Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2004:AR2974

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
01-10-2004
Datum publicatie
01-10-2004
Zaaknummer
C03/088HR
Formele relaties
Rechtbankuitspraak waarvan sprongcassatie: ECLI:NL:RBMID:2002:AO0575
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2004:AR2974
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

1 oktober 2004 Eerste Kamer Nr. C03/088HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: TAXICENTRALE MIDDELBURG B.V., gevestigd te Middelburg, EISERES tot cassatie, advocaat: mr. E. Grabandt, t e g e n [Verweerder], wonende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, advocaat: mr. E. van Staden ten Brink. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 499
JWB 2004/329
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknrs: C03/087HR en C03/088HR

Mr. Huydecoper

Zitting van 14 mei 2004

Conclusie inzake:

Taxicentrale Middelburg B.V.

eiseres tot cassatie

tegen

[verweerster 1]

en

[verweerder 2]

verweerders in cassatie

Feiten en procesverloop(1)

1) De in de "kop" hierboven vermelde zaken betreffen een aantal onafhankelijk van elkaar gevoerde procedures. Die zijn echter uitgemond in (tussen- en eind)vonnissen die inhoudelijk gelijkluidend zijn; en daartegen wordt in cassatie opgekomen met middelen die eveneens inhoudelijk gelijkluidend zijn. Om die reden leek het mij aangewezen om één gelijkluidende conclusie in beide (groepen van) zaken te nemen, en om dat ook in de "kop" en in de tekst van de conclusie tot uitdrukking te laten komen.

Ik zal de partijen in deze conclusie(s) aanduiden als "TCM" (telkens de eiseres tot cassatie) en als "[verweerder] c.s." (voor de beide verweerders in cassatie), mij er wel van bewust dat met name de tweede aanduiding een verkeerde indruk kan wekken ten aanzien van de samenhang tussen de verschillende procedures. Daar weegt tegen op dat deze wijze van aanduiding veel omhaal van woorden overbodig maakt.

2) [Verweerder] c.s. waren in dienst bij een taxibedrijf dat failliet ging. TCM heeft alle activa van het failliete bedrijf overgenomen en zich in de overname-overeenkomst (met de curator) verplicht om de arbeidsverhoudingen met alle personeelsleden over te nemen(2). De curator heeft alle werknemers bericht, dat het bedrijf going-concern werd verkocht aan TCM(3) met de verplichting om de arbeidsverhoudingen met alle personeelsleden van de gefailleerde vennootschap(-pen(4)) over te nemen.

3) Aan sommige werknemers, waaronder [verweerder] c.s., heeft TCM vervolgens een arbeidsovereenkomst aangeboden die inhoudelijk verschilde van de voorheen (met het gefailleerde bedrijf) bestaande arbeidsovereenkomst. Aan [verweerder] c.s. werd werk aangeboden als taxichauffeur, terwijl [verweerster 1] had gewerkt als centraliste en [verweerder 2] als assistent bedrijfsleider/administratief medewerker. Ook de werktijden in de aangeboden nieuwe arbeidsovereenkomsten verschilden (niet on)aanzienlijk van de in de "oude" situatie toepasselijke werktijden(5).

4) [Verweerder] c.s. hebben de hun aangeboden dienstbetrekkingen niet aanvaard. Dat heeft geleid tot de onderhavige procedure. [Verweerder] c.s. verdedigen daarin dat zij aanspraak hebben op een dienstbetrekking die geheel, althans in grote lijnen, overeenstemt met de dienstbetrekking die ten opzichte van de gefailleerde onderneming bestond; TCM betoogt dat aan haar een aanzienlijk ruimere marge toekwam bij de keuze van aanbiedingen die zij aan de werknemers van het gefailleerde bedrijf zou doen.

Bovendien betwistte TCM dat [verweerder] c.s. rechtstreeks aanspraken konden ontlenen aan de overnameovereenkomst: er zou geen sprake zijn van een derdenbeding, maar van een regeling die slechts tussen partijen (dus: TCM en de curator) rechten en verplichtingen in het leven riep.

5) De kantonrechter in de eerste aanleg en de rechtbank in appel hebben, althans grotendeels, het namens [verweerder] c.s. verdedigde standpunt als juist beoordeeld, en dus aangenomen dat de overeenkomst tussen TCM en de curator een derdenbeding ten gunste van de werknemers van de gefailleerde onderneming(en) inhield, waaruit voor TCM de verplichting voortvloeide om die werknemers arbeidsovereenkomsten aan te bieden die in grote lijnen overeenkwamen met hun eerder geldende arbeidsovereenkomsten.

