Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2004:AQ7364

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-10-2004
Datum publicatie
08-10-2004
Zaaknummer
C03/163HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2004:AQ7364
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

8 oktober 2004 Eerste Kamer Nr. C03/163HR JMH/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr. D. Stoutjesdijk, t e g e n [Verweerder], wonende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, advocaat: mr. P.C.M. van Schijndel. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 508
NJ 2004, 658
WR 2005, 2
JWB 2004/342
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnummer C03/163HR

Mr. Keus

Zitting 14 mei 2004

Conclusie inzake

[eiser]

tegen

[verweerder]

1. Feiten en procesverloop

1.1Het gaat in deze zaak om de vraag of [eiser] met zijn moeder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gehad, een en ander in de zin van art. 7A:1623i lid 2 BW (thans artikel 7: 268 BW).

1.2 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan(1).

(a) [Eiser] is zoon van [betrokkene 1].

(b) [Betrokkene 1] was tot haar overlijden op 17 januari 2001 huurster van de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] (hierna ook: de woning).

(c) [Verweerder] is verhuurder van de woning. Zelf woont hij op de derde verdieping van het perceel.

1.3 Bij dagvaarding van 3 mei 2001 heeft [verweerder] bij de kantonrechter Amsterdam een procedure tegen [eiser] ingeleid. Hij heeft, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, een verklaring voor recht gevorderd dat de op 22 december 1989 door [verweerder] met [betrokkene 1] gesloten overeenkomst op grond van art. 7A:1623i lid 6 BW op 31 maart 2001 is geëindigd. Voorts heeft hij gevorderd [eiser] tot ontruiming van de woning te veroordelen, met machtiging tot het gebruik van de sterke arm.

[Verweerder] heeft, naast de onder 1.2 genoemde feiten, aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat hij de woning bij schriftelijke overeenkomst van 22 december 1989 heeft verhuurd aan [betrokkene 1] (inleidende dagvaarding onder 2), die op 17 januari 2001 is overleden (inleidende dagvaarding onder 4). Naast [betrokkene 1] was er geen medehuurder (inleidende dagvaarding onder 5). Van een duurzame gemeenschappelijke huishouding van [eiser] en [betrokkene 1] is geen sprake geweest (inleidende dagvaarding onder 8). [Eiser] heeft gedurende de laatste jaren, althans voor zover dit voor [verweerder] kenbaar was, niet meer permanent in de woning gewoond en is mogelijk ook op een ander adres ingeschreven geweest (inleidende dagvaarding onder 6). [Eiser] is een jong meerderjarig persoon, die bij tijd en wijle heeft getracht een zelfstandig leven te leiden en van wie redelijkerwijs kon worden verwacht dat hij voornemens was de woning van zijn moeder te verlaten (inleidende dagvaarding onder 8).

[Verweerder] is voornemens de woning te renoveren en vervolgens opnieuw te verhuren dan wel zelf te bewonen en heeft derhalve belang bij het gevorderde (inleidende dagvaarding onder 9).

1.4 Bij verzoekschrift van 11 juli 2001 (bij herstelexploot van 31 juli 2001 heeft [eiser] de kantonrechter verzocht het verzoek als bij dagvaarding ingestelde vordering aan te merken)(2) heeft [eiser] een vordering op grond van art. 7A:1623i lid 2 BW bij de kantonrechter Amsterdam ingesteld. Daaraan heeft [eiser] ten grondslag gelegd dat hij nagenoeg zijn gehele leven met zijn moeder in de woning heeft gewoond en een gemeenschappelijke huishouding met haar heeft gevoerd. Vanaf 1 augustus 1997 tot augustus 1998 heeft [eiser] in Rome gewoond en daarna heeft hij de gemeenschappelijke huishouding met zijn moeder voortgezet (verzoekschrift onder 3, 9 en 10; incidentele conclusie tot verwijzing tevens conclusie van antwoord onder 8 en 12). [Eiser] heeft vanaf april tot en met juli 2000, in verband met zijn werk, gedurende de week een kamer elders gehuurd, maar behield de wil om met zijn moeder een duurzame gemeenschappelijke huishouding te voeren. Daarmee is voldaan aan het criterium van HR 12 maart 1982, NJ 1982, 352, m.nt. PAS, en HR 6 maart 1987, NJ 1988, 3, m.nt. PAS (verzoekschrift onder 10; incidentele conclusie tot verwijzing tevens conclusie van antwoord onder 12).

[Eiser] heeft na het overlijden van zijn moeder de huur normaal overgemaakt en is in staat dit te blijven doen (verzoekschrift onder 6 en 11; incidentele conclusie tot verwijzing tevens conclusie van antwoord onder 10 en 13).

