Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2004:AR6517

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
17-12-2004
Datum publicatie
17-12-2004
Zaaknummer
C03/236HR
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSHE:2003:AF9344
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2004:AR6517
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

17 december 2004 Eerste Kamer Nr. C03/236HR JMH/MD Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiser], wonende te [woonplaats], België, EISER tot cassatie, advocaat: mr. R.T.R.F. Carli, t e g e n DEFAM FINANCIERINGEN B.V., gevestigd te Bunnik, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. D. Stoutjesdijk. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 680
JWB 2004/465
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. C03/236HR

mr. L. Timmerman

Zitting 8 oktober 2004

Conclusie in

[Eiser](1),

tegen

Defam Financieringen B.V.

(hierna: Defam)

1. Feiten(2) en procesverloop

1.1Op 17 april 1997 sluit Defam als financier/lessor leaseovereenkomsten, daarbij vertegenwoordigd door Bekaro B.V. met Stableforce Holland B.V., hierna: Stableforce, als lessee en [A] B.V., hierna Autopalace, als leverancier van een vijftal deels nieuwe, deels gebruikte auto's, waarvan één het merk Chevrolet heeft en er vier het merk Opel hebben. De leaseovereenkomsten zijn namens Stableforce en Autopalace ondertekend door eiser tot cassatie, hierna: [eiser]. Met deze transactie wordt beoogd dat Defam een deel van de handelsvoorraad auto's van Stableforce zal gaan financieren. In de vijf leaseovereenkomsten staat in artikel 4 vermeld dat Autopalace de volle en vrije eigendom van de auto's overdraagt aan Defam. Ten tijde van het tekenen van de leaseovereenkomsten is de Chevrolet echter nog eigendom van [betrokkene 1], die deze aan Autopalace zou leveren, en zijn de vier Opels belast met een stil pandrecht ten behoeve van GMAC. GMAC is de financieringsmaatschappij van Opel. De vier Opels waren door Opel aan Autopalace verkocht waarbij GMAC als financier optrad.

1.2 Defam maakt de op grond van de leaseovereenkomsten te betalen bedragen, in totaal f 280.685,50 aan Autopalace over. De bank weigert vervolgens wegens een te hoge rekening-courantschuld de door Autopalace aan de bank gegeven betaalopdrachten uit te voeren. De betrokken bedragen worden niet doorbetaald aan [betrokkene 1] c.q. GMAC, met als gevolg dat de kentekens van de auto's die op naam stonden van [betrokkene 1] c.q. GMAC niet worden 'vrijgekocht'. Kort daarop worden Stableforce en Autopalace failliet verklaard. De Chevrolet wordt door [betrokkene 1] nooit geleverd aan Autopalace en de vier Opels worden door GMAC als pandhouder uitgewonnen. De vorderingen van Defam op Stableforce op grond van voormelde leaseovereenkomsten blijven onbetaald.

1.3 Van belang voor de beoordeling van de in deze procedure aan de orde komende rechtsvragen is het volgende: de directie van zowel Autopalace als van Stableforce wordt uiteindelijk gevoerd door N.V. Bollinvest en N.V. Bolding. Van deze naar Belgisch recht opgerichte vennootschappen is [eiser] president dan wel gedelegeerd bestuurder. [Eiser] regelt de financiële zaken van de genoemde vennootschappen. Hij wordt door de Rechtbank gezien als degene die feitelijke zeggenschap heeft over de betrokken vennootschappen(3). Toen de leaseovereenkomsten werden getekend, was [eiser] als financiële man zeven maanden bij de betrokken vennootschappen werkzaam. Autopalace en Stableforce behoren tot een grotere groep van vennootschappen die [eiser] samen met zijn broer en vader -de oprichter van de groep- drijft(4).

1.4 Defam dagvaardt [eiser] op 22 september 1998 voor de Rechtbank te Breda en vordert - kort gezegd - [eiser] te veroordelen tot betaling van schadevergoeding aan Defam ten bedrage van het op grond van de overeenkomsten aan Autopalace betaalde bedrag, vermeerderd met rente en kosten. Zij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat [eiser] als (indirecte) bestuurder van Stableforce en Autopalace jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld door in de leaseovereenkomsten te verklaren dat Autopalace de auto's in volle en vrije eigendom had, terwijl hij wist of behoorde te weten dat dit niet het geval was. Bovendien verwijt Defam [eiser] dat hij bij het aangaan van de leaseovereenkomsten geweten moet hebben, althans verwachten kon dat deze overeenkomsten niet nagekomen zouden worden. Het verweer van [eiser] luidt, voor zover in cassatie nog van belang, kort gezegd dat Defam wist dat Autopalace de auto's pas na betaling aan haar leveranciers (te weten [betrokkene 1] en GMAC) in volle en vrije eigendom aan Defam kon overdragen. Het bedrag dat Defam op grond van de leaseovereenkomsten betaalde zou door Autopalace worden aangewend om haar leveranciers te betalen. Daarna zou Defam pas de volle en vrije eigendom ervan verkrijgen. Op die manier waren al vele contracten tussen Defam en Autopalace gesloten.

1.5 Het oordeel van de Rechtbank komt op het volgende neer. De Rechtbank stelt met verwijzing naar het verweer van [eiser] vast dat [eiser] niet betwistte dat hij toen hij de leaseovereenkomsten ondertekende wist dat Autopalace (nog) niet de volle en vrije eigendom van de auto's had(5), maar vond dat deze wetenschap alleen niet kon leiden tot persoonlijke aansprakelijkheid van [eiser] jegens Defam. Daarvoor was volgens de Rechtbank bovendien nodig dat [eiser] als degene die de feitelijke zeggenschap over Autopalace had en die de leaseovereenkomsten rechtsgeldig ondertekende, wist, althans redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat Autopalace niet of niet binnen redelijke termijn haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden voor de ten gevolge van die wanprestatie door Defam te lijden schade(6). Dat laatste was volgens de Rechtbank het geval: [eiser] had dat moeten afleiden uit het feit dat de vennootschappen er financieel niet goed voor stonden (hetgeen de Rechtbank afleidde uit de omstandigheid dat de bank weigerde betalingen uit te voeren). Dit wist [eiser] als financiële man van de [B] Groep, althans hij behoorde dat in ieder geval te begrijpen(7). Daarbij heeft de Rechtbank overwogen dat de omstandigheden dat [eiser] nog maar kort in deze functie werkzaam was, dat hij de overeenkomst heeft getekend zonder deze te lezen en dat hij als niet-jurist niet begreep wat onder volle en vrije eigendom moest worden verstaan, hem, gelet op zijn functie, niet konden baten.

Dit alles zou evenwel volgens de Rechtbank desondanks niet tot persoonlijke aansprakelijkheid van [eiser] leiden als hij erin zou slagen zijn stelling te bewijzen dat ook Defam ervan op de hoogte was dat zij niet door het enkele sluiten van de overeenkomst de volle en vrije eigendom van de auto's zou krijgen(8).

Na bewijsvoering heeft de Rechtbank [eiser] niet geslaagd geacht in het hem opgedragen bewijs(9) en bij vonnis van 12 juni 2001 de vordering van Defam (grotendeels) toegewezen.

1.6 [Eiser] gaat in hoger beroep en richt grieven tegen de bewijsopdracht en -waardering (grieven 1 en 4), tegen de vaststelling dat [eiser] niet betwistte dat hij op de hoogte was van het feit dat de auto's niet in volle en vrije eigendom aan Defam konden worden overgedragen (grief 2), tegen de overweging dat [eiser] behoorde te weten dat de vennootschappen niet of niet binnen redelijke termijn aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden voor de ten gevolge van die wanprestatie door de wederpartij te lijden schade (grief 3) en tegen de verschuldigdheid van buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente (grieven 5 en 6).

1.7 Het Hof is, evenals de Rechtbank, van oordeel dat [eiser] behoorde te weten dat de vennootschappen er financieel slecht voor stonden waaruit hij had moeten begrijpen dat beide vennootschappen niet of niet binnen redelijke termijn aan hun verplichtingen tot het verschaffen van de volle en vrije eigendom aan Defam zouden kunnen voldoen en geen verhaal zouden bieden voor de ten gevolge van die wanprestatie door Defam te lijden schade. Hetgeen [eiser] daartegen heeft aangevoerd, acht het Hof onvoldoende om tot een ander oordeel te komen (r.o. 4.6.5 t/m 4.6.9). Ter voorkoming van [eiser]s aansprakelijkheid is volgens het Hof evenwel niet (slechts) relevant of Defam ervan op de hoogte was dat [A] ten tijde van het sluiten van de overeenkomsten (nog) niet de volle en vrije eigendom van de auto's had, maar of Defam de precaire financiële situatie ook kende en aanvaardde (en daarmee het risico dat Autopalace haar verplichtingen niet zou nakomen). Dat laatste is volgens het Hof door [eiser] niet gesteld. Het Hof heeft de bestreden vonnissen van de Rechtbank bekrachtigd.

1.8 [Eiser] is tegen het arrest van het Hof tijdig met vijf middelen in cassatie gekomen. Defam heeft geconcludeerd tot verwerping. Partijen hebben hun zaak schriftelijk doen toelichten. Vervolgens heeft Defam gedupliceerd.

2. Bespreking van de cassatiemiddelen

2.1 De middelen 1 en 2 richten zich met motiveringsklachten tegen r.o. 4.3, waarin het Hof als volgt heeft overwogen:

"4.3 De tweede grief keert zich tegen de overweging van de Rechtbank "[eiser] betwist niet dat hij op de hoogte was van het feit dat de auto's niet in volle en vrije eigendom aan Defam konden worden overgedragen."

Blijkens de toelichting op deze grief en blijkens de verwijzing naar nr. 6 p. 4 van de conclusie van dupliek berust deze grief op de gedachte dat de Rechtbank hier vaststelt dat [eiser] niet betwist dat hij ervan op de hoogte was dat de auto's niet aan Defam konden worden overgedragen na verkrijging van de eigendom daarvan door [A], dat wil zeggen na betaling aan de eigenaar van de Chevrolet resp. aflossing aan GMAC, omdat hij ervan op de hoogte was dat die betaling en aflossing spaak zouden lopen.

Naar het Hof begrijpt, in het bijzonder ook uit de twee volgende alinea's van r.o. 3.7 van het tussenvonnis van 5 oktober 1999, stelt de Rechtbank hier echter slechts vast dat [eiser] niet heeft betwist dat hij wist dat de auto's a t/m e ten tijde van het tekenen van de overeenkomsten d.d. 17 april 1997 nog niet de "volle en vrije" eigendom van [A] waren. De grief faalt dus bij gebrek aan feitelijke grondslag."

2.2 [Eiser] klaagt erover dat het Hof het in zijn tweede grief begrepen standpunt ten onrechte onbesproken heeft gelaten (middel 2), althans in het kader van de behandeling van de tweede grief essentiële stellingen van [eiser] niet besproken heeft (middel 1). Uitgangspunt van de beide middelen is dat [eiser] er geen vrede mee heeft dat het Hof heeft aangenomen dat hij niet heeft betwist dat hij wist dan wel behoorde te weten dat de auto's niet de volle en vrije eigendom waren van Autopalace. De beide middelonderdelen voeren aan dat zo'n betwisting uit de omstandigheid kan volgen dat hij een onervaren stagiaire in het bedrijf van zijn vader was en als zodanig niet op de hoogte was van de relevantie van de stille verpanding voor de leaseovereenkomsten, met name niet dat Autopalace daardoor niet de volle en vrije eigendom aan Defam kon overdragen. Voorts is volgens [eiser] onbegrijpelijk dat het Hof gelet op voornoemde stelling geen enkele verantwoordelijkheid/onderzoeksplicht bij Defam legde.

2.3 Ik meen dat [eiser] geen belang heeft bij een behandeling van de middelen 1en 2 en daarom niet met succes worden voorgesteld. Het door het Hof in stand laten van de beslissing van de Rechtbank dat [eiser] niet heeft betwist dat hij op de hoogte was van het feit dat de betrokken auto's niet in volle en vrije eigendom aan Defam konden worden overgedragen draagt het oordeel van het Hof over de aansprakelijkheid van [eiser] jegens Defam niet. Het Hof heeft immers in r.o. 4.6.4 aangegeven dat het er zijns inziens voor de beoordeling van de aansprakelijkheid van [eiser] jegens Defam om gaat of [eiser] wist dan wel redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat Autopalace haar verbintenis jegens Defam tot het in volle en vrije eigendom overdragen van de auto's niet of niet binnen een redelijke termijn zou kunnen nakomen. Dit oordeel impliceert dat, ook al zou vaststaan dat [eiser] wist dat de auto's op het moment van het tekenen van de leaseovereenkomsten geen eigendom waren van Autopalace, hij niettemin niet jegens Defam aansprakelijk is, als hij ervan mocht uitgaan dat Autopalace de verbintenis tot overdracht van de auto's binnen een redelijke termijn zou kunnen nakomen. Het Hof concludeert tot aansprakelijkheid van [eiser] jegens Defam, niet omdat [eiser] wist dat de auto's geen eigendom waren van Autopalace, maar omdat [eiser] niet mocht verwachten dat Autopalace binnen een redelijke termijn aan zijn verplichting tot overdracht van de auto's zou kunnen voldoen. Het Hof heeft hiermee mijns inziens de aansprakelijkheid van [eiser] terecht niet aan de hand van een statisch criterium (wist [eiser] op het moment van tekenen van de leaseovereenkomsten, of de auto's eigendom waren van Autopalace?), maar dynamisch (mocht [eiser] op het moment van het tekenen van de leaseovereenkomst gegeven de financiële situatie van Autopalace verwachten dat de auto's aan Defam overgedragen zouden worden?) beoordeeld. De middelen 1en 2 brengen de vraag van aansprakelijkheid van [eiser] op een niet relevant zijspoor.

2.4 De middelen 3, 4 en 5 zijn gericht tegen de volgende overwegingen van het Hof:

"4.6.5 Tegen het door de Rechtbank aan haar bestreden oordeel ten grondslag gelegde feit (dat de betalingen aan GMAC door de bank niet meer werden uitgevoerd wegens een te hoge rekening-courant schuld, welk feit nadien bevestiging heeft gevonden in de getuigenverklaring van [eiser]s vader, [betrokkene 2] en in na te noemen brief van de curator) is niet gegriefd.

Wel heeft [eiser] in de toelichting op zijn derde grief gesteld dat uit het feit dat de bank de van Defam afkomstige gelden niet doorstortte, niet volgt dat de bank ten tijde van het tekenen van de overeenkomst al weigerde om rekening-courant betalingen uit te voeren.

Dat is op zichzelf juist, maar het niet doorstorten kort na het tekenen van die overeenkomsten wijst in beginsel op een financiële situatie ten tijde van het sluiten en tekenen van de overeenkomsten die zodanig was dat [eiser] moest vrezen voor de weigering van de bank. Dat door de financiering van Defam weer geld beschikbaar was doet daar niet aan af, integendeel: kennelijk was het gat te groot om daarmee gedicht te worden.

4.6.6 Gelet op een en ander had het, zeker thans, in hoger beroep, op de weg van [eiser] gelegen om, ter onderbouwing van zijn derde grief, inzicht te geven in de positieve kanten van de financiële situatie van [A] omstreeks 17 april 1997. [eiser] heeft dit echter nagelaten.

4.6.7 [Eiser] heeft wel een brief d.d. 20 oktober 2000 overgelegd van de curator van o.m. [A] (...) Deze brief houdt weliswaar in dat de curator meent dat de daadwerkelijk functionerende bestuurders van (onder meer) [A] feitelijk erin hebben geloofd dat het tij te keren was en dat zij niet wisten dat de verplichtingen niet zouden kunnen worden nagekomen, maar de brief houdt ook in dat zij, gelet op de situatie, wel ernstig ermee rekening behoorden te houden dat dat zou blijken niet te kunnen en voorts dat de financiële situatie op of omstreeks 17 april 1997 precair was. Deze brief ondersteunt dus het oordeel van de Rechtbank en de stellingen van Defam dat [eiser] behoorde te begrijpen dat [A] niet binnen behoorlijke termijn aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen.

4.6.8 Ook uit [eiser]s stellingen en producties terzake de belastingschuld kan niet blijken dat [eiser] niet hoefde te vrezen voor financiële problemen. Productie 2 bij akte houdt immers in dat [A] per 30 juni 1997 een "nieuwe" belastingschuld had van f 371.630,= terwijl de stellingen over de gebruikelijk verschuldigde belasting niet zijn gestaafd en betaling van een oude belastingschuld "conform regeling" door die productie wordt weersproken. ("achterstand op schema f 500.000,=").

4.6.9 [Eiser] heeft dus niet voldaan aan zijn stelplicht ter zake, hetgeen het Hof tot het oordeel brengt dat [eiser] naar de hiervoor onder 4.2.1 bedoelde maatstaf in beginsel onrechtmatig heeft gehandeld en aldus aansprakelijk is voor de schade van Defam."

2.5 De middelen betreffen de motivering van het oordeel van het Hof dat [eiser] behoorde te weten dat financiële situatie van [A] dusdanig slecht was dat de bank zou kunnen weigeren de betalingen aan de leveranciers van Autopalace uit te voeren, waardoor de auto's uiteindelijk niet in volle en vrije eigendom aan Defam konden worden geleverd.

2.6 In middel 3 betoogt [eiser] dat het Hof zijn oordeel dat [eiser] moest vrezen voor de weigering van de bank om de betaalopdrachten aan de leveranciers van Autopalace uit te voeren niet naar behoren heeft gemotiveerd, omdat het Hof daarbij slechts oog had voor het feit dat achteraf was gebleken dat de bank de betaalopdracht niet uitvoerde en daarbij niet (ook) had onderzocht of de bank Autopalace dan wel [eiser] daarvoor vooraf gewaarschuwd had dan wel misbruik maakte van haar positie.

2.7 Dit middel faalt. Het oordeel van het Hof dat uit de omstandigheid dat de bank kort na het tekenen van de overeenkomsten wegens een te hoge rekening-courantschuld weigerde betalingen te verrichten in beginsel afgeleid mag worden dat de financiële situatie van Autopalace kort daarvoor al zodanig slecht was dat [eiser] moest vrezen dat de bank zou gaan weigeren om rekening-courantbetalingen uit te voeren, is niet onbegrijpelijk. Dit geldt te meer, nu het Hof in zijn oordeel heeft betrokken dat het gat in de rekening courant kennelijk zo groot was dat het zelfs niet door de door Defam op grond van de leaseovereenkomsten verrichte betalingen kon worden gedicht. Hiervan uitgaande kan van misbruik van recht door de bank geen sprake zijn. Een bank is niet verplicht is betalingen te verrichten die de overeengekomen kredietfaciliteit van haar klant overschrijden. Ook behoefde het Hof niet te onderzoeken of de bank Autopalace dan wel [eiser] vooraf al dan niet zou hebben moeten waarschuwen. In r.o. 4.6.5. van het bestreden arrest ligt immers besloten dat [eiser], gelet op de slechte financiële positie van Autopalace, ook zonder waarschuwing van de bank, voor de weigering van de bank om de desbetreffende betalingen moest vrezen. Dat is, gegeven de omstandigheid dat het Hof, evenals de Rechtbank, [eiser] beschouwt als man die de financiële zaken regelde en als degene die feitelijke zeggenschap heeft over Autopalace (zie r.o. 4.1.1., 4.2.2 en 4.6.4. van het bestreden arrest), geen onbegrijpelijke redenering. Opmerking verdient ook nog dat het Hof in de r.o. 4.6.6., 4.6.7., 4.6.8. en 4.6.9. aandacht heeft besteed aan een aantal door [eiser] genoemde omstandigheden die mogelijk op een meer gunstige financiële situatie van Autopalace zouden kunnen wijzen. Het is niet onbegrijpelijk dat het Hof deze heeft afgedaan als omstandigheden die geen nieuw licht werpen op de financiële positie van Autopalace.

