Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2004:AR2108

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
26-10-2004
Datum publicatie
26-10-2004
Zaaknummer
00796/04
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSGR:2003:AI0976
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2004:AR2108
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Het in verband van de vordering van de benadeelde partijen (erven slachtoffers) door verdachte gedane beroep op eigen schuld van de slachtoffers vindt zijn weerlegging in de verwerping van het beroep op noodweer(exces).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 544
NJ 2004, 689
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 00796/04

Mr Machielse

Zitting 7 september 2004 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft verdachte op 7 juli 2003 ter zake van 1., 2., 3. doodslag, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf van twintig jaar. Voorts heeft het Hof de vorderingen van drie van de benadeelde partijen toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals in het arrest omschreven. De vierde benadeelde partij is niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding.

2. Verdachte heeft cassatie ingesteld. Mr A.M. Seebregts, advocaat te Rotterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende negen middelen van cassatie.

3.1 Het eerste middel klaagt erover dat de inzendingstermijn is overschreden.

3.2 Verdachte heeft op 10 juli 2003 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn op 24 maart 2004 ingekomen bij de Hoge Raad. Aldus is de termijn met veertien dagen overschreden. Nu de Hoge Raad niet binnen veertien maanden na het instellen van het beroep in cassatie arrest zal wijzen, wordt deze overschrijding niet gecompenseerd.(1) Het middel slaagt dus. Dit dient te leiden tot strafvermindering.

4. Het tweede tot en met het zevende middel komen op tegen de verwerping van het noodweer(exces)verweer.

4.1 Het Hof heeft het verweer als volgt verworpen:

"De raadsman heeft terzake van alle drie bewezen verklaarde feiten een beroep gedaan op noodweer subsidiair noodweer-exces en daartoe aangevoerd hetgeen op dit punt is gesteld in de aan het proces-verbaal van de terechtzitting van 23 juni 2003 gehechte copie-pleitaantekeningen.

Het hof verwerpt dit verweer in zijn beide onderdelen en overweegt daarbij als volgt.

Het hof stelt voorop dat verdachte's lezing van de feiten en omstandigheden die aan het beroep ten grondslag worden gelegd in essentie op zichzelf staat en onvoldoende steun vindt in hetgeen uit de stukken en de behandeling van de zaak ter zitting naar voren is gekomen. Het hof acht die verklaring ook niet geloofwaardig.

Het hof heeft op bepaalde punten ook gerede twijfel aan verdachte's relaas over de toedracht van het gebeuren. Als zodanig noemt het hof met name:

- Verdachte's verklaring over de eerste, plotselinge aanval door [slachtoffer 1] waarbij verdachte zodanig aan de elleboog werd verwond dat hij hevig bloedde. Verdachte heeft verklaard dat het bloed langs zijn arm omlaag stroomde. Deze verklaring lijkt minder geloofwaardig nu enig motief van [slachtoffer 1] voor een dergelijk optreden niet aannemelijk is geworden. Deze verklaring verdraagt zich bovendien niet goed met het feit dat geen bloedsporen van verdachte zijn aangetroffen in de keuken ter plaatse waar hij naar zijn zeggen vervolgens het mes heeft gepakt.

- Verdachte's verklaring over zijn grote angst voor de hond in de tuin die hem belette via de tuin weg te gaan. Deze verklaring spoort niet met verdachte's verklaring dat hij even later toch van plan was om via de tuin weg te gaan ondanks de aanwezigheid van de hond.

- Verdachte's verklaring dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] hem wilden beletten de woning te verlaten, terwijl verdachte volgens eigen zeggen juist een schuld kwam opeisen bij [slachtoffer 2].

Maar ook indien wel van de juistheid van het door verdachte gegeven feitenrelaas zou moeten worden uitgegaan, kan een beroep op noodweer subsidiair noodweer-exces niet slagen.

Verdachte's mogelijke angst voor de hond in de tuin rechtvaardigt immers niet dat hij, gewapend met een mes, vanuit de keuken weer naar binnen is gegaan waar het naar verwachting tot een gewelddadige confrontatie tussen hem en [slachtoffer 1] zou kunnen komen. Redelijkerwijs had van verdachte mogen worden verwacht dat hij een andere keuze had gemaakt en ondanks zijn mogelijke angst via de tuin was weggegaan, met name gelet op het potentieel zeer gewelddadige karakter dat genoemde confrontatie zou hebben.

