Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2004:AR3257

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
30-11-2004
Datum publicatie
30-11-2004
Zaaknummer
00715/04
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2004:AR3257
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Strafoplegging en -motivering in licht van draagkracht. Het hof heeft onder aanhaling van art. 24 Sr geoordeeld dat verdachtes draagkracht toereikend is om de opgelegde boete van € 1250,- te voldoen. Dat is niet onbegrijpelijk, in het licht van verdachtes WAO-uitkering van € 700,- en in aanmerking genomen dat omtrent de hoogte van een gestelde lening en de daaruit voortvloeiende verplichtingen aan het hof geen nadere gegevens zijn verschaft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 640
NJ 2005, 82
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr.00715/04

Mr. Jörg

Zitting 28 september 2004

Conclusie inzake:

[verzoeker=verdachte]

1. Verzoeker is door het gerechtshof te Amsterdam bij arrest van 22 oktober 2003 wegens het niet voldoen aan een verplichting mee te werken aan een onderzoek naar rijden onder invloed veroordeeld tot een geldboete van twaalfhonderdvijftig euro bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van vijfentwintig dagen.(1) Tevens is aan verzoeker voor de duur van zes maanden de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen ontzegd, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

2. Namens verzoeker heeft mr. M.J.A. Duker, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel richt zich tegen de motivering van de strafoplegging. Het hof zou ten onrechte niet hebben gerespondeerd op een ter zitting gevoerd draagkrachtverweer.

4. Blijkens het proces-verbaal van terechtzitting van 8 oktober 2003 heeft verzoeker het volgende verklaard:

"Ik heb een WAO-uitkering van € 700,- in verband met een whiplash. Ik ben alleenstaand (). Ik was tijdens de terechtzitting van de politierechter niet boos; ik heb gezegd dat ik de boete niet kon betalen in verband met de lage uitkering die ik heb ()."

5. De pleitnotities houden dienaangaande het volgende in:

"Schade heeft [cliënt] alleen zelf gehad: doordat hij met zijn auto tegen de vangrail aanreed was de auto total-loss.

()

Cliënt heeft een WAO-uitkering en verdient circa € 722,00 per maand en heeft daarnaast een lening bij de Gemeentelijke Kredietbank in Den Haag. Hij is alleenstaande."

6. Het hof heeft ten aanzien van de (hoogte van de) straf - voor zover van belang - het volgende overwogen:

"Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte."

7. Art. 359, vijfde lid, Sv bepaalt:

"Het vonnis geeft in het bijzonder de redenen op, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid."(2)

8. Aan de eis van art. 359, vijfde lid, Sv wordt naar vaste rechtspraak voldaan indien het vonnis een formule bevat als 'deze straf is in overeenstemming met de ernst van het feit en de persoon van de dader' (zie Koopmans in T&C Sv, 5e, aant. 8b op art. 359).

9. Daarnaast eist art. 24 Sr dat rekening wordt gehouden met de draagkracht van de verdachte.

10. Van de rechter die een straf oplegt, moet, gelet op de in art. 359, vijfde lid, Sv vervatte motiveringseis worden verlangd dat hij op een terzake van de draagkracht uitdrukkelijk voorgedragen, met argumenten ondersteund, verweer een uitdrukkelijk en gemotiveerd antwoord geeft (vgl. HR 7 mei 1996, NJ 1997, 407 en HR 13 november 2001, NJ 2002, 233).

11. Hoewel op de vorm waarin de draagkracht van verzoeker aan de orde werd gesteld wel iets valt aan te merken, meen ik dat in het aangevoerde onmiskenbaar een verweer ligt besloten. Daarop had het hof dienen te reageren.

12. In ieder geval had het hof bij zijn verdubbeling van het in eerste aanleg opgelegde boetebedrag ook ambtshalve enige woorden aan de draagkracht van verzoeker dienen te besteden en kon het niet volstaan met de enkele aanhaling van art. 24 Sr. Dat steekt schril af tegen de onverplichte vermelding van 's hofs eenparigheid conform art. 424 Sv.

Anders dan in HR 16 maart 2004, AO1684, NS 2004, 154 (waar het ging om het niet responderen op een - verwerpelijk - verweer van disproportioneel handelen van de politie en het OM, en een geheel voorwaardelijke straf van twee weken was opgelegd) gaat het hier bovendien om een straf die flink aankomt.

13. Ik meen naar aanleiding van het middel dat het arrest niet in stand kan blijven.

14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beslissing en verwijzing van de zaak naar het gerechtshof te 's-Gravenhage, dat op het bestaande hoger beroep de straf zal dienen te bepalen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De advocaat-generaal had onder andere een geldboete van zeshonderd euro subsidiair twaalf dagen hechtenis geëist.

2 Ingevolge art. 415 Sv is art. 359 Sv van overeenkomstige toepassing op de procedure in hoger beroep.