Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2004:AR1260

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
22-10-2004
Datum publicatie
22-10-2004
Zaaknummer
R04/097HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2004:AR1260
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

22 oktober 2004 Eerste Kamer Rek.nr. R04/097HR RM/AT Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [Verzoeker], wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, advocaat: mr. G.E.M. Later. 1. Het geding in feitelijke instantie...

Wetsverwijzingen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 2
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 532
JWB 2004/357
BJ 2004/56 met annotatie van Red.
Verrijkte uitspraak

Conclusie

R04/097HR

Mr. F.F. Langemeijer

Parket, 3 september 2004 (Wet Bopz)

Conclusie inzake:

[verzoeker]

In deze zaak is een voorlopige machtiging verleend zonder dat de psychiater die de geneeskundige verklaring heeft opgesteld de patiënt heeft gesproken. Het cassatiemiddel stelt de vraag aan de orde of aan de wettelijke vereisten is voldaan.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. De ouders van verzoeker tot cassatie (hierna: betrokkene) hebben op de voet van art. 4 Wet Bopz bij de officier van justitie in het arrondissement 's-Hertogenbosch een verzoek ingediend, gericht op het verkrijgen van een voorlopige machtiging ten aanzien van betrokkene, destijds 20 jaar oud. De officier van justitie heeft op 3 mei 2004 aan de rechtbank aldaar verzocht een voorlopige machtiging te verlenen (art. 6 Wet Bopz). Bij het verzoek was gevoegd een geneeskundige verklaring, opgemaakt door de psychiater [de psychiater 1] op 29 april 2004, met een begeleidend schrijven.

1.2. Op 14 mei 2004 heeft de rechtbank de raadsman van betrokkene, de ouders van betrokkene, de behandelend psychiater [de psychiater 2] en de sociaal psychiatrisch verpleegkundige [de verpleegkundige] gehoord. Betrokkene zelf is niet voor de rechtbank verschenen.

1.3. De rechtbank heeft bij beschikking van diezelfde datum de verzochte voorlopige machtiging verleend voor de duur van zes maanden. Bij de stukken bevindt zich ook een beschikking d.d. 28 mei 2004 tot verbetering van de beschikking d.d. 14 mei 2004 in verband met een onjuiste vermelding van de geboortedatum van betrokkene.

1.4. Namens betrokkene is tijdig(1) cassatieberoep ingesteld tegen de - verbeterde - beschikking van 14 mei 2004.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1. In onderdeel I van het middel wordt geklaagd dat in de beschikking ten onrechte is vermeld dat de rechtbank kennis heeft genomen van een geneeskundige verklaring van psychiater [de psychiater 1] d.d. 29 april 2004, opgemaakt nadat deze betrokkene kort tevoren had onderzocht. Volgens het middel blijkt uit het begeleidend schrijven van deze psychiater onmiskenbaar dat deze betrokkene niet zelf heeft gezien. Daarnaast klaagt het middelonderdeel dat de rechtbank in haar beschikking niet heeft aangegeven waarom zij van oordeel is dat de geneeskundige verklaring aan de vereisten van art. 5 lid 1 Wet Bopz voldoet, althans dat de rechtbank haar oordeel hieromtrent ontoereikend heeft gemotiveerd.

2.2. Een voorlopige machtiging kan worden verleend ten aanzien van iemand die gestoord is in zijn geestvermogens. Art. 2 lid 2 Wet Bopz bepaalt dat een voorlopige machtiging slechts kan worden verleend indien naar het oordeel van de rechter (a) de stoornis van de geestvermogens betrokkene gevaar doet veroorzaken en (b) het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend. Bij het verzoek moet worden overgelegd een verklaring van een psychiater die betrokkene, met het oog daarop, kort tevoren heeft onderzocht maar niet bij diens behandeling betrokken was (art. 6 lid 5 jo. art. 5 lid 1 Wet Bopz).

2.3. In art. 5 lid 1 Wet Bopz heeft de wetgever kennelijk een onderzoek voor ogen gestaan, waarbij de psychiater betrokkene in een direct contact spreekt en observeert. Evenwel kan niet worden aanvaard dat, indien zulk een contact als gevolg van een weigering van de betrokkene om daaraan mee te werken niet of slechts in een beperkte mate mogelijk is, geen voorlopige machtiging kan worden verleend. Wel zal in een dergelijk geval de psychiater in zijn verklaring uiteen dienen te zetten waarom hij de betrokkene niet of slechts in beperkte mate heeft kunnen onderzoeken en op welke gronden hij, mede aan de hand van van derden verkregen informatie, niettemin tot de slotsom is gekomen dat betrokkene gestoord is in zijn geestvermogens en dat een geval als bedoeld in art. 2 Wet Bopz zich voordoet. De rechtbank zal dan dienen na te gaan of de psychiater heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem kan worden verwacht om het door de wet vereiste onderzoek te doen plaatsvinden. Voorts zal de rechtbank dienen na te gaan of ondanks de aan de verklaring klevende beperking voldoende is komen vast te staan dat betrokkene gestoord is in zijn geestvermogens en dat een geval als bedoeld in art. 2 zich voordoet(2).

