Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2004:AR1289

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
29-10-2004
Datum publicatie
29-10-2004
Zaaknummer
C03/209HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2004:AR1289
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

29 oktober 2004 Eerste Kamer Nr. C03/209HR RM/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: 1. [Eiser 1], 2. [Eiseres 2], echtgenote van [eiser 1] beiden wonende te [woonplaats], EISERS tot cassatie, advocaat: aanvankelijk mr. M.W. Scheltema, thans geen advocaat, t e g e n [Verweerder], wonende te [woonplaats], België, VERWEERDER in cassatie, advocaat: mr. P.S. Kamminga. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 563
NJ 2004, 673
RvdW 2004, 124
JWB 2004/368
JOR 2004/325 met annotatie van C.J. Groffen
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. C03/209HR

mr. L. Timmerman

Zitting 18 juni 2004

Conclusie inzake

1. [eiser 1]

2. [eiseres 2]

tegen

[verweerder]

1. Feiten en procesverloop

1.1 Credit Lyonnais Bank Nederland (hierna: de Bank), heeft in opdracht en ten laste van thans verweerder in cassatie (hierna: [verweerder]) een bankgarantie gesteld ten behoeve van Raadgevend Adviesbureau [A] B.V. (hierna: [A] B.V.) voor een bedrag van ƒ 36.000,-- en ten behoeve van B.V. Rijn- en Maasvestecompagnie (hierna: Rijn B.V.) voor een bedrag van ƒ 30.000,--. Dit blijkt uit overeenkomsten van 11 maart 1993 respectievelijk 19 mei 1993.

1.2 In die overeenkomsten is tevens bepaald dat de betreffende B.V. alsmede thans eisers tot cassatie (hierna gezamenlijk: [eiser] c.s.) hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de hoofdsom van de bankgarantie alsmede rente en kosten indien [verweerder] wordt aangesproken door de bank. [Verweerder] was toen de vaste raadsman van [eiser 1].

1.3 [Verweerder] is door de Bank aangesproken tot betaling van ƒ 66.000,--. De Bank heeft op 25 juni 1995 aan [verweerder] bevestigd dat betaling door [verweerder] heeft plaatsgevonden.

1.4 [Verweerder] heeft in 1996 conservatoir beslag gelegd op de woning van [eiser] c.s. Dit heeft ertoe geleid dat [eiser] c.s. ƒ 22.231,43 heeft voldaan in mindering op de openstaande declaraties van [verweerder], maar niets in mindering op de vordering voortvloeiende uit voormelde overeenkomsten, waarvoor het beslag was gelegd. [Verweerder] schreef op 15 oktober 1996 in verband daarmee aan [eiser 1]: "Tegen betaling van ƒ22.231,43 zal dezerzijds worden ingestemd met opheffing van het beslag. Zulks betekent uiteraard niet dat mijnerzijds terzake de in het beslagrequest genoemde vorderingen kwijting wordt verleend. Ten aanzien van die vordering is immers door u geen betaling verricht."

1.5 In 1998 heeft [verweerder] [eiser] c.s. gedagvaard, doch de dagvaarding niet aangebracht, omdat aan hem zekerheid zou zijn toegezegd door [eiser] c.s. Er is geen zekerheid gesteld, noch heeft betaling door [eiser] c.s. plaatsgevonden.

1.6 [Verweerder] heeft [eiser] c.s. bij exploit van 7 februari 2001 gedagvaard en gevorderd betaling van een bedrag van ƒ 92.065,-- te vermeerderen met rente en incassokosten. De hoofdsom bestaat uit onder meer een bedrag van ƒ 66.000,-- ter zake van borgtocht; dit onderdeel van de vordering is in cassatie nog van belang. Aan zijn vordering tot betaling van dit bedrag heeft [verweerder] ten grondslag gelegd dat hij dit bedrag aan de bank heeft voldaan en dat gedaagden uit hoofde van de beide borgstellingsovereenkomsten ieder vanaf 25 juni 1995 dit bedrag aan hem verschuldigd zijn.

1.7 [Eiser] c.s. heeft ten verwere aangevoerd dat [verweerder] de beide overeenkomsten heeft gesloten in zijn functie van advocaat en procureur en dus namens zijn eenmanszaak. [Verweerder] heeft alle activa en passiva van die eenmanszaak, dus ook de vordering van [verweerder] op [eiser] c.s., bij de oprichting van de besloten vennootschap Advokatenkantoor [B] B.V. in 1995 in die B.V. ingebracht. Deze B.V. en niet [verweerder] heeft een vordering op [eiser] c.s. verkregen (CvA, nr. 2).

1.8 De rechtbank te Maastricht heeft dit verweer bij vonnis van 28 juni 2001 verworpen en de vordering grotendeels toegewezen. De rechtbank overwoog daartoe dat "inbreng" in een besloten vennootschap geen eigendom doet overgaan en gedaagden desgevraagd hebben aangegeven niet met enige cessie bekend te zijn.

1.9 [Eiser] c.s. zijn van dit vonnis in beroep gekomen bij het hof te 's-Hertogenbosch. Hij heeft onder meer een grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat [verweerder] en niet de vennootschap een vordering heeft.

