Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AR6613

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
18-01-2005
Datum publicatie
21-01-2005
Zaaknummer
00759/04 U
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AR6613
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Tussenarrest inzake Belgisch uitleveringsverzoek strekkende tot strafvervolging of tenuitvoerlegging. HR heropent onderzoek omdat de overgelegde stukken onvoldoende gegevens bevatten voor de beoordeling van het verweer dat, gezien de procesgang i.c. in België geen verzet meer open staat, zodat het verstekvonnis onherroepelijk is en de uitlevering ontoelaatbaar gelet op het Nederlandse voorbehoud bij art. 7.1 van de Overeenkomst, opgesteld o.g.v. art. K.3 van het Verdrag betreffende de EU betreffende uitlevering tussen de Lid-Staten van de EU.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 46

Conclusie

Nr. 00759/04 U

Mr Jörg

Zitting 23 november 2004

Schriftelijke samenvatting:

[de opgeëiste persoon]

1. Bij tussenarrest van 15 juni 2004 heeft de Hoge Raad de vernietiging uitgesproken van de beslissing van de rechtbank te Almelo inhoudende de ontoelaatbaarverklaring van de uitlevering van de opgeëiste persoon aan het Koninkrijk België. De feitelijke behandeling van het uitleveringsverzoek is thans bepaald op 23 november 2004 te 12:00 uur, na eerder op 14 september 2004 en 5 oktober 2004 te zijn aangehouden.

2. Op het uitleveringsverzoek is, naast de Uitleveringswet (hierna: Uw), van toepassing:

- het Benelux Uitleveringsverdrag (Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk België en het Groothertogdom Luxemburg aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken, Brussel, 27 juni 1962, Trb. 1962, 97, gewijzigd 11 mei 1974, Trb. 1974, 161, hierna: Buv)

- de Uitvoeringsovereenkomst Schengen (Schengen, 19 juni 1990, Trb. 1990, 145)

- de overeenkomst inzake uitlevering tussen de Lidstaten van de Europese Unie (Dublin, 27 september 1996).

3. Bij de stukken bevinden zich:

- gesteld in de Nederlandse taal een originele brief van de Federale Overheidsdienst Justitie te Brussel van 7 januari 2004 met het verzoek tot uitlevering van de opgeëiste persoon ten behoeve van een strafvervolging ter zake van het bijgevoegde authentieke afschrift van het vonnis bij verstek van 22 februari 1996 van de correctionele rechtbank te Brussel;

- een authentiek afschrift van de betekening van dit arrest aan de Procureur des Konings op 11 april 1996;

- een uiteenzetting van de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd;

- een overzicht van de toepasselijke Belgische wetsbepalingen.

4. De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Nederlanders worden niet ter executie van een straf aan een vreemde Staat uitgeleverd (art. 4 Uw).

5. De stukken voldoen aan het bepaalde in art. 11 Buv, alsmede aan art. 18 Uw.

6. De uitlevering is verzocht ter zake van de veroordeling bij verstek op 22 februari 1996 door de correctionele rechtbank te Brussel tot een gevangenisstraf van zes jaar en zes maanden wegens - zakelijk weergegeven - overtreding van de wet op de verdovende middelen (invoer van bruto 24 kilogram cocaïne).

7. Naar Nederlands recht zijn de bedoelde feiten strafbaar gesteld bij art. 2, eerste lid, onder A van de Opiumwet, strafbaar gesteld bij art. 10, vierde lid van de Opiumwet en bedreigd met een gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren.

8. De Hoge Raad heeft in zijn tussenarrest van 15 juni 2004 de uitspraak van de rechtbank Almelo waarin de uitlevering ontoelaatbaar werd verklaard, vernietigd en overwogen:

"De Nederlandse regering heeft bij de bekrachtiging van het hier toepasselijke Benelux-Uitleveringsverdrag geen voorbehoud gemaakt met betrekking tot uitleveringsverzoeken ter tenuitvoerlegging van verstekvonnissen. Naar luid van de Memorie van Antwoord, - Kamerstukken II 1965-1966, 8054, nr. 10, blz. 7 - was de "noodzaak (daartoe) ook niet aanwezig" omdat met "betrekking tot verstekvonnissen geldt, dat in België en Luxemburg de mogelijkheid voor verzet altijd bestaat, zodat de verdachte in ieder geval verzekerd kan zijn van een contradictoire behandeling van zijn strafzaak." Het moet er dus voor worden gehouden dat de opgeëiste persoon na gebruikmaking van de mogelijkheid van verzet in voldoende mate in de gelegenheid zal worden gesteld om in de zaak die tot zijn veroordeling bij vorenbedoeld verstekvonnis heeft geleid, zijn verdediging te voeren voordat tot tenuitvoerlegging van dat vonnis zal worden overgegaan (vgl. HR 18 maart 1986, NJ 1986, 707)."

9. De kwestie van het wel of niet onherroepelijk zijn van een Belgische verstekvonnis nadat de opgeëiste persoon door middel van het uitleveringsdossier van het verstekvonnis kennis heeft gekregen, beperkt zich niet tot onderhavige zaak.

10. Ook in de zaak [betrokkene 1] (griffienummer 00628/04 U) en [betrokkene 2] (griffienummer 00620/04 U) speelde respectievelijk speelt deze kwestie.

11. In de zaak [betrokkene 1] had A-G Machielse aan substituut procureur-generaal Gepts enkele schriftelijke vragen gesteld met betrekking tot het instellen van verzet en de in acht te nemen termijnen. Deze vragen luidden:

a) op welke wijze kan een bij verstek veroordeelde kennis krijgen van de betekening aan een ander in de zin van artikel 187 Wetboek van strafvordering? Is daarvoor een actie van de autoriteiten nodig met het doel de beklaagde van die betekening op de hoogte te stellen?

b) kan een bij verstek veroordeelde bij voorbaat rechtsgeldig afstand doen van het recht verzet aan te tekenen?

c) kan een beklaagde die zélf verklaart al maanden eerder van de betekening van het arrest aan een ander op de hoogte te zijn geweest toch nog in verzet ontvankelijk zijn? Deze vragen hebben betrekking op de algemene kenmerken van de verzetregeling, en vormen een inleiding op de vraag waar het uiteindelijk in de onderhavige zaak op aankomt:

d) als [betrokkene 1] aan België zou worden uitgeleverd zou hij dan door de strafrechter ontvangen worden in zijn verzet, en zo ja, hoe zou dan deze ontvankelijkheid gemotiveerd kunnen worden?

Het Belgische antwoord luidde als volgt:

a) of de veroordeelde kennis heeft gekregen van de betekening is een feitelijke appreciatie. De veroordeelde of zijn raadsman kunnen bij wijze van voorbeeld kennis krijgen van de datum van betekening door inzage in het dossier. Een actie vanwege de autoriteiten teneinde de beklaagde van die betekening op de hoogte te stellen is niet vereist.

b) een bij verstek veroordeelde kan bij voorbaat geen afstand doen van het recht verzet aan te tekenen. Eenmaal verzet aangetekend kan hij steeds afstand van dit rechtsmiddel doen.

c) Vermits [betrokkene 1] een schrijven van zijn raadsman van 24 juli 2002 aan mijn ambt, waarin gesteld wordt dat hij in ieder geval op 21 januari 2002 heeft kennis genomen van de betekening van 1 maart 1995 aan de Procureur des Konings van het verstekarrest van het beroep van 8 maart 1995, heeft ondertekend, lijkt het mij weinig waarschijnlijk dat zijn eventueel hoger ingesteld verzet ontvankelijk zou zijn. Mijn ambt kan evenwel niet vooruitlopen op een beslissing van de strafrechter en bepalen of een eventueel verzet van [betrokkene 1] al dan niet door de strafrechter zal worden ontvangen als hij aan België zou worden uitgeleverd. Zoals u terecht in uw schrijven van 6 juli 2004 opmerkt, heeft de opgeëiste persoon met de Nederlandse nationaliteit in uitleveringszaken er alle belang bij in de uitspraak bij verstek te berusten, zolang hij in Nederland wordt aangetroffen.