Voor wat [betreft] het onder 1 en 2 bewezenverklaarde heeft voorts nog het volgende te gelden. Uitgaande van verdachte's eigen verklaring wordt onvoldoende aannemelijk dat ten tijde dat hij [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] stak sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding jegens verdachte, in ieder geval niet van de zijde van beide laatstgenoemden. Voorzover hierover anders zou moeten worden geoordeeld, blijft staan dat in dat geval verdachte de grenzen van de proportionaliteit en subsidiariteit verre heeft overschreden. Het hof neemt hierbij mede in aanmerking dat niet aannemelijk is geworden dat [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] ten tijde van het steken door verdachte gewapend waren.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is."

4.2 Het tweede middel klaagt erover dat het Hof onvoldoende duidelijk heeft gemaakt welke feiten en omstandigheden het wel en niet aannemelijk heeft geacht bij de verwerping van het beroep op noodweer(exces).

4.3 Mijns inziens bestaat er geen misverstand over de feiten en omstandigheden die het Hof niet geloofwaardig heeft geacht. Dat zijn immers de feiten en omstandigheden die in de visie van verdachte de basis vormden van het beroep op noodweer(exces). De kern van het verweer is dat verdachte door [slachtoffer 1] als eerste is gestoken. Aan dat scenario heeft het Hof geen geloof gehecht. Het Hof heeft de eigen motivering wel nodeloos complex gemaakt door ten aanzien van verdachtes lezing van "feiten en omstandigheden die aan het beroep ten grondslag worden gelegd" te overwegen dat die ongeloofwaardig is en vervolgens te overwegen dat het "op bepaalde punten ook gerede twijfel (heeft) aan verdachte's relaas". De enige zinnige uitleg die ik kan geven aan deze beide zinsneden is dat het Hof in de eerste bepaalde feiten niet geloofwaardig heeft geoordeeld en in de tweede zijn twijfel heeft geuit aan door verdachte aangegeven beweegredenen waarom hij niet anders heeft gereageerd. Maar vervolgens heeft het Hof alles weer dooreengemengd.

Maar deze onduidelijkheid doet niet af aan het oordeel van het Hof dat een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer 1] ongeloofwaardig is mede gelet op het feit dat geen bloedsporen van verdachte in de keuken zijn aangetroffen terwijl naar eigen zeggen van verdachte daar het bloed uit zijn arm stroomde. En dat is voldoende.

4.4 Het oordeel van het Hof dat de feiten en omstandigheden die ten grondslag zijn gelegd aan het beroep op noodweer niet aannemelijk zijn, kan in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.(2) Het tweede middel faalt dus.

5. Het derde middel komt op tegen de overweging van het Hof, dat de verklaring van verdachte dat zijn grote angst voor de hond in de tuin hem belette via de tuin weg te gaan niet zou sporen met zijn verklaring, dat hij even later toch van plan was via de tuin weg te gaan ondanks de aanwezigheid van de hond.

Het vierde middel keert zich tegen de overweging van het Hof, dat het gerede twijfel heeft bij verdachte's verklaring dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] hem wilden beletten de woning te verlaten, terwijl verdachte volgens eigen zeggen juist een schuld kwam opeisen bij [slachtoffer 2].

Het vijfde middel keert zich tegen de overweging van het Hof dat ook indien wel van de juistheid van de door verdachte gestelde feiten en omstandigheden zou moeten worden uitgegaan, een beroep op noodweer/-exces niet kan slagen, omdat redelijkerwijs van verdachte had mogen worden verwacht dat hij ondanks zijn mogelijke angst voor de hond via de tuin was weggegaan, gelet op het potentieel zeer gewelddadige karakter dat de ontmoeting tussen [slachtoffer 1] en hem zou hebben.

