Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2004:AP9666

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12-11-2004
Datum publicatie
12-11-2004
Zaaknummer
C03/300HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2004:AP9666
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

12 november 2004 Eerste Kamer Nr. C03/300HR JMH/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: Mr. Wilhelm AERTS, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van RAAD ADMINISTRATIE CONSULTANTS B.V. en [A] B.V., wonende te Mook, EISER tot cassatie, advocaat: mr. R.S. Meijer, t e g e n [Verweerder], wonende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, advocaat: mr. C.J.J.C. van Nispen. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 590
NJ 2005, 500 met annotatie van C.E. du Perron
JWB 2004/391
JOR 2005/22
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. C03/300HR

Mr. D.W.F. Verkade

Zitting 9 juli 2004 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

Mr. W. Aerts q.q.

tegen:

[verweerder]

1. Inleiding en achtergrond

1.1. De vraag van de uitleg van een aanbod respectievelijk overeenkomst, die in deze procedure aan de orde is, is in een vijftiental vergelijkbare zaken aan de orde.(1) De vraag is door diverse rechtbanken in het land in verschillende zin beantwoord. Appellen in (een aantal van) die zaken zijn nog aanhangig. De cassatieadvocaat van mr. Aerts heeft in de aanbiedingsbrief laten weten: 'Een spoediger afdoening dan het normale regime meebrengt, is in zoverre welkom (...).' In het midden latend in hoeverre het arrest in deze zaak werkelijk richtinggevend kan blijken voor de andere zaken, concludeer ik heden bij vervroeging.

1.2. De RAAD-groep was een organisatie van administratiekantoren die opereerden volgens de zogenaamde 'RAAD-formule'.

Een zogeheten RAAD-consulent (waarvan [verweerder] er een was) sloot daartoe een licentieovereenkomst met RAAD Administratie Consultants BV (hierna: RAC) en een overeenkomst inzake commanditaire vennootschap met [A] BV (hierna: [A]), waarbij [A] als commanditair en de consulent ([verweerder]) als beherend vennoot optrad. De consulenten exploiteerden vervolgens voor eigen rekening en risico een administratiekantoor, daarbij gebruik makend van de franchiseformule en de daarmee samenhangende diensten van RAAD.(2) De aandelen van RAC en [A] waren volledig in handen van Raad Holding BV (hierna: RAAD Holding).

1.3. De formule bleek in de praktijk minder goed te werken dan was ingeschat en de drie BV's (hierna gezamenlijk: RAAD c.s.) gingen failliet. Mr. Aerts werd tot curator benoemd.

1.4. De curator heeft de licentieovereenkomst met [verweerder] (en de andere consulenten) opgezegd, als gevolg waarvan ook de commanditaire vennootschap ophield te bestaan. Hij heeft vervolgens aan alle RAAD-consulenten een voorstel voorgelegd dat onder meer een regeling bevatte voor (gedeeltelijke) terugbetaling van de schulden van de consulenten aan RAC en [A].

In dit voorstel was bepaald dat het aanbod van de curator zou komen te vervallen indien het niet door ten minste 80% van de consulenten (tijdig en onvoorwaardelijk) zou worden geaccepteerd.

1.5. [Verweerder] heeft het voorstel voor akkoord ondertekend. De '80%-voorwaarde' werd evenwel niet gehaald.

1.6. In feitelijke instanties rees de vraag of er desondanks sprake was van een perfecte overeenkomst, en of de curator nakoming van de uit die overeenkomst voortvloeiende (betalings-)verplichtingen kon vorderen. Zowel de rechtbank als het hof hebben deze vraag ontkennend beantwoord.

De rechtbank heeft daartoe - kort gezegd - geoordeeld dat de door de curator voorgestane uitleg (dat de bedoelde voorwaarde slechts in zijn belang was gesteld, zodat [verweerder] daar geen beroep op kon doen) geenszins uit de tekst van het aanbod blijkt, en dat [verweerder] wel degelijk belang had bij bedoelde voorwaarde.

Het hof heeft de vraag in wiens belang de voorwaarde is gemaakt in het midden gelaten en heeft, in lijn met HR 10 maart 1967, NJ 1967, 194 (Blonk/De Renkumsche Heide) geoordeeld dat, ook al zou moeten worden aangenomen dat de '80%-voorwaarde' uitsluitend in het belang van de curator is gesteld, op geen enkele wijze uit het door de curator gedane voorstel blijkt dat hij zich de bevoegdheid heeft voorbehouden door eenzijdige wilsverklaring de onder voorwaarde aan [verweerder] voorgelegde overeenkomst in een zuivere overeenkomst om te zetten en dat een wederpartij als [verweerder] er op mag rekenen dat de uit de overeenkomst voortvloeiende verbintenissen niet van kracht zullen worden zonder dat de voorwaarde is vervuld.

1.7. Ik zal concluderen tot verwerping van het beroep.

2. Feiten(3)

2.1. RAC (als licentiegever) en RAAD Stad Groningen Zuid-Oost CV (als licentienemer), laatstgenoemde vertegenwoordigd door haar beherend vennoot [verweerder], hebben op 14 mei 1999 een overeenkomst gesloten, waarin - onder meer - het volgende voorkomt:

'IN AANMERKING NEMENDE DAT:

- licentiegever een succesvol franchiseformule ontwikkeld heeft voor het exploiteren van een administratiekantoor;

- (...)

- licentiegever aanzienlijke bedragen heeft geïnvesteerd en nog zal investeren in de (verdere) ontwikkeling van het "RAAD-systeem";

- licentiegever en licentienemer met ingang van 5 januari 1998 een licentieovereenkomst zijn aangegaan, krachtens een op 16 december 1997 gesloten overeenkomst;

- licentienemer als commanditaire vennootschap geheel voor eigen rekening en risico een administratiekantoor exploiteert;

(...)

- de verhouding tussen licentiegever en licentienemer met ingang van 1 januari 1999 wordt beheerst door de navolgende bepalingen:

KOMEN OVEREEN ALS VOLGT:

(...)

Artikel 16

Licentiegever is bereid licentienemer voor te dragen bij de bank waardoor licentienemer in de gelegenheid gesteld kan worden om gebruik te maken van een speciaal financieringsarrangement van maximaal f 100.000,-.

Artikel 17

1. Bij het aangaan van deze licentie-overeenkomst is licentienemer aan licentiegever een (investerings-)bedrag van f 100.000,- (...) exclusief BTW verschuldigd voor het RAAD-installatiepakket. De inhoud en samenstelling van het RAAD-installatiepakket is als bijlage bij deze overeenkomst gevoegd.

2. (...)

Artikel 24 beëindiging overeenkomst bij faillissement en overlijden

1. Zowel licentiegever als licentienemer zijn gerechtigd deze overeenkomst onmiddellijk te beëindigen en zulks onverminderd ieders eventuele rechten op schadevergoeding en overige rechten uit deze overeenkomst en de wet voortvloeiend, indien één der partijen surséance van betaling heeft gevraagd danwel in staat van faillissement is verklaard, (...)'

2.2. Eveneens op 14 mei 1999 hebben [A] en [verweerder] (laatstgenoemde daarbij aangeduid: als Vennoot B) een overeenkomst inzake commanditaire vennootschap gesloten, waarin - voor zover thans van belang - het volgende voorkomt:

'IN AANMERKING NEMENDE DAT:

- (...)

- [A] en Vennoot B met ingang van 5 januari 1998 een commanditaire vennootschap zijn aangegaan onder de handelsnaam RAAD Stad Groningen Zuid-Oost C.V., krachtens een op 16 december 1997 gesloten overeenkomst inzake commanditaire vennootschap, teneinde, na verkregen licentie van RAAD Administratie Consultants B.V., voor gemeenschappelijke rekening en onder gemeenschappelijke naam een administratiekantoor te exploiteren op basis van het "RAAD systeem";

(...)

- de vennootschap met ingang van 1 januari 1999 wordt beheerst door de navolgende bepalingen.

VERKLAREN TE ZIJN OVEREENGEKOMEN ALS VOLGT:

(...)

Artikel 2 naam & zetel

1. (...)

2. Vennoot B treedt als beherend vennoot op en [A] als commanditaire vennoot.

(...)

Artikel 4 inbreng, vermogen van de vennootschap

1. Door Vennoot B is in de vennootschap ingebracht:(...)

2. Door [A] is in de vennootschap ingebracht een bedrag groot f 30.000,-.

Artikel 20 einde vennootschap

De vennootschap eindigt:

a. (...)

d. door surséance van betaling, faillissement of onder curatelestelling van één van de vennoten;

e. (...)

één en ander met inachtneming van het bepaalde in de overeenkomst.

Artikel 21 cliëntenbestand

1. Het eigendomsrecht van cliënten der vennootschap ligt te allen tijde bij [A].

2. In het geval van faillissement, ontbinding of liquidatie van [A] komt het eigendomsrechten van cliënten der vennootschap Vennoot B toe.

3. (...)

Artikel 27 aanvullend recht

Voor zover de bepalingen van deze overeenkomst daarvan niet rechtsgeldig afwijken, gelden tussen de vennoten de wettelijke bepalingen omtrent de commanditaire vennootschap.'

2.3. Bij de hiervoor onder 2.2 genoemde overeenkomst hoort een door dezelfde partijen en op dezelfde datum ondertekende allonge, die (voorzover thans van belang) als volgt luidt:

'IN AANMERKING NEMENDE DAT:

(...)

- De overeenkomst van 14 mei 1999 voornoemd nog enkele aanpassingen behoeft.

VERKLAREN TE ZIJN OVEREENGEKOMEN ALS VOLGT:

- (...)

- Inbreng cliëntenportefeuille om niet

Vennoot B heeft per 5 januari 1998 om niet een cliëntenportefeuille ingebracht. Deze cliëntenportefeuille is gespecificeerd in een bijlage.

Bij beëindiging van de vennootschap komt Vennoot B het eigendomsrecht toe van de voornoemde cliëntenportefeuille.

De aan de om niet ingebrachte cliëntenportefeuille verbonden goodwill en alle rechten daarop worden voor 100% toegekend aan Vennoot B. (...)'

2.4. Op 22 februari 2000 is aan RAAD Holding voorlopig surséance van betaling verleend. Vervolgens zijn op 3 maart 2000 zowel Raad Holding als RAC in staat van faillissement verklaard. Op 5 april 2000 is [A] eveneens failliet verklaard.

Terzake van alledrie faillissementen is mr. W. Aerts tot curator benoemd.

2.5. De curator heeft op 23 maart 2000 het volgende voorstel aan [verweerder] gedaan:

'In mijn hoedanigheid van curator c.q. bestuurder van de genoegzaam bekende RAAD-vennootschappen heb ik u reeds eerder geschreven over de beëindiging van de licentieovereenkomst en de CV-overeenkomst. Ook heb ik aan ieder van u tussentijds een gespecificeerde opgave laten verstrekken van de vorderingen welke RAAD Administratie Consultants B.V. en [A] B.V. op u hebben.

Na overleg en bekomen machtiging van de rechter-commissaris doe ik u bij deze onder de hierna te omschreven voorwaarden een voorstel tot gedeeltelijke kwijtschelding van uw schulden aan [A] B.V. en RAAD Administratie Consultants B.V.

Voor wat betreft [A] B.V. ben ik bereid genoegen te nemen met betaling van 80% van de openstaande gewone vorderingen. Deze zullen gewoonlijk betrekking hebben op nog niet afgedragen winstaandelen en rente.

Ten aanzien van de gewone vorderingen van RAAD Administratie Consultants B.V. wordt eveneens genoegen genomen met betaling van 80% van het verschuldigde en dus kwijtschelding van 20% aangeboden. (...)

Wat resteert is de vordering van [A] tot terugbetaling van het gestorte commanditair kapitaal. Dezerzijds bestaat de bereidheid om hiervan 50% onmiddellijk kwijt te schelden en voor wat betreft de terugbetaling van de andere helft genoegen te nemen met een zeer milde afbetalingsregeling.

Daarmee ben ik toegekomen aan de voorwaarden, welke aan dit aanbod tot partiële kwijtschelding zijn verbonden.

1. Het aanbod moet worden beschouwd als een geheel en kan dus ook alleen maar als geheel worden aanvaard of verworpen.

2. Als voorwaarde voor handhaving van dit aanbod geldt dat tenminste 80% van alle in aanmerking komende franchisenemers dit aanbod onvoorwaardelijk accepteert. Met onvoorwaardelijk is met name bedoeld dat geen voorbehouden kunnen worden aanvaard met betrekking tot de verschuldigdheid van de betaling van het niet-kwijtgescholden gedeelte van de vorderingen. Enkelen uwer hebben inmiddels commentaar geleverd op de juistheid van de berekening van de diverse saldi. Daar wordt uiteraard serieus naar gekeken. Niet aanvaardbaar zijn echter beroepen op verrekening, welke niet op de wet steunen of andere voorwaarden welke per saldo strekken tot non-betaling van de bedragen welke na acceptatie verschuldigd zijn.

