Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AR6621

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
01-02-2005
Datum publicatie
02-02-2005
Zaaknummer
00992/04
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AR6621
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Overschrijding beroepstermijn kan slechts verontschuldigbaar zijn onder bijzondere, verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden. Bijv. indien verdachte is afgegaan op hem binnen de wettelijke beroepstermijn op zijn verzoek verstrekte ambtelijke informatie waardoor bij hem de gerechtvaardigde verwachting was gewekt dat een beroepstermijn van 14 dagen gold na ontvangst van een schriftelijke mededeling m.b.t. het gewezen vonnis (HR NJ 1995, 253). I.c. is het hof uitgegaan van de juistheid van verdachtes stelling dat hem op de dag van de uitspraak door een griffieambtenaar telefonisch is gezegd dat hem een mededeling van de uitspraak zou worden uitgereikt en dat hij binnen 14 dagen na ontvangst daarvan in beroep kon gaan. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is 's hofs oordeel dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden als hiervoor bedoeld, niet begrijpelijk. Dat de griffieambtenaar er niet van op de hoogte was dat de zittingsdag verdachte tevoren bekend was, zou aan verdachte kunnen worden toegerekend indien hij desgevraagd de ambtenaar daaromtrent onjuist zou hebben geïnformeerd. De algemene op de achterzijde van de dagvaarding opgenomen mededeling omtrent de beroepstermijn doet aan het voorgaande niet af, nu daar ook wordt aanbevolen zich tot de griffie te wenden voor informatie over het instellen van een rechtsmiddel, alwaar verdachte de hiervoor bedoelde specifieke informatie heeft ontvangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 77
NJ 2005, 194
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 00992/04

Mr Machielse

Zitting 23 november 2004

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft verdachte op 28 november 2003 niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen het vonnis van de Politierechter van 21 mei 2003.

2. Verdachte heeft cassatie ingesteld. Mr R.T.R.F. Carli, advocaat te 's-Gravenhage, heeft een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie.

3.1 Het warrige(1) en op sommige punten zelfs onbegrijpelijke(2) middel bevat zakelijk weergegeven de klacht, dat verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, nu hij ten gevolge van binnen de beroepstermijn door een griffieambtenaar verstrekte onjuiste informatie te laat hoger beroep heeft ingesteld.

3.2 De stukken houden het volgende in. De inleidende dagvaarding is conform art. 588, derde lid, onder c, Sv uitgereikt. Verdachte noch een raadsman is ter terechtzitting van de politierechter op 21 mei 2003 verschenen. Verdachte is bij verstek veroordeeld. Op 20 augustus 2003 is de mededeling uitspraak aan verdachte in persoon betekend. Verdachte heeft op 3 september 2003 hoger beroep ingesteld en in een aan de akte rechtsmiddel gehechte brief aangegeven dat hij in beroep wil gaan omdat hij de datum van de terechtzitting had verward met een andere datum.

3.3 Blijkens het proces-verbaal terechtzitting van 14 november 2003 heeft verdachte het volgende geantwoord op de vraag van de voorzitter van het Hof waarom hij niet ter terechtzitting in eerste aanleg was verschenen:

"Het was mij tevoren bekend dat de terechtzitting in eerste aanleg zou plaatsvinden op 21 mei 2003. Ik ben daar niet verschenen omdat ik met het oog op een andere strafzaak, in de war was omtrent de datum van die terechtzitting.

Op de dag van de uitspraak heb ik gebeld naar de griffie van de rechtbank Breda om te informeren naar de einduitspraak. Door een medewerker van de griffie werd mij medegedeeld dat ik een mededeling uitspraak zou ontvangen en dat ik binnen veertien dagen na ontvangst daarvan hoger beroep zou kunnen aantekenen."