Aan die verplichting had TCM - volgens de vaststellingen van de rechters in de feitelijke instanties - niet voldaan. Zij was dus ten opzichte van [verweerder] c.s. (toerekenbaar, zoals wel vanzelf spreekt) tekort geschoten in de nakoming; en [verweerder] c.s. hadden daarom aanspraak op (vervangende) schadevergoeding. Die schadevergoeding heeft de rechtbank in haar eindvonnis (na partijen daarover in een comparitie te hebben gehoord), vastgesteld.

6) TCM heeft tijdig(6) en regelmatig cassatieberoep ingesteld. [Verweerder] c.s. hebben laten concluderen tot verwerping. Alle partijen hebben hun standpunten schriftelijk laten toelichten.

Bespreking van het cassatiemiddel

7) Bij deze bespreking stel ik voorop dat het in deze zaak gaat om een bedrijfsovername vanuit een failliete boedel. Dat impliceert dat de bijzondere regeling van art. 7:663 BW niet van toepassing is(7). Daarover waren partijen het al in de feitelijke instanties eens(8), en daarover wordt ook in cassatie niet getwist.

8) Het geschil in cassatie - trouwens, voor de feitelijke instanties gold hetzelfde - gaat dan ook in belangrijke mate om de uitleg die aan de overnametransactie tussen TCM en de curator moet worden gegeven.

In HR 20 februari 2004, RvdW 2004, 34, rov. 4.1 - 4.5, worden uitgebreide en zeer verhelderende beschouwingen gewijd aan de bij een dergelijke uitleg aan te leggen maatstaven en aan de daarbij in aanmerking te nemen gezichtspunten. Die beschouwingen kunnen - of moeten - in de onderhavige zaak tot richtsnoer dienen. Daartoe is eens te meer aanleiding, omdat de overeenkomst die in deze zaak centraal staat - een overnametransactie met een beding waarin ook de verplichting om werknemers "over te nemen" wordt geregeld - de nodige verwantschap vertoont met de overeenkomst waarover het in het aangehaalde arrest ging (een pensioenregeling tussen werkgever en pensioenverzekeraar, waarbij het erom ging, welke aanspraken de werknemer/pensioengerechtigde daaraan kon ontlenen).

9) Voor de te beoordelen uitleg is verder van belang, dat de maatschappelijke werkelijkheid als het gaat om derdenbedingen en daarmee vergelijkbare bedingen, een kaleidoscopisch beeld vertoont, dat doet denken aan de zegswijze "in alle soorten en maten". Er bestaan daarom nauwelijks algemene gezichtspunten die bij de uitleg van dergelijke bedingen houvast kunnen geven; beslissingen daarover zijn "gevalsbeslissingen"(9). Ook het zojuist aangehaalde arrest van 20 februari 2004 benadrukt (in rov. 4.5) het belang van beoordeling met inachtneming van alle omstandigheden van het concrete geval (gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen).

10) Tegen die achtergrond is het niet verbazend dat de uitleg van overeenkomsten geldt als materie die - binnen de kaders zoals die bijvoorbeeld uit het zojuist genoemde arrest blijken - verder aan de rechters van de feitelijke instanties is voorbehouden(10); zodat de marge voor controle in cassatie maar beperkt is(11).

Vanzelfsprekend zal ook dat bij de beoordeling van deze zaak in cassatie in het oog moeten worden gehouden.

Het eerste middelonderdeel

11) Het eerste middelonderdeel richt een rechtsklacht en een motiveringsklacht tegen rechtsoverweging 3.6 van de (tussen)vonnissen van de rechtbank van 10 juli 2002. Het deel van die overweging dat onderwerp van de klacht vormt, luidt:

"(...) Naar het oordeel van de rechtbank dient een dergelijke, in overleg tussen een koper van de lopende bedrijfsactiviteiten van een gefailleerde onderneming en de curator van die onderneming gemaakte afspraak naar haar aard te worden beschouwd als een derdenbeding, in de zin dat zij de betreffende werknemers - na aanvaarding van het beding - het recht toekent nakoming ervan te vorderen. Daarbij is van belang dat de curator, na ontvangst van de overeengekomen koopprijs, bij een vordering tot nakoming van dergelijke afspraken geen (eigen) belang (meer) zal hebben en derhalve een vordering niet met succes zal kunnen instellen. De afspraken zouden aldus zonder waarde zijn wanneer voorts zou moeten worden aangenomen dat uit die afspraken geen eigen recht van de werknemers van de failliete onderneming ontstaan. (...)"

12) Enigszins met de deur in huis vallend: mij lijkt dat een alleszins plausibele beoordeling, die geen blijk geeft van een onjuiste opvatting ten aanzien van de hier toe te passen maatstaven, en waarop logisch (dan ook) niets aan te merken valt.

Ik ben geneigd mèt de rechtbank te denken, dat een overeenkomst waarbij een bedrijf uit een failliete boedel wordt overgenomen en waarbij bepaalde verplichtingen jegens de werknemers van het overgenomen bedrijf worden bedongen, er gewoonlijk toe zal strekken dat de curator verder "van de zaak af is". Er valt geen reëel belang aan de kant van de curator of de boedel aan te wijzen, dat ermee gediend is dat de curator zich verder met de overname van het personeel zou mogen (laat staan: zou moeten) inlaten; en curator en boedel zijn er maar al te duidelijk wèl bij gebaat dat de last van een dergelijke bemoeienis hun bespaard blijft(12). Dan is de gedachte dat zo'n overeenkomst naar zijn aard beoogt, dat de verdere afwikkeling van de toezeggingen betreffende het personeel zich buiten de curator om afspeelt, bij uitstek aannemelijk.

13) Dat is, denk ik, wat de zojuist aangehaalde overweging van de rechtbank tot uitdrukking brengt: mede met het oog op het feit dat curator en boedel er (onwaarschijnlijke uitzonderingsgevallen daargelaten) geen reëel materieel belang bij hebben, te worden betrokken bij mogelijke problemen tussen de verkrijger van de uit de failliete boedel afkomstige onderneming en de werknemers van die onderneming, ligt het voor de hand een desbetreffende overeenkomst zo te begrijpen, dat die rechtstreekse (rechts)betrekkingen tussen de werknemers en de verkrijgende partij beoogt te bewerkstelligen, ook als dat niet expliciet zo is uitgedrukt. Dat ligt er, huiselijk gezegd, dik bovenop.

14) In die lezing is de bestreden overweging dus zowel rechtens als logisch steekhoudend; en die lezing lijkt mij, zoals ik al aangaf, de juiste.

Het eerste middelonderdeel gaat uit van een andere gedachte, namelijk (in mijn parafrase), dat de rechtbank eraan voorbij zou hebben gezien dat curator en boedel een dusdanig (maar zoals ik al aanstipte: een nogal theoretisch) belang bij het wel en wee van de werknemers van de gefailleerde onderneming behouden, dat het niet aannemelijk is dat de curator onvoldoende (proces)belang bij een nakomingsvordering zou hebben. Die gedachte - uit het middel - beoordeel ik dus als onaannemelijk. De zojuist in parafrase weergegeven (aan de rechtbank toegedachte) opvatting is inderdaad - klaarblijkelijk - onjuist. Het ligt weinig voor de hand dat de rechter aan een dergelijk evident misverstand zou laboreren(13).

15) Wanneer men de bestreden overweging zo opvat als ik hiervóór verdedigde, ligt daarin besloten dat de rechtbank de argumenten die TCM op, kort gezegd, "de faillissementspraktijk" baseerde, heeft verworpen. De hiervóór aangenomen lezing van de beslissing van de rechtbank berust immers op overwegingen, ontleend aan praktische aspecten van de positie van de curator. Als men die aspecten aannemelijk oordeelt, kan men niet tevens aannemen dat er een "faillissementspraktijk" gangbaar is waarin men anders te werk gaat dan met die aspecten strookt.

16) (Ook) overigens lijkt mij de motiveringsklacht van het middel - in het bijzonder in onderdeel 1 sub c - ongegrond: de rechtbank heeft met een logische onderbouwing aangegeven waarom zij de door haar gekozen uitleg als de meest plausibele aanmerkte. Daarmee is aangegeven dat, en tevens waarom, argumenten die voor een andere uitleg pleiten, als minder aannemelijk zijn verworpen. Elders heb ik al eens verdedigd waarom er maar bij (hoge) uitzondering méér van een beslissing betreffende de uitleg van een rechtsverhouding mag worden verwacht(14).