2.8 Voorts klaagt [eiser] in middel 4 erover dat het Hof van de onervaren en pas enkele maanden als (onbezoldigd) stagiair bij zijn vader werkende [eiser] evenveel kennis en ervaring verwacht als van een advocaat en curator met meer dan 30 jaar ervaring, hetgeen onbegrijpelijk is.

2.9 Ook dit middel treft geen doel. Ten eerste kan met de omstandigheid dat [eiser] een 'onbezoldigd stagiair' in cassatie geen rekening te worden gehouden is, nu [eiser] dit niet eerder in de procedure heeft aangevoerd; hij heeft slechts gesteld dat hij binnen de [B]-groep een financiële man was die daar, toen de bewuste contracten waren getekend, pas zeven maanden werkzaam was (10). Verder kan ik in het bestreden arrest van het Hof niet lezen dat het Hof van [eiser] verwacht dat hij tekens op dezelfde wijze leest als een ervaren advocaat of een curator.

2.10 Tot slot voert [eiser] in middel 5 aan dat het onbegrijpelijk is dat het Hof in r.o. 4.6.9 oordeelde dat hij niet aan zijn stelplicht heeft voldaan, nu hij immers heeft gesteld dat hij onervaren was, daardoor niet precies wist wat "stille verpanding" betekende en de situatie niet goed overzag en bovendien in verband met die onervarenheid een beroep heeft gedaan op de redelijkheid en billijkheid. Als gevolg daarvan kan volgens [eiser] ook r.o. 4.6.10 waarin het Hof ook oordeelt dat [eiser] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan, niet in stand blijven, aldus [eiser].

2.11 Ook dit middel kan [eiser] niet baten. Zo is de uitleg die het Hof aan de brief van de curator heeft gegeven niet onbegrijpelijk. Deze brief hinkt immers op twee gedachten. Enerzijds stelt de curator dat het voor de bestuurders onvoorzienbaar was dat de bank zou weigeren de betrokken gelden door te leiden. Anderzijds schrijft hij ook dat de financiële situatie van Autopalace precair was en haar bestuurders wel ernstig rekening met de mogelijkheid dienden te houden dat Autopalace haar verplichtingen niet zou kunnen nakomen. Tegen deze achtergrond is het niet onbegrijpelijk dat het Hof heeft geoordeeld dat [eiser] met het inbrengen van deze brief onvoldoende inzicht heeft gegeven in de positieve kanten van de financiële situatie van Autopalace. Ook voor het overige is het oordeel van het Hof in r.o. 4.6.9 dat [eiser] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan niet onbegrijpelijk. Het Hof is aan de omstandigheid dat [eiser] stelt onervaren te zijn terecht voorbijgegaan, nu het, evenals de Rechtbank, ervan uitging dat [eiser] financiële man van onder andere Autopalace was en de feitelijke zeggenschap over de vennootschap had. Men mag in zo'n positie een zekere mate van ervaring verwachten.

3. Conclusie

Deze strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 De cassatiedagvaarding en schriftelijke toelichting spreken van '[eiser]', maar in alle overige stukken wordt eiser tot cassatie aangeduid als '[eiser]'

2 Zie r.o. 3.1 van het vonnis van de Rechtbank te Breda van 5 oktober 1999 en r.o. 4.2.3. van het Gerechtshof ''s-Hertogenbosch d.d. 24 maart 2003

3 Zie r.o. 3.5. van het vonnis van de Rechtbank van 5 oktober 1999.

4 Zie voor een overzicht van deze groep: productie 15 bij de conclusie van repliek en r.o. 3.5. van het vonnis van de Rechtbank van 5 oktober 1999.

5 r.o. 3.7 van het vonnis van 5 oktober 1999

6 r.o. 3.4 en 3.5 van het vonnis van 5 oktober 1999

7 r.o. 3.9 van het vonnis van 5 oktober 1999

8 r.o. 3.7 van het vonnis van 5 oktober 1999

9 vonnis van 6 februari 2001

10 conclusie van dupliek, punt 5