3.4 Blijkens het arrest van 28 november 2003 heeft het Hof als volgt overwogen:

"De ontvankelijkheid van het hoger beroep

Het hof stelt vast dat op 28 april 2003 tevergeefs is getracht om de inleidende dagvaarding van verdachte om te verschijnen ter terechtzitting van 21 mei 2003, uit te reiken op het adres [a-straat 1] te [woonplaats]. Op 5 mei 2003 is de inleidende dagvaarding door een medewerker van het postkantoor aan de Torenstraat 15 te Oosterhout teruggezonden naar het arrondissementsparket Breda, waarna deze op 12 mei 2003 is uitgereikt ter griffie van de rechtbank Breda. Voorts is de inleidende dagvaarding op 13 mei 2003 als gewone brief verzonden naar bovengenoemd adres van de verdachte, nadat uit informatie van de gemeentelijke basisadministratie was gebleken dat verdachte op de dag van aanbieding van de gerechtelijke brief en tenminste vijf dagen daarna op bovengenoemd adres stond ingeschreven.

Verdachte is niet ter terechtzitting van 21 mei 2003 verschenen en op diezelfde datum door de politierechter in de rechtbank Breda bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte, ter nadere duiding van zijn brief ingekomen op 3 september 2003 ter griffie van de rechtbank, medegedeeld dat de dag van de terechtzitting in eerste aanleg hem tevoren bekend was, maar dat hij niet is verschenen omdat hij met het oog op een andere strafzaak in de war was omtrent de datum.

Derhalve doet zich een omstandigheid voor als bedoeld in artikel 408, eerste lid, onder c, van het Wetboek van Strafvordering op grond waarvan verdachte gehouden was binnen veertien dagen na de einduitspraak hoger beroep in te stellen.

Nu het hoger beroep pas na het verstrijken van die termijn -immers eerst op 3 september 2003- is ingesteld, kan de verdachte niet in het hoger beroep worden ontvangen.

De verdachte heeft tot zijn verdediging aangevoerd dat hij op de dag van de terechtzitting (bedoeld zal zijn: uitspraak, AM) heeft gebeld naar de griffie van de rechtbank Breda om te informeren naar de einduitspraak en dat hem bij die gelegenheid door een medewerker van de griffie is medegedeeld dat aan hem een mededeling uitspraak zou worden uitgereikt en dat hij binnen veertien (...) dagen na ontvangst daarvan de gelegenheid had om tegen de uitspraak van de politierechter in hoger beroep te gaan.

Het hof overweegt dat onder punt 10 op de toelichting bij de inleidende dagvaarding, welke toelichting verdachte blijkens zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep heeft ontvangen, expliciet is medegedeeld dat indien er een omstandigheid is geweest waardoor verdachte tevoren kon weten wat de dag van de terechtzitting was, de uitspraak na verloop van veertien dagen onherroepelijk is en dat na die termijn van veertien dagen geen rechtsmiddel meer kan worden ingesteld. Op grond hiervan kon verdachte aan de mededeling van de medewerker van de griffie van de rechtbank Breda -die kennelijk niet op de hoogte was van het feit dat verdachte datum en tijdstip van de zitting vooraf kende- niet het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat hij na ontvangst van de mededeling uitspraak alsnog binnen een termijn van veertien dagen de gelegenheid zou hebben om hoger beroep in te stellen. Het hof verwerpt derhalve het verweer van de verdachte."

3.5 Vooropgesteld zij dat de wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit kan geschieden; die termijnen zijn van openbare orde.(3) Het Hof heeft feitelijk en niet onbegrijpelijk vastgesteld dat de dag van de terechtzitting van de Politierechter de verdachte tevoren bekend was. Dat brengt mee dat ingevolge art. 408, eerste lid, aanhef en onder c, Sv de termijn voor het instellen van hoger beroep op 4 juni 2003 is verstreken. Het hoger beroep is dus, zoals het Hof heeft overwogen, te laat ingesteld.

3.6 Een overschrijding van de daarvoor gestelde termijn betekent in beginsel dat verdachte niet in het hoger beroep kan worden ontvangen. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend dan niet worden verbonden, indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn. Daarbij kan worden gedacht aan binnen de beroepstermijn verstrekte ambtelijke informatie waardoor bij de verdachte de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat de beroepstermijn op een ander tijdstip aanvangt,(4) of waardoor verdachte erop heeft mogen rekenen dat de zaak niet op die terechtzitting bij verstek zou worden behandeld en afgedaan,(5) of aan een zodanige psychische gesteldheid dat in verband daarmee het verzuim tijdig hoger beroep in te stellen niet aan de verdachte kan worden toegerekend.(6)

