Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AR5701

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
04-01-2005
Datum publicatie
06-01-2005
Zaaknummer
01241/04
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSGR:2003:AN7612
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AR5701
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Afwijzing van niet tijdig gespecificeerd verzoek van verdediging om locatiegegevens van aan verdachte toegeschreven mobiele telefoon. De procesgang: Bij brief van 24-3-03 verzocht de raadsman de AG om dergelijke gegevens. Ter terechtzitting van 4-4-03 herhaalde de raadsman zijn verzoek. Ter terechtzitting van 15-4-03 besliste het hof dat de raadsman in de gelegenheid wordt gesteld zijn verzoek te specificeren en stelde het hof 17-6-03 vast als zittingsdatum voor de voortzetting en afsluiting van de behandeling. Ter terechtzitting van 17-6-03 is het onderzoek geschorst en is de inhoudelijke behandeling bepaald op 23, 24 en 26-9-03. Bij brieven van 16, 19 en 22-9-03 heeft de raadsman zijn eerdere verzoek gespecificeerd en voorts nieuwe verzoeken gedaan (tot afspelen ter terechtzitting van bepaalde opgenomen gesprekken en beschikking krijgen over printlijsten). Het hof heeft de verzoeken afgewezen ter terechtzitting van 26-9-03. Bij pleidooi ter terechtzitting van 3-10-03 heeft de raadsman zijn verzoeken herhaald. Het hof heeft de verzoeken in het arrest wederom afgewezen.

's Hofs beslissing van 15-4-03 houdt niet in dat het hof het zelf noodzakelijk vond dat bedoeld onderzoek zou plaatsvinden of dat die gegevens aan het dossier zouden worden toegevoegd. Die beslissing kan bovendien bezwaarlijk anders worden verstaan dan dat zij - overeenkomstig hetgeen in redelijkheid van de verdediging mag worden verlangd - is gegeven in de verwachting dat indien door de verdediging van de door het hof geboden gelegenheid gebruik zou worden gemaakt, dat zou worden gedaan op een zodanig tijdstip dat het eventuele naar aanleiding van die opgave te verrichten onderzoek zou kunnen zijn afgerond vóór de voortzetting van de inhoudelijke behandeling van de zaak. Die behandeling werd ten tijde van de beslissing voorzien voor 17-6-03, maar is op die terechtzitting, alwaar de raadsman aanwezig was, verschoven naar een aantal zittingsdagen in de laatste week van september en de eerste week van oktober 2003. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat de raadsman eerst bij schrijven van 16-9-03 met de nadere invulling is begonnen van de door het hof op 15-4-03 geboden gelegenheid terwijl eerst na de door de raadsman gegeven specificatie het enkele weken vergende onderzoek zou kunnen aanvangen, heeft het hof kennelijk geoordeeld dat verdere aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting ten behoeve van nader onderzoek niet noodzakelijk was. Dat oordeel is in het licht van de hierboven weergegeven procesgang en de reden die de raadsman heeft opgegeven voor het niet eerder verstrekken van de gegevens, niet onbegrijpelijk en draagt de afwijzing van het verzoek zelfstandig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2005, 2
JOL 2005, 5

Conclusie

Nr. 01241/04

Mr. Vellinga

Zitting: 9 november 2004

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder A van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot zes jaren gevangenisstraf alsmede tot een geldboete van € 8.670,- subsidiair 173 dagen hechtenis, met verbeurdverklaring en onttrekking aan het verkeer als in het arrest omschreven.

2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 01240/03, 01241/03 en 01242/03. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.

3. Namens verdachte heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel behelst de klacht dat het bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen. Met name zou daaruit niet verdachtes opzet op de bewezenverklaarde gedraging kunnen worden afgeleid.

5. Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij tezamen en in vereniging met anderen in de periode van 1 februari 2001 tot en met 19 december 2001 in Nederland opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer 312 kilogram cocaïne."

6. Volgens de steller van het middel brengt het vereiste van nauwe en volledige samenwerking mee dat de gedragingen moeten zijn verricht in het kader van een gezamenlijk streven ter verwezenlijking van een gemeenschappelijk doel. Dat zou ten aanzien van verdachte niet kunnen worden afgeleid uit het feit dat hij contacten heeft onderhouden met medeplegers ten aanzien van wie het opzet wel uit de bewijsmiddelen kan blijken.

7. In de strafmotivering heeft het Hof aangegeven hoe het op grond van de bewijsmiddelen de rol van verdachte ziet. Het Hof overweegt dat verdachte samen met anderen een zeer grote hoeveelheid cocaïne binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, dat hij hierbij een wezenlijke rol vervulde die vergelijkbaar wordt geacht met die van de medeverdachte [betrokkene 1] en dat verdachte contact onderhield met aanbieders van cocaïne en met zijn medebelanghebbenden in het cocaïnetransport in Nederland.

8. Dat verdachte gezamenlijk handelingen heeft verricht die waren gericht op verwezenlijking van een gemeenschappelijk doel, te weten invoer van cocaïne in Nederland, kan genoegzaam uit de bewijsmiddelen blijken.

Ik wijs met name op de verklaring van [betrokkene 1] (bewijsmiddel 1) in combinatie met afgeluisterde telefoongesprekken (o.a. bewijsmiddelen 4 tot en met 29) die (deels) weer worden ondersteund door waarneming van observanten (bewijsmiddelen 57-60) en door bij huiszoeking in de woning van verdachte aangetroffen goederen (bewijsmiddel 45 en 46). Daaruit heeft het Hof kunnen afleiden dat verdachte gedurende een periode vanaf begin 2001 nauw betrokken was bij het opzetten van een cocaïnelijn, hetgeen uiteindelijk heeft geresulteerd in een cocaïnetransport dat op 17 december 2001 in de haven van Antwerpen is onderschept. Dat verdachte bij het onderschepte transport nauw betrokken was, blijkt onder andere uit de bewijsmiddelen 26, 28 en 29. Uit de bewijsmiddelen kan niet slechts worden afgeleid dat verdachte contact heeft onderhouden met de medeplegers. In de bewijsmiddelen komt de aard van die contacten zodanig tot uitdrukking dat het Hof daaruit ook verdachtes opzet op de invoer van de cocaïne heeft kunnen afleiden. De bewezenverklaring is toereikend gemotiveerd.

9. Het eerste middel faalt.

10. Het tweede middel behelst de klacht dat het Hof het verzoek van de raadsman een aantal tapgesprekken ter zitting te doen uitluisteren en alsnog een uitdraai te bekomen van het plaatsbepalingsregister uit het "Efrat"-systeem van die gesprekken, onvoldoende gemotiveerd heeft afgewezen. Met name zou daarbij het door het Hof gedane beroep op beginselen van een goede procesorde onbegrijpelijk zijn.

11. Nadat de raadsman in de week voorafgaande aan de terechtzittingen beginnende op 23 september 2003 schriftelijke verzoeken heeft ingediend bij de Advocaat-Generaal heeft hij ter zitting van 24 september 2003 deze verzoeken herhaald en nader toegelicht. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 24 september 2003 houdt ter zake dienende het volgende in:

"De raadsman wordt in de gelegenheid gesteld zijn verzoeken naar voren te brengen. De raadsman voert het woord overeenkomstig zijn overgelegde en aan dit proces-verbaal gehechte pleitnotities.

De Advocaat-Generaal verzet zich niet tegen het horen van [betrokkene 4] en [betrokkene 1] als getuige. Verder merkt zij op dat de raadsman zijn verzoeken per brieven van 16, 19 en 22 september 2003 heeft gedaan.

Het Hof heeft op 15 april 2003 toegestaan dat de raadsman een opgave zou doen voor nog te verrichten onderzoek naar de plaatsbepaling van getapte gesprekken en dat dit onderzoek daarna zou plaatsvinden. In de brief van 16 september 2003, een week geleden, is die opgave gedaan. In zo'n kort tijdsbestek was het niet mogelijk om een onderzoek nog te doen. De Advocaat-Generaal legt een proces-verbaal over van P. Bourgonje, brigadier van politie regiokorps Haaglanden d.d. 22 september 2003. Zij is van mening dat de noodzaak om de vragen alsnog te beantwoorden nu niet meer aanwezig is.

Het verzoek van 19 september 2003 om gesprekken op CD-rom te zetten is op korte termijn niet uitvoerbaar gebleken en de noodzaak om dat alsnog te doen is nu niet meer aanwezig."

12. Ter terechtzitting van 26 september 2003 heeft het Hof een beslissing gegeven op de verzoeken van de verdediging. Het proces-verbaal houdt ter zake dienende het volgende in:

"Aangaande de tapgesprekken

Op de terechtzitting van 15 april 2003 heeft het hof beslist dat de raadsman in de gelegenheid wordt gesteld gespecificeerd opgave te doen van tapgesprekken met GSM-nummer 06-[001] welke naar zijn oordeel betrekking hebben op afwezigheid van de verdachte op plaatsen alwaar zijn aanwezigheid in het Xenon-onderzoek wordt vermoed, zodat de advocaat-generaal de raadsman in het bezit zou kunnen stellen van een uitdraai en de plaatsbepalingsregistraties uit het "Efrat"-systeem van die gesprekken.

