Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AR4462

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
21-01-2005
Datum publicatie
21-01-2005
Zaaknummer
C03/198HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AR4462
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

21 januari 2005 Eerste Kamer Nr. C03/198HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: de vennootschap naar het recht van Kameroen CAMEROON SHIPPING LINES S.A., gevestigd te Douala, Kameroen, EISERES tot cassatie, advocaat: mr. G. Snijders, t e g e n SEATRADE GRONINGEN B.V., gevestigd te Groningen, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. R.S. Meijer. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2005-01-21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 27
S&S 2005, 97
JWB 2005/19

Conclusie

Rolnr. C03/198HR

Mr L. Strikwerda

Zt. 22 okt. 2004

conclusie inzake

Cameroon Shipping Lines S.A.

tegen

Seatrade Groningen B.V.

Edelhoogachtbaar College,

1. Het cassatiemiddel in deze zaak stelt de vraag aan de orde of het hof heeft kunnen oordelen dat thans verweerster in cassatie haar uit de met thans eiseres tot cassatie gesloten overeenkomst voortvloeiende rechtsverhouding op de voet van art. 6:159 BW (contractsoverneming) heeft overgedragen aan een derde.

2. De feiten waarvan in cassatie uitgegaan dient te worden, treft men aan in r.o. 1.1 t/m 1.8 van het vonnis van de rechtbank, gelezen in verband met hetgeen het hof dienaangaande heeft overwogen in r.o. 1 t/m 10 van zijn arrest. Voor zover thans van belang komen die feiten op het volgende neer.

(i) Thans eiseres tot cassatie, hierna: Camship, is een te Douala, Kameroen, gevestigde rederij. Daarnaast verleent zij als scheepsagent in de haven van Douala diensten aan rederijen die hun schepen in die haven laden en lossen.

(ii) In 1986 heeft thans verweerster in cassatie, hierna: Seatrade Groningen, die toen een vloot koelschepen exploiteerde, met Camship een overeenkomst gesloten. Deze overeenkomst, die is onderworpen aan het recht van Kameroen, hield in dat Camship door Seatrade Groningen werd aangesteld als haar havenagent in Douala. Voorts werd overeengekomen dat Camship Seatrade Groningen zou vertegenwoordigen bij de bananenproducenten/exporteurs in Kameroen (aanvankelijk de Organisation de Cameroun de Bananas, een overheidsorganisatie die - tot 1990 - bij wege van een monopolie de bananenexport controleerde, later particuliere bedrijven).

(iii) Als vergoeding voor de werkzaamheden van Camship werd overeengekomen dat Seatrade Groningen aan Camship enerzijds een vrachtcommissie van 2% over de zeevracht van iedere verscheping van bananen zou betalen en anderzijds een havencommissie, dat wil zeggen een vergoeding voor de behandeling van de schepen in de haven.

(iv) Vanaf begin 1993 is Camship zich, hoewel zij incidenteel ook in haar correspondentie nà 1 januari 1993 nog de naam 'Seatrade Groningen' is blijven gebruiken, schriftelijk gaan richten tot Scaldis Reefer Chatering NV, gevestigd te Antwerpen, België, hierna: Scaldis, en Seatrade Group NV, gevestigd te Curaçao, hierna: Seatrade Group.

(v) Bij een door Scaldis als 'agent to Seatrade' op 11 december 1995 verzonden telex is de havenagentuur-relatie opgezegd per 1 januari 1996.

3. Camship stelt zich op het standpunt dat zij uit hoofde van de in 1986 met Seatrade Groningen gesloten overeenkomst over de jaren 1992, 1993 en 1995 nog recht heeft op vrachtcommissie en dat zij ten gevolge van de opzegging per 1 januari 1996 van de tussen partijen bestaande havenagentuurovereenkomst, welke opzegging in strijd met het daarop toepasselijke recht van Kameroen en derhalve onrechtmatig is geschied, schade heeft geleden. Op deze gronden heeft Camship Seatrade Groningen op 17 juni 1999 gedagvaard voor de rechtbank te Groningen tot betaling van FF 4.819.390,75 en US$ 1.610.895,02, vermeerderd met rente en kosten.

4. Seatrade Groningen heeft verweer gevoerd tegen de vordering van Camship. Kern van haar verweer is dat Camship haar vordering tegen de verkeerde partij richt. Zij heeft daartoe aangevoerd dat zij tot en met 31 december 1991 manager was van een Pool van aan individuele reders toebehorende koelschepen. Deze schepen werden door Seatrade Groningen als agent voor rekening en risico van de Poolleden geëxploiteerd. Per 1 januari 1992 is een nieuwe Pool gevormd met als Poolmanager Seatrade Group. Was Seatrade Groningen aanvankelijk als Generaal-agent aangesteld, per 1 januari 1993 is Scaldis als zodanig gaan optreden. Seatrade Groningen heeft nadien geen bemoeienis meer gehad met de commerciële Poolactiviteiten. Voormelde wijziging van activiteiten binnen de Pool is aan alle zakelijke connecties van Seatrade Groningen - waaronder Camship - bekend gemaakt door middel van circulaires. Per voormelde datum heeft de correspondentie plaatsgevonden tussen Camship en Scaldis. Camship wist dat Seatrade Groningen als Generaal-agent was vervangen door Scaldis. De in het voormalige Seatrade-pool verband varende schepen waren geen eigendom van Seatrade Groningen. Camship is derhalve niet-ontvankelijk in haar vordering, aldus Seatrade Groningen. Voorts heeft Seatrade Groningen betwist dat Camship gedurende het jaar 1992 recht had op vrachtcommissie.

5. De rechtbank heeft bij vonnis van 7 september 2001 Camship niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering voor zover deze de periode vanaf 1 januari 1993 betreft, en de vordering voor het overige afgewezen. Zij overwoog daartoe dat op grond van overgelegde producties geen andere conclusie mogelijk is dan dat Seatrade Groningen vanaf begin 1993 volledig uit beeld is verdwenen voor wat betreft de oorspronkelijk tussen partijen gesloten overeenkomst en dat derhalve Camship haar vordering, voor zover die betrekking heeft op de havenagentuurrelatie en de door Camship gestelde vrachtcommissies vanaf 1 januari 1993, ten onrechte jegens Seatrade Groningen heeft ingesteld (r.o. 4.5). Voor zover de vordering betrekking heeft op de vrachtcommissies over het jaar 1992, heeft Camship naar het oordeel van de rechtbank tegenover de gemotiveerde betwisting van Seatrade dat zij over dat jaar vrachtcommissie aan Camship verschuldigd is, onvoldoende gesteld, zodat deze vordering afgewezen dient te worden (r.o. 4.7 en 4.8).

6. Camship is van het vonnis van de rechtbank in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te Leeuwarden, doch tevergeefs: bij arrest van 9 april 2003 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Het hof oordeelde dat Camship tegenover de gemotiveerde betwisting door Seatrade Groningen dat zij ter zake van de onderhavige vervoers- en havenagentuurovereenkomsten ook na 1 januari 1993 als contractspartij moet worden beschouwd, geen steekhoudende argumenten heeft aangevoerd waaruit van de juistheid van haar tegengestelde standpunt zou blijken (r.o. 16) en dat Camship ook in hoger beroep haar stellingen waaruit zou moeten blijken dat Seatrade Groningen nog vrachtcommissie over het jaar 1992 is verschuldigd, niet, althans onvoldoende heeft onderbouwd (r.o. 18).

7. Camship is tegen het arrest van het hof (tijdig) in cassatie gekomen met een uit verscheidene onderdelen opgebouwd middel dat door Seatrade Groningen is bestreden met conclusie tot verwerping van het cassatieberoep. Voorts heeft Seatrade Groningen van haar kant bij haar conclusie van antwoord een incidentele vordering tot (aanvullende) zekerheidstelling voor de kosten van cassatie ingesteld. Ter rolle van 12 december 2003 is Seatrade Groningen akte verleend van de intrekking van haar incidentele vordering.

8. Centraal in het middel staat de klacht het hof het betoog waarmee Camship het verweer van Seatrade Groningen dat zij vanaf 1 januari 1993 niet langer de contractuele wederpartij van Camship is, heeft bestreden, te weten dat een contractsoverneming zonder haar medewerking niet mogelijk is, dat zij die medewerking nimmer heeft gegeven en dat art. 6:159 BW bovendien voor contractsoverneming een akte eist welke akte te dezen ontbreekt, op niet begrijpelijke gronden, althans op gronden die blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting, heeft verworpen.

9. Het hof heeft ter motivering van zijn oordeel dat Seatrade Groningen ter zake van de onderhavige vervoers- en havenagentuurovereenkomsten na 1 januari 1993 niet meer als de contractspartij van Camship kan worden beschouwd, onder meer het volgende overwogen:

"12. Seatrade Groningen heeft gesteld dat reeds per 1 januari 1992 de vervoersovereenkomsten betreffende het bananenvervoer vanuit Kameroen, alsook de daaraan gelieerde commerciële contracten (waaronder de havenagentuuraanstelling van Camship) door, althans namens Seatrade Group N.V. zijn gesloten. Zij heeft daaraan toegevoegd dat haar activiteiten als pool-manager per 1 januari 1992 zijn beëindigd, omdat per die datum een nieuwe pool is gevormd met als manager Seatrade Groep N.V., maar dat zij nog tot 1 januari 1992 als general agent is opgetreden voor Seatrade Group N.V. Vanaf laatstgemelde datum is zij als zodanig opgevolgd door Scaldis Reefer Chatering N.V., kantoorhoudende te Antwerpen.

13. Bij memorie van antwoord is door Seatrade Groningen een tweetal circulaires overgelegd, beide gedateerd 2 december 1992, waarin zowel Seatrade Groningen als Scaldis hun zakenrelaties van de als gevolg van het terugtreden van Seatrade Groningen als general agent van Seatrade Group N.V. nieuw ontstane situatie in kennis hebben gesteld. Camship heeft ten pleidooie de ontvangst van de beide circulaires erkend, maar op de vraag of en zo ja, in hoeverre op de inhoud van die circulaires is gereageerd, is zij het antwoord schuldig gebleven.

14. Seatrade Groningen heeft zich - overigens eerst ten pleidooie - op het standpunt gesteld dat ter zake van de onderhavige vervoersovereenkomsten geen sprake is van contractoverneming door Seatrade Group N.V., maar van contractopvolging. Zij heeft deze stelling (...) aldus onderbouwd dat elk jaar opnieuw met de bevrachters onderhandeld moest worden, dat Seatrade Groningen aanvankelijk de jaarcontracten met de bevrachters sloot en dat na het terugtreden van Seatrade Groningen per 1 januari 1992 de contracten op naam van Seatrade Group N.V. zijn gesteld. Deze stellingname door Seatrade Groningen is door Camship niet deugdelijk onderbouwd weersproken. (...)."

In deze overwegingen ligt besloten dat naar 's hofs oordeel als onvoldoende weersproken tussen partijen vaststaat dat Camship op de hoogte was van het terugtreden van Seatrade Groningen per 1 januari 1992, dat de vervoerovereenkomsten en de daaraan gelieerde commerciële contracten (waaronder de havenagentuuraanstelling van Camship) vanaf 1 januari 1992 jaarlijks werden afgesloten, dat deze contracten vanaf 1 januari 1992 door Seatrade Group werden gesloten, en dat van contractsoverneming door Seatrade Group geen sprake is.

10. De door het middel gekozen uitgangspunt dat het hof zou hebben geoordeeld dat de uit de overeenkomst van 1986 voortvloeiende rechtsverhouding van Seatrade Groningen tot Camship door Seatrade Groningen op de voet van art. 6:159 BW is overgedragen aan Seatrade Group, mist derhalve feitelijke grondslag. De door het middel opgeworpen rechts- en motiveringsklachten, die alle op dat uitgangspunt berusten, falen bij gevolg wegens gebrek aan belang.

11. De vraag of, al aangenomen dat het hof zou hebben geoordeeld dat wel sprake is geweest van contractsoverneming, daarop het Nederlandse recht - meer bepaald art. 6:159 BW - van toepassing is, nu op de overeenkomst van 1986, naar onbestreden in cassatie door het hof tot uitgangspunt is genomen, het recht van Kameroen van toepassing is (r.o. 2 in verbinding met r.o. 1.4 van het vonnis van de rechtbank), kan in het midden blijven.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,