2.4. Uit het begeleidend schrijven van psychiater [de psychiater 1] blijkt met zoveel woorden dat hij betrokkene niet persoonlijk heeft onderzocht. De andersluidende vaststelling van de rechtbank is in het licht van de gedingstukken onbegrijpelijk; zij is ook niet nader gemotiveerd. Het eerste deel van de klacht slaagt derhalve.

2.5. Uit de bestreden beschikking blijkt niet uitdrukkelijk dat de rechtbank heeft nagegaan of de psychiater heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem kon worden verwacht om het door de wet vereiste onderzoek te doen plaatsvinden. De vraag kan worden gesteld of dit als een impliciet oordeel van de rechtbank kan worden beschouwd(3). Blijkens het begeleidend schrijven heeft de psychiater één poging gedaan om betrokkene (op 29 april 2004) te bereiken, na schriftelijke vooraankondiging en na telefonisch contact met betrokkene op 22 april 2004, en betrokkene toen niet aangetroffen. Van een weigering van betrokkene om de psychiater te woord te staan wordt in de geneeskundige verklaring noch in het begeleidend schrijven melding gemaakt(4).

2.6. Het antwoord op de zo-even gestelde vraag kan echter in het midden blijven, nu de rechtbank in ieder geval heeft verzuimd na te gaan of ondanks de aan de verklaring klevende beperking, te weten dat de psychiater betrokkene niet zelf heeft kunnen onderzoeken, voldoende is komen vast te staan dat betrokkene gestoord is in zijn geestvermogens en dat een geval als bedoeld in art. 2 Wet Bopz zich voordoet: de rechtbank heeft volstaan met een standaardmotivering. Een aldus ingerichte motivering voldoet slechts aan de eis der wet, indien uit de inhoud van de stukken zonder nadere redengeving begrijpelijk is wat de rechtbank hierbij voor ogen heeft gestaan en waarop zij zulks heeft gegrond. Aan dit vereiste is niet voldaan. De bestreden beschikking geeft geen enkele indicatie, welk soort gevaar de rechtbank voor ogen heeft gehad; in de geneeskundige verklaring worden uiteenlopende vormen van gevaar genoemd, zodat ook daaruit niet duidelijk wordt waarop de rechtbank doelt. Zoals in onderdeel II van het middel nader is uitgewerkt, zijn niet alle in de geneeskundige verklaring genoemde vormen van gevaar zodanig vanzelfsprekend, dat de rechter zonder een objectief medisch onderzoek, waarbij de psychiater betrokkene zelf spreekt, ervan kan uitgaan dat zich hier een geval als bedoeld in art. 2 Wet Bopz voordoet. Ook het tweede deel van de klacht is daarom gegrond.

2.7. Onderdeel II keert zich met een motiveringsklacht tegen het oordeel dat de stoornis van de geestvermogens betrokkene gevaar doet veroorzaken. Tevens wordt een motiveringsklacht gericht tegen het oordeel dat het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend. Indien onderdeel I slaagt, behoeft onderdeel II geen behandeling meer. Na verwijzing moet opnieuw en aan de hand van de actuele situatie worden onderzocht of aan de wettelijke vereisten voor een voorlopige machtiging is voldaan(5).

3. Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank te 's-Hertogenbosch.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Het cassatierekest is ingekomen ter griffie op 16 augustus 2004 (14 augustus 2004 viel op een zaterdag; art. 1 lid 1 Algemene Termijnenwet).

2 HR 6 november 1998, NJ 1999, 103 (BJ 1998, 60 m.nt. WD); HR 3 november 2000, NJ 2000, 717 (BJ 2000, 59); HR 25 oktober 2002, NJ 2002, 599 (BJ 2002, 45).

3 Vgl. HR 24 september 1999, NJ 1999, 752 (BJ 1999, 54 m.nt. red.).

4 In rubriek 6.b van de geneeskundige verklaring is vermeld: "Patiënt vertoont vluchtgedrag. Zie begeleidend briefje". In het begeleidend schrijven is vermeld dat betrokkene bij gelegenheid van een eerdere Bopz-zitting niet is verschenen, dat hij afspraken met zijn ambulante behandelaar niet nakomt en dat betrokkene (die volgens de geneeskundige verklaring geen vaste woonplaats heeft) dikwijls thuiskomt (in het ouderlijk huis) indien hij weet dat zijn ouders niet thuis zijn. Dit geeft m.i. onvoldoende informatie over de bereidheid van betrokkene om mee te werken aan het psychiatrisch onderzoek.

5 HR 28 oktober 1994, NJ 1995, 125 m.nt. JdB. Zie ook: HR 4 november 1994, NJ 1995, 126; HR 2 maart 2001, NJ 2001, 278.