3.7 Het Hof heeft de door verdachte gestelde feiten, te weten dat een griffieambtenaar hem binnen de beroepstermijn heeft medegedeeld dat hem een mededeling uitspraak zou worden uitgereikt en dat hij binnen veertien dagen na ontvangst daarvan de gelegenheid zou hebben om hoger beroep in te stellen, aannemelijk geacht, zodat daarvan in cassatie moet worden uitgegaan. Het Hof heeft ook overwogen dat de medewerker van de griffie van de rechtbank te Breda kennelijk niet ervan op de hoogte was dat verdachte datum en tijdstip van de zitting van de Politierechter vooraf kende. De griffiemedewerker heeft zich dus in de visie van het Hof over de mogelijkheid en de termijn van het in te stellen rechtsmiddel uitgelaten op basis van onvolledige informatie. Verdachte heeft immers volgens het Hof aan deze ambtenaar niet gezegd dat hij tevoren op de hoogte was. Op grond hiervan dient, naar het kennelijk oordeel van het Hof, de overschrijding van de appeltermijn voor rekening van verdachte te blijven en was de verwachting van verdachte dat de beroepstermijn op een ander tijdstip zou aanvangen niet gerechtvaardigd.(7) Ik acht dat oordeel niet onbegrijpelijk. Het verzuim van verdachte om de griffiemedewerker van alle relevante omstandigheden op de hoogte te stellen kan verdachte worden aangerekend nu verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij de toelichting bij de inleidende dagvaarding niet heeft gelezen.(8)

4. Het middel faalt.

5. Ambtshalve heb ik geen grond tot cassatie aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Zo klaagt het middel over schending van de artikelen 6 EVRM en 408, eerste lid, onder c, Sv, nu het Hof verdachte niet-ontvankelijk heeft verklaard, terwijl de artikelen 399 tot en met 426 Sv die mogelijkheid niet bieden. Op zich is het juist, en opmerkelijk, dat de wet zwijgt over de gevolgen van het op onjuiste wijze of niet tijdig aanwenden van een rechtsmiddel. De steller van het middel ziet echter eraan voorbij, dat dit stilzwijgen het vermoeden wettigt dat de wetgever heeft ingestemd met de reeds sinds lange tijd in de rechtspraak gevolgde weg: fouten bij het aanwenden van rechtsmiddelen leiden in het algemeen tot niet-ontvankelijkheid. Zie J. De Hullu, Over rechtsmiddelen in strafzaken, 1989, p. 361-362. Voorts bevat het middel de klacht, dat voor zover het Hof de niet-ontvankelijkheid heeft gebaseerd op art. 408, eerste lid, onder c, Sv, 's Hofs oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip "bekend", nu verdachte wel bekend was met het feit dat er een terechtzitting was, maar als gevolg van dwaling niet meer wist op welke dag die plaatsvond, zodat niet kan worden gezegd dat verdachte bekend was met de dag van de terechtzitting. Tot slot bevat het middel de klacht dat het Hof ten onrechte een beslissing heeft genomen die niet voorkomt in het Wetboek van Strafvordering en verdachte in strijd met art. 6 EVRM zijn recht op verweer heeft onthouden, nu verdachte ten gevolge een fout van een griffieambtenaar te laat hoger beroep heeft ingesteld.

2 Zo had het Hof moeten toelichten waarom een griffieambtenaar ter griffie werkt.

3 Vgl. HR 28 maart 1995, NJ 1995, 500.

4 Vgl. HR 20 december 1994, NJ 1995, 253.

5 HR 21 april 1998, DD 98.272.

6 Vgl. HR 7 april 1998, NJ 1998, 577 en HR 12 juni 2001, NJ 2001, 696.

7 In HR NJ 1995, 253 was over een dergelijke verzwijging door de verdachte aan de griffieambtenaar van het feit dat de inleidende dagvaarding hem in persoon was uitgereikt niets vastgesteld.

8 Weliswaar liet verdachte zich blijkens het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep uit over de mededeling uitspraak en de toelichting daarop, maar gelet op de context van deze uitlatingen is hier sprake van een vergissing in het proces-verbaal en gaat het om de inleidende dagvaarding in de toelichting daarop.