Na het overlijden van [betrokkene 1] heeft [verweerder] [eiser] laten weten dat hij ermee instemde dat [eiser] het huurrecht zou overnemen (verzoekschrift onder 6); een mogelijke instemming van [verweerder] is in cassatie niet meer aan de orde.

1.5 Bij incidentele conclusie tot verwijzing tevens conclusie van antwoord (onder 3) heeft [eiser] verzocht de zaken genoemd onder 1.3 en 1.4 gevoegd te behandelen. Voorts heeft [eiser] bij die conclusie (als productie 3) een verklaring van zijn psycholoog, [betrokkene 2], overgelegd. Deze verklaring houdt in dat er een grote kans is dat [eiser] psychische schade oploopt als hij wordt gedwongen te verhuizen.

1.6 Bij tussenvonnis van 20 september 2001 heeft de kantonrechter een comparitie van partijen gelast.

1.7 Blijkens het tussenvonnis van 11 oktober 2001 heeft op 2 oktober 2001 een comparitie van partijen plaatsgehad en hebben partijen tijdens die comparitie met een voeging van beide zaken ingestemd. Voorts heeft de kantonrechter bij dat tussenvonnis [eiser] opgedragen te bewijzen dat [verweerder] hem na 17 januari 2001 heeft aangeboden de woning te verhuren en dat [eiser] dit aanbod heeft aanvaard (rov. 5).

1.8 Na op 4 december 2001 en 14 januari 2002 gehouden getuigenverhoren heeft de (inmiddels) sector kanton van de rechtbank Amsterdam bij tussenvonnis van 7 februari 2002 geoordeeld dat [eiser] niet is geslaagd in het hem opgedragen bewijs en de stelling van [eiser] dat tussen hem en [verweerder] een huurovereenkomst tot stand is gekomen, verworpen (rov. 6). Voorts is [eiser] bij dat tussenvonnis in de gelegenheid gesteld bij akte nadere informatie te verschaffen en bewijsstukken over te leggen met betrekking tot zijn stelling dat hij en zijn moeder een duurzame gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd (rov. 7).

1.9 Nadat [eiser] en [verweerder] zich hadden uitgelaten en stukken hadden overgelegd, heeft de sector kanton van de rechtbank Amsterdam bij eindvonnis van 27 juni 2002 de vordering van [eiser] tot voortzetting van de huurovereenkomst afgewezen en [eiser] veroordeeld de woning uiterlijk op 1 oktober 2002 te ontruimen en ter algehele beschikking van [verweerder] te stellen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat in het midden kan blijven of tussen [eiser] en zijn moeder een gemeenschappelijke huishouding heeft bestaan, nu die gemeenschappelijke huishouding - zo zij al zou hebben bestaan - niet een voldoende duurzaam karakter had. Na zijn verblijf in Rome is [eiser] (anders dan aanvankelijk de bedoeling was) niet bij een derde ingetrokken, maar heeft hij zich met het oog op de verzorging en begeleiding van zijn moeder weer in de woning gevestigd, naast zijn volledige baan in Rotterdam (rov. 2).

Voorts heeft de rechtbank overwogen:

"3. Mogelijk hadden gedaagde en zijn moeder de bedoeling om de samenleving langdurig te laten zijn. Feit is echter dat hij dat niet geweest is, nu hij geduurd heeft van medio 1998 tot januari 2001. In die periode van 2,5 jaar heeft gedaagde gedurende een half jaar ook elders huisvesting aangehouden.

Volgens de wetsgeschiedenis kan de duurzaamheid worden afgeleid uit de verwachting ten aanzien van de toekomst en uit de tijd dat de samenleving heeft bestaan. Die is in dit geval - gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder de nog jonge leeftijd van gedaagde - te beperkt om een duurzaam karakter te hebben gekregen."

1.10 Bij dagvaarding van 14 augustus 2002 heeft [eiser] (onder intrekking van de dagvaarding uitgebracht bij exploot van 6 augustus 2002) bij het hof Amsterdam hoger beroep tegen de vonnissen van de kantonrechter c.q. de sector kanton van de rechtbank van 20 september 2001, 11 oktober 2001, 7 februari 2002 en 27 juni 2002 ingesteld.

1.11 Bij memorie van grieven heeft [eiser] een veertiental grieven aangevoerd.

Volgens grief IV heeft de kantonrechter ten onrechte niet vastgesteld dat van een gemeenschappelijke huishouding van [eiser] en zijn moeder sprake was. Volgens de toelichting had mede rekening moeten worden gehouden met de omstandigheid dat [eiser] de verzorging van de huurder, zijn moeder, duurzaam op zich had genomen (HR 22 januari 1993, NJ 1993, 549).

