Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AR5735

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
04-01-2005
Datum publicatie
05-04-2005
Zaaknummer
00306/04
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AR5735
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Cassatieberoep t.z.v. met misdrijven tenlastegelegde overtreding niet-ontvankelijk. Verdachte is t.z.v. feit 3, een overtreding, veroordeeld tot een geldboete van € 100,-, subsidiair 2 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. In zoverre is verdachte, gelet op art. 427.2 Sv niet-ontvankelijk in cassatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 00306/04

Mr. Vellinga

Zitting: 9 november 2004

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Arnhem wegens 1. "bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht", en 2. "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden en wegens 3. " handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie", veroordeeld tot een geldboete van € 100,-- subsidiair twee dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

2. Namens verdachte heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt dat het Hof het beroep op noodweer ten onrechte dan wel op ontoereikende gronden heeft verworpen omdat het Hof er aan is voorbijgegaan dat verdachte zich er op heeft beroepen dat degene die op hem af kwam lopen en jegens wie hij zich zou hebben schuldig gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht een vuurwapen in zijn hand had.

4. Ten laste van verdachte is - voor zover hier van belang - bewezenverklaard dat:

"Hij op 23 augustus 2002 te gemeente Deventer [betrokkene 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een revolver op die [betrokkene 1] gericht en daarmee geschoten in de richting van die [betrokkene 1]"

5. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer in:

De verdachte verklaart -zakelijk weergegeven- als volgt:

Op 23 augustus 2002 zat ik in Deventer in mijn auto. Ik stond stil op de rijbaan om rechtdoor te kunnen gaan. Naast mij kwam de auto van [betrokkene 1] staan. [Betrokkene 1] en [betrokkene 2] zaten in die auto. [Betrokkene 1] stapte uit de auto en kwam naar mij toe lopen. Ik had het portierraam van mijn auto open staan.

Ik heb toen een speelgoedrevolver gepakt en [betrokkene 1] daarmee bedreigd. Ik heb niet geschoten.

(...)

De verdachte verklaart nader:

[Betrokkene 1 en 2] kwamen samen aanrijden. [Betrokkene 1] stapte uit met een vuurwapen in zijn hand. Ik heb toen een nepvuurwapen op [betrokkene 1] gericht. Ik heb niet geschoten. Ik ben meteen weggereden.

Ik had een sigaret in mijn hand en het portierraam stond open. Toen ik [betrokkene 1] zag, heb ik die sigaret laten vallen.

Ik heb later die speelgoedrevolver in de IJssel gegooid. Ik heb met mijn vriendin over het gebeuren gesproken en zij zei dat [betrokkene 1] voor hetzelfde geld op mij had geschoten omdat hij dacht dat ik een echt wapen in mijn hand had.

Ik heb er niet aan gedacht om het wapen te bewaren om aan de politie te kunnen laten zien.

(...)

De verdachte en de raadsvrouw voeren het woord tot verdediging, waarbij de raadsman onder meer aanvoert:

Ik ben van oordeel dat het onder 1 telastegelegde niet bewezen kan worden en concludeer tot vrijspraak. De politie heeft geen sporen van een schietpartij aangetroffen. Er heeft geen kruitproef op de handen van mijn cliënt plaatsgevonden. Andere getuigen hebben niet duidelijk over het schieten verklaard.

[Betrokkene 1] heeft er belang bij om de waarheid te verdraaien.

Subsidiair ben ik van mening dat hij handelde in een noodweersituatie. De aangever [betrokkene 1] is op mijn cliënt af komen lopen. Mijn cliënt, die in een auto zat, kon niet wegrijden omdat het verkeerslicht op rood stond. Toen heeft hij mogelijk de hem onder 1 verweten handelingen begaan.

[Betrokkene 1] zocht de confrontatie met mijn cliënt. Mijn cliënt kon geen kant op.

6. Het Hof heeft het verweer als volgt verworpen:

Namens de verdachte (lees: is, WHV) aangevoerd dat hij ten aanzien van het onder 1 telastegelegde handelde in een noodweersituatie. Daartoe is aangevoerd dat de aangever op de verdachte is af komen lopen, dat verdachte, die in een auto zat, niet weg kon rijden omdat het verkeerslicht op rood stond en dat verdachte vervolgens de hem verweten handelingen heeft begaan.

