Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AR4854

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
14-01-2005
Datum publicatie
14-01-2005
Zaaknummer
R04/082HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AR4854
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

14 januari 2005 Eerste Kamer Rek.nr. R04/082HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [De vader], wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, advocaat: mr. J. Groen, t e g e n [De moeder], wonende te [woonplaats], VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. M.L. Kleyn. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2005-01-14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 14
JWB 2005/6

Conclusie

R04/082HR

Mr. F.F. Langemeijer

Parket, 29 oktober 2004

Conclusie inzake:

[de vader]

tegen

[de moeder]

Het cassatiemiddel is gericht tegen de afwijzing van het verzoek om een omgangsregeling vast te stellen.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende(1):

1.1.1. Verzoeker tot cassatie (hierna: de vader) en verweerster in cassatie (de moeder) zijn op 22 september 1992 met elkaar gehuwd. Uit het huwelijk zijn geboren:

- [kind 1], op [geboortedatum] 1993, en

- [kind 2], op [geboortedatum] 1998,

over wie de moeder alleen het gezag uitoefent.

1.1.2. Bij beschikking van de rechtbank te Almelo van 17 januari 1999 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Die beschikking is op 9 april 1999 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

1.1.3. Bij beschikking van de rechtbank van 23 februari 1999 is een voorlopige omgangsregeling vastgelegd tussen de vader en de kinderen. De vader woonde toen nog in Almelo. In onderling overleg hebben partijen de omgangsregeling gewijzigd omdat de vader elders is gaan wonen.

1.1.4. Bij vonnis in kort geding van 4 augustus 1999 is bepaald dat door partijen geen uitvoering dient te worden gegeven aan de bij beschikking van 23 februari 1999 vastgestelde voorlopige omgangsregeling zoals nadien door partijen gewijzigd. Blijkens een vonnis in kort geding van 15 oktober 1999 is aan de vader, kort gezegd, een straat- en een contactverbod opgelegd.

1.1.5. De vader is van beide kort gedingvonnissen in hoger beroep gekomen. In zijn hoger beroep tegen het vonnis van 4 augustus 1999 is de vader bij arrest van het gerechtshof te Arnhem van 4 juni 2002 niet-ontvankelijk verklaard. Bij arrest van 5 november 2002 is het vonnis van 15 oktober 1999 in reconventie vernietigd, hetgeen inhoudt dat voormelde verboden zijn vervallen.

1.1.6. Bij beschikking van de rechtbank te Almelo van 29 maart 2000 is overeenkomstig een daartoe strekkend advies van de raad voor de kinderbescherming een voorlopige omgangsregeling vastgesteld tussen de vader en de kinderen, zulks onder begeleiding van het PBO te Almelo(2).

1.1.7. Bij beschikking van 21 november 2000 heeft het hof de genoemde beschikking van 29 maart 2000 vernietigd en de voorlopige, door het PBO begeleide omgangsregeling stopgezet. Aan die beslissing lag hoofdzakelijk ten grondslag dat niet aannemelijk is dat de problematische verhouding tussen partijen binnen afzienbare termijn in positieve zin zal veranderen en dat, als gevolg daarvan, er geen uitzicht is op een normale omgangsregeling. Daarnaast heeft het hof overwogen dat, nu de kinderen extreem reageren op de contacten met de vader, het in strijd met hun zwaarwegende belangen is om door te gaan met begeleide omgangsregelingen(3).

1.1.8. Bij vonnis in kort geding d.d. 22 oktober 2001 is een vordering van de moeder om de vader te verbieden in welke vorm dan ook contact te zoeken en/of te hebben met de moeder en/of een van beide kinderen van partijen en hem te verbieden zich te begeven en te bevinden in een bepaalde wijk en straat te Almelo, afgewezen.

1.2. Bij inleidend verzoekschrift, ingekomen 26 oktober 2001, heeft de vader aan de rechtbank te Almelo verzocht een omgangsregeling vast te stellen van één weekend per veertien dagen van vrijdag- tot zondagavond, althans een regeling die de rechtbank juist acht.

1.3. Na verweer van de moeder en twee behandelingen ter terechtzitting heeft de rechtbank (kinderrechter) bij beschikking van 19 juni 2002 het verzoek van de vader afgewezen. De rechtbank heeft verwezen naar de genoemde beschikking van het hof van 21 november 2000. Van een wijziging van omstandigheden die omgang tussen vader en kinderen thans wel mogelijk maakt, is volgens de rechtbank niet gebleken. De rechtbank overwoog tenslotte dat het vaststellen van welke omgangsregeling dan ook op dit moment nog onverkort in strijd is met zwaarwegende belangen van de kinderen.

1.4. De vader heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling op 21 januari 2003 heeft hij subsidiair verzocht aan de moeder een verplichting tot het verstrekken van informatie als bedoeld in art. 1:377b BW op te leggen, inhoudende het halfjaarlijks sturen van een goedgelijkende foto van de kinderen, kopieën van hun schoolrapporten en het melden wanneer de kinderen ziek zijn.

1.5. Bij tussenbeschikking van 11 februari 2003 heeft het hof de behandeling aangehouden en aan de raad voor de kinderbescherming verzocht een onderzoek in te stellen naar de mogelijkheden van een omgangsregeling en daartoe een aantal proefcontacten tussen de vader en de kinderen voor te bereiden.

1.6. Na een rapport van de raad voor de kinderbescherming d.d. 14 januari 2004 heeft het hof de behandeling van het hoger beroep voortgezet. Bij beschikking van 23 maart 2004 heeft het hof de beschikking van 19 juni 2002 bekrachtigd. Daarnaast heeft het hof het subsidiaire verzoek van de vader om toezending van informatie over de kinderen toegewezen. Na een weergave van de uitgebrachte rapportage en van de standpunten van partijen overwoog het hof in rov. 2.6 dat uit de rapportage blijkt dat beide kinderen ook thans nog extreem reageren op contact met de vader en dat er sprake is van een zeer problematische verhouding tussen partijen die op de kinderen haar weerslag heeft.

1.7. Namens de vader is - tijdig - cassatieberoep ingesteld tegen de eindbeschikking van het hof. De moeder heeft verzocht de vader in zijn cassatieverzoek niet-ontvankelijk te verklaren, althans dit verzoek af te wijzen. Van de zijde van de moeder zijn daarbij vier producties in het geding gebracht. De Hoge Raad kan op die producties geen acht slaan, noch op de aanvullende feitelijke stellingen van de moeder: zie art. 429 lid 2 in verbinding met art. 419, leden 2 en 3, Rv.

2. Inleidende beschouwingen

2.1. Gelijktijdig wordt geconcludeerd in zaak nr. R 04/013, waar een soortgelijk vraagstuk aan de orde is gesteld.

2.2. Vooropgesteld moet worden dat de vader op grond van art. 1:377a lid 1 BW recht heeft op omgang met zijn beide kinderen(4). Dit recht kan mede worden afgeleid uit art. 8 lid 1 EVRM. In vaste rechtspraak van het EHRM wordt erkend dat "the mutual enjoyment by parent and child of each other's company constitutes a fundamental element of family life". Het tweede lid van art. 8 EVRM bepaalt dat de uitoefening van een in het eerste lid van art. 8 beschermd recht slechts kan worden beperkt voor zover dit bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van (onder meer) de bescherming van de gezondheid of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Centraal staat dus niet de vraag of omgang in het belang van het kind gewenst is, maar juist de vraag of omgang met het kind niet gewenst is op zekere, in de wet aangegeven gronden(5). De rechter beoordeelt dit aan de hand van de actuele situatie. Het derde lid van art. 1:377a BW bepaalt, voor zover in deze zaak van belang, dat de rechter het recht op omgang slechts ontzegt indien:

a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of

b. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang(6), of

c. (n.v.t.), of

d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

2.3. Het onderscheid tussen de weigeringsgrond onder a en die onder d is gradueel. In HR 10 april 1992, NJ 1992, 444 werd onder meer overwogen:

"Voor zover het onderdeel ervan uitgaat dat voor ontzegging op laatstvermelde grond geen plaats is indien de belangen van het kind waarmee omgang in strijd wordt geacht, bestaan in nadeel voor zijn geestelijke of lichamelijke ontwikkeling, en dat in dit geval het recht op omgang slechts kan worden ontzegd indien is voldaan aan de eis van "ernstig" nadeel voor die ontwikkeling, miskent het dat het hof niet uitsluitend een nadeel voor de ontwikkeling van de kinderen in aanmerking heeft genomen, en miskent het bovendien dat ook bij toepassing van de ontzeggingsgrond onder c(7) een niet als "ernstig" aan te merken nadeel voor bedoelde ontwikkeling kan bijdragen tot het oordeel dat zwaarwegende belangen van het kind zich tegen omgang verzetten."(8)