Eerst bij brief van 16 september 2003 heeft de raadsman aan de advocaat-generaal voormelde opgave gedaan.

Bij brief van 19 september 2003 heeft de raadsman aan de advocaat-generaal verzocht het ertoe te leiden dat een viertal nader aangegeven tapgesprekken ter zitting worden uitgeluisterd.

Bij brief van 22 september 2003 heeft de raadsman zijn verzoeken aangaande tapgesprekken aan de advocaat-generaal aangevuld.

De advocaat-generaal heeft, in de tijdsspanne gelegen tussen de ontvangst van deze gegevens en verzoeken en de zitting op 23, 24 en 26 september 2003, niet aan de opdracht van het hof en die verzoeken kunnen voldoen.

De uitvoering van meergenoemde verzoeken aangaande taps vergt, naar algemeen bekend is, enige weken. De raadsman heeft aangevoerd dat hij, wegens andere zaken die hij in behandeling heeft, er niet eerder toe is gekomen de hiervoor aangegeven opgaven en verzoeken aan de advocaat-generaal te zenden.

Onder deze omstandigheden zou - in dit stadium van het reeds lang lopende onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep - aanhouding van de behandeling ter terechtzitting teneinde alsnog tot uitvoering van een en ander te komen, in strijd zijn met beginselen van een goede procesorde, waaronder het belang van een voortvarende afdoening van de zaak.

Het verzoek om aanhouding van de behandeling ter terechtzitting ter fine als voormeld wordt, voor beide onderdelen, mitsdien afgewezen."

13. Ik merk nog op dat de verdediging de verzoeken bij pleidooi heeft herhaald en dat het Hof deze bij arrest heeft afgewezen, onder aanhaling van de hierboven opgenomen motivering.

14. De verzoeken van de verdediging betreffen verzoeken als bedoeld in art. 328 Sv om gebruik te maken van een in art. 315 Sv omschreven bevoegdheid. Maatstaf voor de beoordeling van zodanige verzoeken is of de noodzaak van het verzochte is gebleken (1).

15. De steller van het middel stelt zich op het standpunt dat beginselen van een behoorlijke procesorde niet van toepassing zijn op de verdediging

16. Aangenomen wordt dat bij de beoordeling van verzoeken van de verdediging de beginselen van een goede procesorde een rol kunnen spelen als er sprake is van 'kennelijk chicaneus handelen dat volstrekt niet meer past of apert in strijd is met de strekking van de bevoegdheid en waarbij het belang van de verdachte niet meer een rechtens te beschermen belang kan worden genoemd'(2). In mijn conclusie voor de zaak met nummer 02724/03 waarin de Hoge Raad op 7 september 2004 uitspraak heeft gedaan en waarin mr. Spong onder het eerste middel een soortgelijke klacht presenteerde heb ik onder verwijzing naar HR 16 november 1999, NJ 2000, 214 m.nt. JR rov. 3.3. opgemerkt dat mijns inziens niet valt uit te sluiten dat beginselen van een goede procesorde de vrijheid van optreden van de raadsman onder omstandigheden verder beperken dan niet chicaneus handelen.(3)

17. In HR 12 januari 1999 NJ 1999, 450 m.nt. tH deed zich een geval voor waarin het Hof een verzoek als bedoeld in art. 315 jo 328 Sv afwees op soortgelijke gronden als in het onderhavige geval. In die zaak ging het om het alsnog horen van getuigen. Het Hof kwam tot het oordeel dat de verdediging, die had toegezegd tijdig opgave te doen van te horen getuigen en die na aanhouding van de behandeling pas kort voor de volgende zitting getuigen had opgegeven, het verzoek tardief had gedaan en dat inwilliging ervan strijd met een behoorlijke procesorde - een tijdige procesgang daaronder begrepen - zou opleveren. Die motivering van de afwijzing vond geen genade in de ogen van de Hoge Raad. De Hoge Raad gaf aan dat de maatstaf is of de noodzaak van het verzochte is gebleken en stelde vast dat het Hof een andere en dus een onjuiste maatstaf had aangelegd.

18. Los van de vraag of beginselen van behoorlijke procesorde van toepassing zijn op handelen van de verdediging, kan de tijdigheid van een verzoek een rol spelen bij de beoordeling van de noodzaak van de inwilliging daarvan(4). Het komt mij voor dat zeker als de verdediging zelf toezeggingen doet, de verdediging daar tot op zekere hoogte ook aan gehouden mag worden. In dezelfde zin schrijft mijn ambtgenoot Fokkens in zijn conclusie voor HR NJ 1999, 450 dat bij het beantwoorden van de vraag of het horen van een getuige noodzakelijk is, mag worden meegewogen welke gevolgen een aanhouding met dit doel heeft voor de behandeling van de zaak, een en ander bezien in het licht van het optreden van de verdediging.

19. Het voorgaande betekent dat het handelen van de verdediging onderdeel kan zijn van de beoordeling van de noodzakelijkheid van toewijzing van een verzoek. Als de verdediging bijvoorbeeld expliciet de tijd heeft gehad verzoeken te doen, maar daarmee draalt tot op het laatste moment, kan dat een indicatie vormen voor het betrekkelijke van de noodzakelijkheid van het verzochte. Kennelijk heeft het verzochte bij de verdediging dan niet de hoogste prioriteit. Anders was het verzoek wel eerder gedaan. Ik meen echter dat het huidige stelsel van strafvordering en de eigen plaats die de verdediging daarin inneemt geen ruimte biedt om verzoeken waarvan de beoordeling dient te geschieden aan de hand van de maatstaf van de noodzakelijkheid van het verzochte, af te wijzen op de enkele grond dat de verdediging de verzoeken eerder had kunnen (en moeten) doen.

20. In de overwegingen van het Hof in de onderhavige zaak zijn geen aanknopingspunten te vinden die erop wijzen dat het Hof bij de beoordeling van het verzoek het niet erg voortvarende handelen van de verdediging heeft geplaatst in het kader van de vraag of inwilliging van het verzoek noodzakelijk was. Het Hof heeft zich uitsluitend laten leiden door de beginselen van een goede procesorde, waarbij het Hof met name noemt het belang van een voortvarende afdoening.

21. Het belang van een voortvarende afdoening komt tot uitdrukking in het bepaalde in art. 6 lid 1 EVRM voor zover daarin de verdachte recht wordt gegeven op afdoening binnen redelijke termijn. Ook buiten het verband van die bepaling heeft het belang van voortvarende afdoening erkenning gekregen, en wel met het oog op de preventieve werking die geacht wordt uit te gaan van berechting en bestraffing, de gerechtvaardigde belangen van het eventuele slachtoffer van het feit, en de ongunstige invloed van het tijdsverloop op de beoordeling van de feiten als gevolg van de verbleking van de herinnering van - bijvoorbeeld - eventuele getuigen.(5)

22. Onder omstandigheden valt in mijn ogen niet uit te sluiten dat het belang van de voortvarende afdoening van een strafzaak de afwijzing van een verzoek als bedoeld in art. 315 jo. 328 Sv kan dragen. Het zal dan echter wel moeten gaan om een geval waarin de procedure al extreem lang duurt en inwilliging van het verzoek leidt tot verlenging met een aanzienlijk duur van de strafzaak. Enkele weken, zoals in het onderhavige geval aan de orde was, lijkt mij daartoe verre van voldoende. Wellicht zal het daarbij moeten gaan om gevallen waarin het gedrag van de toegevoegd raadsman het ernstige vermoeden oproept dat verdachtes raadsman de belangen van zijn cliënt ernstig verwaarloost. In extreme gevallen(6) dwingt het bepaalde in art. 6 lid 3 sub c EVRM de rechter dan om in te grijpen. Voor een dergelijke situatie bieden de overwegingen van het Hof echter geen enkel houvast.

23. Het voorgaande brengt mee dat het Hof aan de afwijzing van het verzoek een onjuiste maatstaf ten grondslag heeft gelegd.

24. Het middel is terecht voorgesteld.

25. Het eerste middel kan naar mijn mening worden verworpen op de voet van art. 81 RO.

26. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

27. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 12 januari 1999, NJ 1999, 450 m.nt. tH en HR 14 maart 2000, NJ 2000, 519.

2 Noot van 't Hart onder HR 12 januari 1999, NJ 1999, 450.

3 Zie ten aanzien van een raadkamerprocedure HR 24 november 1989, NJ 1999, 153.

4 HR 3 maart 1998, NJ 1998, 856.

5 HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721, m.nt. JdH, rov. 3.11

6 EHRM 21 april 1998, Reports of Judgments and Decisions 1998-II, No 69, p. 739 e.v. (Daud)