Het zesde middel komt op tegen de overweging van het Hof dat uitgaande van verdachte's eigen verklaring, onvoldoende aannemelijk wordt dat ten tijde dat hij [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] stak sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding jegens verdachte, in ieder geval niet van de zijde van beide laatstgenoemden.

Het zevende middel klaagt erover dat het Hof ten onrechte niet heeft gerespondeerd op het verweer, dat zelfs wanneer [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] niet kunnen worden beschouwd als (mede)aanranders in de zin van art. 41 Sr, verdachte zich met succes kan beroepen op noodweer, nu het geweld tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] nodig was ter noodzakelijke verdediging tegen de aanranding door [slachtoffer 1].

5.1 Ik wijs er op dat de motiveringsklachten van het derde tot en met het zevende middel eraan voorbij zien dat de verwerping van het beroep op noodweer(exces) voldoende wordt gedragen door het oordeel van het Hof dat een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer 1] op verdachte niet aannemelijk is. Deze motiveringsklachten hebben betrekking op overwegingen ten overvloede en zijn daarom alle tevergeefs voorgesteld. (3)

6. Het achtste middel klaagt erover dat het Hof ten onrechte niet heeft gerespondeerd op het verweer, dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vorderingen nu sprake is van eigen schuld in de zin van art. 6:101 BW.

6.1 Uit de pleitnotities die ter zitting van 23 juni 2003 zijn voorgedragen volgt dat de raadsman van verdachte het volgende verweer heeft gevoerd:

"De vorderingen dienen niet-ontvankelijk te worden verklaard nu cliënt niet strafbaar is (361 lid 2 sub a Sv.). Voorts meen ik dat hier sprake is van 'eigen schuld' in de zin van art. 6:101 BW. Dat argument wordt sterker nu er bloed van cliënt in de woning is aangetroffen en ook een mes dat niet door cliënt is gebruikt. De vordering is daarom niet meer eenvoudig."

6.2 Het Hof heeft - voor zover hier van belang - als volgt beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen:

"In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 1], wonende [a-straat 1] te [plaats B], zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 3 tenlastegelegde tot een bedrag van € 1594,99.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het -in eerste aanleg toegewezen- bedrag van € 1212,32.

Namens de verdachte is de vordering van de benadeelde partij betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde schade ten bedrage van € 952,03 (f 2098,-) terzake van begrafeniskosten en gedenksteen is geleden en dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het ten laste van de verdachte onder 3 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen.

Naar het oordeel van het hof is de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het onderhavige strafgeding. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij in zoverre niet ontvankelijk is in zijn vordering, en dat hij het deel van de vordering dat niet-ontvankelijk is slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Het hof acht tevens oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden.

In het onderhavige strafproces heeft de erven [slachtoffer 2], per adres [e-straat 1] te [plaats F], zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde tot een bedrag van € 10.529,24.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het -in eerste aanleg toegewezen- bedrag van € 8260,43.

Namens de verdachte is de vordering van de benadeelde partij betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde schade ten bedrage van f 16.761,- (€ 7605,81) terzake van de begrafenis en de gedenksteen is geleden en dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het ten laste van de verdachte onder 1 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen.

Naar het oordeel van het hof is de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het onderhavige strafgeding. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij in zoverre niet ontvankelijk is in zijn vordering, en dat hij het deel van de vordering dat niet-ontvankelijk is slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op € 390,25, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De kosten voor rechtsbijstand zijn conform de gebruikelijke liquid()atietarieven in civiele zaken betrokken in de kosten in verband met de vordering.

Het hof acht tevens oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden.

()

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 4], wonende [c-straat 1] te [plaats D], zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 tenlastegelegde tot een totaal bedrag van € 14.320,24.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot () dit in eerste aanleg gevorderde bedrag.

Namens de verdachte is de vordering van de benadeelde partij betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade ten bedrage van € 7175,86 terzake van de begrafenis en de gedenksteen is geleden en dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het ten laste van de verdachte onder 2 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen.

Naar het oordeel van het hof is de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het onderhavige strafgeding. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij in zoverre niet ontvankelijk is in haar vordering, en dat zij het deel van de vordering dat niet-ontvankelijk is slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op € 780,51, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De kosten voor rechtsbijstand zijn conform de gebruikelijke liquid()atietarieven in civiele zaken betrokken in de kosten in verband met de vordering.

