Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AR5692

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
04-01-2005
Datum publicatie
04-01-2005
Zaaknummer
01228/04 B
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHAMS:2004:AO3775
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AR5692
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag ex art. 552a Sv. De opvatting dat het hof in zijn beschikking van 13-01-04 de vatbaarheid voor onttrekking aan het verkeer had moeten toetsen aan art. 240b Sr, zoals dat luidde van 1-02-96 tot 1-10-02, is onjuist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 3

Conclusie

Nr. 01228/04 B

Mr. Vellinga

Zitting: 9 november 2004

Conclusie inzake:

[verzoeker=klager]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft - na verwijzing door de Hoge Raad bij arrest van 26 februari 2002, nr. 02158/99B - een verzoek tot teruggave van onder verzoeker inbeslaggenomen kinderpornografisch materiaal afgewezen en de teruggave gelast van de onder verzoeker inbeslaggenomen luchtdrukrevolver en vijf patronen.

2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 00710/04 B, 00711/04B, 01228/04 B en 01229/04 B. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.

3. Namens verzoeker heeft mr. G.G.J. Knoops, advocaat te Amsterdam, vijf middelen van cassatie voorgesteld.

4. De middelen in de onderhavige zaak zijn geheel gelijkluidend aan de middelen in de zaak nr. 00710/04B en zijn gericht tegen overwegingen van het Hof die gelijkluidend zijn aan die in laatstgenoemde zaak. Daarom volsta ik er mee voor de bespreking van het eerste, het vierde en het vijfde middel te verwijzen naar mijn conclusie in de zaak nr. 00710/04B.

5. Voor wat betreft het tweede middel merk ik op dat het middel miskent dat niet valt in te zien hoe het Openbaar Ministerie in een procedure als de onderhavige waarin aan de orde is een verzoek tot teruggave en niet enige vordering van het Openbaar Ministerie, tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie zou kunnen worden besloten. Dit betekent dat het middel langs de in de onderhavige procedure aan de orde zijnde vragen heen schiet en dus hoe dan ook tevergeefs is voorgedragen.

6. Voor wat betreft het derde middel verwijs ik naar de bespreking van dat middel in de zaak 00710/04B zij het met de volgende aantekening. De omstandigheid dat het Hof er aan is voorbijgegaan dat het oordeel van de Rechtbank over de vordering tot onttrekking aan het verkeer voor wat betreft de voorwerpen gemerkt "B" in het kader van de beoordeling van de vordering tot onttrekking aan het verkeer niet meer te zijner beoordeling stond brengt mee dat het Hof bij de beoordeling van het onderhavige verzoek tot teruggave, dat betrekking heeft op dezelfde voorwerpen als die waarover het Hof bij de beschikking die in de zaak nr. 710/04B aan de orde is, is uitgegaan van de onjuiste veronderstelling dat de voorwerpen gemerkt "B" alsnog aan het verkeer onttrokken konden worden verklaard.

7. Het derde middel slaagt, het tweede middel is tevergeefs voorgedragen, het eerste, het vierde en het vijfde middel falen.

8. Het eerste, het vierde en het vijfde middel kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

9. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen

10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en verwijzing naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG