Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AQ7093

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
24-06-2005
Datum publicatie
24-06-2005
Zaaknummer
38183
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHARN:2002:AE1031
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AQ7093
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Wet WOZ. Art. 3:3 BW. Waardevaststelling voor stacaravanchalets op gehuurde grond ten onrechte achterwege gelaten. Gelijkheidsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PW 2005, 21870
Belastingblad 2005/853
BNB 2005/275 met annotatie van Van Leijenhorst
FED 2005/107
V-N 2005/33.28
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

MR R.E.C.M. NIESSEN

ADVOCAAT-GENERAAL

Nr. 38183

Derde Kamer B

WOZ

Conclusie van 14 juni 2004 inzake:

COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN HARDERWIJK

tegen

X

1. Inleiding

1.1 Aan belanghebbende X is bij beschikking van 31 augustus 1998 bekendgemaakt dat de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend a-straat 1 te Q, per peildatum 1 januari 1995 is vastgesteld op ƒ 101.000.

1.2 Deze beschikking is na bezwaar gehandhaafd; het Gerechtshof te Arnhem (hierna: het Hof) heeft in zijn thans bestreden uitspraak het tegen de uitspraak op bezwaar ingediende beroep gegrond verklaard en de beschikking vernietigd. De schriftelijke uitspraak van 13 februari 2002, nr. 99/439 is gepubliceerd in Belastingblad 2002/612, m.a. Kruimel.

1.3 Het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Harderwijk (hierna: het College) heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij één middel voorgedragen. Het middel bestrijdt op drie punten 's Hofs oordeel. Primair wordt betoogd dat stacaravanchalets die op gehuurde grond zijn geplaatst roerend zijn. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

2. Feiten

2.1 Het Hof stelde de volgende, in cassatie onbestreden, feiten vast:

'3.1. Belanghebbende heeft op 31 oktober 1995 een perceel grond van 360 m2 gekocht in het recreatiepark D in de gemeente Q. De koopprijs inclusief belastingen bedroeg f 29.375.

3.2. Op het perceel heeft belanghebbende een stacaravanchalet laten plaatsen. Het stacaravanchalet is geplaatst op houten bielzen. Aan de onderzijde van het stacaravanchalet bevinden zich wielen, waardoor het is te verplaatsen. De onderzijde is aan de zijkanten dichtgemaakt met tegels. Het stacaravanchalet is aangesloten op water, gas, elektra, het rioolstelsel, op de tv-kabel en op het telefoonnet. De inhoud van het stacaravanchalet is ongeveer 150 m3.

3.3. In de gemeente Q bevinden zich een viertal campings/parken waar stacaravanchalets als die van belanghebbende zijn geplaatst. Op twee van deze parken, waaronder het park D, hebben de stacaravanchalets en het onderliggende perceel dezelfde eigenaar. Het gaat daarbij om in totaal 312 percelen met daarop geplaatste stacaravanchalets. De Ambtenaar heeft deze percelen en stacaravanchalets als één object aangemerkt.

Eén ander park kent 71 percelen, waarvan 6 percelen zijn verkocht aan eigenaren van daarop geplaatste stacaravanchalets. Deze 6 objecten, perceel én stacaravanchalet, zijn aangemerkt als zelfstandige objecten en als zodanig voor de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) gewaardeerd. De overige 65 percelen op dit park zijn samen met de resterende grond van het park aangemerkt als één object en als zodanig - hoofdzakelijk grond - voor de Wet WOZ gewaardeerd. De stacaravanchalets op deze 65 percelen staan op gehuurde grond zonder dat er een zakelijk recht is gevestigd. Deze stacaravanchalets zijn door de Ambtenaar niet als onroerende zaak aangemerkt en buiten de waardering gehouden.

Op het laatste park hebben alle 278 percelen en stacaravanchalets een verschillende eigenaar. Ook hier is niet ten behoeve van de stacaravanchalets een zakelijk recht gevestigd. Het totale park - hoofdzakelijk grond - is door de Ambtenaar aangemerkt als één object, waarbij voor de stacaravanchalets niet een afzonderlijke waarde is vastgesteld.'

3. Geschil

3.1 Belanghebbende heeft voor het Hof betoogd dat zijn stacaravanchalet ten onrechte als een onroerende zaak is gekwalificeerd. Het Hof heeft die stelling op grond van artikel 3:3 BW en onder verwijzing naar HR 31 oktober 1997, nr. 16 404, NJ 1998, 67 afgewezen. In cassatie wordt over dit oordeel niet geklaagd.

3.2 Belanghebbende heeft voorts (bij pleidooi) voor het Hof aangevoerd dat het College geen consequente gedragslijn volgt als het gaat om het vaststellen of een stacaravan een roerende of een onroerende zaak is. Uitsluitend caravans geplaatst op eigen grond en met het voorzieningenniveau als belanghebbendes stacaravanchalet worden beschouwd als een onroerende zaak. Als een stacaravan daarentegen op huurgrond staat wordt deze als roerende zaak aangemerkt. Belanghebbende stelt dat dit het geval is op twee parken (E en F). Deze (meer dan honderd) caravans zijn vergelijkbaar met de caravans die evenals die van belanghebbende geplaatst zijn op het park D. 'Ook deze caravans staan reeds jaren op hetzelfde stukje grond, hebben dezelfde voorzieningen en ook deze eigenaren hebben nooit het voornemen gehad om de caravan slechts voor korte tijd op de gehuurde grond te laten staan.

3.3 Het Hof heeft de stelling van belanghebbende opgevat als een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Naar aanleiding van deze stelling heeft het Hof het College in de gelegenheid gesteld de navolgende vragen schriftelijk te beantwoorden.

'a. het beleid ten opzichte van de sta-caravans;

b. de feitelijke werking van het beleid in de jaren waarover wordt gesproken;

c. een schatting van het aantal sta-caravans;

d. hoeveel van deze sta-caravans worden gezien als onroerende zaken;

e. in hoeveel van deze gevallen is de gebruiker niet zelf aangeslagen.'

3.4 Het College heeft deze vragen beantwoord. Naast hetgeen hiervoor is vermeld onder rechtsoverweging 3.3 van de uitspraak van het Hof, is door het College nog het volgende aangevoerd ter beantwoording van vraag a. 'Het beleid ten opzichte van stacaravans/chalets wijkt niet af van het beleid met betrekking tot de overige onroerende zaken binnen de gemeente. In de gemeente Q wordt conform artikel 1, lid 1, van de Wet WOZ de waarde van elke in de gemeente Q gelegen onroerende zaak bepaald en vastgesteld.

Gelet op geldende jurisprudentie(1) is een stacaravan onroerend indien de eigenaar van een stacaravan eveneens zakelijk gerechtigde is van het onderliggende perceel en indien daar naast blijkt dat de stacaravan gelet op enkele fysieke vereisten, aard en inrichting klaarblijkelijk bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven. De bedoeling van de bouwer of opdrachtgever speelt hierbij een belangrijke rol.

Een groot aantal stacaravans/chalets binnen de gemeente Q voldoet aan deze in de jurisprudentie aan een onroerende zaak gestelde criteria. Deze stacaravans/chalets worden dan ook aangemerkt als zijnde onroerend.

Uit de jurisprudentie(2) blijkt eveneens dat het zeer onwaarschijnlijk is of een stacaravan/ chalet een onroerende zaak is indien de stacaravan/chalet en het onderliggende perceel verschillende eigenaren hebben. Het is namelijk niet aannemelijk dat iemand die zijn stacaravan op grond van een ander plaatst zonder een zakelijk recht te vestigen de bedoeling heeft om zijn stacaravan duurzaam ter plaatse te laten staan.

Om het onderscheid tussen de stacaravans/chalets, in de verschillende campings/parken binnen de gemeente Q, inzichtelijk te maken is het wenselijk de stacaravans! chalets onder te verdelen in twee categorieën.

Binnen de eerste categorie is de eigenaar van een stacaravan/chalet ook eigenaar van het onderliggende perceel. De objecten binnen deze categorie voldoen eveneens aan de overige aan een onroerende zaak gestelde criteria. Opgemerkt moet worden dat deze objecten eenvoudig kadastraal af te bakenen zijn, aangezien elke stacaravan/chalet een eigen perceel heeft. De objecten binnen deze categorie zijn allemaal als zelfstandige woz-objecten gewaardeerd. De stacaravan van X valt binnen deze categorie.