Het hof acht tevens oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden."

6.3 Aldus heeft het Hof niet uitdrukkelijk gerespondeerd op het verweer dat sprake was van eigen schuld. In zoverre lijkt het middel dus terecht voorgesteld. De vraag is, of dit tot vernietiging van het bestreden arrest dient te leiden.(4) Ik meen, dat dit niet het geval is. Gelet op het gevoerde noodweer(-exces)verweer, ga ik ervan uit dat het (niet nader onderbouwde) verweer dat sprake is van eigen schuld in die zin moet worden opgevat, dat aan de zijde van [slachtoffer 1] sprake zou zijn van eigen schuld omdat hij als eerste zou hebben gestoken. Ik ga ervan uit dat aan de zijde van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] sprake van eigen schuld zou zijn omdat zij verdachte zouden hebben belet de woning te verlaten en aldus aan de aanranding te ontkomen. Het Hof heeft het beroep op noodweer verworpen, omdat het de feiten en omstandigheden die daaraan ten grondslag zijn gelegd niet aannemelijk heeft geacht. Dat betekent dat het Hof niet aannemelijk heeft geacht dat het latere slachtoffer [slachtoffer 1] als eerste heeft gestoken. Het betekent voorts dat het Hof niet aannemelijk heeft geacht dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] verdachte ten onrechte hebben belet de woning te verlaten. Het beroep op eigen schuld van de benadeelde(n) vindt dus zijn weerlegging in de verwerping van het beroep op noodweer(-exces).(5) Het middel faalt.

7. Het negende middel klaagt erover dat het Hof ten onrechte niet heeft gerespondeerd op het verweer, dat de benadeelde partij "erven [slachtoffer 2 en 3]" niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu de wet geen ruimte laat voor een groepsvordering.

7.1 Volgens de pleitnotities van de raadsman van verdachte is ter zitting het volgende aangevoerd:

"Er heeft zich niet een specifieke benadeelde gemeld, doch de 'erven [slachtoffer 2 en 3]'. Het is maar zeer de vraag of dat kan. Art. 51a Sv laat namelijk geen ruimte voor een groepsvordering. Er staat immers 'Degene die' (lid 1) en '.. de in het eerste lid genoemde persoon...' (lid 2). In ieder geval is door deze aanpak de vordering niet eenvoudig. De vordering dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard."

7.2 Art. 51a Sv luidt als volgt:

"1. Degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, kan zich terzake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces.

2. Indien de in het eerste lid genoemde persoon ten gevolge van het strafbare feit is overleden, kunnen zich voegen diens erfgenamen terzake van hun onder algemene titel verkregen vordering en de personen, bedoeld in artikel 108, eerste en tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek terzake van de daar bedoelde vorderingen.

3. De in het eerste en tweede lid bedoelde personen kunnen zich eveneens voor een deel van hun vordering voegen."

7.3 Dat dit middel faalt, volgt rechtstreeks uit de tekst van de wet. Volgens het tweede lid van art. 51a Sv kan de kring van voegingsgerechtigden immers worden uitgebreid tot de directe nabestaanden van het slachtoffer indien deze is overleden.

8. Het eerste middel slaagt en dient te leiden tot strafvermindering. De overige middelen falen en kunnen met de aan art. 81 RO ontleende motivering worden verworpen.

9. Ambtshalve heb ik geen grond tot cassatie aangetroffen. Deze conclusie strekt er toe dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen, doch uitsluitend ten aanzien van de strafoplegging, en dat de Hoge Raad zelf de opgelegde straf zal verminderen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Vgl. HR 4 mei 2004, LJN: AO9265.

2 Zie Van Dorst, 4e, p. 232. Zie voorts HR 18 mei 1993, NJ 1993, 691; HR 25 januari 2000, NJ 2000, 280 rov 5.3 (overmacht).

3 Zie Van Dorst, 4e, p. 83.

4 Zoals in HR 14 april 1998, NJ 1998, 675.

5 Vgl. HR 22 september 1998, LJN: ZD1253.