12. De Federale Overheidsdienst Justitie te Brussel had vervolgens laten weten dat het verstekarrest inzake [betrokkene 1] in kracht van gewijsde was getreden en dat het uitleveringsverzoek derhalve werd ingetrokken.

13. In de zaak [betrokkene 2] hebben de Belgische autoriteiten, desgevraagd, kopieën uit een - niet nader aangeduid - handboek overgelegd. Hierin staat met betrekking tot de van toepassing zijnde buitengewone verzetstermijn het volgende te lezen:

"Wanneer de beslissing bij verstek niet aan de persoon van de beklaagde werd betekend, beschikt deze over een buitengewone termijn om verzet aan te tekenen tegen de veroordeling op strafgebied en ook op burgerlijk gebied.

()

Buitengewoon verzet kan worden aangetekend tot vijftien dagen na de dag waarop de beklaagde kennis heeft gekregen van de betekening van de verstekbeslissing.

()

Om de termijn van vijftien dagen te doen lopen is enkel kennis van de betekening vereist. Het is niet nodig dat de beklaagde kennis heeft van de inhoud van de beslissing bij verstek (Cass., 23 mei 1979, A.C., 1978-79, 1113). De kwestie van de kennis van de betekening is een feitenkwestie die op onaantastbare wijze door de rechter op verzet wordt beoordeeld (Cass., 3 januari 1989, A.C., 1988-89, nr. 256). Het is niet vereist dat de beklaagde het afschrift van de akte van betekening in handen kreeg () of dat hij effectief kennis heeft genomen van de inhoud van het betekeningexploot of van de verstekbeslissing.

()

Verlenging van de termijn is mogelijk op grond van art. 644 Sv of ingevolge overmacht. (Als de termijn eindigt op een zaterdag, zondag of feestdag, wordt hij verlengd tot de eerstvolgende werkdag (art. 644 Sv). Ook is verlenging mogelijk wegens overmacht (Cass., 3 maart 1981, A.C., 1980-81, 738). Als overmacht werd bv. aanvaard, een vergissing of nalatigheid van de met de betekening gelaste gerechtsdeurwaarder. Bij opsluiting in een gevangenis in het buitenland zal kunnen geoordeeld worden dat hij die zich op overmacht beroept door zijn eigen toedoen aan de grondslag ligt van de toestand waarop hij de overmacht grondt. Het aannemen van overmacht is dus betwijfelbaar (zie nochtans Gent, 24 december 1982, R.W., 1983-84, 1904, noot A. Vandeplas; zie ook Vandeplas, A., "Over verzet in strafzaken", R.W., 1972-73, 1808 e.v.).) Ook is verlenging mogelijk overeenkomstig art. 55 Ger.W., als de beklaagde in België noch woonplaats, noch verblijfplaats noch gekozen woonplaats heeft (art. 3 K.B. van 30 maart 1936; Cass. 18 oktober 1994, P&B., 1995, 9/95)."

14. In dit laatstgenoemde arrest staat onder meer het volgende:

"Overeenkomstig het tweede lid van artikel 187 van het Wetboek van Strafvordering, indien de betekening van het verstekvonnis niet aan de beklaagde in persoon gedaan wordt, deze, wat de veroordeling tot de straf betreft, in verzet kan komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop hij van de betekening kennis heeft gekregen. Overeenkomstig artikel 3 van het koninklijk besluit nummer 301 van 30 maart 1936 tot wijziging van de termijnen van rechtspleging en van de Wet van 28 juni 1889 betreffende de exploten in strafzaken, en in fiscale zaken te betekenen aan personen die niet hun woonplaats in België hebben, de buitengewone verzettermijn, bedoeld in art. 187, tweede lid van het Wetboek van strafvordering verlengd kan worden in toepassing van artikel 55 van het Gerechtelijk Wetboek. Overeenkomstig artikel 55 van het Gerechtelijke Wetboek de verlenging ten aanzien van de partij die in België noch woonplaats, noch verblijfplaats noch gekozen woonplaats heeft, 30 dagen bedraagt wanneer zij in een niet-aangrenzend Europees land, noch in Groot-Brittannië verblijft."