17) Voorzover de klacht van onderdeel 1 sub c de opvatting voorstaat dat alleen dán mag worden aangenomen dat een derdenbeding tot stand is gekomen, wanneer blijkt dat dat door de oorspronkelijke partijen (de stipulator en de promissor) bewust is beoogd(15), berust die op een misverstand. Vaststellen van de strekking van een rechtshandeling en van de inhoud van de daaruit ontstane rechtsverhouding moet, in de woorden van het al herhaaldelijk genoemde arrest van 20 februari 2004, gebeuren met inachtneming van "alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen". Wat de partijen (daadwerkelijk) hebben beoogd, behoort ongetwijfeld tot de (zeer) relevante omstandigheden; maar een beoordeling zoals die hier wordt omschreven brengt mee dat er ook gevolgen aan een rechtshandeling kunnen worden verbonden die partijen niet (bewust) hebben beoogd (maar die, bijvoorbeeld, naar de aard van de betreffende rechtshandeling daaruit voortvloeien(16)). Ook daarom was de rechtbank niet gehouden om zich nader uit te spreken over de op dit punt aangevoerde argumenten. De rechtbank heeft die kennelijk niet van zo doorslaggevend gewicht geacht, als namens TCM was verdedigd. Dat valt in het licht van de gedachtegang die uit de bestreden (tussen)vonnissen blijkt, goed te begrijpen.

18) Onderdeel 2 betoogt dat onbegrijpelijk zou zijn dat de rechtbank de transactie tussen TCM en de curator zo heeft uitgelegd dat daaruit een aanspraak voor de werknemers voorvloeide op (aanbieding van) een arbeidsovereenkomst, die in grote lijnen met de eerder bestaande arbeidsovereenkomst overeenstemde. Daartoe voert het onderdeel argumenten aan die er alle toe strekken, dat de aan te bieden arbeidsovereenkomsten in de contacten tussen TCM en de curator niet zo zijn gepreciseerd als de rechtbank heeft aangenomen (en dat de transactie TCM dus meer vrijheid liet, dan in de zienswijze van de rechtbank het geval was).

19) Ik beschouw dit onderdeel al daarom als ongegrond, omdat het eraan voorbij gaat dat de rechtbank, in rov. 3.6 en 3.7 van de tussenvonnissen van 10 juli 2002, een aantal omstandigheden heeft aangewezen die de vervolgens aan de transactie gegeven uitleg mede dragen. Een daarvan is de omstandigheid dat TCM "haar" bod aan de curator had verdedigd als beter dan dat van een concurrerend taxibedrijf, omdat TCM bereid zou zijn alle werknemers over te nemen(17). Al daaruit kon de rechtbank geredelijk opmaken dat de transactie - op dit punt - niet de ruime marge van vrijblijvendheid inhield die TCM daarna is gaan verdedigen. Dat de rechtbank dat gedaan heeft is dan ook niet onbegrijpelijk; en in het verlengde daarvan is niet onbegrijpelijk dat de rechtbank de argumenten van TCM die een andere uitleg aandrongen, niet heeft geaccepteerd: dat volgt noodzakelijkerwijs uit de koers waarvoor de rechtbank heeft gekozen(18).

20) Onderdeel 3 voert aan dat de door de rechtbank toegepaste schadebegroting onbegrijpelijk zou zijn.

Bij de bespreking van die klacht stel ik voorop, dat de rechter bij de begroting van schadevergoedingen een aanzienlijke mate van vrijheid heeft, voortvloeiend uit de in art. 6:97 BW neergelegde opdracht om schadevergoeding te begroten op de wijze die het meest met de aard van de schade in overeenstemming is(19).

21) Verder is in aanmerking te nemen dat de door [verweerder] c.s. opgestelde schadebegrotingen(20), overgelegd ter voorbereiding van een comparitie die de rechtbank juist met het oog op de vaststelling van de schade had bevolen, van de kant van TCM niet zijn bestreden(21). Dat zo zijnde, zou verdedigbaar zijn dat de rechtbank zelfs niet de vrijheid had om de schade nog zelfstandig te beoordelen, en die anders vast te stellen dan namens [verweerder] c.s. was verdedigd: daardoor zou de rechtbank immers zeer wel buiten de perken van de aldus door partijen "ingekaderde" rechtsstrijd hebben kunnen treden. Maar dat heeft de rechtbank niet gedaan - zij heeft gekozen voor de in deze omstandigheden (meer) voor de hand liggende weg, namelijk: het volgen van de onbetwiste gegevens van [verweerder] c.s.

22) Het loutere feit dat namens TCM werd volgehouden dat de schade van [verweerder] c.s. nihil zou zijn - zie intussen ook het in voetnoot 21 aangetekende - stond daaraan natuurlijk niet in de weg. De rechtbank was niet verplicht een uitlating van die strekking op te vatten als een gemotiveerde inhoudelijke betwisting van de schadebegroting van [verweerder] c.s. (die immers, naar ook TCM erkent, blijkens uitdrukkelijke mededeling van TCM's raadsman, niet werd betwist).

Voor het feit dat aan de hand van de uitgangspunten uit de eerdere tussen-vonnissen van de rechtbank een andere schadebegroting (misschien) verdedigbaar zou zijn geweest, geldt hetzelfde: er was nu eenmaal niets ter verdediging van een andere schadebegroting aangevoerd. Dat ontsloeg de rechtbank van de verplichting om daar onderzoek naar te doen (als het al niet, zoals al opgemerkt, meebracht dat de rechtbank buiten het door partijen getrokken kader zou zijn getreden, wanneer zij daar wèl onderzoek naar zou hebben gedaan).

Onbegrijpelijk is de keus die de rechtbank gemaakt heeft, dus zeker niet.

Conclusie

Ik concludeer tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 De feitenvaststelling is in verkorte vorm overgenomen van een vonnis van de kantonrechter te Middelburg van 26 juli 1999 (voorlopige voorzieningenprocedure), rov. 1 en 2, o.a. overgelegd als productie 3 bij de inleidende dagvaarding in de zaak met nr. C03/087HR (er bevinden zich ook incomplete copieën bij de Memories van Grieven (waarvan er in ieder van de beide (groepen van) zaken twee zijn genomen; niet alle dossiers bevatten beide Memories)). Naar de vaststellingen uit dit vonnis heeft de rechtbank Middelburg in de onderhavige procedures verwezen, zie rov. 3.1 van de vonnissen van 10 juli 2002.

2 Er is sprake van een zgn. "doorstart", zie rov. 1.1 van het (eerder genoemde) vonnis van de kantonrechter te Middelburg van 26 juli 1999.

3 Aan [betrokkene 1], ex-directeur van het failliete taxibedrijf.

4 Het taxibedrijf was georganiseerd in de vorm van een (moeder)vennootschap en drie dochtervennootschappen, die achtereenvolgens failliet zijn verklaard, zie rov. 1.3 van het voorlopige voorzieningen-vonnis van de kantonrechter Middelburg.

5 Zie opnieuw het voorlopige voorzieningen-vonnis van de kantonrechter te Middelburg, rov 1.4. Zie ook de rechtbankvonnissen van 10 juli 2002, rov. 3.8.

6 Art. 402 lid 1 Rv.

7 HR 30 oktober 1987, NJ 1988, 191 m.nt. PAS, rov. 3.1.

8 Met dien verstande dat [verweerder] c.s. zich erop hebben beroepen dat in de bijzondere omstandigheden van dit geval een uitzondering op de regel zou moeten worden aangenomen. Die stelling is echter niet gehonoreerd; en dat geschilpunt wordt in cassatie niet aan de orde gesteld.

9 Ik ontleen de uitdrukking aan Cahen, Mon. Nieuw BW B 57, 1995, nr. 16b; zie ook Verbintenissenrecht (losbl.), Van der Steur, art. 253, aant. 6; Asser - Hartkamp II, 2001, nrs. 419, 420 en 424; Van Peursem, "Enige juridische aspecten van de overeenkomst met derdenbeding naar huidig en nieuw BW", 1990, p. 8.

10 Ik noem als voorbeelden van de (vele) beslissingen waarin dat tot uitdrukking komt HR 4 april 2003, JAR 2003, 107, rov. 3.3; HR 11 oktober 2002, NJ 2003, 416, rov. 3.8; HR 20 september 2002, rechtspraak.nl LJN nr. AE3385, rov. 3.4; HR 13 september 2002, JOR 2002, 186, rov. 3.3.2.

11 Zie over die marge bijvoorbeeld Asser, Civiele Cassatie, 2003, p. 49 - 50; Burgerlijke Rechtsvordering (losbl.), Korthals Altes, art. 79 RO, aant. 7.

12 In dat licht begrijp ik de overweging van de rechtbank dat de curator vorderingen (tot nakoming) niet met succes zal kunnen instellen zo, dat men praktisch niet hoeft te verwachten dat er van dergelijke vorderingen (in het licht van de bij de boedel betrokken belangen) veel terecht zal komen; waarbij erkend moet worden dat de rechtbank dat heeft uitgedrukt in termen, die niet ieder misverstand uitsluiten; zie in dit verband echter, naast de in de volgende voetnoot aangevoerde bedenking, ook Ras, De Hoge Raad der Nederlanden 1838 - 1988, 1988, p. 76 (nr. 6).

13 Als er van een bepaalde rechtsoverweging meer dan één uitleg mogelijk is, waaronder een uitleg die een duidelijk misverstand aan de dag legt, is er een "prima facie" reden om die uitleg als minder voor de hand liggend af te wijzen. In het algemeen lijkt mij als "werkhypothese" plausibel, dat rechters zich niet door misverstanden laten leiden.

14 "Civiele Conclusies 2001", p. 93 - 94.

15 Zie ook de schriftelijke toelichting namens TCM, nr. 11.

16 Zie hierover Zwitser, Kwartaalbericht Nieuw BW 1986, p. 75.

17 Uit rov. 1.2 van het in voetnoot 1 aangeduide voorlopige voorzieningen-vonnis blijkt bovendien dat het concurrerende bedrijf (ook) had aangeboden, nagenoeg alle werknemers "over te nemen"; waardoor deze uitlatingen namens TCM nog een extra accent krijgen.

18 Ik kan niet nalaten op te merken, dat er in de stellingen aan de kant van TCM een tegenstrijdigheid zit (waarop in alinea 15 hiervóór al even werd gezinspeeld): aan de ene kant zouden boedel en curator er belang bij hebben dat werknemers geen aanspraken uit hun dienstbetrekking ten opzichte van de gefailleerde(n) geldend zullen maken. Dat leidt er dan, indien juist, toe dat de curator er heen wil dat de werknemers duidelijke en afdoende aanspraken ten opzichte van een "overnemende" partij krijgen: die aanspraken vormen voor de werknemers immers de aanleiding om van vorderingen tegen de boedel af te zien. Aan de andere kant zou de "faillissementspraktijk" er juist toe strekken dat men een "overnemende" partij geen stringente verplichtingen ten opzichte van de "over te nemen" werknemers oplegt. Daarmee zou het eerder genoemde belang echter worden ondergraven.

Deze tegenstrijdigheid draagt ertoe bij, dat met een "in-grote-lijnen" gemotiveerde weerlegging kon worden volstaan.

19 Zie bijvoorbeeld HR 19 april 2002, rechtspraak.nl LJN nr. AD9616, rov. 3.6.3 en de conclusie voor dit arrest, nrs. 3.2.5.2 - 4; HR 15 november 1996, NJ 1998, 314 m.nt. F.W. Grosheide, rov. 3.5.1. Uit deze arresten maar ook uit, bijvoorbeeld, HR 16 oktober 1998, NJ 1999, 196 m.nt. ARB, rov. 3.8 blijkt dat de wijze van begroting ook sterk met (waardering van) de feiten verweven is.

20 Die in beide (groepen van) zaken gedetailleerd waren uitgewerkt en met een aanzienlijk aantal bijlagen waren onderbouwd.

21 Uit het proces-verbaal van de comparitie(s) blijkt dat namens TCM is gezegd dat de van de kant van [verweerder] c.s. overgelegde cijfers niet werden betwist; en dat men de in de eerdere tussenvonnissen van de rechtbank genomen beslissingen voor onjuist hield, en van plan was daartegen cassatieberoep in te stellen. Het verbaast dan niet dat de rechtbank - kennelijk - heeft aangenomen dat de door [verweerder] c.s. gegeven schadebegroting als zodanig geen punt van geschil tussen partijen vormde (en dat het geschil zich beperkte tot de grondslagen voor de ten laste van TCM aangenomen aansprakelijkheid voor de schade).

Ik merk nog op dat TCM ook overigens de omvang van de schadevordering(en) in appel in het geheel niet ter discussie had gesteld; haar argumenten strekten er alle toe dat er geen aansprakelijkheid ten opzichte van [verweerder] c.s. bestond, en lieten de omvang van de aansprakelijkheid (als die er wel zou blijken te zijn) in het midden.