1.10 Het hof heeft in een arrest van 6 maart 2003 de grief van [eiser] c.s. verworpen. Tegen dit oordeel heeft [eiser] c.s. tijdig (op 5 juni 2003) cassatieberoep aangetekend. De verweerder in cassatie heeft tot verwerping van het cassatieberoep geconcludeerd en zijn standpunt vervolgens schriftelijk toegelicht. Op de zitting van 11 november 2003 heeft Mr. M.W. Scheltema te kennen gegeven dat hij zich onttrekt als advocaat van de eisende partij.

2. Beoordeling van het middel

2.1 Het middel dat uit twee onderdelen bestaat betoogt dat een inbreng van een eenmanszaak na het nemen van aandelen in beginsel een goederenrechtelijke levering van de activa en het overnemen van de passiva inhoudt. Op basis van dit uitgangspunt wordt in het middel aangevoerd dat het hof had moeten onderzoeken of de slotbepalingen van de akte van oprichting die als productie I bij de memorie van grieven is opgenomen een levering impliceert. Volgens het middel heeft het hof ten onrechte niet een dergelijk onderzoek verricht. De akte van oprichting kan volgens het tweede onderdeel van het middel in beginsel dienen als akte van cessie. Het gevolg hiervan is dat niet valt in te zien dat niet gesteld en gebleken zou zijn dat [verweerder] de onderhavige vordering niet aan zijn BV heeft gecedeerd, te meer nu [verweerder] aan [eiser] c.s. mededeling heeft gedaan dat de eensmanszaak in de besloten vennootschap is ingebracht.

2.2 Met inbreng wordt m.i. bedoeld het door de nemer van een aandeel aan de vennootschap als storting op het desbetreffende aandeel ter beschikking stellen van de bijdrage waartoe hij zich jegens de vennootschap of in geval van oprichting van een vennootschap jegens de oprichters heeft verbonden. Deze omschrijving past bij voorbeeld goed in artikel 2: 204a, lid 1 en 204b, lid 1 BW waar de wetgever over inbreng spreekt. Voor het ter beschikking stellen van de bijdrage kan, afhankelijk van de aard van het in te brengen object, een goederenrechtelijke handeling, zoals een levering of cessie, vereist zijn. Zo merkt Van der Grinten op dat voor de voldoening van een inbrengschuld de levering van het object van de schuld vereist is(1). Maeijer gaat van dezelfde gedachtengang uit(2). Men moet dus een scherp onderscheid maken tussen wat er dient te gebeuren (inbreng) en hoe dit dient te geschieden(3). Dit alles betekent dat het eerste onderdeel van het middel vergeefs wordt voorgesteld. Dit berust immers op het uitgangspunt dat inbreng in beginsel een goederenrechtelijke levering inhoudt. Dit uitgangspunt is onjuist. Een inbreng is geen levering, maar vereist deze juist vaak.

2.3. Van der Grinten en Maeijer wijzen er beiden op de hierboven aangehaalde plaatsen op dat de door de inbreng soms vereiste levering in de akte van oprichting opgenomen kan worden. Op deze mogelijkheid doelt het tweede onderdeel van het cassatiemiddel. Ik meen dat het oordeel of de akte van oprichting een goederenrechtelijke handeling bevat in beginsel van feitelijke aard is en daarom slechts in beperkte mate in cassatie toetsbaar is. Tegen deze achtergrond zou ik dit tweede onderdeel als volgt willen benaderen. Het tweede onderdeel doelt waarschijnlijk op de passages die midden op blz. 18 van de akte van oprichting van de vennootschap te vinden zijn en aanvangen met: "Deze overeenkomst is thans verbindend enz enz tot en met worden aan deze akte gehecht". Deze passages zijn immers onderdeel van de slotbepalingen van de akte van oprichting. Ik kan echter in dit onderdeel van de slotbepalingen en ook in andere onderdelen ervan niet een ondubbelzinnige cessie van de vordering van [verweerder] op [eiser] c.s. lezen. Dit in aanmerking nemend is het niet onbegrijpelijk dat het hof in rov. 4.2.2.(4) van zijn bestreden arrest heeft geoordeeld dat hem niet is gebleken dat [verweerder] de onderhavige vordering aan zijn B.V. heeft gecedeerd. M.i. hebben [eiser] c.s. geen belang bij het aanvechten van het oordeel van het hof dat zij niet aan hun stelplicht hebben voldaan, nu in de akte van oprichting geen ondubbelzinnige cessie gelezen kan worden.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Handboek, twaalfde druk, nr. 168.3

2 Asser-Maeijer 2-III, nr. 122, blz. 158

3 Zie in deze richting ook de parlementaire stukken, zitting 1979-1980, 15304, nr. 6, blz. 30: "In art. 80b, lid 2, wordt ......verduidelijkt wanneer de inbreng dient te geschieden. Omdat levering van bepaalde goederen, zoals aandelen in andere vennootschappen of merkenrechten, tijdrovend kan zijn, is het woord onverwijld gekozen". Uit deze passage blijkt in ieder geval dat volgens de wetgever inbreng geen levering is.

4 Het middel heeft het in onderdeel 1.2. abusievelijk over 4.4.2.