2.4. Bij de totstandkoming van art. 1:161a BW, de voorloper van art. 1:377a BW, heeft de regering gewezen op jurisprudentie waaruit blijkt dat redenen van klemmende aard moeten kunnen worden aangevoerd, wil het omgangsrecht worden ontzegd(9). Vervolgens is in de memorie van toelichting uiteengezet dat de voorgestelde gronden voor ontzegging blijk geven van de gedachte dat slechts de belangen van het kind kunnen leiden tot een ontzegging van het omgangsrecht. Het kind is niet slechts een object ten aanzien waarvan de ouders rechten en verplichtingen hebben; het is een subject met wiens belangen uitdrukkelijk rekening wordt gehouden(10).

2.5. In de parlementaire geschiedenis is ook aandacht besteed aan de gevallen waarin de ene ouder bezwaar heeft tegen de omgang van het kind met de andere ouder. De enkele omstandigheid dat de ouder-voogd hiertegen bezwaar heeft is onvoldoende grond voor het ontzeggen van de omgang aan de andere ouder. De regering stelde:

"Naar onze mening is een strikte formulering van de ontzeggingsgronden voor het omgangsrecht nodig om niet te vervallen in het oude idee dat omgang alleen dan mogelijk is, als deze geacht kan worden `haalbaar' te zijn, dat wil zeggen: niet op bezwaren stuitend bij de ouder-voogd. Het behoud van de contacten na scheiding tussen de ouder-niet-voogd en het kind is een fundamenteel recht, waaraan op behoorlijke wijze inhoud moet worden gegeven."(11).

De regering toonde overigens wel oog voor de praktische beperkingen:

"Het recht op omgang is een recht, waarvan de inhoud niet slechts door één direct betrokkene wordt bepaald, maar dat mede wordt bepaald door de andere direct betrokkene(n) bij de omgang. Dat wil zeggen dat een ouder-niet-voogd voor het effectueren van het recht op omgang mede afhankelijk is van het kind met wie deze ouder omgang heeft. (...) Praktisch gesproken kan het erop neerkomen dat bij voortdurend verzet van één van de direct betrokkenen bij de omgang, deze niet zal kunnen plaatsvinden. Indien de ouder-voogd geen prijs stelt op omgang van het kind met de ouder-niet-voogd en dit leidt tot aanmerkelijke onrust en spanningen in het gezin waar het kind normaal verblijft, kan de omgang aan de ouder-niet-voogd worden ontzegd als door die onrust en spanningen de omgang in strijd zou zijn met zwaarwegende belangen van het kind."(12)

De belangen van zowel het kind als de ouder-niet-voogd en de ouder-voogd zullen tegen elkaar worden afgewogen. Uiteindelijk zullen de belangen van het kind de doorslag moeten geven(13).

2.6. In verband met de subsidiaire motiveringsklacht is nog van belang dat de regering van mening is dat de rechter in zijn oordeel zal moeten aangeven welke feiten en omstandigheden in het concrete geval zo zwaar hebben gewogen dat strijd met zwaarwegende belangen van het kind reden is tot ontzegging van het omgangsrecht(14).

2.7. Bij de totstandkoming van (de voorloper van) art. 1:377a BW is rekening gehouden met de verplichtingen die voortvloeien uit art. 8 EVRM(15). Wanneer eenmaal een omgangsregeling is getroffen rust op de lidstaten de verplichting deze te effectueren, zo nodig met de sterke arm(16), maar dat wil niet zeggen dat een afweging van het recht van de ouder tegen een zwaarwegend belang van het kind niet mogelijk zou zijn:

"A fair balance must be struck between the interests of the child and those of the parent and that in doing so particular importance must be attached to the best interests of the child which, depending on their nature and seriousness, may override [those] of the parent. In particular, the parent cannot be entitled under Article 8 of the Convention to have such measures taken as would harm the child's health and development"(17).