Binnen de tweede categorie vallen de stacaravans!chalets waarbij de eigenaar van de stacaravan!chalet geen eigenaar is van het onderliggende perceel. De stacaravans!chalets staan op gehuurde grond zonder dat er een zakelijk recht gevestigd is. In deze categorie wordt, gelet op het voorgaande, een stacaravan/chalet binnen de gemeente Q niet aangemerkt als zijnde een onroerende zaak.

Momenteel oriënteert de gemeente Q zich samen met andere gemeenten in de regio en het taxatiebureau op de stacaravan-chaletproblematiek in het algemeen met daarbij de tweede categorie in het bijzonder, om zo op een zorgvuldige wijze een standpunt in te nemen met betrekking tot de gesignaleerde problematiek in de onderhavige situatie.

Ondertussen heeft de Waarderingskamer in haar notitie van 29 februari 2000, betreffende de waardebepaling van stacaravans, bovengenoemde werkwijze onderschreven.' Belanghebbende heeft op het schrijven van het College gereageerd.

3.5 Het Hof heeft geoordeeld dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt en de beschikking dus niet in stand kan blijven. De redenering bestaat uit drie onderdelen. 1) Volgens het Hof is niet alleen de stacaravanchalet van belanghebbende onroerend, maar zijn alle stacaravanchalets als de onderhavige onroerend. Het is daarbij irrelevant of de stacaravanchalets op eigen of op gehuurde grond zijn geplaatst. 2) Daar het College ten onrechte alle stacaravanchalets op gehuurde grond als roerend heeft aangemerkt, is in de meerderheid van de gevallen het stacaravanchalet niet in de WOZ-waarde betrokken. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt derhalve op basis van de zogenaamde meerderheidsregel. 3) In het geval van belanghebbende zijn het perceel en het stacaravanchalet als één onroerende zaak aangemerkt. Derhalve is de objectafbakening onjuist en dient de WOZ-beschikking vernietigd te worden.

3.6 Het College bestrijdt dit oordeel in cassatie met een middel dat drie onderdelen omvat. Allereerst wordt 's Hofs oordeel bestreden dat de stacaravanchalets als de onderhavige die op gehuurde grond zijn geplaatst onroerend zijn. Mocht dit oordeel in cassatie in stand blijven dan kan volgens het College geen sprake zijn van schending van het gelijkheidsbeginsel, nu het in casu niet gaat om gelijke gevallen. Tot slot wordt aangevoerd dat als het oordeel van het Hof dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden juist is, dit niet noopt tot de gevolgtrekking dat er sprake is van een onjuiste objectafbakening. Het College betoogt dat de WOZ-beschikking in dat geval in stand kan blijven, doch dat de waarde dient te worden verminderd. Belanghebbende heeft het middel in al zijn onderdelen bestreden.

4. Onroerend

4.1 Het eerste onderdeel van het cassatiemiddel is gericht tegen overweging 5.6 van het Hof.

'5.6. Het Hof deelt de zienswijze van de Ambtenaar niet. Stacaravanchalets als de onderhavige zijn naar aard en inrichting bestemd om langdurig op eenzelfde plaats te blijven staan. Aansluitingen op energievoorzieningen, riool, tv en telefoon duiden daar ook op. De enkele omstandigheid dat die stacaravanchalets zijn geplaatst op gehuurde grond brengt niet mee dat het er daarom voor moet worden gehouden dat een duurzame plaatsing door de eigenaren niet zal zijn beoogd. De Ambtenaar heeft mitsdien ten onrechte voor die stacaravanchalets geen WOZ-waarde vastgesteld.'

Wettelijk kader

4.2 In art. 16 Wet waardering onroerende zaken (hierna: WOZ) is de objectafbakening geregeld. Dit artikel luidt:

Voor de toepassing van de wet wordt als één onroerende zaak aangemerkt:

a. een gebouwd eigendom;

b. een ongebouwd eigendom;

c. een gedeelte van een in onderdeel a of onderdeel b bedoeld eigendom dat blijkens zijn indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt;

d. een samenstel van twee of meer van de in onderdeel a of onderdeel b bedoelde eigendommen of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren;

e. het binnen de gemeente gelegen deel van een in onderdeel a of onderdeel b bedoeld eigendom, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel d bedoeld samenstel.

4.3 Op grond van de voorschriften van het Burgerlijk Wetboek(3) dient te worden bepaald of een zaak onroerend is.(4) De artikelen 3:3 en 3:4 BW zijn voor de vaststelling van het onroerende karakter van belang.

Art. 3:3 BW luidt:

1. Onroerend zijn de grond, de nog niet gewonnen delfstoffen, de met de grond verenigde beplantingen, alsmede de gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij door vereniging met andere gebouwen of werken.

2. Roerend zijn alle zaken die niet onroerend zijn.

Art. 3:4 BW luidt:

1. Al hetgeen volgens verkeersopvatting onderdeel van een zaak uitmaakt, is bestanddeel van die zaak.

2. Een zaak die met een hoofdzaak zodanig verbonden wordt dat zij daarvan niet kan worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis wordt toegebracht aan een der zaken, wordt bestanddeel van de hoofdzaak.

Relevante rechtspraak

4.4 Uit de gepubliceerde rechtspraak blijkt dat de vaststelling van het onroerende karakter van - op zichzelf genomen - verplaatsbare objecten (te denken valt aan prefab-woningen, stacaravans en portacabins) vaak voorwerp van geschil is.(5)

4.5 Het belangrijke arrest Amercentrale heeft betrekking op de voorloper van art. 3:3 BW, art. 1405 BW (oud).(6) De Hoge Raad overwoog:

'dat het Hof, door op de grondslag van voormelde vaststellingen te oordelen dat de tank moet worden aangemerkt als een gebouw in de zin van art. 1405, niet heeft blijk gegeven van een onjuiste opvatting van gemeld artikel; dat toch in een en ander ligt besloten dat de onderhavige constructie een bouwsel was dat naar aard en inrichting bestemd was om duurzaam ter plaatse te blijven, waarbij niet van belang is of technisch de mogelijkheid zou hebben bestaan om het te verplaatsen'.

4.6 Het criterium dat het moet gaan om zaken die naar hun aard en inrichting bestemd zijn om duurzaam ter plaatse te blijven, keert - onder verwijzing naar het arrest Amercentrale - terug in de parlementaire geschiedenis van art. 3:3 BW.(7) Over het begrip duurzaam wordt opgemerkt dat:

'Voor de vraag in hoeverre de vereniging van een constructie met de onderliggende grond een duurzaam karakter draagt, moet worden gelet op de bedoeling van de bouwer, voor zover deze naar buiten kenbaar is.'(8)

4.7 In de rechtspraak onder het nieuw BW is dit later meermalen herhaald.(9) Onder andere in het portacabinarrest.(10) In dit arrest heeft de civiele kamer van de Hoge Raad een viertal uitgangspunten geformuleerd die van belang zijn voor de beoordeling van het onroerende karakter van een zaak. Deze punten zijn:

'a) Een gebouw kan duurzaam met de grond verenigd zijn in de zin van art. 3:3 BW, doordat het naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven [...]. Niet van belang is dan meer dat technisch de mogelijkheid bestaat om het bouwsel te verplaatsen [...].

b) Bij beantwoording van de vraag of een gebouw of een werk bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven moet [...] worden gelet op de bedoeling van de bouwer voor zover deze naar buiten kenbaar is. Onder de bouwer moet hier mede worden verstaan degene in wiens opdracht het bouwwerk wordt aangebracht.

c) [...] [D]e bestemming van een gebouw of een werk om duurzaam ter plaatse te blijven [dient] naar buiten kenbaar te zijn. Dit vereiste vloeit voort uit het belang dat de zakenrechtelijke verhoudingen voor derden kenbaar dienen te zijn.

d) De verkeersopvattingen kunnen - anders dan voor de vraag of iets bestanddeel van een zaak is in de zin van art. 3:4 - niet worden gebezigd als een zelfstandige maatstaf voor de beoordeling van de vraag of een zaak roerend of onroerend is. Zij kunnen echter wel in aanmerking worden genomen in de gevallen dat in het kader van de beantwoording van die vraag onzekerheid blijkt te bestaan of een object kan worden beschouwd als duurzaam met de grond verenigd, en voor de toepassing van die maatstaf nader moet worden bepaald wat in een gegeven geval als "duurzaam", onderscheidenlijk "verenigd" en in verband daarmee als "bestemming" en als "naar buiten kenbaar" heeft te gelden.'

4.8 De portacabin-maatstaf heeft de Belastingkamer van de Hoge Raad aangelegd in een aantal zaken.(11) Zo oordeelde de Hoge Raad in HR 5 januari 2000, BNB 2000/83:

'Het middel voert terecht aan dat het Hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door te overwegen dat containers naar aard en inrichting niet bestemd zijn om op dezelfde plaats te blijven. Daarmee heeft het Hof immers miskend dat het gaat om de vraag of de onderhavige containers in de gegeven omstandigheden duurzaam met de grond verenigd zijn. Daarbij komt het mede aan op de kenbare bedoeling van belanghebbende zoals deze uit vorenbedoelde omstandigheden blijkt (HR 31 oktober 1997, nr. 16 404, NJ 1998, 97, eveneens gepubliceerd in Vakstudie Nieuws 1997, blz. 4334). Uit 's Hofs uitspraak blijkt niet of en waarom het Hof van oordeel is dat de bedoeling van belanghebbende om de containers niet te verplaatsen onvoldoende kenbaar is, zodat het Hof zijn beslissing niet toereikend heeft gemotiveerd.'

Literatuur

4.9 Het portacabinarrest heeft veel pennen in beweging gebracht. Hierna volgt een bloemlezing met enige reacties.

Aantekening bij het portacabinarrest in V-N 1997/4334: 'Van belang is om te onderkennen dat de Hoge Raad niet heeft geoordeeld dat een portacabin te allen tijde als een onroerende zaak dient te worden aangemerkt. Slechts in de onderhavige casus met inachtneming van alle relevante feiten en omstandigheden komt de Hoge Raad tot de slotsom dat er sprake is van een onroerende zaak. Met name wanneer wordt gelet op de bij het tweede hiervoor aangegeven aandachtspunt opgesomde aspecten, rijst de vraag of bovenstaand arrest slaat op alle vergelijkbare bouwsels. Wij menen zulks te moeten betwijfelen. Slechts in identieke of vrijwel identieke situaties kan zonder meer worden aangenomen dat er sprake is van een onroerend object. De Hoge Raad formuleert in elk geval wel een aantal criteria die voor de beoordeling van de vraag of een goed/zaak al dan niet roerend is, belang kunnen zijn. De praktijk zal dan ook meer belang hebben bij de opgesomde criteria dan bij de vaststelling dat de portacabin in de onderhavige situatie onroerend was.'

4.10 Kruimels aantekening bij het portacabinarrest in Bb 1998/252: '1 Dit is een belangrijk arrest van de Hoge Raad over het begrip "onroerende zaak" zoals wij dat sedert 1992 kennen in het (nieuwe) boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. Ingevolge artikel 3:3 NBW wordt als onroerend aangemerkt de zaak die duurzaam met de grond is verenigd, hetzij direct, hetzij indirect door vereniging met een andere (onroerende) zaak. Belangrijk is het arrest omdat de Hoge Raad hier uitdrukkelijk aangeeft dat de bedoeling van de bouwer van de opstal. De uiterlijke kenbaarheid is bepalend.

2 Ook heeft de Hoge Raad nu bepaald dat de verkeersopvattingen - over wat roerend en onroerend is - niet een zelfstandige maatstaf zijn. Wel zijn de verkeersopvattingen bepalend voor het antwoord op de vraag wanneer er sprake is van "duurzaam" en "vereniging".

3 Interessant is dat de Hoge Raad instemt met de (impliciete) opvatting van het hof dat er sprake is van vereniging met de grond. Elementen die daarin een rol kunnen spelen zijn naar ik veronderstel, verbindingen tussen opstal en grond en het aspect van fundering en de diepte daarvan. Het hof (en de Hoge Raad impliciet) vinden voldoende dat er sprake is van een aan de opstal bevestigde plint die op het oog één geheel met de grond vormt, en dat er sprake is van betonpoeren waarop de opstal rust. Ook aansluitingen op gas-, water-, elektriciteit-, riolering en telefoon kunnen daarbij hebben meegespeeld. Hoe diep de poeren in de grond zijn geplaatst, is niet vermeld. Dat zou aanleiding kunnen geven tot de opvatting dat fundering op trottoirbanden in combinatie met aansluitingen op nutsvoorzieningen reeds voldoende is om te kunnen spreken over vereniging met de grond.

4 Verder leid ik uit het arrest af dat er sprake is van een duurzame vereniging met de grond. Bij de beoordeling daarvan zullen de omringende omstandigheden naar mijn oordeel een rol spelen. De aanwezige bestrating en de goed onderhouden tuin zullen daarbij een rol hebben gespeeld. Ook de tijdsduur dat de opstal ter plaatse reeds aanwezig was kan hebben meegespeeld. Daar valt in dit geval niet zoveel over te zeggen, maar wel kan worden geconstateerd dat er sprake was van een aanwezigheid ter plaatse van de portacabin van ca. 16 maanden op het moment van de openbare verkoop. Of er alleen op grond van een dergelijke tijdsduur al sprake zou kunnen zijn van een duurzame vereniging met de grond, vermag ik te betwijfelen. Maar de omstandigheden, die blijkens het vorenstaande ook een (aanvullende) rol kunnen spelen, zullen medebepalend zijn geweest.'

4.11 S.C.J.J. Kortmann, 'De Portacabin', AA 1998, p. 101-105: 'Gezien de formulering van rechtsoverweging 3.3 lijkt de Hoge Raad in deze beslissing algemene maatstaven te hebben willen formuleren voor de beantwoording van de vraag wanneer een ge bouw of werk duurzaam met de grond is verenigd in de zin van artikel 3:3 BW en daarmede onroerend is. Ik betwijfel echter of de Hoge Raad in deze voor de praktijk belangrijke problematiek meer duidelijkheid heeft geschapen. In het onderhavige geval is beslist dat de portacabin duurzaam met de grond is verenigd in de zin van artikel 3:3 BW en derhalve onroerend is. Is de portacabin ook bestanddeel van de grond? Deze vraag komt op, omdat in artikel 5:20, onder e, BW dezelfde formulering wordt gebruikt als in artikel 3:3 lid 1 BW. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de formuleringen van artikel 3:3 lid 1 en artikel 5:20, onder e, bewust op elkaar zijn afgestemd.

Op grond van laatstgenoemde bepaling omvat de eigendom van de grond een gebouw dat duurzaam met de grond is verenigd. De portacabin behoort derhalve tot de eigendom van de grond. Grond en portacabin vormen samen één zaak. Dit betekent dat de portacabin bestanddeel is van de grond. De gevolgtrekking dat de portacabin bestanddeel is van de grond lijkt haaks te staan op de niet bestreden beslissing van de rechtbank dat de portacabin geen bestanddeel is in de zin van artikel 3:4 BW (vgl. Kortmann, preadvies voor de Vereniging voor Burgerlijk Recht, deel 12 1997, Vermogensrechtelijke aspecten van leasing, pp. 33/34). Deze tegenstrijdigheid zou men aldus kunnen oplossen dat bestanddeelvorming niet alleen kan plaatsvinden op grond van de criteria van artikel 3:4 BW (verkeersopvatting en verbindingscriterium), maar ook op grond van natrekking ex artikel 5:20 BW (bestanddeelvorming door wetsduiding). De parlementaire geschiedenis is op dit punt niet erg duidelijk. Deze wekt de indruk dat men zich bij de formulering van de artikelen 3:3, 3:4 en 5:20 BW onvoldoende heeft gerealiseerd dat de vragen roerend/onroerend en bestandsdeel/zelfstandige zaak weliswaar moeten worden onderscheiden, maar desalniettemin ten nauwste samenhangen. Persoonlijk zou ik de wettelijke regeling aldus willen uitleggen dat artikel 3:4 BW de algemene maatstaven geeft voor bestanddeelvorming en dat artikel 5:20 BW een nadere invulling van deze algemene maatstaven geeft voor wat betreft zaken die door de grond worden nagetrokken. Vgl. (vermoedelijk) in dezelfde zin Pitlo/Reehuis, Heisterkamp, Goederenrecht, 1994, nrs. 12-13.'

4.12 H.W. Heyman, 'Wanneer is een gebouw of werk duurzaam met de grond verenigd?', in S.E. Bartels & J.M. Milo (red.): 'Open normen in het goederenrecht', Den Haag: BJu 2000, p. 91-122 (p. 118-119): 'De conclusie die zich als eerste opdringt is: het bestemmings-criterium als zodanig levert geen deugdelijke maatstaf op voor de toepassing van de superficies-regel. Het is een maatstaf die in het kader van de aansprakelijkheid voor opstallen onder het oude BW door de Hoge Raad is ontwikkeld en daar een nuttige rol vervulde juist omdat daarmee afstand genomen werd van de beperkingen van het zakenrecht. Het is dan ook geen wonder dat het in het zakenrecht een Fremdkörper is, dat tot allerlei moeilijkheden aanleiding geeft. Deze zijn te herleiden tot het feit dat aan de superficies-regel door de toepassing van het bestemmings-criterium een te ruime werking wordt toegekend. Daardoor worden (veel) meer zaken onroerend en nagetrokken door 'de grondeigendom dan voor het rechtsverkeer wenselijk is, ontstaat frictie met de door de Hoge Raad zelf voorgestane restrictieve toepassing van de bestanddelenregel van artikel 3:4 lid 1 en blijft er nauwelijks ruimte voor de hulpzaken als bedoeld in artikel 3:254. Die gevolgen liggen ook voor de hand als men bedenkt dat het bestemmings-criterium is ontworpen om risicoaansprakelijkheid te scheppen voor een ruimere groep van zaken dan de bestanddelen, de bijzaken en de hulpzaken van het oude recht bij elkaar.

De transplantatie naar het zakenrecht komt in de wetsgeschiedenis bovendien als een onbegrijpelijke verrassing. Geheel tegen de opvattingen in de toenmalige literatuur over het Amercentrale-arrest en de bedenkingen van de regeringscommissaris in, door één kort zinnetje in de Nota van Wijzigingen, komt zij tot stand zonder enige verdere toelichting. Nergens blijkt dat de wetgever zich rekenschap heeft gegeven van de gevolgen. De Hoge Raad doet dat evenmin en baseert zich eenvoudig op datzelfde zinnetje. Dit alles is onvoldoende om ingrijpende verandering in een vanouds bestaande rechtspraktijk te rechtvaardigen. Deze ondoordacht, althans ongemotiveerd, uitgevoerde transplantatie leidt tot dermate ernstige afstotingsverschijnselen dat zij niet levensvatbaar is. Dat zij niet tot in de Wettekst zelf is doorgedrongen, maakt het gemakkelijker haar alsnog te verwerpen.'

Waarderingskamer; stappenplan stacaravans

4.13 Daar gemeenten gehouden zijn de waarde te bepalen van onroerende zaken en dit bij stacaravans geen sinecure bleek, heeft de waarderingskamer het stappenplan stacaravans opgesteld. Aan de hand van dit stappenplan konden gemeenten beoordelen of een stacaravan als roerende of onroerende zaak moet worden aangemerkt.

4.14 'Uit de jurisprudentie over de vraag of er sprake is van een onroerende zaak komt naar voren dat de zakenrechtelijke verhouding tussen de gebruiker van de stacaravan en de ondergrond (zoals deze uit de kadastrale registratie blijkt) alsmede of de zaak al dan niet aangesloten is op de nutsvoorzieningen, bepalende factoren zijn.

3. De gevolgen van het stappenplan voor de afnemers en voor de heffingen

Het stappenplan leidt er toe dat ter zake van een vakantieterrein dat in kavels wordt verhuurd en waarop geen zakelijke rechten zijn gevestigd, alleen een WOZ-beschikkingen wordt genomen en alleen gegevens aan de afnemers worden geleverd voor de waarde van de grond. De heffing van OZB en waterschapsomslag (naar de oppervlaktemaatstaf met uitbreiding van eventuele voorzieningen) vindt plaats over de grond. Over de categorie stacaravans die op deze terreinen zijn geplaatst is geen OZB en waterschapsomslag verschuldigd.

De Belastingdienst ontvangt geen beschikkingen voor de stacaravans die zijn geplaatst op verhuurde percelen waarop geen opstalrechten zijn gevestigd, maar ontvangt wel de gegevens met betrekking tot het terrein en de daarbij behorende gebouwde eigendommen die dienen voor algemene voorzieningen.

4. De inhoud van het stappenplan

Naar het oordeel van de Waarderingskamer leidt het hierna volgende stappenplan tot een juridisch verdedigbare en doelmatige uitvoering van de Wet WOZ voor stacaravans en daarmee vergelijkbare zaken.

Stap 1. Beoordeel de juridische staat van de stacaravan in relatie tot de grond waarop deze is geplaatst.

A. De caravan is geplaatst op eigen grond of op grond die aan de eigenaar van de stacaravan in erfpacht is uitgegeven terwijl voor de stacaravan een opstalrecht is gevestigd

Beoordeel aan de hand van de uiterlijke kenmerken (zie onder punt 2) of de caravan onroerend is.

Indien het oordeel luidt dat de stacaravan onroerend is, wordt de waarde van de onroerende zaak (de standplaats met de stacaravan zijn een gebouwd WOZ-object) bepaald.

B. De caravan is geplaatst op gehuurde grond en voor de stacaravan is een opstalrecht gevestigd (huurafhankelijk opstalrecht)

Indien voor de stacaravan een opstalrecht is gevestigd, kan dit in het algemeen tot het oordeel leiden dat er sprake is van een onroerende zaak. Indien de stacaravan niet onroerend zou zijn zou immers het vestigen van een opstalrecht geen doel dienen. Het is mogelijk dat het opstalrecht nog niet gebruikt is om een onroerende zaak te bouwen. Het is daarom raadzaam om ook aan de hand van de uiterlijke kenmerken (zie onder punt 2) te beoordelen of er sprake is van onroerend zaak. Voor de objectafbakening geldt de regel die in het algemeen geldt bij de objectafbakening in geval er sprake is van een huurafhankelijk opstalrecht (harvo) (zie vraag 7 van de Vraagbaak waardebepaling).

De houder van het opstalrecht is eigenaar en gebruiker van de stacaravan, terwijl voor de grond de eigenaar als genothebbende krachtens zakelijk recht wordt aangewezen en de houder van het opstalrecht als gebruiker.

Er wordt een waarde bepaald van de stacaravan exclusief de grond en er wordt een waarde bepaald van het terrein (de grond) inclusief de gebouwde eigendommen die dienen voor algemene voorzieningen.

C. De caravan is geplaatst op een gehuurde kavel grond zonder dat een opstalrecht is gevestigd.

Op grond van de uitspraak van het Hof Arnhem van 28 september 1998 moet niet te veel gewicht worden toegekend aan de omstandigheden dat het gebouw reeds tientallen jaren op de huidige locatie voor recreatiedoeleinden wordt gebruikt en dat het in de verwachting ligt dat dit nog een groot aantal jaren het geval zal zijn.

In het kader van de Wet WOZ wordt er vanuit gegaan dat de stacaravan roerend is. In dat geval hebben de kenmerken van de stacaravan (afsluitbaarheid bijvoorbeeld) ook geen invloed meer op de objectafbakening (beoordeling of de standplaats blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt). Afhankelijk van bijvoorbeeld de terreininrichting kan dit leiden tot de conclusie dat het gehele terrein één WOZ-object vormt.

Stap 2. De beoordeling van de uiterlijke kenmerken

Indien op basis van stap 1 de stacaravan is ingedeeld in groep A of B, is de volgende beoordeling van de uiterlijke kenmerken relevant:

Indien de stacaravan, naast een aansluiting op elektra, een aansluiting op (een van) de nutsvoorzieningen (riolering en/of drinkwater) heeft, is er sprake van een onroerende zaak.

Indien er geen aansluiting op de nutsvoorzieningen is worden mede andere uiterlijke kenmerken bij de beoordeling van de vraag of een stacaravan (vakantiehuisje) onroerend is, betrokken. Deze kenmerken zijn:

- naar aard en inrichting bestemd om duurzaam ter plaatse te blijven (HR 31 oktober 1997, Belastingblad. 1998, 252), af te leiden uit aanwezigheid van fundering, omvang, materiaalkeuze, bouwwijze, afwerking, aanwezigheid van tuin, afwerking tot aan of in de grond.

- naar de bedoeling van de bouwer bestemd om duurzaam aanwezig te blijven (Hof Arnhem 26 mei 1998, Belastingblad 1999, blz. 48). De bedoeling van de bouwer zal deels uit de aard en inrichting blijken (bijvoorbeeld de materiaalkeuze, het aantal jaren dat de stacaravan al aanwezig is).'(12)

4.15 Het stappenplan stacaravans van de Waarderingskamer is kritisch tegen het licht gehouden.

M.M. Franse & P.J.M. Saarloos, 'Het "stappenplan stacaravans": een stap in de goede richting?!', Bb 2000/763: 'In het "stappenplan stacaravans" wordt het begrip "met de grond verenigd" in stap 1 vertaald naar de zakenrechtelijke verhouding tussen de gebruiker van de stacaravan en de ondergrond. Indien de stacaravan is geplaatst op gehuurde grond zonder dat er een recht van opstal is gevestigd (mogelijkheid 3 van stap 1), wordt er geen aandacht besteed aan de feitelijke situatie van de stacaravan ten opzichte van de ondergrond. In de hiervoor aangehaalde jurisprudentie wordt daarentegen, naar onze mening, juist de nadruk gelegd op de feitelijke situatie. Daarnaast volgt uit deze jurisprudentie dat de bedoeling van de bouwer of degene in wiens opdracht het bouwwerk wordt aangebracht van belang is bij het beantwoorden van de vraag of een stacaravan of een niet in de grond verankerde recreatiewoning als onroerend moet worden beschouwd. Om deze bedoeling zo goed mogelijk in beeld te krijgen, dienen de volgende vragen te worden beantwoord:

- Bestaan er afspraken over de duur van de plaatsing van de stacaravan of de niet in de grond verankerde recreatiewoning?

- Hoe lang staat de stacaravan of de niet in de grond verankerde recreatiewoning er al?

- Hoe lang zal de stacaravan of de niet in de grond verankerde recreatiewoning er nog staan c.q. bestaat er een voornemen tot verplaatsing of verwijdering?

- Met welke bedoeling/intentie (tijdelijk?) is de stacaravan of de niet in de grond verankerde recreatiewoning geplaatst?

- Is de stacaravan of de niet in de grond verankerde recreatiewoning aangesloten op de riolering?

- Is de stacaravan of de niet in de grond verankerde recreatiewoning aangesloten op de distributienetten voor gas, water en elektra?

- Is er een tuin aangelegd?

- Is de stacaravan of de niet in de grond verankerde recreatiewoning gemeubileerd?

Een goede registratie van de feitelijke situatie aan de hand van bovenstaande vragen is aan te bevelen. Daarmee kan op relatief eenvoudige wijze een antwoord worden gegeven op de vraag of een stacaravan of een niet in de grond verankerde recreatiewoning als roerend danwel als onroerend moet worden aangemerkt.'

4.16 J. Grijns, 'Het Stappenplan stacaravans": een stap te ver?', Bb 2001/443: 'Het Stappenplan stacaravans, opgesteld om het aantal problemen bij het taxeren van recreatiebedrijven te minimaliseren, lijkt thans meer vragen dan oplossingen op te roepen. Dit wordt veroorzaakt door een te enge benadering van de met recreanten afgesloten contracten. Volledig op exploitatie gerichte bedrijven kunnen daardoor worden opgesplitst in een veelheid van zelfstandige objecten met daarop het al snel als onroerend aangemerkt kampeermiddel. Bepleit wordt recreatiebedrijven, welke standplaatsen ter beschikking stellen in beginsel als één object te waarderen en terughoudendheid te betrachten bij het als onroerend benoemen van een kampeermiddel als de stacaravan. Het meest simpele en het verstandigste zou zijn op dit soort terreinen de stacaravan vrij te stellen.

Het zou toch te dol zijn indien de overheid, die in het algemeen geen voorstander is van het uitponden van recreatieterreinen met alle negatieve gevolgen van dien voor de recreant, in het kader van de Wet WOZ profiteert van een feitelijk fictieve uitpondfilosofie.'

4.17 M.M. Franse & P.J.M. Saarloos, 'Het "stappenplan stacaravans": geen stap in de goede richting?!', Bb 2002/1139: 'Op grond van deze uitspraken staat thans, naar onze mening, vast dat het hiervoor genoemde "stappenplan stacaravans" van de Waarderingskamer in zijn huidige vorm niet bruikbaar is bij de waardebepaling in het kader van de Wet WOZ. De vraag of een stacaravan of een recreatiebungalow blijkens aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven, dient te worden beantwoord aan de hand van de feitelijke omstandigheden van het geval en niet aan de hand van de juridische staat van de stacaravan of de recreatiebungalow. Daarnaast is thans, naar onze mening, duidelijk dat het door de Waarderingskamer gemaakte onderscheid tussen stacaravans geplaatst op eigen grond of in erfpacht uitgegeven grond enerzijds en stacaravans geplaatst op gehuurde grond anderzijds niet houdbaar is.'

4.18 W.G. van den Ban merkte in het laatste deel van zijn drieluik 'Over stacaravans en duurzame vereniging met de grond', Bb 2000/147, 2000/195 en 2001/239 op: 'Voor het stappenplan van de Waarderingskamer heeft de aangehaalde jurisprudentie ook gevolgen. De eerste stap van dit stappenplan komt naar mijn mening te vervallen omdat de rechtsverhouding tussen grondeigenaar en huurder niet van belang is [...]. Van het "stappenplan stacaravans" rest dan alleen nog de tweede stap. In het licht van de jurisprudentie lijkt het mij dan ook gewenst dat de Waarderingskamer zijn stappenplan aanpast.

Voor veel gemeenten betekent voorgaande ontwikkeling alsnog werk aan de winkel. Omdat er op de meeste bungalowparken sprake is van huur van de grond, dacht men op basis van het "stappenplan stacaravans" snel klaar te zijn met de inventarisatie van de stacaravans. De hiervoor aangehaalde jurisprudentie zorgt echter voor aanzienlijk meer werk. Werk dat niet alleen zal bestaan uit het waarderen zelf, maar veel meer nog uit het verkrijgen van de benodigde gegevens van object, eigenaar en gebruiker. Daarbij verdient de objectafbakening de nodige aandacht. Want in tegenstelling tot hetgeen men in de praktijk nog wel eens denkt, bestaan de meeste bungalowparken uit vele WOZ-objecten [...]. De regels van de objectafbakening brengen immers met zich dat de afbakening niet alleen wordt bepaald door de eigendomsgrenzen. Ook de gebruiker (van de meestal zelfstandig te gebruiken percelen) is immers bepalend voor de objectafbakening.'

4.19 De rechtspraak van de Hoge Raad heeft ertoe geleid dat de Waarderingskamer het Stappenplan stacaravans heeft ingetrokken.

'De Waarderingskamer heeft met ingang van 1 januari 2003 het stappenplan voor de waardering van stacaravans ingetrokken. Het stappenplan was vastgesteld om duidelijk te maken wat de Waarderingskamer in het kader van het toezicht van gemeenten verwachtte met betrekking tot de waardering van stacaravans naar de waardepeildatum 1 januari 1999. De Waarderingskamer probeerde daarmee tegemoet te komen aan vragen van gemeenten over hoe moest worden omgegaan met recreatieterreinen waarbij de exploitant de kavels verhuurt en veelal moeilijk te beoordelen is of de daarop geplaatste stacaravans roerend dan wel onroerend waren. De Waarderingskamer heeft het toen verantwoord gevonden om voor een doelmatige uitvoering van de WOZ, in het geval er sprake is van een op gehuurde grond geplaatste stacaravan zonder dat een opstalrecht gevestigd is, deze als roerend te beschouwen.

In dat standpunt werd veel gewicht toegekend aan het feit dat de caravanhouder niet de bedoeling had het eigendom van de caravan aan de exploitant over te dragen. Door aan te sluiten bij deze maatschappelijke realiteit werd de doelmatige uitvoering van de waardebepaling bevorderd.

Uitvoering van de waardebepaling van recreatieterreinen op basis van het stappenplan is echter niet meer in overeenstemming met de ontwikkeling in de jurisprudentie sinds de vaststelling van het stappenplan (waaronder Hoge Raad 7 juni 2002, Belastingblad 2002, 806). De belastingrechter is in de meeste gevallen van mening dat een stacaravan (ook op gehuurde grond) wel onroerend is en dat dan ook de exploitant van het terrein aangemerkt moet worden als eigenaar van de caravan.

Voor de uitvoeringspraktijk betekent de jurisprudentie dat de juridische staat van de stacaravan in relatie tot de grond waarop deze is geplaatst, niet van belang is bij het oordeel over het al dan niet onroerend zijn. Doorslaggevend is of de stacaravan (naar verkeersopvattingen) duurzaam met de grond is verenigd. Daarvan is sprake als hij naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven. Daarbij moet gelet worden op de bedoeling van de belanghebbende voor zover die naar buiten kenbaar is. De jurisprudentie en in het verlengde daarvan het noodzakelijkerwijs intrekken van het stappenplan, leidt er toe dat gemeenten voor het derde WOZ-tijdvak de recreatieterreinen moeten inventariseren tot het niveau van de individuele standplaats voor de afbakening van de objecten en het verzamelen van de objectkenmerken.

De jurisprudentie brengt met zich mee dat de stacaravan op een vaste gehuurde staanplaats (aangesloten op de nutsvoorzieningen), wanneer er geen zakelijk recht van opstal is gevestigd, samen met de grond één WOZ-object vormt. De verhuurder is de belanghebbende eigenaar bij dat WOZ-object. Dit betekent dat de beschikkingen voor de stacaravans worden genomen ten aanzien van de exploitant en dat deze ook belastingplichtig is voor het eigenarendeel van de onroerendezaakbelasting. De exploitant is ook degene die verplicht is marktgegevens, evenals object- en subjectgegevens te verstrekken. De huurder van de grond is de belanghebbende gebruiker en ontvangt als zodanig een beschikking en wordt als gebruiker in de onroerendezaakbelasting betrokken.'(13)

Zijn stacaravanchalets op gehuurde grond roerend?

4.20 In cassatie is allereerst de vraag aan de orde of stacaravanchalets roerend zijn als deze op huurgrond staan. In cassatietermen gevat houdt dit de rechtsvraag in naar de toelaatbaarheid van een zogenaamde harde subregel.(14) Het College wil de vraag of een stacaravanchalet onroerend is immers ontkennend beantwoorden als het stacaravanchalet op gehuurde grond is geplaatst.

4.21 Door het College is voor het Hof betoogd - en in cassatie wordt dit herhaald - dat stacaravanchalets roerend zijn indien deze op huurgrond zijn geplaatst. De redenering van het College is als volgt:

'Hofs conclusie sluit naar de mening van de gemeente ook niet aan op de bedoeling van partijen. In de praktijk biedt een ondernemer een standplaats aan voor het neerzetten van een stacaravanchalet. Dit stacaravanchalet wordt door de huurder aangeschaft en geplaatst op de gehuurde standplaats. Met de aanschaf van een stacaravanchalet zijn vaak forse bedragen gemoeid. Verhuurder noch huurder hebben de bedoeling om het stacaravanchalet door natrekking aan de verhuurder te doen toekomen. De lijn van het Hof volgend, zou deze gang van zaken neerkomen op een soort schenking van de huurder aan willekeurige, zakelijk handelende ondernemer. Dit is tussen zakelijk handelende partijen niet gebruikelijk. Mede gelet op de grote schaal waarin deze gang van zaken voorkomt in (recreërend) Nederland, is het niet aannemelijk dat betrokken partijen de bedoeling hebben de kostbare stacaravanchalets door natrekking over te dragen aan de verhuurder.

Hofs conclusie dat uitsluitend de omvang en duur van plaatsing bepalend zijn voor de onroerendheid van de stacaravanchalets, gaat naar de mening van de gemeente dan ook niet op. Ook de bedoeling van partijen (blijkende uit de gesloten overeenkomsten) is voor de beoordeling van de onroerendheid van belang.'(15)

4.22 Hiervoor is besproken dat voor het vaststellen van het onroerende karakter van een zaak die is verenigd met de (onder)grond, van belang is of die naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven. Dit dient 'naar buiten toe kenbaar te zijn'. Dit heeft mijns inziens vooral betrekking op de uiterlijke verschijningsvorm en niet zozeer op de zakenrechtelijke betrekkingen. Zo was in HR 7 juni 2002, BNB 2002/283 m.nt. Snoijink sprake van een op gehuurde grond gebouwde bungalow. De Hoge Raad oordeelde:

'[de klachten] falen ook voorzover zij betogen dat de bungalow en de gehuurde grond niet naar de omstandigheden beoordeeld bij elkaar behoren omdat zij los van elkaar kunnen worden verkocht. Of de bungalow en de gehuurde grond al dan niet los van elkaar kunnen worden verkocht, is immers niet van belang voor het antwoord op de vraag of sprake is van een samenstel als bedoeld in art. 16, lid 1, letter d, van de Wet waardering onroerende zaken (vgl. HR 28 september 2001, nr. 36224, BNB 2001/403).'

4.23 De in het geding zijnde harde subregel, dat stacaravanchalets als roerend moeten worden aangemerkt uitsluitend omdat deze op huurgrond zijn geplaatst, heeft slechts betrekking op het zakenrechtelijk karakter. Als dat als harde subregel zou worden aangenomen, zou dat tot gevolg hebben dat in de betreffende gevallen geen rekening wordt gehouden met de uiterlijke verschijningsvorm. Voor de vraag of een stacaravanchalet roerend is, is het hanteren van deze harde subregel niet toegestaan. Het Hof heeft terecht het gebruik daarvan afgewezen. Nu het College met betrekking tot het door hem aangevoerde verschil in duurzaamheid tussen de stacaravanchalets niets anders heeft aangevoerd dan dat de stacaravanchalets op gehuurde grond waren geplaatst, kon het Hof zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting oordelen dat de stacaravanchalets onroerend zijn.

5. Gelijkheidsbeginsel

5.1 Uit het voorgaande volgt dat ook de stacaravanchalets op gehuurde grond als onroerend hadden moeten worden aangemerkt. Voor deze stacaravanchalets is ten onrechte geen WOZ-waarde vastgesteld. Het Hof heeft vervolgens vastgesteld dat binnen de gemeente Q 661 stacaravanchalets zijn geplaatst, waarvan de meerderheid op gehuurde grond is geplaatst. Aan het gegeven dat in de meerderheid van de gevallen het stacaravanchalet een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven, heeft het Hof de gevolgtrekking verbonden dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt.(16) Het College bestrijdt dit oordeel van het Hof zoals neergelegd in rechtsoverweging 5.7.

'5.7. Uit het voorgaande volgt dat op de vier parken in de gemeente Q in totaal 661 stacaravanchalets zijn geplaatst, dat voor 312 van die stacaravanchalets wel een WOZ-waarde is vastgesteld en dat voor 343 stacaravanchalets die waardevaststelling ten onrechte achterwege is gebleven. Aldus doet zich het geval voor dat een meerderheid van gelijke gevallen door de Ambtenaar gunstiger is behandeld dan een minderheid van die gelijke gevallen, terwijl dit verschil in behandeling niet berust op een schrijf- of tikfout of daarmee gelijk te stellen vergissing. De Ambtenaar heeft daarmee gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel, op welk beginsel belanghebbende zich derhalve terecht heeft beroepen.'

Gelijke gevallen?

5.2 Van de zijde van het College is tegen 's Hofs oordeel aangevoerd dat het gelijkheidsbeginsel hier niet geldt, nu er geen sprake is van gelijke gevallen. Er is volgens het College een duidelijk verschil tussen 'stacaravanchalets op eigen grond en stacaravans(17) op gehuurde grond. In de situatie van plaatsing op eigen grond wil de grondeigenaar zijn eigendom verrijken door er een stacaravanchalet op te plaatsen (zoals een ander een huis of kantoor op zijn grond plaatst). Hierdoor worden de mogelijkheden om op het eigendom te recreëren mogelijk, danwel aanzienlijk verbeterd. Het samenstel van grond met onderkomen krijgt hierdoor een aanzienlijk hogere benuttingsmogelijkheid.

In de situatie van plaatsing op huurgrond zoekt de huurder voor zijn eigen stacaravan een plaats om deze voor recreatiedoeleinden te plaatsen. Hiermee wordt de stacaravan overeenkomstig het doel benut. De grondeigenaar (in de meeste gevallen een ondernemer) daarentegen benut de grond door het verwerven van huuropbrengsten. Voorgaand verschil tussen eigen grond en huurgrond is naar de mening van de gemeente voldoende om een verschillende behandeling bij de waardering voor de Wet WOZ te rechtvaardigen. Nu de andersluidende conclusie van het Hof geen rekening houdt met het voren genoemde onderscheid is de conclusie in overweging 5.7 onbegrijpelijk en kan Hofs anders luidende conclusie niet in stand blijven.'

5.3 Mijns inziens is het enige verschil tussen de twee te onderscheiden groepen stacaravanchalets de zakenrechtelijke verhouding ten aanzien van de grond. In het ene geval is de eigenaar van het stacaravanchalet ook eigenaar van de grond, terwijl in het andere geval de grond wordt gehuurd. Voor de waardering in het kader van de WOZ is dit geen relevant verschil, zo volgt uit art. 17, tweede lid, WOZ. Deze bepaling laat immers de zakenrechtelijke verhouding buiten beschouwing voor de waardering:

'[d]e waarde wordt bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen.'

Ook bij bijvoorbeeld een woning maakt het voor de WOZ-waarde niet uit of deze door de eigenaar wordt bewoond of door hem wordt verhuurd.(18) Het Hof heeft derhalve terecht geoordeeld dat hier sprake was van gelijke gevallen.

6. WOZ-beschikking

6.1 Nadat het Hof geconstateerd heeft dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden, heeft het daar de gevolgtrekking aan verbonden dat de beschikking wegens een onjuiste objectafbakening niet in stand kan blijven. In cassatie wordt aangevoerd dat er geen sprake is van een onjuiste objectafbakening, maar dat de schending van het gelijkheidsbeginsel dient te resulteren in een verlaging van de vastgestelde waarde.

'In overweging 5.8 stelt het Hof ten onrechte dat er sprake is van een fout in de objectafbakening. In overweging 5.7 stelt het Hof (op basis van het gelijkheidsbeginsel) dat voor de meerderheid van de stacaravanchalets geen waarde is vastgesteld zodat dat ook voor onderhavige WOZ-beschikking dient te gelden. Er is derhalve een deel in de waarde betrokken dat daarin niet thuishoort. Dit betekent echter niet dat er sprake is van een foute objectafbakening.

Voor onderhavig perceel geldt immers dat belanghebbende de eigenaar en de gebruiker is van de grond. Gelet op overweging 5.3 is naar de mening van het Hof het stacaravanchalet een onroerende zaak. Gelet op artikel 3:3 van het B.W. vormt het stacaravanchalet dan één geheel met de grond. Ook artikel 16 van de Wet WOZ leidt tot eenzelfde conclusie. Nu belanghebbende op het recreatiepark D geen andere onroerende zaken bezit die door hem worden gebruikt en die mogelijk een samenstel met onderhavig object zouden kunnen vormen, is onderhavig object door de gemeente goed afgebakend. Voor vernietiging van de beschikking wegens onjuiste objectafbakening is dan ook geen plaats. Hofs eerdere conclusie dat de stacaravan door toepassing van het gelijkheidsbeginsel niet in de waarde kan worden betrokken, kan dan ook tot geen andere conclusie leiden dan dat de waarde moet worden verlaagd tot de door belanghebbende genoemde grondwaarde van f 29.375,--.

Het voorgaande brengt met zich dat overweging 5.8 in strijd is met het recht en geen stand kan houden.'

Geen onjuiste objectafbakening doch onjuiste waardevaststelling?

6.2 De vraag die in cassatie derhalve voorligt is allereerst of de ongelijke behandeling ligt op het terrein van de objectafbakening of op het terrein van de waardering. Het Hof heeft geoordeeld dat in de bestreden beschikking het perceel van belanghebbende en het stacaravanchalet als één onroerende zaak zijn aangemerkt. In de meerderheid van de gevallen zijn de stacaravanchalets niet meegenomen in de objectafbakening. Het Hof verbindt aan deze schending van het gelijkheidsbeginsel de slotsom dat in de objectafbakening ten onrechte het stacaravanchalet is begrepen en dat derhalve, nu er sprake is van een onjuiste objectafbakening, de WOZ-beschikking dient te worden vernietigd.

6.3 Ik betwijfel echter of in de onderhavige zaak sprake is van een onjuiste objectafbakening. De beschikking zelf geeft slechts aan dat het betreft de onroerende zaak a-straat 1 te Q, dat de onroerende zaak kennelijk ook het stacaravanchalet omvat kan worden afgeleid uit de hoogte van de waarde en uit het taxatierapport. De waarde is vastgesteld op ƒ 101.000 en partijen waarderen de grond eensluidend op ƒ 29.375 (€ 13.329,79).(19) Als het object wordt afgebakend zonder stacaravanchalet, dan zal de objectaanduiding in het geval van belanghebbende geen verandering ondergaan. Ik zal dit nader adstrueren.

6.4 Als in belanghebbendes geval wordt afgebakend alsof er geen stacaravanchalet is, dan zal de grond die hij in eigendom heeft als object moeten worden afgebakend. In het geval van belanghebbende, die geen andere percelen heeft die daarvoor in aanmerking komen, komt dat neer op de onroerende zaak a-straat 1 te Q. Schending van het gelijkheidsbeginsel betekent derhalve niet dat de objectafbakening in dit geval (ook(20)) onjuist is. Wel is de waardering van de onroerende zaak te hoog, daar in de meerderheid van de vergelijkbare gevallen de stacaravan niet is meegenomen bij het vaststellen van de waarde. Het Hof kon derhalve niet op grond van schending van het gelijkheidsbeginsel oordelen dat de objectafbakening onjuist is, maar had de waarde dienen te verminderen tot ƒ 29.375 (€ 13.329,79), zijnde de waarde van de grond.

Bij onjuiste objectafbakening geen vernietiging beschikking?

6.5 Mocht uw Raad echter van oordeel zijn dat er sprake is van een onjuiste objectafbakening, dan dient dit naar mijn overtuiging niet te leiden tot vernietiging van de WOZ-beschikking. In de rechtspraak van uw Raad, waarbij na een voorzet van A-G Ilsink het startpunt ligt bij HR 27 september 2002, BNB 2002/376 m.nt. Van Leijenhorst, hoeft een onjuiste objectafbakening niet in alle gevallen meer te leiden tot vernietiging van de WOZ-beschikking. Uw Raad oordeelde:

'-3.2.3. Indien bij het opleggen van een aanslag in de (destijds) onroerendgoedbelastingen (en thans de onroerendezaakbelastingen; hierna zal alleen dit laatste begrip worden gebruikt) een fout is gemaakt bij de afbakening van het belastingobject, kan die fout volgens de rechtspraak van de Hoge Raad in bezwaar of beroep niet worden hersteld en dient de aanslag te worden vernietigd (zie o.a. HR 8 juli 1992, nr. 28 262, BNB 1992/311), behoudens indien een aanhorigheid niet in aanmerking is genomen (zie o.a. HR 21 januari 1981, nr. 20 302, BNB 1981/100).

-3.2.4. Aan de hiervoor in 3.2.3 bedoelde rechtspraak zijn bezwaren verbonden. Het gevolg van een gemaakte afbakeningsfout (vernietiging van de gehele aanslag) staat vaak niet in verhouding tot de ernst van de fout. Dat is met name het geval indien de afbakening van het belastingobject een gemeentelijke belastingadministratie voor ingewikkelde vragen van feitelijke of juridische aard stelt, en men in redelijkheid van mening kan verschillen over het op die vragen te geven antwoord. Een ander bezwaar is dat door deze rechtspraak een verschil in behandeling is ontstaan tussen fouten die zijn gemaakt bij de afbakening van het belastingobject voor de onroerendezaakbelastingen, en fouten die zijn gemaakt bij de vaststelling van het belastingobject voor andere belastingen, zoals de inkomstenbelasting, in welk geval dergelijke fouten in bezwaar en beroep binnen de grens van de aanslag wél kunnen worden hersteld.

-3.2.5. Deze bezwaren brengen de Hoge Raad ertoe zijn in de hiervoor in 3.2.3 bedoelde rechtspraak neergelegde leer te herzien. Indien, zoals hier, bij het opleggen van een aanslag in de onroerendezaakbelastingen een fout is gemaakt bij de afbakening van het belastingobject doordat de aanslag mede betrekking heeft op objecten die in gebruik zijn bij derden of geheel of gedeeltelijk op het grondgebied van een andere gemeente zijn gelegen, kan de afbakening van het belastingobject in bezwaar of beroep door de gemeente of de belastingrechter worden aangepast, zodanig dat de aanslag nog slechts betrekking heeft op één - op de juiste wijze afgebakend - belastingobject. Daarbij dient zo nodig de waarde van het object te worden verlaagd.

-3.2.6. Opmerking verdient dat deze wijziging van de jurisprudentie ook geldt met betrekking tot beschikkingen welke zijn gegeven op grond van de Wet waardering onroerende zaken. Deze beschikkingen kunnen in bezwaar of beroep op overeenkomstige wijze worden gewijzigd.'

6.6 In HR 8 november 2002, BNB 2003/46 is de ingezette lijn bevestigd. Ik vat uw rechtspraak als volgt samen: als een objectafbakening onjuist is in de zin van te ruim,(21) vernietiging van de WOZ-beschikking onder omstandigheden achterwege kan blijven. De omstandigheden genoemd in uw arrest van 27 september 2002 hebben betrekking op 1) objecten die in gebruik zijn bij derden of 2) geheel of gedeeltelijk op het grondgebied van een andere gemeente zijn gelegen.

6.7 Ervan uitgaande dat in het onderhavige geval sprake is van een onjuiste objectafbakening, dan is er sprake van een te ruime objectafbakening. Immers, het stacaravanchalet had op grond van het gelijkheidsbeginsel buiten de objectafbakening moeten worden gelaten. Aan de hiervoor genoemde omstandigheden is niet voldaan, het stacaravanchalet is niet in gebruik bij derden en is ook niet (gedeeltelijk) gelegen op het grondgebied van een andere gemeente.

6.8 Ik zou echter menen dat de aan het arrest van 27 september 2002 ten grondslag liggende argumentatie een gedegen basis biedt voor een verdere versoepeling van het wijzigen van een te ruime objectafbakening. In mijn optiek dient wijziging van een te ruime objectafbakening mogelijk te zijn, met dien verstande dat de waarde niet hoger kan worden. Het stellen van de bijkomende eisen lijkt mij niet nodig.

6.9 Mocht uw Raad zo ver (nog) niet willen gaan, dan stel ik een uitbreiding voor van de mogelijkheden op grond waarvan een te ruime objectafbakening kan worden aangepast. In het licht van de onderhavige casus zou mijn voorkeur uitgaan naar het wijzigen van de objectafbakening op grond van het gelijkheidsbeginsel, maar het ten onrechte aanmerken van een gedeelte van het object als onroerend is ook een optie. Welke benadering uw Raad ook kiest, het resultaat van de gewijzigde objectafbakening is dat de WOZ-waarde dient te worden verlaagd naar ƒ 29.375 (€ 13.329,79 zijnde de waarde van de grond).

7. Beoordeling van het middel

Het College heeft één cassatiemiddel ingediend, bestaande uit drie onderdelen.

7.1 Het eerste middelonderdeel richt zich tegen 's Hofs rechtsoverweging 5.6. Het onderdeel faalt. Immers, het Hof heeft geoordeeld dat stacaravanchalets als de onderhavige naar aard en inrichting bestemd zijn om langdurig op een zelfde plaats te blijven staan. De enkele omstandigheid dat de stacaravanchalets zijn geplaatst op gehuurde grond doet daar niet aan af. Daarvan uitgaande kon het Hof zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting oordelen dat de stacaravanchalets onroerend zijn.

7.2 Het tweede middelonderdeel richt zich tegen 's Hofs rechtsoverweging 5.7. Het onderdeel faalt. Immers, het Hof heeft terecht geoordeeld dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden.

7.3 Het derde middelonderdeel richt zich tegen 's Hofs rechtsoverweging 5.8. Het onderdeel slaagt. Immers, het Hof heeft ten onrechte geoordeeld dat sprake was van een onjuiste objectafbakening. De uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen door de waarde vast te stellen op € 13.329,79 (ƒ 29.375).

8. Conclusie

Ik concludeer tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie. De uitspraak van het Hof dient te worden vernietigd. Uw raad hoeft niet te verwijzen, maar dient de WOZ-beschikking te wijzigen in € 13.329,79 (ƒ 29.375).

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Hoge Raad 31 oktober 1997, nummer 16404 (portocabin) en Hof Arnhem, nummer 97/22544 (stacaravan).

2 Hof 's-Hertogenbosch 10 maart 1998, nummer 96/00947 (recreatieoord) en Hof Arnhem 28 september 1998, nummer 97/2 1967 (weekendhuisje).

3 Dan wel op grond van de - in casu niet ter zake doende - mijnwetgeving.

4 Zie Kamerstukken II, 1992-93, 22 885, nr. 3 (MvT).

5 Zie bijv. Hof 's-Gravenhage 25 juni 1997, nr. 96/0069, E XI, Belastingblad 1998, blz. 364; V-N 1997, blz. 4224 (prefab recreatiebungalows); Hof Arnhem 26 mei 1998, nr. 97/22 544, E VI, Belastingblad 1999, blz. 48 (stacaravan); Hof 's-Gravenhage 19 oktober 2001, nr. 00/00994, E VII, Belastingblad 2002, blz. 278 (stacaravan); Hof 's-Hertogenbosch 2 februari 2000, nr. 98/03 050, E I, Belastingblad 2000, blz. 772 (stacaravan); HR 20 september 2000, nr. 34 371, Belastingblad 2001, blz. 61 (vakantiebungalows) en HR 31 oktober 1997, nr. 16 404, NJ 1998, 97, Belastingblad 1998, blz. 252 (Portacabin). Zie ook de Brief van de Staatssecretaris van Financiën e.a. van 18 november 2003, V-N 2003/60.23.

6 HR 13 juni 1975, NJ 1975, 509 m.nt. GJS.

7 Zie de in de Nota van wijzigingen gegeven toelichting op art. 3.1.1.2 (thans 3:3) BW (Parlementaire Geschiedenis Boek 3, blz. 70) onder verdere verwijzing naar de Memorie van Antwoord aan de Tweede Kamer op art. 6.3.2.7 (thans 6:174) BW (Parlementaire Geschiedenis Boek 6, blz. 760).

8 Zie de Memorie van Antwoord aan de Tweede Kamer op art. 3.1.1.2 (thans 3:3) BW (Parlementaire Geschiedenis Boek 3, blz. 69).

9 Zie onder meer HR 23 februari 1994, NJ 1995, 464 en 465 m.nt. WMK (windturbines zijn onroerende zaken).

10 HR 31 oktober 1997, NJ 1998, 97, Bouwrecht 1998, p. 689, V-N 1997/4334 m.a., Bb 1998/252 m.a. Kruimel. Zie van de civiele kamer ook HR 25 oktober 2002, NJ 2003/241 m.nt. WMK.

11 Zie o.m. HR 7 juni 2002, BNB 2002/283 en HR 6 juni 2003, BNB 2003/271 m.nt. J.W. Zwemmer.

12 Waarderingskamer, notitie van 29 februari 2000 (ingetrokken per 6 maart 2003).

13 Waarderingskamer, notitie van 6 maart 2003.

14 Zie D.J. Veegens/E. Korthals Altes & H.A. Groen, Cassatie in burgerlijke zaken, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1989, blz. 203-204.

15 Zie het beroepschrift in cassatie, blz. 2.

16 In rechtsoverweging 5.7. spreekt het Hof over 312 stacaravanchalets waarvoor wel een WOZ-waarde is vastgesteld en 343 stacaravanchalets waarvoor de waardevaststelling achterwege is gebleven. Dit moet zijn respectievelijk 318 en 343 stacaravanchalets, hetgeen volgt uit de feiten zoals deze zijn vastgesteld in rechtsoverweging 3.3. Dat brengt het totaal op 661 stacaravanchalets, dat is tevens het bedrag dat in rechtsoverweging 5.7 wordt genoemd.

17 Het valt op dat hier en in de rest van het middelonderdeel niet wordt gesproken van stacaravanchalets.

18 Vgl. HR 18 december 1985, FED 1986/755.

19 Het College doet dit in zijn cassatieberoep.

20 De objectafbakening van de stacaravanchalets op gehuurde grond is ook nog op een ander punt onjuist. Niet alleen is op onjuiste wijze het (on)roerende karakter vastgesteld van de stacaravanchalets. Ook in het geval dat de stacaravanchalets als roerend moeten worden aangemerkt, zouden in mijn optiek de percelen die verhuurd worden niet kunnen worden samengevoegd tot één object zoals nu is gebeurd. De kleinste gebruikerseenheid is immers (doorgaans) het perceel dat wordt gehuurd om het stacaravanchalet op te plaatsen. Uit de feitenvaststelling door het Hof volgt dat in de gevallen van verhuurde percelen - gezien het meer duurzame karakter daarvan - geen sprake was van het 'ter beschikking stellen voor volgtijdig gebruik'. Vgl. HR 28 september 2001, BNB 2001/403 m.nt. Snoijink.

21 Zie voor een te enge objectafbakening HR 9 mei 2003, BNB 2003/270 m.nt. Snoijink.