Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2004:AR1235

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12-11-2004
Datum publicatie
12-11-2004
Zaaknummer
R04/065HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2004:AR1235
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

12 november 2004 Eerste Kamer Rek.nr. R04/065HR RM Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [de zoon], wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, advocaat: mr. G.E.M. Later, t e g e n [de moeder], wonende te [woonplaats], VERWEERSTER in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 580
JWB 2004/382
Verrijkte uitspraak

Conclusie

R04/065HR

Mr. F.F. Langemeijer

Parket, 10 september 2004

Conclusie inzake:

[de zoon]

tegen

[de moeder]

Deze zaak betreft de weigering van een verzoek tot vervanging van een mentor.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. Op het daartoe strekkende verzoek van de ouders heeft de kantonrechter te Groningen op 31 augustus 1999 ten behoeve van verzoeker tot cassatie (hierna: de zoon) een mentorschap ingesteld (art. 1:450 BW)(1). De kantonrechter heeft de moeder benoemd tot mentor.

1.2. Bij inleidend verzoekschrift d.d. 20 februari 2003 heeft de zoon aan de rechtbank te Groningen (sector kanton) verzocht zijn moeder wegens gewichtige redenen te ontslaan als mentor en in haar plaats [betrokkene 1] te benoemen als mentor. Als voornaamste reden voor dit verzoek heeft de zoon aangevoerd dat hij door zijn moeder niet bij de te nemen beslissingen wordt betrokken en dat zijn moeder de beslissingen niet in zijn belang neemt. Ter zitting heeft hij toegevoegd dat de verstandhouding met zijn moeder is verslechterd en dat hij geen vertrouwen meer heeft in zijn familie, maar wel in [betrokkene 1], die hij vier maanden eerder via de cliëntenraad van de GGZ heeft leren kennen en die hem steunt en begeleidt.

1.3. De rechtbank (sector kanton) heeft de zoon, de moeder en [betrokkene 1] gehoord. De moeder heeft bezwaar gemaakt tegen de verzochte vervanging. De rechtbank heeft het standpunt van de moeder als volgt samengevat:

"Zij weet uit ervaring dat verzoeker altijd kortdurende contacten heeft en zij denkt, dat ook [betrokkene 1] na een tijd weer uit het leven van verzoeker zal verdwijnen. Uiteindelijk valt hij dan weer terug op zijn familie. Het is niet in zijn belang dat er een vacuüm ontstaan in de vervulling van het mentorschap. Gaat het om een duurzame relatie, dan is er geen bezwaar tegen de benoeming van [betrokkene 1] tot mentor. Zij verzoekt daarom de beslissing op het verzoek zes maanden aan te houden."

1.4. De rechtbank (sector kanton) heeft bij beschikking van 24 maart 2003 het verzoek van de zoon afgewezen, daarbij overwegend:

"De kantonrechter deelt de zorg van de mentor. Verzoeker heeft niet weersproken, dat hij altijd kortdurende contacten heeft. Er bestaat derhalve een gerede kans, dat het contact met [betrokkene 1] en het door verzoeker uitgesproken vertrouwen in [betrokkene 1] niet duurzaam blijken te zijn. Het is ongewenst, dat alsdan een vacuüm in de vervulling van het mentorschap zou ontstaan. Gezien in het licht van het voorgaande acht de kantonrechter de door verzoeker aangevoerde redenen niet dermate gewichtig, dat verweerster zou moeten worden ontslagen als mentor en [betrokkene 1] tot nieuwe mentor zou moeten worden benoemd."

1.5. De zoon heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Leeuwarden. In hoger beroep heeft hij subsidiair verzocht, ingeval een benoeming van [betrokkene 1] voor het hof niet aanvaardbaar mocht zijn, [betrokkene 2] als nieuwe mentor aan te wijzen(2).

1.6. Het hof heeft bij beschikking van 18 februari 2004 de beschikking van de rechtbank (sector kanton) bekrachtigd. Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden dat er gewichtige redenen zijn voor het ontslag van de moeder als mentor. De tussen de moeder en de zoon bestaande spanningen zijn volgens het hof terug te voeren op de verstandelijke handicap van de zoon met de daarbij behorende gedragsproblemen, maar zijn niet het gevolg van de wijze waarop de moeder haar taak als mentor uitoefent. Ook overigens is niet gebleken van zodanige feiten en omstandigheden dat zij gewichtige redenen voor ontslag van de moeder als mentor opleveren (rov. 9).

1.7. Namens de zoon is - tijdig(3) - cassatieberoep ingesteld. De moeder, [betrokkene 1] en [betrokkene 2], ofschoon behoorlijk verwittigd, hebben in cassatie geen verweer gevoerd.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1. Het cassatiemiddel beperkt zich tot motiveringsklachten. Alvorens daarop in te gaan, kan een korte uiteenzetting van de relevante bepalingen van nut zijn. Indien een meerderjarige als gevolg van zijn geestelijke of lichamelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is of bemoeilijkt wordt zijn belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen, kan de kantonrechter te zijnen behoeve een mentorschap instellen (art. 1:450 lid 1 BW)(4). De rechter benoemt een mentor, na zich te hebben vergewist van diens bereidheid en na zich een oordeel te hebben gevormd over de geschiktheid van de te benoemen persoon. De rechter volgt bij de benoeming van de mentor de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten. In andere gevallen wordt bij voorkeur de echtgenoot of levenspartner of, bij het ontbreken daarvan, bij voorkeur een van de ouders, kinderen, broers of zusters tot mentor benoemd (art. 1:452 BW).

2.2. Tenzij uit wet of verdrag anders voortvloeit, is de betrokkene tijdens het mentorschap onbevoegd rechtshandelingen te verrichten in aangelegenheden betreffende zijn verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding. Met betrekking tot evenbedoelde rechtshandelingen vertegenwoordigt de mentor de betrokkene in en buiten rechte, tenzij op grond van wet of verdrag vertegenwoordiging uitgesloten is (art. 1:453 leden 1 en 2 BW). Eén van de gevallen waarin uit de wet anders voortvloeit, is de gedwongen opneming in een psychiatrisch ziekenhuis: zie art. 2 lid 5 Wet Bopz.

2.3. Een mentor kan worden benoemd voor bepaalde of voor onbepaalde tijd. Art. 1:461 BW noemt als één van de wijzen waarop de taak van de mentor eindigt: het ontslag dat hem door de kantonrechter wordt verleend. Het ontslag wordt hem verleend hetzij op eigen verzoek, hetzij wegens gewichtige redenen of omdat hij niet meer voldoet aan de eisen om mentor te kunnen worden, zulks op verzoek van de betrokkene, op verzoek van het Openbaar Ministerie of ambtshalve.

2.4. De mentor is gehouden degene ten behoeve van wie het mentorschap is ingesteld zo veel mogelijk bij de vervulling van zijn taak te betrekken. De mentor bevordert dat de betrokkene rechtshandelingen en andere handelingen zelf verricht, indien deze tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake in staat kan worden geacht. Hij betracht de zorg van een goed mentor (art. 1:454 lid 1 BW). De toelichting op deze bepaling vermeldt dat het oordeel of de betrokkene daartoe in staat kan worden geacht, aan de mentor is. Indien zou blijken dat de mentor regelmatig de nog aanwezige bekwaamheden van de betrokkene negeert, kan er aanleiding zijn tot toepassing van art. 1:459 lid 1 BW (verschijning van de mentor voor de kantonrechter tot het verstrekken van inlichtingen) of, in het uiterste geval, tot ontslag van de mentor wegens gewichtige redenen(5).

2.5. Het begrip "gewichtige redenen" in art. 1:461 lid 2 BW wordt in de wet niet nader omschreven. Voor de onderhavige zaak is van belang de vraag, of een ontslag slechts mogelijk is indien de mentor in de zorg van een goed mentor tekort is geschoten (vgl. art. 1:454 lid 2 BW) of ook mogelijk is wanneer - zonder dat van een zodanig tekortschieten sprake is - de persoonlijke vertrouwensrelatie is weggevallen tussen de mentor en degene ten behoeve van wie het mentorschap is ingesteld. De vraag is aan de orde gesteld tijdens de behandeling in de Eerste Kamer. De regering antwoordde:

"Indien de verstandhouding tussen de betrokkene en de mentor dusdanig is verstoord dat de betrokkene het dringende verlangen heeft dat de mentor wordt ontslagen en een nieuwe mentor wordt benoemd, zal de rechter allereerst nagaan wat de oorzaak is van deze situatie. Hij zal vermoedelijk aan het verzoek van de betrokkene voldoen, indien ten ene male de vertrouwensrelatie tussen de mentor en betrokkene blijkt te ontbreken. Evenals curatele en beschermingsbewind, veronderstelt ook mentorschap immers een minimum aan vertrouwen tussen vertegenwoordiger en vertegenwoordigde. Soms is het echter bij (met name) psychiatrische patiënten zo dat zij als gevolg van hun ziektebeeld geen enkele relatie goed achten, met welke persoon dan ook, dan wel dat zij een wisselende mening hebben. In dergelijke gevallen zal de rechter niet snel aan het verlangen van de betrokkene voldoen. Grondslag voor ingrijpen door de rechter in genoemde situaties vormt overigens niet zozeer artikel 452, derde lid, zoals de leden van de CDA-fractie veronderstellen, maar het antwoord op de vraag of met het oog op de belangen van de betrokkene het mentorschap door deze mentor verantwoord en juist wordt of kan worden uitgevoerd. Is bij voorbeeld de relatie ernstig verstoord, omdat de mentor de aanwezige mogelijkheden tot zelfbeschikking van de betrokkene weigert te honoreren, dan kan dat voor de rechter een gewichtige reden zijn als bedoeld in arikel 461, tweede lid, om over te gaan tot het ontslag van de mentor en de benoeming van een nieuwe mentor."(6)

2.6. Onderdeel I van het middel doet een beroep op de zo-even aangehaalde passage en klaagt (onder i) dat uit de bestreden beschikking niet blijkt dat het hof aandacht heeft besteed aan de vraag of in casu nog een minimum aan vertrouwen van de zoon in de moeder als mentor aanwezig is en of de relatie tussen hen wel of niet ernstig is verstoord. In het bijzonder klaagt het onderdeel (onder b-f en h) dat het hof niet is ingegaan op de stelling van de zoon dat, toen hij vrijwillig was opgenomen in Hoeve Boschoord en na enige tijd daaruit wilde vertrekken, de moeder tegen zijn wil heeft getracht een gedwongen opneming op grond van de Wet Bopz in Hoeve Boschoord uit te lokken. Samenvattend klaagt het onderdeel (onder j) dat het hof onvoldoende inzicht heeft gegeven in de reden waarom hetgeen de zoon in feitelijke aanleg heeft gesteld en in rov. 5 door het hof is samengevat, onvoldoende zou zijn om het ontslagverzoek toe te wijzen.

2.7. Vooropgesteld moet worden dat het hof in rov. 7 de toepasselijke wettelijke maatstaf als uitgangspunt voor zijn beoordeling heeft genomen. In rov. 8 geeft het hof ervan blijk dat van gewichtige redenen niet alleen sprake kan zijn wanneer de mentor tekortschiet in de zorg die van een goede mentor mag worden verwacht, maar ook wanneer de mentor stelselmatig niet bevordert dat de betrokkene zelf optreedt, voor zover deze daartoe voldoende wilsbekwaam is. Het middel bevat geen rechtsklacht.

2.8. Het hof biedt in ieder geval inzicht in zijn gedachtengang: het hof overweegt in rov. 9 immers dat de tussen de moeder en de zoon bestaande spanningen - waarmee het hof kennelijk doelt op de in rov. 5 en 6 uiteengezette meningsverschillen tussen de moeder als mentor en de zoon - zijn terug te voeren op de verstandelijke handicap met de daarbij behorende gedragsproblemen. Voor wat betreft de - tussen partijen als feit vaststaande - poging van de moeder om een gedwongen opneming van de zoon in Hoeve Boschoord te doen bewerkstelligen, kan rov. 9 bezwaarlijk anders worden verstaan dan dat het hof zich verenigt met het (in rov. 6 weergegeven) standpunt van de moeder dat zij hierbij heeft gehandeld in het belang van de zoon, ook al zag de zoon zijn belang anders.