3. Dit aanbod wordt gedurende veertien dagen na dagtekening dezes gestand gedaan en vervalt indien het niet door tenminste 80% van de RAAD-consultants binnen die termijn schriftelijk wordt geaccepteerd. In dat geval zullen de diverse vorderingen noodgedwongen volledig moeten worden geïncasseerd.

4. In geval van acceptatie zullen de gewone vorderingen (waarvan 20% wordt kwijtgescholden) binnen zes weken na heden moeten zijn ontvangen op de nader aan te geven boedelrekeningen. Voor wat betreft de terugbetaling van het CV-kapitaal (waarvan 50% wordt kwijtgescholden) wordt genoegen genomen met een betalingsregeling in twee termijnen, waarvan de eerste verstrijkt op 31 december 2000 en de laatste op 31 december 2001.

5. In geval van niet of niet tijdige betaling vervalt de regeling en is alsnog 100% van de nominale bedragen verschuldigd.

6. (...)

7. In geval van acceptatie wordt het klantenbestand om niet overgedragen aan de betrokken franchisenemer en volgt gelijktijdig ontslag uit alle verplichtingen uit hoofde van het beding van non-concurrentie.

8. Ten slotte wordt dit aanbod pro forma gedaan onder voorbehoud machtiging rechter-commissaris.

(...)'

2.6. [verweerder] heeft dit schrijven op 6 april 2000 'voor akkoord' ondertekend.

2.7. Het aanbod van de curator is door minder dan 80% van de franchisenemers van de RAAD-formule aanvaard.

2.8. Nadat [verweerder] de brief van 23 maart 2000 op 6 april 2000 'voor akkoord' had getekend, heeft de curator bij brief van 12 april 2000 aan mr. Guelen, die als advocaat voor een aantal RAAD-consulenten optrad, laten weten dat hij het in de brief van 23 maart 2000 gemaakte voorbehoud van voldoende instemming kan laten vervallen.

3. Procesverloop

3.1. Ik moge mijn weergave van het verloop van de procedure in feitelijke instanties beperken tot hetgeen van belang voorkomt voor de rechtsstrijd in cassatie.

3.2. Bij inleidende dagvaarding van 2 april 2001 heeft de curator [verweerder] gedagvaard voor de rechtbank te Leeuwarden. De curator heeft - onder meer - gevorderd om [verweerder] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen om aan de curator te voldoen f 19.287,61, aanstonds na betekening van het te wijzen vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente over f 7.412,61 vanaf 4 mei 2000 en over f 11.875,- vanaf 1 januari 2001 tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede f 11.875,- uiterlijk op 31 december 2001 en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2002, indien de betaling van deze tweede tranche later zal plaatsvinden.

3.3. De curator heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat [verweerder] een voorstel van de curator heeft aanvaard, doch vervolgens niet aan zijn betalingsverplichtingen uit hoofde van de daarmee tot stand gekomen overeenkomst heeft voldaan.

3.4. [Verweerder] heeft ten deze onder meer het gemotiveerde verweer gevoerd dat, kort gezegd, de overeenkomst waarop de curator zich beroept niet tot stand is gekomen, nu een in de overeenkomst opgenomen opschortende voorwaarde, inhoudende dat het voorstel door ten minste 80% van de RAAD consulenten (tijdig en schriftelijk) moet zijn geaccepteerd, niet is vervuld.

3.5. Bij vonnis van 10 juli 2002 heeft de rechtbank het door de curator gevorderde afgewezen. Ik geef hieronder de relevante overwegingen weer:

'De 80%-voorwaarde

3.3. Aan het eerste onderdeel van de vordering (in conventie) ligt ten grondslag dat tussen de curator en [verweerder] een vaststellingsovereenkomst zou zijn gesloten (...).

Het in bedoeld schrijven neergelegde aanbod van de curator komt er materieel op neer dat hij de schulden van (in casu) [verweerder] gedeeltelijk zou kwijtschelden indien [verweerder] daartegenover zijn rechten, zoals bedoeld in de laatste zin van de onder 2 van het aanbod omschreven voorwaarde, zou prijsgeven.

Aan de 80%-voorwaarde, zoals verwoord in bedoeld aanbod, is echter - zoals [verweerder] terecht betoogt - niet voldaan.

3.4. De curator betoogt dat bedoelde voorwaarde slechts in zijn belang is geschreven, zodat [verweerder] daar geen beroep op kon doen. Deze door de curator voorgestane uitleg volgt echter geenszins uit de tekst van het aanbod. Voorts was bedoelde voorwaarde wel degelijk van belang voor [verweerder], zoals hij in zijn conclusie van dupliek onder 15 heeft verwoord. Dit belang was gelegen in een regeling die het collectieve karakter van de franchise-overeenkomst met alle deelnemers ondersteunde en hen niet in ongelijke posities bracht, aldus [verweerder]. De rechtbank begrijpt dat [verweerder] hiermee beoogt te stellen dat toen bleek dat 80%-voorwaarde niet werd gehaald, er geen sprake was van een regeling als bedoeld in de vorige zin. Dit standpunt is juist. Nu niet aan de (opschortende) 80%-voorwaarde was voldaan, is er geen (vaststellings)overeenkomst tussen partijen tot stand gekomen. Dit onderdeel van de vordering van de curator zal dan ook bij gebreke van een deugdelijke grondslag worden afgewezen.'

3.6. De curator is van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te Leeuwarden. [verweerder] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.7. Bij arrest van 23 juli 2003 heeft het hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigd. Daartoe heeft het hof overwogen:

'3. Grief I bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat, nu niet aan de (door het hof als zodanig aangemerkte: opschortende) 80%-voorwaarde is voldaan, er geen (vaststellings)overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen.

Grief II bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat uit de tekst van de voorwaarde geenszins blijkt dat deze in het belang van de curator is geschreven, zodat alleen hij er een beroep op zou mogen doen. Voorts wordt bestreden het oordeel van de rechtbank dat de voorwaarde ook in het belang van [verweerder] was.