2.8. Volledigheidshalve - het middel doet er geen beroep op - wijs ik nog kort op de ontwikkelingen op het internationale vlak en met name op art. 4 van de Europese Convention on contact concerning children van 15 mei 2003, waarover S. Jansen heeft bericht in FJR 2003, blz. 138-150. In die (nog niet verbindende) bepaling wordt het recht van het kind en zijn ouders om regelmatig contact met elkaar te onderhouden uitdrukkelijk erkend. Het contact kan uitsluitend worden beperkt of geweigerd indien dit noodzakelijk is in het belang van het kind. Indien de rechter overweegt de uitoefening van het omgangsrecht te ontzeggen dient ook het alternatief van een begeleide omgang van ouder en kind of andere vormen van contact in ogenschouw te worden genomen. Op het nationale vlak bestaat reeds geruime tijd aandacht voor bemiddeling tussen de ouders (mediation) en voor omgangsregelingen onder begeleiding van een derde(18).

3. Bespreking van het cassatiemiddel

3.1. Het middel klaagt over schending van art. 1:377a BW en van art. 8 EVRM doordat het hof, op de in zijn eindbeschikking aangegeven gronden, het verzoek van de vader om een omgangsregeling vast te stellen heeft afgewezen. Ter toelichting wordt aangevoerd dat uit het rapport van de raad voor de kinderbescherming en uit het verhandelde ter terechtzitting van het hof duidelijk is dat het de houding van moeder is, die een normaal contact tussen partijen onmogelijk maakt en die het onmogelijk maakt tot een omgangsregeling te komen, ook wanneer deze onder begeleiding plaatsvindt. De vader vindt het onaanvaardbaar dat de blokkade door de moeder hem het gezinsleven met zijn kinderen belet. Het middel klaagt dat het hof de moeder ertoe had moeten brengen om zich voor haar (volgens de vader: ongefundeerde) angsten te laten behandelen en om gesprekken met de vader aan te gaan teneinde de onderlinge verhouding tussen partijen te verbeteren. Subsidiair bevat het middel een niet nader uitgewerkte motiveringsklacht(19).

3.2. In de bestreden beschikking wordt vermeld dat de moeder absoluut geen contact wenst te hebben met de vader (rov. 2.5). Anders dan het middel aan het slot (blz. 6) suggereert, is de beslissing van het hof niet in hoofdzaak gebaseerd op deze weigering van de moeder. De grond waarop de beslissing van het hof berust is dat de verzochte omgangsregeling door het hof in strijd wordt geacht met zwaarwegende belangen van de beide kinderen. Het hof heeft dit oordeel nader gemotiveerd door erop te wijzen dat de kinderen extreem reageren op het contact met de vader en dat nog altijd sprake is van een zeer problematische verhouding tussen partijen, die op de kinderen haar weerslag heeft. Uiteindelijk heeft een zwaarwegend belang van de kinderen dus de doorslag gegeven.

3.3. 's Hofs oordeel is tot stand gekomen nadat het hof aan de raad voor de kinderbescherming opdracht had gegeven nader onderzoek te doen. In rov. 2.3 is het hof betrekkelijk uitvoerig ingegaan op de bevindingen van de raad. De raad constateert dat de ouders op dit moment niet in staat zijn de voorwaarden te scheppen die nodig zijn voor een omgangsregeling. De raad adviseert om ruimte te maken voor hulpverlening aan de kinderen, teneinde iets te doen aan de angstbeelden van de kinderen ten opzichte van hun vader en opdat zij leren hem een plek te geven en vertrouwen in hem te krijgen. Meer concreet heeft de raad de aanwijzing van een contactpersoon voorgesteld, die inmiddels door Bureau Jeugdzorg is benoemd (rov. 2.3). In rov. 2.6 verwijst het hof naar deze rapportage.

3.4. De bestreden beschikking sluit aan bij de maatstaf van art. 1:377a BW. Zij geeft niet blijk van een onjuiste opvatting van art. 8 lid 1 of van de beperkingsgronden in het tweede lid van art. 8 EVRM. De beperking van het omgangsrecht is bij de wet voorzien en gelegen in de noodzaak tot bescherming van de rechten en vrijheden van de kinderen. Uit de bestreden beschikking volgt dat het hof de verzochte omgangsregeling in strijd heeft geacht met zwaarwegende belangen van beide kinderen. Het hof heeft niet volstaan met een verwijzing naar het arrest van 21 november 2000, maar heeft uitdrukkelijk acht geslagen op de actuele situatie. Het hof heeft de beschreven extreme reacties van de kinderen en de problematische verhouding tussen partijen - niet op zichzelf, maar in het licht van de weerslag daarvan op de kinderen - mogen aanmerken als "zwaarwegende belangen" in de zin van art. 1:377a BW. De motivering, die steunt op het rapport van de raad voor de kinderbescherming, kan m.i. de toets doorstaan, ook wanneer wordt uitgegaan van een verzwaarde motiveringseis.

3.5. In het cassatiemiddel wordt aangevoerd dat het hof de moeder ertoe had moeten brengen zich voor haar angsten te laten behandelen en met de vader in gesprek te treden teneinde hun onderlinge verhouding te verbeteren(20).

3.6. Voor zover de vader betoogt dat die angsten ongefundeerd zijn, kan in een cassatieprocedure de juistheid of onjuistheid van die stelling niet worden onderzocht(21). Noch uit de bestreden beschikking noch uit de processen-verbaal van de terechtzittingen of andere gedingstukken volgt dat de man in feitelijke aanleg heeft aangevoerd dat het hof de moeder ertoe zou moeten brengen om zich hiervoor onder behandeling te laten stellen. Reeds om die reden kan in cassatie niet met vrucht worden geklaagd dat het hof dit heeft nagelaten.

3.7. Voor de rechter die in een dergelijk conflict moet oordelen staan verscheidene wegen open. De meest voor de hand liggende mogelijkheid, een proefomgangsregeling onder begeleiding, is door het hof reeds beproefd. Bij gelegenheid van de behandeling in appel heeft de man voorgesteld de omgang te realiseren in een zgn. omgangshuis, onder begeleiding van de raad voor de kinderbescherming (zie rov. 2.4). Het hof is echter van oordeel dat het doorgaan met begeleide omgangsregelingen nu in strijd is met zwaarwegende belangen van de kinderen. Het hof heeft verwezen naar de "extreme reacties" van de kinderen. Dit oordeel berust op een waardering van feitelijke aard, waarvan de juistheid in cassatie niet kan worden onderzocht. Van de motivering kan niet worden gezegd dat zij onbegrijpelijk is. Bovendien legt het middel niet de vinger op bepaalde fouten of tekortkomingen in de redenering van het hof.

3.8. Of een behandeling van de moeder voor haar angsten de meest aangewezen methode is om binnen een redelijke termijn het beoogde resultaat te bewerkstelligen, te weten het scheppen van voorwaarden voor een normale omgangsregeling tussen de vader en de kinderen, laat zich in cassatie niet beoordelen. In de rapportage van de raad voor de kinderbescherming, waarnaar het hof verwijst en waarbij het hof zich kennelijk aansluit, wordt een andere weg gewezen: "Zolang de moeder geen rust ervaart zal zij in haar gedrag ook geen rust kunnen overbrengen op de kinderen. (...) Op dit moment dient er ruimte te komen voor hulpverlening aan de kinderen" (rov. 2.3). Klaarblijkelijk gaat de voorkeur van het hof in deze fase uit naar het scheppen van een periode van rust en moet, voor de duur van die periode, het recht van de vader op omgang wijken voor de zwaarwegende belangen van de beide kinderen. Aldus beschouwd heeft het hof de gronden van zijn beslissing genoegzaam verantwoord.

3.9. Tot slot kan nog worden gewezen op een recente beschikking van het gerechtshof te 's-Gravenhage in een soortgelijk conflict, waarbij de rechter op een creatieve wijze gebruik maakt van de mogelijkheden die het informatierecht van art. 1:377b BW biedt. Het hof te 's-Gravenhage stelde een regeling vast die wederzijds verplicht tot schriftelijke uitwisseling van informatie (foto's, vragen en antwoorden over wat de ouder resp. het kind bezighoudt e.d.), als een eerste stap naar het uiteindelijk, op termijn, realiseren van een volwaardige omgangsregeling(22).

4. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Zie rov. 3.1 - 3.9 van de tussenbeschikking van het hof d.d. 11 februari 2003.

2 De afkorting staat voor: project begeleide omgangsregeling.

3 Deze samenvatting is ontleend aan rov. 2.6 van de thans bestreden eindbeschikking. Het valt te betreuren dat partijen niet een afschrift van de beschikking van 21 november 2000 in het geding hebben gebracht.