Naar het oordeel van het hof staat vast dat de aangever op de verdachte, die in een auto zat, is aan komen lopen. Zo al verdachte zich door het gedrag van aangever bedreigd heeft gevoeld, dat (lees: dan, WHV) staat het door verdachte gekozen verdedigingsmiddel: het richten van een vuurwapen en het schieten daarmee op aangever, naar 's hofs oordeel niet in verhouding met de mogelijke dreiging van een ogenblikkelijke aanranding van zijn lijf. Het beroep op noodweer wordt derhalve verworpen.

7. Het Hof heeft het beroep op noodweer verworpen omdat het verdachtes gedrag - schieten met een vuurwapen op de aangever - niet in redelijke verhouding vond staan tot het gedrag dat de aangever jegens verdachte ten toon spreidde. Daarbij heeft het Hof in het midden gelaten of de aangever een vuurwapen in zijn hand had toen hij op de verdachte toeliep. Of dat laatste het geval was is voor de door het Hof gemaakte afweging onmiskenbaar van belang. Van iemand die een vuurwapen in zijn hand heeft gaat immers een veel grotere dreiging uit dan van iemand die lege handen heeft. De vraag is dus of het Hof verdachtes verklaring dat de aangever met een vuurwapen op hem afliep aldus had moeten verstaan dat die omstandigheid mede aan het namens hem gedaan beroep op noodweer ten grondslag lag.

8. In aanmerking genomen dat verdachtes raadsvrouw optrad ter behartiging van de belangen van de verdachte, moet het door haar gevoerde verweer worden gezien in het licht van hetgeen de verdachte heeft verklaard en moet omgekeerd verdachtes verklaring worden geïnterpreteerd tegen de achtergrond van de juridische duiding die verdachtes raadsvrouw daaraan geeft. Dat betekent in het onderhavige geval dat verdachtes verklaring dat de aangever op hem afkwam met een vuurwapen in de hand en dat hij toen een nepvuurwapen op de aangever heeft gericht aldus moet worden opgevat dat de dreiging die van de aangever uitging en die voor de verdachte reden was het nepvuurwapen te hanteren in het perspectief van het beroep op noodweer moet worden gezien en daarvan dus deel uitmaakte. Daarom heeft het Hof aan dit element van het beroep op noodweer niet stilzwijgend voorbij mogen gaan.

9. Ik merk nog op dat moeilijk voorstelbaar is dat verdachtes raadsvrouw aan het beroep op het hanteren van het vuurwapen door de aangever in haar beroep op noodweer voorbij is gegaan. Verdachtes verklaring vond immers tot op zekere hoogte steun in de verklaring van de getuige die op verzoek van de verdediging was gehoord. Toen verdachtes raadsvrouw sprak over de aangever die op verdachte toeliep heeft zij dus zonder twijfel het oog gehad op de aangever met - zoals haar cliënt had verklaard - een vuurwapen in zijn hand. Ook daarom had het Hof dit element van het beroep op noodweer in zijn beschouwingen moeten betrekken.

10. Voor de goede orde wijs ik er nog op dat de verdachte in de verklaring waarin een element van het beroep op noodweer ligt opgesloten, tegelijk het tenlastegelegde ontkent voor zover het gaat om het schieten met een vuurwapen. Een ontkenning staat echter niet aan een beroep op noodweer in de weg.(1)

11. Het middel is terecht voorgedragen.

12. Ten slotte zie ik nog de vraag onder ogen of het ook zo is, dat het bewezenverklaarde nimmer gerechtvaardigd kan zijn als reactie op het aan komen lopen van aangever in de door het Hof overigens vastgestelde omstandigheden van het geval. Die vraag kan mijns inziens in zijn algemeenheid niet bevestigend worden beantwoord. Daarvoor is een onderzoek van feitelijke aard nodig waartoe de procedure in cassatie zich niet leent. Het is dus niet zo dat het Hof het beroep op noodweer slechts had kunnen verwerpen, ook al had het in aanmerking genomen dat de aangever een vuurwapen in zijn hand had. Die weg biedt dus geen mogelijkheid het bestreden arrest in stand te laten.

13. Het middel slaagt.

14. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

15. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft het onder 1 tenlastegelegde en voor wat betreft de opgelegde gevangenisstraf en in zoverre verwijzing naar een aangrenzend Hof teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, met verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 HR 10 februari 2004, NJ 2004, 286.