15. De Belgische autoriteiten hebben aldus stukken en wetsartikelen overgelegd waaruit zou moeten blijken dat een opgeëiste persoon verzet kan instellen. Echter, uit het bovenstaande zijn mijns inziens aanknopingspunten te vinden voor de stelling dat, in het geval de opgeëiste persoon op de hoogte geraakt van de datum van de betekening en de verzettermijn laat verlopen, de opgeëiste persoon, eenmaal uitgeleverd aan België, niet in een door hem ingesteld verzet zal kunnen worden ontvangen.

16. De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat [de opgeëiste persoon] door zijn aanhouding in december 2003 op de hoogte is geraakt van het verstekvonnis en dat derhalve de verzettermijn van 15 dagen inmiddels ruimschoots is verlopen.

17. Naast de door de Belgische autoriteiten in de zaak [betrokkene 2] overgelegde stukken zijn ook in bovengenoemde brief van substituut procureur-generaal Gepts in de zaak [betrokkene 1] sterke aanwijzingen te vinden dat in de zaak [de opgeëiste persoon] de buitengewone termijn van verzet (15 dagen na de dag waarop de beklaagde kennis heeft gekregen van de betekening van de verstekbeslissing) is verlopen. Immers, de termijn is gaan lopen vanaf de datum dat de opgeëiste persoon, door middel van inzage in het uitleveringsdossier, van de datum van de betekening kennis heeft gekregen.

18. Naar aanleiding van de zaak [betrokkene 1] heeft het Nederlandse Ministerie van Justitie in de zaak [betrokkene 2] de Belgische autoriteiten op 31 augustus 2004 per fax verzocht om antwoord te geven op de volgende vraag:

"De procureur-generaal van het Parket bij het Hof van Beroep te Brussel stelt in zijn brief van 27 februari 2004 dat de stukken die zijn overgelegd met betrekking tot de uitlevering, niet tot doel hebben de voorwaarden tot stand te brengen om [betrokkene 2] in staat te stellen de procedure van verzet voor een Belgische rechtbank in te zetten. De procureur-generaal stelt dat betrokkene nooit in het bezit werd gesteld van het exploot van betekening, dat hem de mogelijkheid moet bieden verzet tegen het vonnis aan te tekenen. Volgens de procureur-generaal volgt hieruit dat betrokkene in België nog over de mogelijkheid beschikt rechtsgeldig verzet aan te tekenen tegen het vonnis.

In de uitleveringsprocedure tegen [betrokkene 1], kenmerk 6/34.619/E, stelt de Substituut Procureur-generaal van het Parket bij het Hof van Beroep te Antwerpen bij brief van 15 juli 2004 echter dat de wijze van kennisneming van de datum van betekening (van een verstekvonnis) een feitelijke appreciatie is, bijvoorbeeld door inzage te krijgen in het dossier waarin zich de datum van betekening bevindt. Op dat moment zou de termijn voor verzet beginnen te lopen.

Ik moge u verzoeken aan te geven welke lezing van de verstekprocedure juist is, en aan te geven of in het onderhavige geval sprake is van een onherroepelijk vonnis.

19. Op deze brief is op 2 september 2004 het volgende antwoord gekomen:

"Met verwijzing naar uw brief dd 02.09.2004 (ik lees 31.08.2004, AG) betreffende mijn verzoek tot uitlevering van [betrokkene 2] deel ik u mede dat een antwoord uiterlijk op 03.09.2004 hoogstwaarschijnlijk niet realiseerbaar is.

Het gaat hier immers om een blijkbaar diversifiërende wetsinterpretatie gegeven door rechterlijke autoriteiten van twee verschillende rechtsgebieden van de Hoven van beroep. Vanzelfsprekend is de uitvoerende macht onbevoegd om terzake enig standpunt in te nemen."

20. Desgevraagd door het Bureau Internationale Rechtshulp in Strafzaken (BIRS) te Den Haag heeft de heer Demol van de Federale Overheidsdienst Justitie te Brussel telefonisch medegedeeld dat een inhoudelijk antwoord ongeveer een maand kan duren.

21. Om die reden is de zaak [betrokkene 2] aangehouden tot 12 oktober 2004. Omdat ook op 12 oktober 2004, rappels van het BIRS ten spijt, geen antwoord van de Belgische autoriteiten was ontvangen, en ook omdat de betekening niet rond was, is de zaak aangehouden tot 14 december aanstaande. Of er tegen die tijd een Belgische reactie komt moet worden afgewacht, maar ik heb er een hard hoofd in.

22. Terug naar de zaak van vandaag. BIRS heeft bij faxbrief van 19 oktober 2004 (met verwijzing naar de correspondentie in de zaak van [betrokkene 1] en [betrokkene 2]) de Belgische autoriteiten, in de persoon van voornoemde heer Demol van de Federale Overheidsdienst Justitie, verzocht om vóór 1 november 2004 te reageren op de ook in de onderhavige zaak door de verdediging bepleite lezing van de Belgische verstekprocedure. Deze houdt dus in dat, na inzage in het uitleveringsdossier, de opgeëiste persoon bekend is geworden met het verstekvonnis en de betekening ervan, en dat na het opzettelijk laten verlopen van de buitengewone verzetstermijn, het vonnis onherroepelijk is geworden met het gevolg dat een opgeëiste persoon met de Nederlandse nationaliteit niet meer ter executie uitgeleverd kan worden.

23. Ook op deze brief is tot op heden van de Belgische autoriteiten nog geen reactie gekomen en, gelet op de communicatie in de zaak [betrokkene 2], lijkt een inhoudelijke reactie niet of niet meer in de rede te liggen.

24. Alles afwegende stel ik mij op het volgende standpunt.

25. Het is in principe niet de bedoeling dat de Nederlandse rechter in uitleveringszaken het buitenlandse recht beoordeelt. Het punt of na uitlevering al dan niet verzet kan worden ingesteld speelt al jaren in diverse uitleveringszaken. Het is heel wel mogelijk dat de Belgische rechter in deze gevallen wel verzet toelaat onder de noemer overmacht, omdat de autoriteiten - al dan niet ten onrechte - hebben doen voorkomen dat verzet mogelijk is. De Belgische autoriteiten vragen immers om vervolgingsuitlevering en hebben wetteksten met betrekking tot de mogelijkheid om verzet in te stellen overgelegd.

26. Nu de Belgische autoriteiten in de zaak [betrokkene 2] bij schrijven van 27 februari 2004 expliciet hebben laten weten dat [betrokkene 2], bij zijn aankomst op Belgisch grondgebied, nog over de mogelijkheden zou beschikken rechtsgeldig verzet aan te tekenen tegen het verstekvonnis, is er zeker wat voor te zeggen om ook in de onderhavige zaak [de opgeëiste persoon] op het vertrouwensbeginsel te wijzen en de uitlevering toelaatbaar te verklaren. Wordt immers de uitlevering thans geweigerd, zonder dat van Belgische zijde komt vast te staan dat het vonnis onherroepelijk is geworden, dan lijkt mij niet ondenkbaar dat een eventueel later WOTS-verzoek zal worden geattaqueerd met dit argument.

27. Echter, in het licht van hetgeen in de zaak van [betrokkene 1] is voorgevallen wil ik bepleiten dat in het advies aan de Minister van Justitie wordt meegegeven dat, indien de Minister tot uitlevering overgaat, voorwaarden aan de uitlevering gesteld dienen te worden.

28. De eerste voorwaarde zou dienen te luiden:

De Belgische autoriteiten zeggen toe dat een na uitlevering in stellen verzet ontvankelijk zal worden verklaard.

Mochten de Belgische autoriteiten een dergelijke toezegging niet kunnen doen omdat de rechterlijke onafhankelijkheid zulks niet toelaat, dan zou de tweede, aanvullende voorwaarde, als volgt dienen te luiden:

De Belgische autoriteiten zeggen toe om de opgeëiste persoon onmiddellijk terug te leveren aan Nederland indien de rechter die op het verzet beslist, het verzet niet-ontvankelijk verklaart.

29. Ik concludeer dus tot inwilligen van het verzoek tot vervolgingsuitlevering.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG