Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2004:AR2437

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
16-11-2004
Datum publicatie
16-11-2004
Zaaknummer
00629/04
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2004:AR2437
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 55.1 Sr en kwalificatie. Het hof heeft terecht art. 55.1 Sr vermeld als wettelijk voorschrift waarop de straf mede berust en de bepaling toegepast waarbij de zwaarste hoofdstraf is gesteld. Het hof heeft - gelijk het kon doen - de strafbare feiten (afpersing en bedreiging) enkelvoudig gekwalificeerd. Het stond het hof ook vrij de desbetreffende feiten afzonderlijk te kwalificeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 601
NJ 2005, 43
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Griffienr. 00629/04

Mr. Wortel

Zitting:14 september 2004

Conclusie inzake:

[verzoeker=verdachte]

1. Namens verzoeker is cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem waarbij verzoeker wegens

(1)

"het medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden"

(2a)

"het medeplegen van afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen"

(2b)

"poging tot het medeplegen van afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd"

(4)

"handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, als opgenomen in bijlage III, meermalen gepleegd, terwijl één van de feiten begaan is met betrekking tot een vuurwapen van categorie III"

is veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

2. Namens verzoeker heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel bevat de klacht dat het Hof heeft verzuimd te beslissen op het verweer dat verzoeker in noodweer, althans in psychische overmacht, heeft gehandeld en/of uit de gebezigde bewijsmiddelen het rechtstreeks en ernstig vermoeden voortvloeit dat het feit in noodweer is begaan zodat geen sprake kan zijn van een vrijheidsberoving die wederrechtelijk is.

4. Het middel heeft klaarblijkelijk betrekking op het onder 1 bewezenverklaarde feit, wederrechtelijke vrijheidsberoving gepleegd ten opzichte van [slachtoffer 2]. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft verzoeker [slachtoffer 2] ertoe overgehaald naar een café te komen, waar verzoeker hem, vergezeld van anderen, opwachtte. Toen [slachtoffer 2] was gearriveerd werd hem voorgehouden dat hijzelf, zijn vrouw en zijn kinderen gedood zouden worden indien hij niet binnen twee weken ƒ 200.000,= zou geven. [Slachtoffer 2] is onder bedreiging met vuurwapens enige tijd vastgehouden. Voorts blijkt uit de bewijsmiddelen dat [slachtoffer 2] ook zelf een vuurwapen in zijn kleding had gestoken.

5. Een beroep op noodweer of psychische overmacht had het Hof volgens de steller van het middel moeten zien in verzoekers ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring, voor zover luidende:

"[Slachtoffer 2] stond rechtop en hij stak zijn rechterhand in zijn linker jaspand en toen zag ik een wapen zitten. Toen ik dat wapen zag zitten heb ik de handen van [slachtoffer 2] gepakt, omdat ik bang was dat hij zijn wapen zou pakken. Ik riep naar de rest: "Hij is gewapend, kan iemand zijn wapen pakken.

(...)

[Slachtoffer 2] en ik waren in het café om te praten. Toen het wapen bij [slachtoffer 2] tevoorschijn kwam, raakte iedereen in paniek."

6. Noodweer kan slechts gelegen zijn in de verdediging tegen een aanval die wederrechtelijk is en zich onmiddellijk voordoet. Van psychische overmacht kan slechts sprake zijn indien de verdachte onverhoeds in een situatie geraakt waarin hij ten prooi raakt aan, door de onverwachte gebeurtenissen veroorzaakte, emoties waaraan hij in redelijkheid geen weerstand behoeft te bieden.

7. Het onderhavige bewezenverklaarde feit kenmerkt zich hierdoor dat verzoeker [slachtoffer 2] doelbewust naar het café heeft gelokt teneinde hem ertoe te brengen geld af te geven. Voorts blijkt uit verzoekers tot bewijs gebezigde verklaring (bewijsmiddel 7) dat hij wist dat [slachtoffer 2] een vuurwapen bij zich droeg. Noch uit verzoekers in hoger beroep afgelegde verklaring, noch uit de gebezigde bewijsmiddelen, valt af te leiden dat [slachtoffer 2] zijn vuurwapen ter hand heeft genomen.

8. Het Hof behoefde aan verzoekers verklaring daarom niet de betekenis toe te kennen dat hij onverhoeds werd geconfronteerd met de omstandigheid dat [slachtoffer 2] een vuurwapen hanteerde, zodat het Hof daarin geen beroep op handelen in noodweer of in psychische overmacht behoefde te zien. Gelet op de toedracht van het bewezenverklaarde feit, zoals daarvan blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen, is in de omstandigheid dat [slachtoffer 2] het wapen bij zich droeg evenmin een aanwijzing te zien dat hij anders dan wederrechtelijk van zijn vrijheid is beroofd.

9. Het middel faalt.

10. Het tweede middel bevat de klacht dat het Hof heeft overwogen dat het onder 3 bewezenverklaarde feit is begaan in eendaadse samenloop met de onder 2a en 2b bewezenverklaarde feiten, doch - gelet op HR NJ 2001, 140 - ten onrechte heeft verzuimd het onder 3 bewezenverklaarde feit in de kwalificatie van het bewezenverklaarde op te nemen.

11. Onder 3 is kort gezegd bewezenverklaard het medeplegen van bedreiging van voornoemde [slachtoffer 2] en van [slachtoffer 1], gepleegd in een periode van ongeveer zes weken aanvangend met de onder 1. bewezenverklaarde vrijheidsberoving.

Het onder 2a en 2b bewezenverklaarde medeplegen van afpersing, respectievelijk van een poging tot afpersing is hierin gelegen geweest dat verzoeker en zijn mededaders genoemde [slachtoffer 1] er door bedreiging toe hebben gebracht een groot geldbedrag af te geven, terwijl zij zonder succes door bedreiging hebben getracht [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] (andere) grote geldbedragen af te doen geven. Deze feiten zijn begaan in dezelfde periode als het onder 3 bewezenverklaarde feit.

12. Over de mate waarin bij eendaadse samenloop één der toepasselijke strafbaarstellingen door de andere wordt geabsorbeerd is in het verleden verschillend geoordeeld. Soms werd enkelvoudig gekwalificeerd, hetgeen wil zeggen dat de geabsorbeerde strafbepaling uit de kwalificatie wegvalt. Er is evenwel ook wel meervoudig gekwalificeerd, waarbij de geabsorbeerde strafbepaling in de kwalificatie blijft staan. In Noyon - Langemeijer - Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, art. 55, aant. 1 (suppl. 118) is uit latere rechtspraak afgeleid dat de Hoge Raad bij deze samenloopsfiguur een voorkeur voor het meervoudig kwalificeren heeft ontwikkeld, maar niet ingrijpt indien de feitenrechter enkelvoudig heeft gekwalificeerd, zoals in de thans bestreden uitspraak is gedaan. In Cleiren en Nijboer, Tekst en Commentaar Strafrecht, 4de druk (2002), p. 367 is uit latere rechtspraak (HR NJ 1981, 616 en HR NJ 1984, 420) juist afgeleid dat enkelvoudig kwalificeren thans de voorkeur geniet.

13. Onder bemerking dat de kwestie mij niet van zeer groot belang lijkt, sluit ik mij aan bij de voorkeur die in Noyon - Langemeijer - Remmelink aan de Hoge Raad is toegedicht. Samenloop is uitsluitend een straftoemetingsvraagstuk. Daarom lijkt het mij aangewezen om het eerste lid van art. 55 Sr aldus te verstaan dat de daar bedoelde "toepassing" van slechts één strafbepaling beperkt blijft tot de op te leggen straf. Daar vloeit uit voort dat in de kwalificatie volledig tot uitdrukking moet komen aan welke wettelijke bepalingen het bewezenverklaarde zijn strafbaarheid ontleent. Dat vergemakkelijkt ook het onderzoek in een eventuele latere strafzaak, indien daarin aan de orde mocht komen of art. 68 Sr toepasselijk is.

Zijdelingse steun voor dit standpunt kan inderdaad gevonden worden in HR NJ 2001, 140, waarnaar in de toelichting op het middel wordt verwezen, met dien verstande dat zich in die zaak een ander probleem voordeed: de bewezenverklaring wees uit dat verschillende strafbepalingen toepasselijk waren maar de feitenrechter had daar in de kwalificatie niets over gezegd.

14. Het voorgaande brengt mee dat ik niet het in de toelichting op het middel betrokken standpunt deel dat art. 285 Sr in de bestreden uitspraak ten onrechte is opgenomen bij de toepasselijke wettelijke bepalingen. Weliswaar is deze strafbaarstelling bij de straftoemeting buiten toepassing gebleven, maar zij blijft één der wettelijke bepalingen waarin de strafbaarheid van het bewezenverklaarde is gevestigd.