Volgens grief V heeft de kantonrechter ten onrechte geoordeeld dat de gemeenschappelijke huishouding van [eiser] en zijn moeder niet een voldoende duurzaam karakter had. Blijkens de wetsgeschiedenis hangt de duurzaamheid af van (i) de bestaande duur van de gezamenlijke huishouding en (ii) de intentie van betrokkenen (memorie van grieven, p. 5/6). [Eiser] woonde twee en een half jaar met zijn moeder samen om haar te verzorgen. Omdat deze termijn langer is dan de in art. 7A:1623h BW (thans: art. 7:267 BW) genoemde termijn van twee jaar, kan worden geoordeeld dat de gezamenlijke huishouding een duurzaam karakter had, aldus de toelichting op de grief. Bovendien staat de intentie van [eiser] om zijn moeder te verzorgen vast en was er geen aanleiding om te vrezen dat zijn moeder binnen afzienbare tijd zou overlijden (het overlijden van [betrokkene 1] was niet gelegen in de kwalen in verband waarmee zij in toenemende mate verzorging behoefde). De intentie van [eiser] was dus gericht op een langdurige samenwoning (memorie van grieven, p. 6). Volgens [eiser] was geen sprake van een in beginsel aflopende samenlevingssituatie van ouder en kind als bedoeld in NJ 1982, 352, die slechts op grond van bijzondere omstandigheden als een duurzame gemeenschappelijke huishouding kan worden gekwalificeerd. [Eiser] had de woning reeds verlaten en is daarin teruggekeerd om zijn moeder de nodige verzorging te bieden. Volgens [eiser] moet hij worden beschouwd als een "willekeurige" samenwoner en behoeven geen bijzondere omstandigheden te worden gesteld. Subsidiair is [eiser] van mening dat er voldoende bijzondere omstandigheden zijn om een duurzame gemeenschappelijke huishouding aan te nemen; [eiser] noemt in dit verband zijn zelfstandigheid in combinatie met de verwachting van langdurige verzorging van zijn moeder (memorie van grieven, p. 7).

Bij incidentele vordering heeft [eiser] schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis tot ontruiming gevorderd.

1.12 Bij memorie van antwoord in het incident en in de hoofdzaak heeft [verweerder] zich verzet tegen de schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 27 juni 2002 (memorie van antwoord in het incident en in de hoofdzaak, tweede ongenummerde pagina).

In reactie op grief V heeft [verweerder] herhaald dat van een aflopende samenlevingssituatie sprake was (memorie van antwoord in het incident in de hoofdzaak, vierde ongenummerde pagina) en heeft hij betwist dat [eiser] zijn moeder heeft verzorgd en/of begeleid (memorie van antwoord in het incident en in de hoofdzaak, vijfde ongenummerde pagina).

1.13 Bij arrest van 27 februari 2003 heeft het hof de incidentele vordering van [eiser] afgewezen. In de hoofdzaak heeft het hof het hoger beroep van [eiser], voor zover het is gericht tegen het tussenvonnis van de kantonrechter Amsterdam van 20 september 2001, niet ontvankelijk verklaard, omdat tegen dit tussenvonnis geen grief is gericht. De vonnissen van 11 oktober 2001, 7 februari 2002 en 27 juni 2002 heeft het hof bekrachtigd. Het heeft daartoe overwogen:

"4.8 Ter toelichting op grief 5 draagt [eiser] aan dat hij twee en een half jaar met zijn moeder heeft samengewoond om haar te verzorgen en dat die termijn langer is dan welke wordt genoemd in artikel 7A:1623h BW. Bovendien staat zijn intentie om haar langdurig te verzorgen vast, aldus [eiser], die nog aantekent dat in dit geval geen sprake was van een aflopende samenlevingssituatie en dat hij als een willekeurige samenwoner dient te worden beschouwd.

4.9 Dit betoog slaagt niet. Vast staat dat sprake is geweest van samenleving tussen [eiser] en zijn moeder gedurende niet langer dan twee en een half jaar. Met juistheid heeft de kantonrechter overwogen dat, ook al bestond tussen [eiser] en zijn moeder de verwachting en de bedoeling dat hun samenleving langdurig en duurzaam zou zijn, die samenleving uiteindelijk niet duurzaam is geweest, gelet op de relatief korte duur daarvan en de nog jonge leeftijd van [eiser], die in 1999 uit Rome terugkeerde (na een verblijf van een jaar) en in het jaar 2000 - gedurende de zojuist genoemde samenlevingsperiode - vanaf april tot en met juli elders een kamer heeft gehuurd in verband met zijn werkzaamheden in Europoort. (...)

4.10 Nog ervan afgezien dat uit de overwegingen van de kantonrechter niet kan worden opgemaakt dat hij te strenge eisen aan het door [eiser] te leveren bewijs heeft gesteld, kan ook bij inachtneming van de door [eiser] genoemde maatstaven niet worden geconcludeerd dat hij in zijn bewijslevering is geslaagd. (...)"