4 Over 's hofs beslissing om het Nederlandse recht toe te passen wordt in cassatie niet geklaagd.

5 Vgl. HR 8 december 2000, NJ 2001, 648 m.nt. JdB; Asser-De Boer, 2002, nrs. 1001 - 1013, i.h.b. nr. 1009; losbl. Personen- en familierecht, aant. 4 op art. 1:377a BW (S.F.M. Wortmann).

6 Anders dan het verweerschrift in cassatie, blz. 2, kan ik in de bestreden beschikking niet lezen dat het hof toepassing zou hebben gegeven aan het bepaalde in art. 1:377a, lid 3 onder b. De bepaling over ongeschiktheid blijft in het hierna volgende onbesproken.

7 De Hoge Raad spreekt hier over art. 1:161a, lid 3 onder c, (oud) BW, dat overeenstemt met het huidige art. 1:377a, lid 3 onder d, BW.

8 Zie ook: Asser-De Boer, 2002, nr. 1010.

9 Bijv. HR 2 mei 1980, NJ 1980, 537 m.nt. EAA. Zie ook: HR 13 november 1981, NJ 1982, 558 m.nt. EAA onder nr. 562; HR 25 juni 1982, NJ 1982, 562 m.nt. EAA; HR 14 februari 1992, NJ 1992, 766 m.nt. EAAL.

10 MvT, Kamerstukken II 1984/85, 18 964, nr. 3, blz. 9-10.

11 Nadere MvA I, Kamerstukken I 1988/89, 18 964, nr. 88b, blz. 7. Ook in de rechtspraak werd geen genoegen genomen met de enkele weigering door de andere ouder: zie bijv. HR 8 augustus 1986, NJ 1987, 37.

12 Nota n.a.v. het eindverslag, Kamerstukken II 1987/88, 18 964, nr. 8, blz. 11.

13 MvT, Kamerstukken II 1984/85, 18 964, nr. 3, blz. 10. In gelijke zin: MvA II, 18 964, nr. 6, blz. 18-19. Zie ook: MvA I, Kamerstukken I 1988/89, 18 964, nr. 88, blz. 6: "Het ligt ook anders als is gebleken dat de omgang - die bij voorbeeld eerst op proef geschiedt - tot zodanig grote spanningen leidt in het gezin waar het kind verblijft, dat dit onvermijdelijk zware weerslag heeft op het kind zelf."

14 MvT, Kamerstukken II 1984/85, 18 964, nr. 3, blz. 11; MvA II, 18 964, nr. 6, blz. 16-17; MvA I, 18 964, nr. 88, blz. 6-7.

15 MvA, Kamerstukken II 1986/87, 18 964, nr. 6, blz. 16.

16 EHRM 23 september 2003, NJ 2004, 245.

17 EHRM 24 oktober 2000 en 5 november 2000 (Zander/Nederland), NJ 2001, 384.

18 Zie laatstelijk: Brief minister van Justitie d.d. 18 juni 2004 over Scheidings- en omgangsproblematiek, Kamerstukken II 2003/04, 29 520, nr. 6; M.L.C.C. de Bruijn-Lückers, Scheidings- en omgangsproblematiek, EB 2004, blz. 99-103; B. Chin-A-Fat en C. van Rooijen, Oplossingen voor omgangsproblematiek?, FJR 2004, blz. 226-232. Maatschappelijke informatie met cijfermateriaal en literatuur is te vinden in: E. Spruijt, H. Kormos, C. Burggraaf en A. Steenweg, Het verdeelde kind, literatuuronderzoek Omgang na Scheiding (www.kinderbescherming.nl, 2003).

19 De verwijzing in het middel naar het algemene motiveringsvoorschrift van art. 121 Grondwet mist zelfstandige betekenis.

20 Voor zover het middel (blz. 6, tweede alinea) klaagt over de raad voor de kinderbescherming, is de cassatierechter niet bevoegd de klacht in behandeling te nemen.

21 Zoals uit de toelichting op het middel al blijkt, speelt op de achtergrond mee dat de moeder (volgens de vader: ten onrechte) bang is voor een ontvoering en overbrenging van de kinderen naar Israël en dat bepaalde pogingen van de vader om met de kinderen in contact te komen deze angstgevoelens hebben versterkt.

22 Hof 's-Gravenhage 10 maart 2004, LJN-nr. AO5797.