2.9. De in alinea 2.4 en 2.6 genoemde Kamerstukken verplichten de rechter niet tot toewijzing van het ontslagverzoek indien hij vaststelt dat de relatie is verstoord. Zij houden in dat een ernstige verstoring van de relatie, omdat de mentor de aanwezige mogelijkheden tot zelfbeschikking weigert te honoreren, een gewichtige reden voor ontslag kan opleveren. Of de verstoring van de relatie inderdaad een gewichtige reden voor ontslag oplevert staat ter beoordeling van de feitenrechter. In de bestreden beschikking valt niet te lezen dat de feiten zoals de zoon die aan zijn verzoek ten grondslag heeft gelegd nimmer "gewichtige redenen" in de zin van art. 1:461 lid 2 BW zouden kunnen opleveren.

2.10. Aan de steller van het middel mag worden toegegeven dat het hof niet met zoveel woorden ingaat op de vraag of, na de in het middel bedoelde gebeurtenissen, nog een voldoende vertrouwensbasis tussen zoon en moeder aanwezig is om de voortzetting van de mentorfunctie van de moeder zinvol te doen zijn. De omstandigheid dat betrokkene ten gevolge van zijn geestelijke handicap niet in staat is althans bemoeilijkt wordt zijn belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen, houdt niet zonder meer in dat de betrokkene ook niet in staat is tot een keuze met wie als mentor hij een vertrouwensrelatie wil onderhouden.

2.11. Het is echter in een rechterlijke uitspraak moeilijk onder woorden te brengen waarom de rechter de kansen op (herstel van) de vertrouwensrelatie tussen zoon en moeder hoger of lager inschat: het gaat hierbij om niet of nauwelijks meetbare grootheden, waarbij ook een rol speelt de indruk die de rechter tijdens de mondelinge behandeling van de relatie tussen de zoon en de moeder heeft gekregen. De rechter zal bovendien een inschatting moeten maken hoe de relatie zich in de nabije toekomst zal gaan ontwikkelen. In zo'n geval kan de rechter in zijn beschikking weinig meer doen dan de van weerszijden aangevoerde argumenten tegenover elkaar stellen en aangeven welk standpunt voor hem uiteindelijk het zwaarste weegt. Dat heeft het hof hier gedaan. Er is geen sprake van een innerlijke tegenstrijdigheid in de motivering, noch is sprake van een lacune in de redenering die de motivering onbegrijpelijk maakt. Het hof geeft in rov. 9 aan, dat hetgeen namens de zoon is aangevoerd (het hof bedoelt kennelijk: in het licht van de betwisting van het verzoek door de moeder) onvoldoende is om het ontslagverzoek in te willigen.

2.12. Waar het hof concludeert dat "ook overigens" niet is gebleken van zodanige feiten en omstandigheden dat er sprake is van gewichtige redenen voor een ontslag, heeft het hof in het gestelde ontbreken van een vertrouwensbasis kennelijk geen aanleiding gezien tot ontslag van de moeder als mentor te besluiten. De slotsom is dat onderdeel I niet tot cassatie leidt.

2.13. Onderdeel II klaagt dat onbegrijpelijk is hoe het hof tot de conclusie is gekomen dat de tussen de zoon en zijn moeder als mentor bestaande spanningen zijn terug te voeren op de verstandelijke handicap van de zoon met de daarbij behorende gedragsproblemen, en niet het gevolg zijn van de wijze waarop de moeder haar taak als mentor uitoefent (rov. 9). Het onderdeel wijst samengevat op het volgende:

- de poging van de moeder om een gedwongen opneming uit te lokken;

- het verzuim van de moeder om voor passende woonruimte buiten de kliniek te zorgen, het niet meewerken aan het verkrijgen van een urgentieverklaring en haar weigering de huur te betalen;

- het onmogelijk maken van het behalen van het bromfietscertificaat en het 3e certificaat hovenier;

- de intrekking door de moeder van het verzoek om indicatiestelling voor intensieve thuisondersteuning.