[...]

6. Volgens onderdeel 3 van de brief van 23 maart 2000 van de curator zou het door hem gedane aanbod vervallen indien het niet door 80% van de RAAD-consultants binnen twee weken nadien zou worden geaccepteerd.

7. Het staat vast dat niet aan deze opschortende voorwaarde is voldaan, zodat daarmee de door partijen onder deze voorwaarde gesloten overeenkomst niet in een zuivere overeenkomst is omgezet.

8. Anders dan de curator ingang poogt te doen vinden, kan daaraan niet afdoen dat, nadat [verweerder] zich op 6 april 2000 met het voorwaardelijke aanbod van de curator akkoord had verklaard, de curator bij brief van 12 april 2000 aan mr. Guelen kenbaar afstand heeft gedaan van de eerder door hem gestelde en door [verweerder] geaccepteerde voorwaarde.

9. Het hof wijst er daarbij op dat in de brief van 23 maart 2000 op geen enkele wijze duidelijk wordt gemaakt dat de curator zich de bevoegdheid had voorgehouden door een eenzijdige wilsverklaring de onder voorwaarde voorgelegde overeenkomst in een zuivere overeenkomst om te zetten.

10. Het hof wijst er voorts op dat, zelfs indien met de curator zou worden aangenomen dat de 80%-voorwaarde uitsluitend in zijn belang zou zijn opgenomen, dit aan het vorenstaande niet kan afdoen. Immers, de wederpartij van degene in wiens belang een voorwaarde in een overeenkomst is opgenomen mag er op rekenen dat de uit die overeenkomst voortvloeiende verbintenis niet van kracht zal worden zonder dat de voorwaarde is vervuld (Hoge Raad 10 maart 1967, NJ 1967, 194).

11. Voor zover de curator met zijn betoog in onderdeel 15 van de pleitnota in hoger beroep zou willen stellen dat [verweerder] geacht moet worden alsnog akkoord te zijn gegaan met het door de curator laten vallen van de voorwaarde waaronder [verweerder] zich op 6 april 2000 akkoord heeft verklaard met het aanbod van de curator, gaat het hof daaraan voorbij. Uit hetgeen de curator in dat onderdeel voorts stelt en uit de door hem genoemde brief van 30 augustus 2000 aan [verweerder], moet immers kennelijk worden afgeleid dat [verweerder] na 12 april 2000 nimmer enige verklaring heeft afgelegd of actie heeft ondernomen waaruit de conclusie zou kunnen worden getrokken dat hij zich, ondanks de omstandigheid dat niet was voldaan aan de voorwaarde waaronder de overeenkomst was gesloten, daaraan niettemin welbewust gebonden achtte of wilde achten.

12. Ten slotte wijst het hof er nog op dat de curator niet aannemelijk heeft gemaakt zijn door [verweerder] gemotiveerd betwiste stelling dat mr. Guelen als vertegenwoordiger en/of raadsman van [verweerder] moet worden aangemerkt en dat mr. Guelen - naar het hof de stellingen van de curator begrijpt - zich in die hoedanigheid impliciet of expliciet akkoord heeft verklaard met het alsnog laten vervallen van de voorwaarde waaronder de overeenkomst was gesloten. Het hof wijst er daarbij nog op dat [verweerder] ten pleidooie van hot hof uitdrukkelijk heeft verklaard dat hij, anders dan wordt vermeld in onderdeel 54 van de conclusie van dupliek in conventie/repliek in reconventie, nimmer aangesloten is geweest bij de groep Beraad (Consultenraad) en de daaruit gevormde klankbordgroep waarvan mr. Guelen blijkbaar de raadsman was.

13. Nu de curator niet heeft gesteld dat het bij de vermelding in onderdeel 54 van de genoemde conclusie ging om een gerechtelijke erkentenis waarop [verweerder] in beginsel niet zou kunnen terugkomen en hij, curator, evenmin bewijs heeft aangeboden van zijn voormelde stelling, gaat het hof daaraan voorbij.

14. De grieven falen.'

3.8. Van dit arrest is de curator - tijdig(4) - in cassatieberoep gekomen. [Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Beide partijen hebben de zaak schriftelijk toegelicht. Er is niet gerepliceerd resp. gedupliceerd.

4. Bespreking van het cassatiemiddel

4.1. Het middel strekt ten betoge dat het hof ten onrechte en/of zonder toereikende motivering in r.ovv. 7-10 heeft geoordeeld dat, ondanks [verweerder]' schriftelijke en voorbehoudloze aanvaarding van het aanbod van de curator, geen voor [verweerder] verbindende overeenkomst tot stand is gekomen, zulks vanwege de niet (tijdige) vervulling van de door de curator aan zijn aanbod verbonden voorwaarde: 'Dit aanbod wordt gedurende veertien dagen na dagtekening dezes gestand gedaan en vervalt indien het niet door ten minste 80% van de RAAD-consultants binnen die termijn schriftelijk wordt geaccepteerd' (hierna veelal: 'de 80%-voorwaarde').

Het middel wordt (in niet genummerde alinea's) nader uitgewerkt/toegelicht op pp. 3-5 van de cassatiedagvaarding.

4.2. Bij de beoordeling van het middel dient het volgende vooropgesteld te worden. Het gaat in deze zaak om de uitleg van een beding (opschortende voorwaarde) in een door de wederpartij ([verweerder]) aanvaard schriftelijk aanbod van de curator. Het gaat daarmee om de uitleg van een beding in een schriftelijke overeenkomst, met de daarvoor geldende uitlegregels.

4.3. Voor zover het middel in de tweede alinea op p. 3 en op p. 5 (midden) betoogt(5) dat het in dit geval niét om een in een overeenkomst opgenomen voorwaarde zou gaan, maar 'om een geheel spontaan en eenzijdig door de curator aan (de handhaving van) zijn eigen aanbod verbonden voorwaarde', en dat daarvoor andere uitlegregels zouden gelden, miskent het dat door de aanvaarding zijdens [verweerder] van het aanbod van de curator een overeenkomst tot stand gekomen is. Zo er vóór de aanvaarding van het aanbod door [verweerder] al gesproken kon worden van een voorwaardelijk aanbod (en niet van een aanbod tot het sluiten van een overeenkomst onder opschortende voorwaarde), kan er geen twijfel over bestaan dat vanaf het moment dat het aanbod door [verweerder] werd aanvaard gesproken moet worden van een overeenkomst onder opschortende voorwaarde. Op dat moment zijn de eenzijdige rechtshandelingen: (voorwaardelijk) aanbod en aanvaarding, opgegaan in de tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst. Dat het onderhavige aanbod geheel op initiatief van de curator is gedaan en [verweerder] dit vervolgens onvoorwaardelijk heeft geaccepteerd, doet hier niet aan af. Er was nadien dus geen sprake meer van alleen een (voorwaardelijk) aanbod, maar van een door het aanbod en de acceptatie daarvan totstandgekomen - en uit te leggen - overeenkomst onder voorwaarde.

