hofs oordeel in rechtsoverweging 4.7 dat uit de stellingen van [eiseres] niet volgt dat het optreden van de Bank oorzaak of mede-oorzaak is geweest van haar klachten. Middelonderdeel 1.6 kan reeds daarom niet slagen.

14. Middelonderdeel 1.7 bevat niet meer dan een herhaling van en een voortbouwen op de klachten uit de vorige middelonderdelen en moet derhalve het lot daarvan delen.

15. Uit het voorgaande volgt dat middel I in zijn geheel faalt. Middel II bevat geen zelfstandige klacht en deelt derhalve het lot van middel I.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden