Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AR3259

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
15-03-2005
Datum publicatie
05-04-2005
Zaaknummer
00722/04
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AR3259
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Het middel dat klaagt over de verwerping door het hof van “het verweer inhoudende dat de gedragingen geen uitvoeringshandelingen tot het beroven van de vrijheid van het slachtoffer opleveren, dan wel een poging daartoe”, mist feitelijke grondslag omdat uit het p-v van de terechtzitting in hoger beroep niet blijkt dat dit verweer aldaar is gevoerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 00722/04

Mr. Fokkens

Zitting: 21 december 2004

Aanvullende Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Op verzoek van de Hoge Raad zal ik in deze aanvullende conclusie alsnog de middelen twee en vier bespreken. In de samenhangende zaak met nummer 00723/04 (zaak tegen de broer van verdachte) zal ik vandaag eveneens aanvullend concluderen.

2. Het tweede middel heeft betrekking op feit 1 en klaagt dat het Hof heeft verzuimd ambtshalve de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [slachtoffer] te doen horen.

3. In het middel wordt miskend dat er geen rechtsregel bestaat die de rechter verplicht ambtshalve getuigen te (doen) horen (uitzonderingen daargelaten, denk bijv. aan het geval gebruik wordt gemaakt van een belastende verklaring, welke het enige bewijsmiddel is waaruit verdachtes betrokkenheid bij het feit rechtstreeks kan volgen en die persoon nadien door een rechter is gehoord en deze verklaring heeft ingetrokken of een op essentiële punten ontlastende verklaring heeft afgelegd, dan wel heeft geweigerd te verklaren omtrent de feiten en omstandigheden waarover hij eerder verklaard heeft, HR 1 februari 1994, 427 r.o.v. 6.3.3.iii-2). Voorzover het middel klaagt dat de verdediging haar recht getuigen te ondervragen of te doen ondervragen niet heeft kunnen uitoefenen, wijs ik erop dat de verdachte bij de behandeling van de zaak in hoger beroep niet aanwezig was en dat zijn raadsman niet gemachtigd was, wat met zich meebrengt dat de verdediging sowieso geen getuigen had kunnen ondervragen.

4. Het middel faalt.

5. Het vierde middel klaagt dat het Hof een zwaardere straf heeft opgelegd dan was gevorderd zonder op te geven op grond waarvan deze zwaardere strafoplegging geboden is.

6. De strafmotivering van het Hof houdt in:

"De politierechter heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden en 35 dagen waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 155 dagen waarvan 120 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een geldboete van € 1500,- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door een hechtenis voor de duur van 30 dagen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft door te handelen als bewezenverklaard, samen met zijn broer gedurende lange tijd stelselmatig gezocht naar de verblijfplaats van zijn zus, wetende dat zij geen contact met hem wenst en heeft vervolgens getracht haar van haar vrijheid te beroven. Door het ingrijpen van omstanders is erger voorkomen. Het slachtoffer is hierdoor veel leed en angst berokkend. Voorts heeft hij een verhuisbericht valselijk opgemaakt en ondertekend teneinde de post van het slachtoffer aan het adres van de medeverdachte te laten sturen en dusdoende haar verblijf te achterhalen.

De door de politierechter opgelegde straf en de door de advocaat-generaal in hoger beroep geëiste straf doen in de visie van het hof onvoldoende recht aan de aard en de ernst van het door verdachte gepleegde feit.

Blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister van de Justitiële Documentatiedienst van 29 juli 2002, is verdachte eerder, zij het lang geleden, ter zake van diefstal veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden."

7. Anders dan de steller van het middel meent, blijkt uit deze motivering zonneklaar waarom het Hof zwaarder heeft gestraft dan de Advocaat-Generaal heeft gevorderd.

8. Het middel is ondeugdelijk.

9. De in deze aanvullende conclusie besproken middelen kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

10. Ik handhaaf mijn conclusie dat de bestreden uitspraak wordt vernietigd, doch uitsluitend voor wat betreft de beslissingen ten aanzien van het bij inleidende dagvaarding onder 1 tenlastegelegde feit en de strafoplegging, met verwijzing van de zaak naar een aangrenzend gerechtshof, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

plv.

Nr. 00722/04

Mr. Fokkens

Zitting: 28 september 2004

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam bij verstek veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en verbeurdverklaring zoals in het arrest omschreven wegens 1. "poging tot medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en/of beroofd houden" (JWF leest: "medeplegen van poging tot het opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en/of beroofd houden(1)") en 2. "valsheid in geschrift".

2. Tegen deze uitspraak heeft verdachte cassatieberoep doen instellen.

3. Namens verdachte heeft mr. N.H. Fridsma, advocaat te Haarlem, vier middelen van cassatie voorgesteld. Deze zaak hangt samen met de zaak met nummer 00723/04 (zaak tegen de broer van verdachte), waarin ik heden eveneens concludeer.

4. Het derde middel heeft betrekking op feit 1 en klaagt over de verwerping van het verweer inhoudende dat de gedragingen geen begin van uitvoering van de telastegelegde vrijheidsberoving opleveren.

5. Uit de stukken van het geding blijkt niet dat een dergelijk verweer is gevoerd. Sterker nog; het arrest van het Hof is bij verstek gewezen (verdachte afwezig, raadsman niet gemachtigd). Uit de toelichting op het middel wordt echter duidelijk dat beoogd wordt te klagen over de nadere bewijsoverweging en dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte en zijn broer de opzet (ofwel: het voornemen) hadden het slachtoffer van haar vrijheid te beroven.

6. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezen verklaard dat hij:

"Op 24 februari 2000 te [plaats B], ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid te beroven en/of beroofd te houden, hij en/of zijn mededader met dat opzet met een auto achter die [slachtoffer] zijn aangereden en vervolgens uit die auto is gestapt en achter die [slachtoffer] is aangerend en vervolgens die [slachtoffer] met kracht heeft vastgepakt/vastgegrepen en/of met kracht een arm om haar nek heeft geslagen en vervolgens die [slachtoffer] strak tegen zich aan heeft gedrukt gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid."

7. Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

1. Een proces-verbaal met nummer PL12HL/00-026619 van 24 februari 2000, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar J. Udo inhoudende, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, de op 24 februari 2000 afgelegde verklaring van aangeefster [slachtoffer]:

Op 24 februari 2000, omstreeks 15.00 uur, liep ik langs het Spaarne te [plaats B], vlakbij de Herensingel. Op het moment dat ik daar liep reed er een rood gekleurde personenauto langs mij, met 2 inzittenden met een Marokkaans uiterlijk. Ik zag dat deze mannen erg veel aandacht voor mij hadden. Ik ben toen hard weggerend en via de Schalkwijkerstraat de Herensingel opgerend. Even later zag ik dat de rode auto met daarin de Marokkaanse mannen snel achter mij reed en mij volgde. Daarna stopte de auto vlak bij mij. Ik zag dat de bestuurder naar mij toe kwam lopen. De man sloeg zijn beide armen om mij heen en drukte mij tegen zijn borst en zei tegen mij dat ik rustig moest zijn omdat hij met mij wilde praten. Ik probeerde mij los te worstelen, maar dat lukte niet omdat hij sterker is dan ik en omdat hij mij bij de kraag van de jas had vastgepakt. Ik heb [medeverdachte] gedurende de laatste acht jaar niet meer gezien. Ik heb mij toen naar beneden laten zakken om te voorkomen dat [medeverdachte] mij naar de auto toe kon trekken. [Medeverdachte] hield mij nog steeds strak tegen zich aangedrukt. Ik kon mij niet meer vrij bewegen, terwijl ik wel weg wilde rennen. Door mijn gegil kwamen er mensen aanlopen, ik denk dat [medeverdachte] hierdoor in paniek raakte, waardoor ik kans zag mij los te rukken en te vluchten. Ik liep toen naar de groentewinkel op de Herensingel en vroeg hen de politie te bellen. Ik zag dat de andere man uit de auto was gekomen en de groentewinkel binnen wilde gaan. Ik hoorde dat de groenteman de man niet in de winkel wilde hebben. Ik hoorde dat de man tegen mij riep: "Weet je dan niet wie ik ben, ik wil alleen maar met je praten". Ik hoorde dat de man tegen de groenteman zei dat hij mijn broer was. Ik begreep pas later dat het mijn broer [verdachte] was. Ook voor [verdachte] was ik bang omdat hij de groentewinkel in wilde komen.

2. Een proces-verbaal met nummer PL12HL/00-026619 van de politie [plaats B], in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar H.P. Kievit en afgesloten op 25 februari 2000 inhoudende, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, de op 25 februari 2003 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [getuige 1]:

Op 24 februari 2000, omstreeks 15.00 uur, fietste ik op de Herensingel te [plaats B], toen ik plotseling en met veel lawaai werd gepasseerd door een rode Renault. Nadat die auto met piepende remmen de bocht naar rechts nam, zag ik in het voorbijgaan dat de bestuurder na ongeveer 25 meter stopte. Voorts zag ik dat een man uit de auto sprong. Even later hoorde ik plotseling een vrouw luidkeels gillen. Ik keek achterom en zag dat degene die uit de rode auto was gesprongen, achter een vrouw aanrende. Beiden renden mij voorbij over de Herensingel en even later zag ik dat die man die vrouw te pakken kreeg. Ik zag dat hij met zijn rechterarm die vrouw met kracht in een nekklem vasthield. Ik zag dat die vrouw vergeefse pogingen deed om los te komen. Ik hoorde dat die vrouw luidkeels schreeuwde: "Laat me los, laat me los, dat wil ik niet, dat wil ik niet". Ik zag dat er een Nederlandse vrouw op de fiets aankwam die zei: "Wat is dit allemaal". Kennelijk schrok de man en verslapte zijn greep op haar, want daarna zag ik dat die vrouw zich kon losmaken. De vrouw ging naar de dichtstbijzijnde groentewinkel. Even later zag ik dat een andere man, die ook in de rode auto had gezeten, voor de deur van de groenteboer stond en richting de vrouw schreeuwde. De groenteboer zie "je komt mijn winkel niet binnen". Toen de groenteboer zei dat de politie gebeld was zei de man dat wij hem betichtten van ontvoering. Niemand van ons had het woord ontvoering genoemd.

4. Een proces-verbaal met nummer PL12HL/00-0266-19 van 27 februari 2000, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren J. Udo en A. Harks, inhoudende, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, de op 27 februari 2000 afgelegde verklaring van verdachte:

Mijn zus [slachtoffer] is op een gegeven moment - het hof begrijpt omstreeks 1992- uit Marokko naar Nederland gevlucht. Mijn moeder heeft er altijd bij mijn broer [medeverdachte] op aangedrongen dat hij [slachtoffer] moest opsporen. In maart 1999 hebben mijn broer [medeverdachte] en ik op het politiebureau via een intercominstallatie contact gehad met [slachtoffer]. Ik hoorde op die intercom dat zij geen contact met ons wilde hebben. Haar woorden waren: "Ik wil geen contact met de familie". Op 24 februari 2000 ben ik met [medeverdachte] naar [plaats B] gegaan in de hoop [slachtoffer] daar tegen te komen. We gingen naar [plaats B]. Daar hebben wij aan een aantal personen gevraagd of [slachtoffer] daar bekend was. Daarna zijn we in de richting van het centrum gereden. Wij zagen daar ineens [slachtoffer] lopen. We zijn toen de weg naast de gracht ingereden. [Medeverdachte] stapte uit de auto en liep naar [slachtoffer] toe. Ik zag dat [slachtoffer] steeds harder ging lopen en zag dat [medeverdachte] ook steeds harder ging lopen. [Medeverdachte] sloeg een arm om [slachtoffer] heen. Ik ben achter [slachtoffer] en [medeverdachte] aangereden. [Slachtoffer] was in paniek en begon te huilen en ik zag dat ze uit de omarming van [medeverdachte] probeerde los te komen. Dat lukte op een gegeven moment en ik zag dat ze naar een winkel vluchtte. Ze riep op dat moment om hulp. Ik ben uit de auto gestapt en naar de winkel gelopen. Ik ben daar door een man tegengehouden. Ik riep tegen [slachtoffer]: "[Slachtoffer], gun mij een minuutje om met je te praten". Ik hoorde dat ze als antwoord gaf: "Nee, ik wil geen contact meer met jullie". [Medeverdachte] heeft vanuit Marokko vernomen dat [slachtoffer] een rekening heeft bij de Postbank. Hij kreeg daar ook een nummer van. [Medeverdachte] heeft toen telefonisch informatie opgevraagd bij de Postbank. Ik weet ook dat [medeverdachte] bij de gemeente [plaats A] is geweest. Daar heeft hij te horen gekregen dat ze in [plaats B] is gaan wonen. Wij hebben ook contact gehad met de woningbouw vereniging te [plaats B]. Bij het waterleidingbedrijf hebben we hetzelfde gedaan.

4. Een proces-verbaal met nummer PL12HL/00-0266-19 van 27 februari 2000, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar E.W.T. Vermaat, inhoudende, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, de op 24 februari 2000 afgelegde verklaring van [getuige 2]:

Op 24 februari 2000 zag ik te [plaats B] dat een vrouw hard wegrende. Ik zag dat achter deze vrouw een man rende. Op de Herensingel nabij de groentewinkel zag ik dat de vrouw vastgehouden werd door de man die achter de vrouw had gerend. Ik zag dat deze man zijn rechterarm om haar nek vast had. Ik hoorde dat de vrouw diverse malen schreeuwde "laat me los".

5. Een proces-verbaal met nummer PL 1200/00-501020 van 27 februari 2000, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren J. Udo en A. Harks, inhoudende, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten (of één of meer van hen):

De verdachten beschikten over informatie waaruit bleek in welk gedeelte van [plaats B] zij de aangeefster wellicht konden vinden en in welk stadsdeel zij woonachtig zou zijn.

Er werd door de verdachten een verhuisbericht verzonden aan de P.T.T. met het kennelijke doel de post van de aangeefster op een ander adres te doen ontvangen om aldus inzage te krijgen in de woon- of verblijfplaats van de aangeefster. De verdachten verkregen informatie van de Postbank met betrekking tot door de aangeefster gedane betalingen en in welke plaats betalingen werden gedaan waaruit kon worden geanalyseerd in welke plaats de aangeefster zich zou bevinden. Uit politiedocumentatie blijkt dat medio maart 1999 door de broers van de aangeefster werd verteld dat haar moeder in Marokko op sterven lag. Hetzelfde verhaal zou een jaar daarvoor reeds gehanteerd worden. Ook heden, medio februari 2000, wordt nog steeds door de broers verteld dat de moeder op sterven zou liggen dan wel ernstig ziek zou zijn. De verdachte [verdachte] bleek na zijn aanhouding in het bezit te zijn van de thans inbeslaggenomen identiteitskaart van de aangeefster. Uit het geautomatiseerde computersysteem van de politie Kennemerland zijn de volgende feiten en omstandigheden in relatie tot het feit waarvoor verdachten op 24 februari 2000 zijn aangehouden bekend geworden:

Mutatie nummer: 00-223 67 d.d. 15 februari 2000 / 20.31 uur

[Betrokkene 1] en de aangeefster [slachtoffer] melden zich aan het politiebureau [plaats B] omdat gebleken was dat het nieuwe adres van de aangeefster door middel van een adreswijziging werd veranderd in het adres [a-straat 1] te [woonplaats] (adres van de verdachte [medeverdachte]). De aangeefster stuurde nimmer een adreswijziging naar de Postbank en/of P.T.T.

Mutatie nummer: 99-031103 d.d. 03 maart 1999/ 22.29 uur

Door de politie werd assistentie verleend bij een gesprek tussen 2 broers van de aangeefster en een vriend van de aangeefster ([betrokkene 1]). De aangeefsters (JWF leest: aangeefster) werd naar (JWF leest: na) dit gesprek overgebracht naar een veilig adres en was zelf niet bij dit gesprek aanwezig.

Mutatie nummer: 99-031103 d.d. 4 maart 1999/ 02.00 uur

In deze mutatie wordt gesteld dat er nog steeds een reëel gevaar zou bestaan voor ontvoering van de aangeefster door haar familie. Reeds langdurig wordt het verhaal verteld dat de moeder van de aangeefster op sterven zou liggen. Zie ook de hierboven weergegeven opsomming van feiten.

Mutatie nummer 99-031813 d.d. 5 maart 1999/ 11.20 uur

[Betrokkene 1] meldt telefonisch bij de toenmalig uitvoerend teamchef van Basisteam [plaats B] dat hij telefonisch wordt bedreigd vanuit Marokko en voorts dat de familie van de aangeefster steeds vaker door zijn straat zou rijden.

Mutatie nummer: 99-031813 d.d. 9 maart 1999 / 16.30 (JWF leest: uur)

De politie heeft bemiddeld in een gesprek tussen de broers van aangeefster en de aangeefster. Dit gesprek vond niet plaats in persoon maar via de intercom. De aangeefster heeft hierbij aangegeven geen contact meer te willen met de familie.

Mutatie nummer: 99-031813 d.d. 8 maart 1999/ 18.30 uur

[Betrokkene 1] meldt weer benaderd te zijn door familie uit Marokko omtrent de verdwijning van aangeefster. De politie heeft hierin adviserend opgetreden.

Mutatie nummer: 99-032575 d.d. 6 maart 1999/ 21.47 uur

De familie van de aangeefster zou volgens verklaring van [betrokkene 1] 2 maal bij hem aan de deur zijn verschenen. [Betrokkene 1] deelde toen mede dat de familie hierbij enigszins bedreigend overkwam en dat hij moest vertellen waar de aangeefster zich bevond, want anders.... De familie van betrokkene zou regelmatig door de straat waarin [betrokkene 1] woonachtig is rijden.

6. Een proces-verbaal met nummer PL12HL/99-031103 van 25 februari 2000, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren R. Burger en H.P. Kievit, inhoudende, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, de op 25 februari 2000 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [slachtoffer]:

In 1992 ben ik van mijn familie uit Marokko naar Nederland gevlucht. Het is mij gelukt in Nederland een andere identiteit te krijgen. In 1998 kwam ik erachter dat mijn broers op zoek naar mij waren. Ik kreeg een brief van de gemeente [plaats B] dat er contact was gelegd door [medeverdachte] en of ik hem wilde spreken. Later kwam ik erachter dat mijn broers mijn nieuwe identiteit en postadres hadden achterhaald. Op advies van de politie ben ik naar een onderduikadres gebracht. Mijn broers hebben in die tijd ook advertenties gezet in kranten of iemand wist waar ik was. Ze hebben ook brieven opgehangen in supermarkten om mij te achterhalen. Vorig jaar mei is er naar de P.T.T. een adreswijziging toegezonden van mij. Dit is niet door mij gebeurd. Hierdoor zou al mijn post naar het adres van mijn familie in [woonplaats] gezonden worden. Toen ik in het noorden van Nederland ondergedoken zat heeft de politie van [plaats B] mij gebeld. Mijn broers zaten toen op het bureau. Toen heb ik via een soort intercom op de telefoon hun verteld dat ik niets meer met ze te maken wilde hebben.

7. Een proces-verbaal met nummer PL12HL/00-026619 van 25 februari 2000, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar H.P. Kievit, inhoudende, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, de op 25 februari 2000 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 1]:

Eind 1991 of begin 1992 is [slachtoffer] bij haar familie vandaan gevlucht naar Nederland. [Slachtoffer] kreeg een nieuwe identiteit: [slachtoffer]. Mijn huis adres werd aangehouden als zijnde haar postadres. Na enkele jaren werd ik diverse malen door mij onbekende Marokkaanse mannen benaderd. Zij wilde via mij in contact komen met [slachtoffer]. Die Marokkaanse mannen noemden mij hun namen: [medeverdachte] en [verdachte]. Op 7 augustus 1998 bleek haar familie via de P.T.T. post een poging te hebben gedaan om haar post door te sturen naar hun adres in [woonplaats]. Op 27 september 1998 heeft de familie een brief aan haar gericht, [slachtoffer] werd hierin onder valse voorwendselen gevraagd contact op te nemen met haar familie. Op 3 februari 2000 kreeg de Postbank bericht om haar giroafschriften ook naar [woonplaats] te sturen. Voorts heeft de familie [van verdachte] een poging gedaan bij de burgerlijke stand van de gemeente [plaats B] om achter haar gegevens te komen.