Ik teken terzijde aan dat de curator blijkens de inleidende dagvaarding (sub 4 en 5) ten deze eveneens uitgaat van een totstandgekomen (vaststellings-)overeenkomst, waarvan hij nakoming vordert.

4.4. Met betrekking tot een in een overeenkomst opgenomen opschortende voorwaarde heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 10 maart 1967, NJ 1967, 194 overwogen dat - tenzij anders is bedongen - degene in wiens belang de voorwaarde is gemaakt, niet bevoegd is om door een eenzijdige wilsverklaring de voorwaardelijke verbintenis om te zetten in een zuivere verbintenis.(6)

4.4.1. Aan het arrest ontleen ik het volgende. Partijen, Blonk en De Renkumsche Heide, hadden een overeenkomst omtrent de koop en verkoop van een onroerend goed gesloten. De overeenkomst bevatte een aantal opschortende voorwaarden (waaronder de voorwaarde dat de koper, Blonk, van de gemeente een vergunning zou krijgen om het gekochte huis als weekendverblijf en/of vakantieverblijf te gebruiken), welke evenwel niet in vervulling gingen. Desondanks wilde Blonk de overeenkomst gestand doen, waartoe hij De Renkumsche Heide voor de rechtbank te Zutphen daagde en veroordeling tot medewerking aan het transport van het betreffende onroerend goed vorderde.

4.4.2. De rechtbank wees de vordering toe, oordelende dat de onderhavige voorwaarden uitsluitend door het belang van Blonk waren ingegeven, dat het Blonk dan ook vrijstond af te zien van de vervulling van deze voorwaarden om aldus de uit die overeenkomst voortspruitende verbintenissen hun werking te doen verkrijgen en dat weliswaar denkbaar zou zijn dat onder bepaalde omstandigheden de eisen van de goede trouw aan een dergelijke handelwijze van de koper in de weg zouden staan, doch dat daarvan in het onderhavige geval niet, althans onvoldoende, was gebleken.

4.4.3. In hoger beroep werd dit vonnis vernietigd en werden de vorderingen van Blonk alsnog afgewezen. Het hof overwoog daartoe dat uit het koopcontract niet bleek dat partijen waren overeengekomen dat Blonk het recht had van de vervulling van onderhavige voorwaarden afstand te doen en dat de omstandigheid dat de voorwaarden uitsluitend door het belang van Blonk waren ingegeven, zonder meer niet de gevolgtrekking wettigde, dat Blonk voormeld recht had.

4.4.4. De Hoge Raad liet dit arrest in stand. Ik geef de relevante overwegingen weer:

'dat blijkens het in art. 1299 BW bepaalde een onder een opschortende voorwaarde aangegane koop eerst van kracht is nadat de voorwaarde is vervuld;

dat dit anders is, indien is bedongen, dat een van de partijen de bevoegdheid zal hebben door eenzijdige wilsverklaring de onder opschortende voorwaarde aangegane koop in een zuivere koop om te zetten en van deze bevoegdheid gebruik is gemaakt;

dat het hof de onderhavige overeenkomst aldus heeft uitgelegd, dat zij een beding van deze strekking niet behelst;

dat deze uitlegging van de overeenkomst van zuiver feitelijke aard is en derhalve in cassatie niet kan worden getoetst;

(...)

dat ook het (...) beroep op het in de artt. 1374 en 1375 bepaalde faalt, omdat, indien een beding als hierboven bedoeld niet is gemaakt, de wederpartij van degeen in wiens belang de opschortende voorwaarde in de overeenkomst is opgenomen, er op mag rekenen, dat de uit de overeenkomst voortvloeiende verbintenissen niet van kracht zullen worden zonder dat de voorwaarde is vervuld;

dat het hof (...) heeft overwogen 'dat de omstandigheid, dat de voorwaarden uitsluitend in het belang van Blonk zijn ingegeven, zonder meer niet de gevolgtrekking wettigt, dat Blonk het (in de voorafgaande alinea van het arrest bedoelde) recht heeft';

dat de in de vijfde alinea van het onderdeel vervatte klacht, dat het hof in het duister laat, wat het college bedoelt met de woorden 'zonder meer', feitelijke grondslag mist;

dat immers duidelijk is, dat het hof heeft bedoeld, dat de omstandigheid, dat een opschortende voorwaarde uitsluitend in het belang van een der partijen is opgenomen, een argument kan opleveren voor een uitlegging van de overeenkomst in de door het hof in de voorafgaande alinea bedoelde zin, doch dat, indien de overeenkomst niet aldus mag worden uitgelegd, aan de genoemde omstandigheid geen rechtsgevolgen zijn verbonden;

(...).'

4.5. Uitgaande van de in dit arrest gegeven regel(s), is het enkele feit dat een opschortende voorwaarde uitsluitend in het belang van een der partijen is opgenomen, geen grond om aan te nemen dat die partij door een eenzijdige wilsverklaring de voorwaardelijke verbintenis tot een zuivere verbintenis kan maken. Het gaat erom of een zodanige eenzijdige bevoegdheid bedongen is.

4.6. De uitleg van een overeenkomst oftewel de vaststelling van hetgeen in een overeenkomst (als de onderhavige(7)) bedongen is, wordt - in elk geval sedert 1981 - beheerst door hetgeen de Hoge Raad heeft neergelegd in het Haviltex-arrest van dat jaar:

'2. (...) De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht.' (8)

Dat geldt ook voor de opschortende voorwaarde in de onderhavige overeenkomst tussen de curator en [verweerder]. Er is, met andere woorden, geen tegenstelling tussen het arrest Blonk/De Renkumsche Heide enerzijds en het Haviltex-arrest anderzijds. De regels vullen elkaar aan.

Dat het bij de beantwoording van de vraag of in een overeenkomst zoals in de Blonk-zaak en in de nu voorliggende zaak een eenzijdige bevoegdheid van een partij tot het afstand doen van een daarin opgenomen opschortende voorwaarde besloten ligt, niet enkel aankomt op hetgeen schriftelijk of zuiver taalkundig is neergelegd, blijkt ook al uit het Blonk-arrest zelf. De Hoge Raad overweegt daar immers dat de omstandigheid, dat een opschortende voorwaarde uitsluitend in het belang van een der partijen is opgenomen, een argument kan opleveren voor een uitlegging van de overeenkomst in de hiervoor bedoelde zin (maar op zichzelf dus niet een doorslaggevend argument, zo roep ik in herinnering).

4.7. Het in een zaak als deze aan de hand van de Haviltex-maatstaf (met inachtneming van de maatstaf van het arrest Blonk/De Renkumsche Heide) te geven oordeel is aan de feitenrechter voorbehouden en kan in cassatie verder niet op juistheid, doch slechts op begrijpelijkheid worden getoetst.

4.8. Ik keer terug naar het middel. De centrale (uitwerking van en toelichting op de) klacht is te vinden in de eerste volle alinea op p. 5, waarin de curator het hof verwijt dat het de Haviltex-maatstaf miskend heeft (of in het licht van die maatstaf zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd heeft) in de - op zijn beurt centrale - rov. 9 van het arrest:

'9. Het hof wijst er daarbij op dat in de brief van 23 maart 2000 op geen enkele wijze duidelijk wordt gemaakt dat de curator zich de bevoegdheid had voorgehouden door een eenzijdige wilsverklaring de onder voorwaarde voorgelegde overeenkomst in een zuivere overeenkomst om te zetten.'

4.9. Onder voorbehoud van de straks te bespreken door de curator gestelde (zijns inziens althans hypothetisch vaststaande) feiten, en de door hem gestelde nadere omstandigheden, meen ik dat deze klacht op zichzelf niet kan slagen.

Nadat het hof in rov. 6 had geoordeeld:

'6. Volgens onderdeel 3 van de brief van 23 maart 2000 van de curator zou het door hem gedane aanbod vervallen indien het niet door 80% van de RAAD-consultants binnen twee weken nadien zou worden geaccepteerd.'

tegen welk oordeel geen klacht is gericht, en in rov. 7 had geoordeeld:

'7. Het staat vast dat niet aan deze opschortende voorwaarde is voldaan, zodat daarmee de door partijen onder deze voorwaarde gesloten overeenkomst niet in een zuivere overeenkomst is omgezet.'

tegen welk oordeel geen gemotiveerde klacht is gericht(9), heeft het hof zich in rov. 9 kennelijk de vraag gesteld, of er, niettegenstaande de ingevolge r.ovv. 6 en 7 duidelijke tekst, desalniettemin aanwijzingen waren om aan te nemen (dat de overeenkomst aldus zou moeten worden uitgelegd) dat bedongen zou zijn dat de curator zich de bevoegdheid had voorgehouden door een eenzijdige wilsverklaring de onder voorwaarde voorgelegde overeenkomst in een zuivere overeenkomst om te zetten. Aldus is het hof van de juiste (Haviltex-)maatstaf uitgegaan.

Anders dan het middel suggereert, is het hof daartoe - blijkens rov. 9 - niet stil blijven staan bij alleen de tekst van het betrokken beding (punt 3) in de brief van de curator van 23 maart 2000, maar heeft het hof nagegaan of er in die brief van 23 maart 2000 op enige andere wijze aanwijzingen als even bedoeld waren te vinden. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof die niet aangetroffen. Het middel bevat ook niet de klacht dat het onbegrijpelijk zou zijn dát het hof die aanwijzingen noch in punt 3, noch elders in de brief heeft aangetroffen.

Behoudens voor zover de hierna te bespreken, door de curator ingeroepen (hypothetische) feiten en omstandigheden anders zouden leren, was er voor het hof geen plicht of aanleiding (zo het hof daarmee al niet buiten de rechtsstrijd van partijen zou treden) om 'op zoek te gaan' naar eventuele verdere omstandigheden met het oog op de betekenis die partijen over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij is in aanmerking te nemen dat de curator niet gesteld heeft (zomin als [verweerder] gesteld heeft) dat aan de brief van 23 maart 2000 en/of aan de schriftelijke akkoordverklaring door [verweerder] d.d. 6 april 2000 onderhandelingen tussen partijen vooraf zouden zijn gegaan.(10)

4.10. Het middel voert, als gezegd, een aantal (veronderstellenderwijs) vaststaande feiten en een aantal omstandigheden aan, die zouden medebrengen dat dááruit 's hofs onjuiste rechtsopvatting of ontoereikende motivering blijkt.

4.11. Volgens de eerste alinea op pag. 3 van het middel staat op grond van rov. 3 (slot) en rov. 10 (begin) (minst genomen veronderstellenderwijs) vast dat de curator de '80%-voorwaarde' uitsluitend in zijn eigen (boedel)belang in het aanbod heeft opgenomen alsmede dat deze voorwaarde niet tevens strekte tot bescherming van het belang van [verweerder].

4.12. M.i. gaat dit betoog uit van een onjuiste lezing van het bestreden arrest, nu een en ander geenszins uit de aangehaalde overwegingen voortvloeit.

In rov. 3 heeft het hof immers slechts weergegeven tegen welke oordelen van de rechtbank in hoger beroep wordt opgekomen.

In rov. 10 heeft het hof slechts aangegeven dat zelfs indien de voorwaarde uitsluitend in het belang van de curator zou zijn gesteld, dit niet afdoet aan 's hofs oordeel dat de tussen partijen gesloten overeenkomst niet tot een zuivere overeenkomst is geworden. Ik vermeld nog dat deze stelling van de curator door [verweerder] (gemotiveerd) betwist is.(11)

4.13. Voor zover het middel het hof verwijt dat het in deze rov. 10 in strijd met het recht zou hebben geoordeeld, faalt die klacht overeenkomstig hetgeen ik in nrs. 4.4-4.6 reeds aanduidde.