Het middelonderdeel (onder c en d) wijst in dit verband op de hulp die de zoon kan verwachten van [betrokkene 1] en naar de toelichting die de zoon ter terechtzitting in hoger beroep heeft gegeven over zijn levenssituatie.

2.14. Deze stellingen duiden op een fors verschil van mening tussen de zoon en zijn moeder over de vraag of het het meest in zijn belang is dat hij in de kliniek verblijft dan wel op zichzelf woont met alles wat daarbij hoort. In de samenvatting van de wederzijdse standpunten in rov. 5 en 6 toont het hof zich van dit meningsverschil bewust. Het feit van de verstandelijke handicap is als zodanig niet bestreden. Van "verstandelijke handicap (zwakbegaafdheid), met bijpassende gedragsproblemen" blijkt bovendien uit de conclusie van het rapport van prof. Van den Bosch, waarop de zoon zich in eerste aanleg had beroepen. In haar verweerschrift in appel (blz. 2 - 3) heeft de moeder gesteld dat de invulling van het mentorschap adequaat en effectief is geweest totdat de zoon zich door derden liet beïnvloeden. Volgens het verweerschrift heeft de zoon het ontwikkelingsniveau van een kind van circa 10 jaar, is hij zeer gemakkelijk te beïnvloeden en kiest hij voor personen die hem zo min mogelijk in de weg leggen en hem zijn gang laten gaan. Waar het hof overweegt dat de spanningen tussen de zoon en zijn moeder zijn terug te voeren op de verstandelijke handicap van de zoon, heeft het hof hier klaarblijkelijk het standpunt van de moeder gevolgd. Ook zonder nadere uitwerking is dit oordeel niet onbegrijpelijk.

2.15. Onderdeel III verwijt het hof geen overweging te hebben gewijd aan de subsidiair door de zoon voorgestelde nieuwe mentor, [betrokkene 2]. Deze klacht faalt. Omdat het hof geen gewichtige redenen aanwezig achtte voor ontslag van de huidige mentor, de moeder, kwam het hof vanzelfsprekend niet meer toe aan de vraag wie in haar plaats als mentor zou moeten worden benoemd. Het hof heeft de mededeling namens de moeder, dat zij accoord kon gaan met een benoeming van [betrokkene 2] als nieuwe mentor, klaarblijkelijk niet verstaan als een verzoek van de moeder tot beëindiging van haar mentorfunctie (zie rov. 3 en 4), maar slechts als een subsidiair voorstel voor het geval het ontslagverzoek zou worden toegewezen. Overigens: indien juist zou zijn dat de zoon en de moeder het inmiddels erover eens zijn dat het beter is wanneer in plaats van de moeder [betrokkene 2] tot mentor wordt benoemd, kan dat worden bereikt wanneer de moeder zelf een ontslagverzoek richt aan de rechtbank (sector kanton). Voor een ontslag op verzoek van de mentor eist de wet immers geen gewichtige redenen.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 De zoon heeft op 25 juli 1999 de leeftijd van 18 jaren bereikt.

2 De moeder, in hoger beroep verschenen, heeft verzocht de Stichting Humanitas aan te wijzen als nieuwe mentor. Zij heeft dit laatste verzoek weer ingetrokken toen bleek dat rechtspersonen geen mentor kunnen worden (art. 1:452 lid 6 BW) en zij niet iemand van Humanitas kon noemen die bereid was het mentorschap over de zoon te aanvaarden.

3 Hier geldt een cassatietermijn van 3 maanden (art. 426 lid 1 Rv; zie voor de appeltermijn: art. 806 lid 1 Rv). Cassatieberoep is niet op grond van art. 807 Rv uitgesloten.

4 Wanneer de betrokkene niet in staat is zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen, kan een onderbewindstelling worden uitgesproken: zie art. 1:431 e.v. BW en voor de samenloop: art. 1:458 BW.

5 MvT, Kamerstukken II 1991/92, 22 474, nr. 3, blz. 27.

6 MvA I, Kamerstukken I 1993/94, 22 474, nr. 316b, blz. 3; zie voor de vraagstelling: VV I, nr. 316a blz. 2. Over het antwoord van de regering is niet verder gedebatteerd.