8. De nadere bewijsoverweging van het Hof houdt het volgende in:

"Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is het navolgende komen vast te staan. Het slachtoffer is vele jaren geleden van Marokko naar Nederland gevlucht en heeft hier te lande een andere identiteit aangenomen. Verdachte heeft gedurende geruime tijd stelselmatig samen met zijn broer naar het slachtoffer gezocht. Verdachte heeft hiervoor bij verschillende instanties navraag gedaan naar de verblijfplaats van het slachtoffer. Verdachte is veelvuldig naar [plaats B] gegaan om naar het slachtoffer te zoeken. Hoewel het slachtoffer bij de politie en via anderen aan de verdachte heeft laten weten dat zij geen contact met de familie wenst, is verdachte desondanks doorgegaan met achtervolgen van het slachtoffer. Op de bewuste dag is verdachte met zijn broer in de auto achter het slachtoffer aangereden vervolgens is zijn broer, de medeverdachte, achter haar aangerend, heeft hij haar vastgegrepen en is hij, toen zij gilde dat zij het niet wilde, haar desondanks vast blijven houden. Door getuigen is verklaard dat de medeverdachte het slachtoffer met zijn arm om haar nek vast had respectievelijk dat hij haar met zijn arm in een nekklem hield. Nadat het slachtoffer zich had weten te bevrijden en een winkel was ingevlucht, is de medeverdachte opnieuw achter haar aangegaan.

In de omstandigheden zoals hiervoor omschreven is het vasthouden van het slachtoffer door de medeverdachte niet als liefdevol aan te merken. Integendeel, deze omstandigheden leiden tot de conclusie dat verdachte en zijn medeverdachte dusdoende hun voornemen om het slachtoffer van haar vrijheid te beroven uitvoerden."

9. In het middel wordt gesteld dat de broer van de verdachte slechts met zijn zuster praten. Hij zou haar niet hebben vastgegrepen, maar hebben omhelsd en hebben losgelaten toen hij merkte dat zij dat niet wilde.

10. Dat verdachtes broer zijn zuster niet heeft omhelsd maar heeft vastgegrepen en heeft vastgehouden tot zij zich los kon maken, heeft het Hof uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden. Maar wat het Hof daaruit naar mijn mening, zoals ook in de toelichting op het derde middel onder 6 wordt aangevoerd, niet heeft kunnen afleiden, is dat verdachte en zijn broer het voornemen hadden hun zuster van haar vrijheid te beroven. Ik heb in de bewijsvoering niets kunnen vinden dat die conclusie zou kunnen dragen. Het is, uitgaande van de gebezigde bewijsmiddelen, duidelijk dat verdachte en zijn broer niets onbeproefd hebben gelaten om hun zuster, die geen contact meer met hen wil, te vinden. Maar dat betekent nog niet dat zij haar van haar vrijheid wilden beroven. Het enkele op straat vastgrijpen en vasthouden van het slachtoffer kan nog niet als vrijheidsberoving worden gekwalificeerd (NLR art. 282, aantek. 1a) en nergens blijkt uit dat de verdachte of zijn broer hebben getracht het slachtoffer naar de auto te trekken of in de auto te doen plaatsnemen (vgl. Hof Amsterdam 28 december 1971, NJ 1975, 84, Hof Amsterdam 30 juni 2003, LJN: AN9325). Uit de bewijsmiddelen kan ook overigens niet worden afgeleid met welk doel het vastgrijpen geschiedde: met de bedoeling haar van haar vrijheid te beroven, om haar te dwingen te luisteren of om haar te bedreigen als zij niet zou terugkeren naar haar familie? Het is onduidelijk en dat betekent dat de bewezenverklaring onvoldoende gemotiveerd is en dat het derde middel in zoverre slaagt.

11. Het eerste middel klaagt dat de redelijke termijn in cassatie is overschreden, te weten de inzendtermijn.

12. Dat is juist. De verdachte heeft op 20 februari 2003 cassatieberoep ingesteld. De stukken zijn op 16 maart 2004 ingekomen ter griffie van de Hoge Raad. Dat is bijna vijf maanden te laat. Na verwijzing zal het Hof, als het tot een veroordeling komt, deze overschrijding bij de strafoplegging dienen te betrekken.

13. Het middel slaagt.

14. Een bespreking van de overige middelen, die betrekking hebben op feit 1 en op de strafmotivering, kan mijns inziens achterwege blijven(2).

15. Overigens heb ik geen gronden voor cassatie aangetroffen.

16. Ik concludeer dat de bestreden uitspraak wordt vernietigd, doch uitsluitend voor wat betreft de beslissingen ten aanzien van het bij inleidende dagvaarding onder 1 tenlastegelegde feit en de strafoplegging, met verwijzing van de zaak naar een aangrenzend gerechtshof, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

plv.

1 Vgl. HR 28 september 1999, gr. nr 112.137, LJN: ZD5559

2 Mocht de Hoge Raad hier toch prijs op stellen, ben ik uiteraard bereid de middelen in een aanvullende conclusie alsnog te bespreken.