Uitgaande van HR 10 maart 1967, NJ 1967, 194, is 's hofs rechtsopvatting niet onjuist, nu ingevolge deze rechtspraak het enkele feit dat een opschortende voorwaarde uitsluitend in het belang van een der partijen is opgenomen, geen grond geeft om aan te nemen dat die partij door een eenzijdige wilsverklaring de voorwaardelijke verbintenis tot een zuivere verbintenis kan maken. Volgens de regels van genoemd arrest moet een zodanige eenzijdige bevoegdheid bedongen zijn. Weliswaar kan, nog steeds volgens dit arrest, de loutere - eventueel vaststaande - omstandigheid dat een opschortende voorwaarde uitsluitend in het belang van een der partijen is opgenomen een argument opleveren voor een uitlegging van de overeenkomst in de zin dat sprake is van een eenzijdige bevoegdheid om door daarvan afstand te doen de voorwaardelijke verbintenis tot een zuivere te maken, maar dat argument is (op zichzelf) onvoldoende om dááruit het bedingen van die eenzijdige bevoegdheid af te leiden. Deze rechtsopvatting van de Hoge Raad acht ik niet door het Haviltex-arrest van 1981 achterhaald; naar de Haviltex-norm zou de stipulator immers ook redelijkerwijs moeten hebben kunnen verwachten dat het beding door de wederpartij ook in de door hem bedoelde zin begrepen zou moeten zijn.

4.14. Volgens - nog steeds - de eerste alinea van pag. 3 valt 'voorts nog te bedenken' dat het aanbod van de curator een partiële kwijtschelding ten gunste van (de consulenten zoals) [verweerder] inhield en dat de curator zich aldus bij niet-vervulling van bedoelde voorwaarde expliciet de bevoegdheid voorbehield de betreffende vorderingen volledig te incasseren.

4.15. Niet valt in te zien dat het hof het vorenstaande als een relevante factor had moeten aanmerken bij de beoordeling van de vraag of de curator bevoegd was om eenzijdig de tussen partijen gesloten overeenkomst in een perfecte overeenkomst om te zetten. Ik teken daarbij nog aan dat kwijtschelding (afstand van een vorderingsrecht) niet een eenzijdige rechtshandeling is, maar een overeenkomst veronderstelt (art. 6:160 BW).

Overigens acht ik het betoog in dit onderdeel van het middel, voor zover het stelt of suggereert dat het door de curator aan [verweerder] (en aan de andere consulenten) voorgelegde aanbod uitsluitend een gedeeltelijke kwijtschelding inhield, onbegrijpelijk, gelet op de inhoud van de tussen partijen gesloten overeenkomst (zie par. 2.5, de brief van de curator).(12) De gedeeltelijke kwijtschelding vormde onmiskenbaar een onderdeel van het meeromvattende aanbod van de curator.(13)

4.16. Het betoog op pag. 3, tweede alinea van de cassatiedagvaarding heb ik hiervoor in nr. 4.3 reeds besproken. Dat betoog gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting.

Ik acht het rechtens juist en niet onbegrijpelijk dat het hof hierin ook niet een relevante 'Haviltex-omstandigheid' heeft gezien.

Dat geldt met name ook voor de stelling van de curator dat het 'zijn bedoeling' was dat de bedoelde '80%-voorwaarde' hem de exclusieve vrijheid liet om enerzijds bij een lagere positieve respons dan 80% binnen twee weken zijn aanbod niet gestand te hoeven doen, en om anderzijds bij een lagere maar toch nog voldoende positieve respons die voorwaarde niet in te roepen resp. eenzijdig te kunnen intrekken teneinde alsdan aldus een perfecte, wederzijds afdwingbare overeenkomst tot stand te brengen. In 's hofs arrest ligt besloten de juiste en in elk geval niet onbegrijpelijke opvatting dat zo'n louter interne (in het aanbod niet geuite) bedoeling van de curator als zodanig - in de woorden van het Haviltex-arrest - niet uitmondt in 'de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten'.(14) Niet voor niets spreekt art. 3:35 BW ook over een 'verklaring of gedraging'.

De stelling in dit onderdeel, dat het hier om een consequent en gemotiveerd - en door [verweerder] ook niet als zodanig betwist - standpunt van de curator zou gaan, behoefde het hof niet tot een ander oordeel of tot nadere motivering te leiden, nu het onderdeel ten deze wel stukken aangeeft, waarin de curator dit standpunt in latere correspondentie en ten processe heeft ingenomen, maar niet - en daar gaat het om - verklaringen of gedragingen van de curator richting [verweerder] in de fase vóór of tijdens het aanbod, respectievelijk vóór de aanvaarding daarvan door [verweerder].(15)

4.17. In de derde alinea op pag. 3, eerste volzin, wordt betoogd dat het voor [verweerder] (en de andere positief op het aanbod van de curator responderende consulenten) niet, althans nauwelijks controleerbaar was of de '80%-voorwaarde' (tijdig) zou zijn vervuld.

4.18. Ik acht het begrijpelijk dat het hof deze omstandigheid - met name in 'Haviltex-context' - kennelijk niet terzake doende heeft geoordeeld (voor zover men in 'Haviltex-context' niet eerder zou verwachten dat een curator zich ten deze juist controleerbaar opstelt). In ieder geval is gebleken dat de in het aanbod opgenomen '80%-voorwaarde' niét is vervuld.

4.19. In de overlopende passage van p. 3 naar p. 4 wordt naar voren gebracht dat uit het procesdossier niet blijkt en in elk geval door het hof niet als feit aan zijn beslissing mede ten grondslag is gelegd, dat [verweerder] bij zijn schriftelijke, voorbehoudloze aanvaarding van het aanbod van de curator op 6 april 2000 er daadwerkelijk vertrouwen in heeft gesteld dat deze voorwaarde mede in zijn belang was gesteld en/of dat hij ook zelf een beroep op de niet-vervulling ervan zou mogen doen.

4.20. Ook deze klacht kan niet tot cassatie leiden. De klacht berust op het uitgangspunt dat na een door de ene partij (in casu de curator) gestelde, niet-vervulde, en vervolgens door deze partij ingetrokken voorwaarde, een beroep van de wederpartij (in casu [verweerder]) op de niet-vervulling vereist dat de rechter vaststelt dat de wederpartij er daadwerkelijk vertrouwen in heeft gesteld dat deze voorwaarde mede in zijn belang was gesteld en/of dat deze ook zelf een beroep op de niet-vervulling ervan zou mogen doen.