1.14 [Eiser] heeft tijdig(3) beroep in cassatie ingesteld. [Verweerder] heeft tot verwerping van het beroep geconcludeerd. De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 Volgens art. 7A:1623i lid 2 BW (thans art. 7:268 BW(4)) kan een persoon die geen medehuurder is, doch wel in de woonruimte zijn hoofdverblijf heeft en met de overleden huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gehad, een vordering, strekkende tot voortzetting van de huurovereenkomst, instellen.

Over de vraag wanneer sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding, is bij de totstandbrenging van art. 7A:1623i BW van regeringszijde opgemerkt: "Duurzaam is een begrip dat een verwachting omtrent de toekomst inhoudt. De duurzaamheid kan worden afgeleid uit de tijd, dat de gemeenschappelijke huishouding reeds bestaat. De duurzaamheid zal ook van de bedoeling van de betrokkenen afhangen. (...) Het begrip duurzaamheid zal in de praktijk zijn weg moeten vinden."(5)

Volgens de Hoge Raad(6) is in een geval waarin in een gezin opgroeiende kinderen na hun meerderjarig worden nog bij hun ouder(s) in een gemeenschappelijke huishouding blijven wonen, tussen de ouder(s) en het meerderjarig geworden kind niet reeds uit dien hoofde van een duurzame gemeenschappelijke huishouding sprake. "Onder de gevallen van een duurzame gemeenschappelijke huishouding die de wetgever in art. 1623h op het oog heeft, zijn niet begrepen de gevallen van een samenleven van ouder en kind zoals dit samenleven bij de geboorte van het kind ontstaat en nadien pleegt te worden voortgezet. Alleen als er na het zelfstandig worden van het kind bijzondere omstandigheden bestaan die ertoe doen besluiten om, wat anders een aflopende samenlevingssituatie zou zijn geweest, tot een blijvende samenwoning met gemeenschappelijke huishouding te maken, kan er reden zijn, een geval van een gemeenschappelijke huishouding, gegroeid uit het inwonen van het nog niet zelfstandige kind bij zijn ouder(s), te brengen onder die waarop artikel 1623h van toepassing is", aldus de Hoge Raad(7).

Blijkens HR 6 maart 1987, NJ 1988, 3, heeft het begrip "duurzame gemeenschappelijke huishouding" in de art. 7A:1623h en art. 7A:1623i BW eenzelfde inhoud. Ook voor art. 7A:1623i BW geldt dus dat samenwoningsrelaties tussen ouders en opgroeiende of jong volwassen kinderen, behoudens bijzondere omstandigheden, niet als een duurzame gemeenschappelijke huishouding kunnen worden aangemerkt.

2.2 Het cassatiemiddel richt een rechtsklacht en een motiveringsklacht tegen hetgeen het hof in de rov. 4.9-4.10 heeft overwogen.

Volgens het middel heeft het hof miskend dat in het onderhavige geval zonder meer van een duurzame gemeenschappelijke huishouding in de zin van art. 7A:1623i lid 2 BW sprake was en dat althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet valt in te zien waarom daarvan géén sprake was.

2.3 Het hof heeft in rov. 4.9 geoordeeld dat het betoog van [eiser], zoals weergegeven in rov. 4.8 en er onder meer toe strekkende dat van een aflopende samenlevingssituatie geen sprake was en dat [eiser] als een willekeurige samenwoner moet worden beschouwd, niet slaagt en dat de kantonrechter met juistheid heeft overwogen dat de samenleving van [eiser] en zijn moeder niet duurzaam is geweest.

Het cassatiemiddel is slechts gericht tegen het oordeel dat de gemeenschappelijke huishouding van [eiser] en zijn moeder niet duurzaam is geweest en niet ook tegen de verwerping van het betoog van [eiser] dat hij (niet als zoon van [betrokkene 1] maar) als een willekeurige samenwoner moet worden beschouwd. In cassatie moet er daarom van worden uitgegaan dat tussen [eiser] en zijn moeder sprake was van een aflopende samenlevingssituatie, tenzij zich bijzondere omstandigheden zoals bedoeld in HR 12 maart 1982, NJ 1982, 352, m.nt. PAS, voordeden.

Uit het cassatiemiddel en de schriftelijke toelichting van mrs. Stoutjesdijk en Sierksma (onder 2.11 en 2.12) leid ik af dat in de benadering van [eiser] de in het cassatiemiddel onder (i) tot en met (iv) genoemde omstandigheden moeten worden beschouwd als bijzondere omstandigheden zoals bedoeld in HR 12 maart 1982, NJ 1982, 352, m.nt. PAS, die met zich brengen dat tussen [eiser] en zijn moeder van een duurzame gemeenschappelijke huishouding sprake was. De bedoelde omstandigheden houden in:

(i) dat [eiser], na een jaar in Italië te hebben gewoond, is teruggekeerd teneinde zijn moeder te verzorgen;

(ii) dat [eiser] vanaf augustus 1998 voor een periode van twee en een half jaar met zijn moeder heeft samengewoond;

(iii) dat [eiser] en zijn moeder de verwachting en intentie hadden dat de samenleving langdurig en duurzaam zou zijn;

(iv) dat de oorzaak van het plotselinge overlijden van [betrokkene 1] op 17 januari 2001 niet was gelegen in de kwalen waarvoor zij verzorging behoefde, zodat niet was te verwachten dat de samenleving om deze reden niet langdurig zou zijn.

2.4 Volgens HR 10 augustus 1983, NJ 1984, 201, rov. 3.3, had de rechtbank 's-Hertogenbosch geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat van een duurzame gemeenschappelijke huishouding in de zin van art. 7A:1623h BW sprake was in een situatie waarin een 28-jarige zoon gedurende ongeveer vijf jaar zelfstandig en tezamen met een vriendin had gewoond, daarna met zijn vriendin bij zijn moeder was gaan wonen, gedurende tenminste twee jaar met zijn moeder een gemeenschappelijke huishouding had gevoerd en het liefste een gezin wilde stichten in de omgeving waar hij was opgegroeid.

De in de bedoelde beschikking aan de orde zijnde situatie laat zich naar mijn mening moeilijk vergelijken met die, welke zich in de onderhavige zaak voordoet, alhoewel er enige overeenstemming bestaat in de duur van de samenwoning tot het moment waarop de duurzaamheid daarvan diende te worden beoordeeld. In de eerste situatie was er een duidelijke breuk met (in de woorden van de beschikking van de Hoge Raad van 12 maart 1982) het samenleven zoals dat bij de geboorte van het kind was ontstaan en nadien was voortgezet, doordat de zoon gedurende ongeveer vijf jaar zelfstandig en met een vriendin had gewoond alvorens hij weer bij zijn moeder introk; [eiser] daarentegen kan slechts op een verblijf van ongeveer één jaar in Italië, aansluitend op zijn studie, wijzen. Voorts is er een verschil in leeftijd waarop betrokkenen weer bij hun moeder zijn gaan wonen (28, respectievelijk 24 jaar). Het belangrijkste verschil is echter dat, terwijl [eiser] weer bij zijn moeder is gaan wonen om haar te verzorgen, in de eerste situatie de zoon en zijn vriendin (kennelijk zonder dat een verzorgingsoogmerk een rol speelde) bij de moeder zijn gaan wonen om juist in die omgeving een gezin te stichten, waarmee de op een blijvende samenwoning gerichte intentie meer evident was.

Overigens blijkt uit (rov. 3.3 van) de beschikking van 10 augustus 1983 dat een oordeel over de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden die aan een samenwonen van ouder en (meerderjarig) kind een voldoende duurzaam karakter verlenen, sterk met het in onderling verband waarderen van de feitelijke omstandigheden is verweven en in zoverre in cassatie niet op zijn juistheid kan worden getoetst.

2.5 Aan de lagere rechtspraak ontleen ik de navolgende voorbeelden van bijzondere omstandigheden in de zin van HR 12 maart 1982, NJ 1982, 352, m.nt. PAS:

a) het feit dat een meerderjarig kind op grond van onvolwaardigheid of hulpbehoevendheid voor zijn verzorging op zijn ouders is aangewezen (a contrario rechtbank Amsterdam 23 december 1981, Praktijkgids 1982, nr. 1779) (art. 7A: 1623h BW);

b) de omstandigheid dat een meerderjarige dochter gedurende tenminste twee jaar maar in feite reeds sinds 1948 met haar moeder en haar ernstig invalide broer samenwoonde met het oog op de noodzakelijke verpleging van die broer, die zij samen met haar moeder verrichtte (kantonrechter Rotterdam 21 oktober 1982, NJ 1984, 523) (art.7A:1623h BW);

c) de omstandigheid dat een vader en zoon, die sinds de geboorte van de zoon samenwoonden, een beëindiging van hun samenwoning niet in het belang van de zoon achtten, gelet op diens beperkingen (de zoon leed aan epilepsie, had een rugvergroeiing, was licht verstandelijk beperkt en legde moeilijk contacten) (kantonrechter Eindhoven 7 oktober 1993, WR 1994, 23) (art. 7A:1623i BW);

d) de omstandigheid dat een 22-jarige zoon, na een periode elders te hebben gewoond, bewust met zijn ongeneeslijk zieke moeder is gaan samenwonen om haar tijdens haar ziekte te kunnen verzorgen en gedurende 5 jaar met haar heeft samengewoond (kantonrechter Amsterdam 11 november 1988, WR 1989, 87) (art. 7A:1623i BW);

e) de omstandigheid dat een 34-jarige zoon, na zelfstandig te hebben gewoond, bij zijn 76-jarige, hulpbehoevende moeder is gaan wonen om haar te verzorgen en gedurende ruim tien jaar met haar heeft samengewoond voor zij overleed (rechtbank Amsterdam 20 mei 1998, WR 1998, 63(8)) (art. 7A:1623i BW);

f) de omstandigheid dat een 37-jarige zoon, na zelfstandig te hebben gewoond, op grond van een zelfstandig wilsbesluit bij zijn ouders is gaan wonen, na het overlijden van zijn vader zijn moeder tijdens haar laatste ziekte gedurende enige jaren verzorging heeft geboden en bijna negen jaar met zijn ouder(s) heeft samengewoond (rechtbank Haarlem 9 juli 1991, WR 1991, 93, waarbij opmerking verdient dat het volgens de rechtbank een ervaringsfeit is dat kinderen die zich op een wat oudere leeftijd opnieuw in de ouderlijke woning huisvesten, dit doen met het oogmerk zich daar blijvend te vestigen) (art. 7A:1623i BW);

g) de omstandigheid dat een 34-jarige zoon reeds gedurende zijn gehele leven met zijn ouders, die kampen met lichamelijke klachten, samenwoont en hen verzorgt, waardoor zij thuis kunnen blijven wonen en niet zijn aangewezen op thuishulp of een verzorgingstehuis (sector kanton rechtbank Haarlem 16 oktober 2002, LJN AE 9113) (art. 7A:1623h BW).

2.6 Men kan deze voorbeelden aldus rubriceren dat volgens de lagere rechtspraak van bijzondere omstandigheden zoals bedoeld in de beschikking van de Hoge Raad van 12 maart 1982 (onder meer) sprake is als:

- een kind vanwege afhankelijkheid of hulpbehoevendheid met zijn ouder(s) samenwoont (a en c);

- een kind gedurende zijn gehele leven bij zijn ouder(s) woont met het oog op hun verzorging of de verzorging van een invalide broer (b en g);

- een kind, na zelfstandig te hebben gewoond, weer bij zijn ouder(s) is gaan wonen met het oog op hun verzorging en gedurende een geruim aantal jaren aldus heeft samengewoond (d: vijf jaar, e: tien jaar en f: negen jaar);

- een ouder kind weer bij zijn ouders gaat wonen, met de - kennelijke - bedoeling zich blijvend bij hen te vestigen (zie f); ook Asser-Abas 5-IIa, (2001), nr. 170, wijst op het in dit verband enigszins afwijkende regime voor "het oude kind" (van 30 jaar en ouder).

2.7 Neemt men de lagere rechtspraak als leidraad, dan biedt dat wel enige, maar geen beslissende steun aan het standpunt van [eiser]. [Eiser] is geboren op [geboortedatum] 1973 en was dus 24 jaar toen hij (in augustus 1998) na een relatief korte periode van zelfstandig wonen weer bij zijn moeder is gaan wonen. Dat men op die (jonge) leeftijd weer bij (één van) de ouders gaat wonen, is volgens de lagere rechtspraak en de literatuur op zichzelf geen aanwijzing voor een (kennelijke) bedoeling zich permanent bij de (betrokken) ouder(s) te vestigen. Voorts is het verzorgingsoogmerk van [eiser] stellig van belang, maar blijkens de lagere rechtspraak op zichzelf niet beslissend, zolang dat oogmerk zich niet door een feitelijke samenwoning van zekere duur heeft bewezen. De periode gedurende welke [eiser] met zijn moeder, tot haar overlijden in 2001, heeft samengewoond (twee en een half jaar, in welke periode [eiser] nog gedurende enige tijd een kamer elders heeft gehuurd), bedraagt minder dan de perioden van samenwonen die in de door de lagere rechtspraak geboden voorbeelden aan een voldoende duurzaamheid van een door een verzorgingsoogmerk geïnspireerd samenwonen van kind en ouder bijdroegen.

Het hof heeft de bedoelde ijkpunten kennelijk op het oog gehad waar het in rov. 4.9 heeft gememoreerd dat [eiser] na een jaar elders te hebben gewoond bij zijn moeder is gaan wonen, dat de samenleving tussen [eiser] en zijn moeder niet langer dan twee en een half jaar heeft geduurd, dat [eiser] gedurende die periode vier maanden (van april tot en met juli 2000) elders een kamer heeft gehuurd en dat [eiser] nog een jonge leeftijd heeft.

2.8 In het cassatiemiddel verwijst [eiser] in verband met de omstandigheid dat zijn moeder en hij gedurende twee en een half jaar hebben samengewoond, onder meer naar de memorie van grieven, waar hij (op p. 6) heeft betoogd dat deze periode langer is dan de termijn van twee jaar van art. 7A:1623h BW en dat "(a)lleen al op die grond kan worden geoordeeld dat de gezamenlijke huishouding een duurzaam karakter had".

Naar mijn mening gaat dit betoog niet op, reeds hierom niet, omdat ook in de systematiek van art. 7A:1623h BW de termijn van twee jaar niet de duurzaamheid van de gemeenschappelijke huishouding vestigt. In de systematiek van art. 7A:1623h BW komt de eis van een duur van tenminste twee jaar "bovenop" de eis dat van (hoofdverblijf en) een duurzame gemeenschappelijke huishouding sprake is(9). Net zomin als een kortere dan de in art. 7A:1623h BW gestelde termijn aan een duurzame gemeenschappelijke huishouding in de weg behoeft te staan(10), is voor de toepassing van art. 7A:1623i BW een voldoende duurzaamheid reeds met een langere dan de in art. 7A:1623h BW gestelde termijn gegeven. Dat geldt in het bijzonder voor de samenlevingsrelatie tussen ouder en (jong) meerderjarig kind, die in beginsel niet als blijvend kan worden aangemerkt en slechts onder bijzondere omstandigheden als zodanig kan worden gekwalificeerd. Het is in verband met dit laatste dat het hof kennelijk (en mogelijk in navolging van de lagere rechtspraak) heeft verlangd dat het gestelde verzorgingsoogmerk zich gedurende een zekere periode moet hebben bewezen en een periode van twee en een half jaar (gedurende een deel waarvan huisvesting elders werd aangehouden), mede gelet op de overige omstandigheden van het geval, daartoe niet voldoende heeft geoordeeld.

2.9 Ik lees het bestreden arrest niet aldus, dat het hof de bedoeling en de verwachting van [eiser] en zijn moeder omtrent de duur van de samenleving voor de beoordeling of deze duurzaam was irrelevant zou hebben geacht. Dat de bedoelingen van de betrokkenen relevant zijn, is bij de totstandbrenging van art. 7A:1623i benadrukt en is ook in de rechtspraak bij herhaling bevestigd(11). In rov. 4.9 heeft het hof de verwachtingen en de bedoelingen van [eiser] en zijn moeder echter uitdrukkelijk verdisconteerd, door (onder verwijzing naar hetgeen de sector kanton dienaangaande had overwogen en naar mijn mening ook in lijn met de lagere rechtspraak met betrekking tot het verzorgingsoogmerk) te oordelen dat, ook al waren die verwachtingen en bedoelingen erop gericht dat de samenleving langdurig en duurzaam zou zijn, de uiteindelijk relatief korte duur daarvan (gedurende welke [eiser] nog enige tijd een kamer elders heeft gehuurd) en de nog jonge leeftijd van [eiser] (die na een verblijf van één jaar in Italië weer bij zijn moeder was gaan wonen) aan een voldoende duurzaamheid van de (in beginsel niet als duurzaam aan te merken) samenleving van moeder en zoon in de weg staan.

2.10 In het bestreden arrest ligt besloten dat het hof heeft beoordeeld of sprake was van bijzondere omstandigheden als bedoeld in HR 12 maart 1982, NJ 1982, 352, m.nt. PAS, op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat tussen [eiser] en zijn moeder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft bestaan. Bij die beoordeling, waarbij het hof heeft aangesloten bij in de (lagere) jurisprudentie relevant geachte omstandigheden, heeft het hof naar mijn mening niet van een onjuiste rechtsopvatting blijk gegeven. Daarmee faalt de rechtsklacht van het middel.

2.11 Hiervóór (onder 2.4 slot) kwam al aan de orde dat de Hoge Raad het oordeel of al dan niet op grond van bijzondere omstandigheden sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding van ouder en meerderjarig kind sterk verweven acht met het in onderling verband waarderen van de feitelijke omstandigheden en dat dit oordeel daarom in cassatie niet op zijn juistheid kan worden getoetst.

De omstandigheden die [eiser] in het cassatiemiddel noemt en op grond waarvan het hof zijns inziens tot het oordeel had moeten komen dat er "zonder meer" sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding in de zin van artikel 7A: 1623i lid 2 BW althans zijn andersluidende opvatting nader had moeten motiveren, zijn alle door het hof in zijn overwegingen betrokken. Gelet op de in rov. 4.9 genoemde omstandigheden (de omstandigheid dat [eiser] na een verblijf elders van een jaar weer bij zijn moeder is gaan wonen, de relatief korte duur van de hernieuwde samenleving, de nog jonge leeftijd van [eiser] en het feit dat [eiser] gedurende (een deel van) de periode waarin hij met zijn moeder samenwoonde ook elders een kamer heeft gehuurd in verband met zijn werkzaamheden in Europoort), is het oordeel van het hof dat er tussen [eiser] en zijn moeder geen sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding, hoezeer wellicht ook een ander oordeel mogelijk zou zijn geweest, niet onbegrijpelijk en niet ontoereikend gemotiveerd. Ook de motiveringsklacht van het middel kan daarom niet slagen.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

Advocaat-Generaal

1 Zie rov. 3 van het bestreden arrest in samenhang met rov. 1 van het vonnis van de kantonrechter Amsterdam van 20 september 2001.

2 Bij wet van 31 januari 1991, Stb. 1991, 50 (in werking getreden op 30 december 1991; Stb. 1991, 234), werden de in artikel 1623i BW oorspronkelijk voorziene verzoekschriftprocedures door dagvaardingsprocedures vervangen.

3 Het arrest is gewezen op 27 februari 2003; de cassatiedagvaarding is uitgebracht op 23 mei 2003.

4 Zie A.S. Rueb, H.E.M. Vrolijk en E.E. de Wijkerslooth-Vinke, Het nieuwe huurrecht per artikel verklaard (2003), p. 126-128.

5 Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 14 249, nr. 6, p. 10.

6 HR 12 maart 1982, NJ 1982, 352, m.nt. PAS.

7 In die zin ook rechtbank Zwolle 19 juni 1981, Praktijkgids 1981, nr. 1660, waartegen het cassatieberoep zich richtte.

8 De rechtbank nam de duur van de gemeenschappelijke huishouding uitdrukkelijk mede in aanmerking: "12. (...) Anderzijds draagt de omstandigheid dat de gemeenschappelijke huishouding ruim tien jaar heeft geduurd en pas is geëindigd met het overlijden van de huurster, (...) wel degelijk bij aan de conclusie dat met die gemeenschappelijke huishouding duurzaamheid werd beoogd."

9 De eis van een duurzame gemeenschappelijke huishouding ligt reeds verankerd in art. 7A:1623h (thans art. 7:267) lid 1 BW. Vgl. voorts de tekst van het derde lid onder a, waarin de minimale tijdsduur en de duurzaamheid van de gemeenschappelijke huishouding naast elkaar worden genoemd: "indien de persoon (...) niet gedurende tenminste twee jaren in de woonruimte zijn hoofdverblijf heeft en met de huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft;".

10 Vgl. Asser-Abas 5-IIa (2001), nr. 185, p. 216, laatste alinea; A. Bockwinkel, Huurbescherming bij woonruimte (1991), p. 265; J.L.R.A. Huydecoper, Handboek Huurrecht (2000), artikel 1623i-111 (aant. 13a). Vgl. voorts (enigszins afwijkend) A-G Remmelink vóór HR 11 december 1981, NJ 1982, 351, die in zoverre de in art. 7A:1632h BW bedoelde termijn en de voor toepassing van art. 7A:1623i BW vereiste duurzaamheid met elkaar in verband brengt, dat hij meent dat "een periode, die globaal genomen daarvan (van de termijn van twee jaar; LK) de helft is, toch zeker beschouwd kan worden als niet so wie so te lang om niet meer te kunnen harmoniëren met "niet-duurzaam"".

11 Zie bijv. HR 11 december 1981, NJ 1982, 351, m.nt. PAS onder NJ 1982, 352. In deze beschikking was aan de orde dat, op het moment dat de dochter bij haar moeder ging wonen, reeds sprake was van toewijzing van een aan de invaliditeit van de moeder aangepaste bejaardenwoning; deze omstandigheid stond in de weg aan een op een duurzame gemeenschappelijke huishouding gerichte bedoeling en verwachting. De reeds vaststaande verhuizing naar een bejaardenwoning stond eveneens in de weg aan een duurzame gemeenschappelijke huishouding in kantonrechter Hoorn 23 maart 1998, Praktijkgids 1998, nr. 4994, m.nt. P. Abas, en WR 1998, 61, m.nt. H. Meijerink. HR 14 november 2003, RvdW 2003, 178, rov. 3.4.2, betrof een geval waarin de samenwoning van moeder en dochter in die zin een duurzaam karakter had, dat de dochter haar hoofdverblijf in de woning had en de bedoeling had daar ook te blijven wonen, mede om haar moeder te verzorgen toen gebleken was dat de gezondheid van haar moeder verslechterde en waarin ook een reëel uitzicht op deze duurzame samenwoning bestond. Zie meer in het algemeen voor de (doorslaggevende) betekenis van de verwachtingen van betrokkenen bij de aanvang van de samenwoning HR 28 april 1989, NJ 1989, 800, m.nt. PAS, rov. 3.1 (deze beschikking betrof overigens niet het bijzondere geval van een samenwoning van ouder en meerderjarig kind). Zie ook Asser-Abas 5-IIa (2001), nr . 170.