15. Mijns inziens behoeft de kwalificatie derhalve verbetering, en in zoverre acht ik het middel terecht voorgesteld. Die verbetering kan de Hoge Raad evenwel zelf aanbrengen. In het laatste onderdeel van deze conclusie doe ik een voorstel waarin 's Hofs oordeel betreffende de toepasselijke samenloopsregeling (rechtstreeks) in de kwalificatie tot uitdrukking komt. Daarbij zal tevens een misslag hersteld kunnen worden: in de kwalificatie van de onder 2a en 2b bewezenverklaarde feiten is twee maal opgenomen dat het om medeplegen gaat.

16. Het derde middel behelst de klacht dat het Hof een zwaardere straf heeft opgelegd dan door de advocaat-generaal gevorderd, zonder deze beslissing naar de eis van art. 359, zevende lid, Sv te motiveren.

17. In de toelichting op het middel wordt er op gewezen dat de door het Hof bepaalde straf weliswaar gelijk is aan de straf die de advocaat-generaal heeft gevorderd, maar uit het formulier waarop deze zijn eis heeft aangetekend niet blijkt dat ook de advocaat-generaal van oordeel was dat de onder 2a, 2b en 3 bewezen geachte feiten in eendaadse samenloop zijn begaan.

Integendeel, zo meent de steller van het middel, nu de advocaat-generaal in het imprimé van het vorderingsformulier heeft laten staan de woorden "onder aanhaling van de in het vonnis, waarvan beroep, vermelde wetsartikelen", en in dat vonnis bij de toepasselijke wettelijke voorschriften ook art. 56 Sr is genoemd, moet het ervoor gehouden worden dat de advocaat-generaal zijn eis heeft doen berusten op het standpunt dat de onder 2a en 2b, respectievelijk onder 3 bewezen geachte feiten een voortgezette handeling opleveren.

18. De toelichting op het middel houdt verder in dat toepassing van art. 55, eerste lid, Sr in dit geval weliswaar hetzelfde strafmaximum oplevert als toepassing van art. 56 Sr, maar dat laatstgenoemde bepaling in de literatuur wel is aangemerkt als een (wettelijk voorgeschreven) vorm van strafvermindering. Daarom zou de eis van de advocaat-generaal, aldus te verstaan dat de onder 2a en 2b, respectievelijk onder 3 bewezen te verklaren feiten een voortgezette handeling opleveren, betrekking hebben op een feit waarop een lichtere straf is gesteld.

19. Dit betoog lijkt mij om twee redenen geen doel te kunnen treffen. Ten eerste wordt de ten hoogste op te leggen straf in art. 56 Sr op precies dezelfde wijze beperkt als in art. 55, eerste lid, Sr. Ten tweede meen ik niet dat uit het door de advocaat-generaal ingediende vorderingsformulier, voor zover inhoudend dat het Hof de door de Rechtbank aangehaalde wettelijke voorschriften zou overnemen, kan worden afgeleid dat de advocaat-generaal de onder 2a en 2b, respectievelijk onder 3 bewezenverklaarde feiten heeft beschouwd als een voortgezette handeling. De Rechtbank heeft weliswaar art. 56 Sr aangehaald, doch haar vonnis bevat geen beslissing omtrent de feiten die de voortgezette handeling hebben gevormd. Nu de advocaat-generaal zich hieromtrent niet nader heeft uitgelaten, kan er niet vanuit gegaan worden dat hij zich op het standpunt heeft gesteld dat het onder 3 bewezen te verklaren feit een voortzetting vormt, als bedoeld in art. 56 Sr, van de onder 2a en 2b bewezen te verklaren feiten.

20. Het middel faalt derhalve.

21. Naar mijn inzicht lenen het eerste en het derde middel zich voor afdoening met de in art. 81 RO bedoelde korte motivering.

22. Deze conclusie strekt ertoe dat de bestreden uitspraak zal worden vernietigd, doch uitsluitend ten aanzien van de kwalificatie van de bewezenverklaarde feiten;

dat de Hoge Raad zal bepalen dat het onder 2a en 2b bewezenverklaarde strafbaar is als:

"afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen"

en

"poging tot afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen"

en dat het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar is als:

"medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd, begaan in eendaadse samenloop met de onder 2a en 2b bewezenverklaarde feiten",

en dat het beroep voor het overige zal worden verworpen..

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,