In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat de curator deze stelling (die een nader feitelijk onderzoek vereist) in de feitelijke instanties niet heeft betrokken.(16) Dat het hof hieraan voorbij gegaan is, kan dus niet een motiveringsgebrek opleveren.

In de tweede plaats vindt deze stelling - als gepretendeerde (sub)regel - naar mijn mening geen steun in het recht. Zij vindt met name ook geen steun in het eerder genoemde arrest HR 10 maart 1967, NJ 1967, 194 (Blonk/De Renkumsche Heide), noch in de door de curator ingeroepen 'Haviltex-maatstaf'. Volgens die maatstaf komt het aan op de zin die partijen over en weer aan de voorwaarde mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien van elkaar mochten verwachten. Dat onder die hoofdregel de subregel zou gelden dat de wederpartij (hier: [verweerder]), zonder dat de tekst van het aanbod daartoe aanleiding gaf, niettemin gehouden zou zijn van zíjn kant bij de aanvaarding door een verklaring of gedraging tot uitdrukking te brengen dat deze erop vertrouwde dat de voorwaarde mede in zijn belang was gesteld, en/of tot uitdrukking had moeten brengen dat hij erop vertrouwde dat hij ook zelf een beroep op de niet-vervulling ervan zou mogen doen, en dat bij een ontbreken van zodanige verklaring of gedraging de instemming met de eenzijdige intrekking van de voorwaarde verondersteld mag worden, gaat m.i. te ver.

Ik teken nog aan dat het in het licht van de tekst van de brief van de curator d.d. 23 maart 2000 (zie nr. 2.5) volstrekt niet voor de hand lag dat de curator van een geadresseerde als [verweerder] zou mogen verwachten dat die bij de aanvaarding zou hebben moeten laten blijken dat de voorwaarde mede in zijn belang was gesteld (en/of moest laten blijken dat hij, de geadresseerde, erop vertrouwde ook zelf een beroep op de niet-vervulling ervan te mogen doen). (17)

4.21. Op p. 4 bovenaan wordt verder aangevoerd dat (ten minste veronderstellenderwijs) moet worden aangenomen dat [verweerder], noch naar aanleiding van de uitdrukkelijke intrekking door de curator van zijn voorwaarde bij brief d.d. 12 april 2000 aan de toenmalige raadsman van de verenigde consulenten, noch naar aanleiding van het rappel van de curator d.d. 30 augustus 2000 aan [verweerder] zelf, heeft geïnformeerd naar de niet-vervulling van die voorwaarde, laat staan daarop toen al een beroep heeft gedaan.

4.22. In dit onderdeel wordt vooreerst over het hoofd gezien dat de geadresseerde van de brief van 12 april 2000, mr. Guelen, naar 's hofs niet onbegrijpelijke oordeel in r.ovv. 8 en 12, niet als vertegenwoordiger en/of raadsman van [verweerder] moet worden aangemerkt. Reeds hierom kan het niet-informeren door [verweerder] naar aanleiding van deze brief geen rol spelen.

Daarnaast geldt zowel voor het betoog omtrent deze brief als voor het betoog omtrent de brief van 30 augustus 2000, dat het hier gaat om gedragingen ná het totstandkomen van de overeenkomst door de aanvaarding op 6 april 2000, zodat het hof deze stellingen in de 'Haviltex-context' terzijde kon laten zonder te getuigen van een onjuiste rechtsopvatting, en zonder dat dit onbegrijpelijk is.

4.23. Ten slotte worden op pp. 4 en 5 van de cassatiedagvaarding de volgende in feitelijke instanties aangevoerde stellingen opgesomd die de uitleg, zoals de curator deze voorstaat, zouden ondersteunen:

(i) dat verreweg de meeste positieve respondenten (die tevens de grote meerderheid van alle consulenten vormden) zijn aanbod-onder-voorwaarde ook geheel in de door hem bedoelde zin hebben verstaan en hun verplichtingen uit de daaruit resulterende overeenkomst geheel zijn nagekomen;

(ii) dat slechts die door hem bedoelde uitleg in de gegeven omstandigheden, gelet op de aard en strekking van zijn aanbod en voorwaarde, ook in overeenstemming met de redelijkheid en billijkheid is;

(iii) dat hij daarom indertijd niet heeft begrepen of moeten begrijpen dat [verweerder] gemeend zou hebben na diens aanvaarding van zijn aanbod zelf op de eventuele niet-vervulling van die voorwaarde een beroep te mogen doen; en

(iv) dat verschillende rechterlijke colleges al hebben beslist dat zijn aanbod-onder-voorwaarde door de betreffende consulenten redelijkerwijs in die door hem bedoelde zin begrepen had moeten worden.

4.24. Ad (i): Voor zover al aangenomen moet worden dat inderdaad het grootste deel van de respondenten hun betalingsverplichtingen uit de met de curator gesloten overeenkomst zijn nagekomen(18), zegt dit niets over de redenen die zij daartoe hebben gehad. In ieder geval volgt hier niet (laat staan: zonder meer) uit dat zij de voorwaarde in de door de curator voorgestane zin hebben uitgelegd. Het middel verwijst ook niet naar processtukken waaruit dit blijkt.(19)

4.25. Ad (ii): Deze stelling ziet over het hoofd dat het bij de uitleg aan de hand van de Haviltex-maatstaf primair gaat om de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de betreffende bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Het onderdeel geeft voorts niet aan - en voor mij is niet in te zien - waarom het hof het recht geschonden heeft of zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd zou hebben door niet te oordelen dat het standpunt van de curator wél redelijk en billijk zou zijn, en dat van [verweerder] niet.

4.26. Ad (iii): Het getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, noch van een ontoereikende motivering, dat het hof niet van gewicht heeft geacht de stelling van de curator dat hij indertijd niet heeft begrepen of moeten begrijpen dat [verweerder] gemeend zou hebben na diens aanvaarding van zijn aanbod zelf op de eventuele niet-vervulling van die voorwaarde een beroep te mogen doen. In 's hofs niet onbegrijpelijke oordeel ligt besloten dat een en ander voor risico van de curator komt.

4.27. Ad (iv): Deze omstandigheid doet niet af aan 's hofs verplichting om de voorwaarde zelfstandig, aan de hand van de in deze zaak vastgestelde feiten en gepresenteerde stellingen te beoordelen, zonder zich gebonden te achten aan andere uitspraken in feitelijke instanties.

Deze stelling wordt - terzijde - overigens gerelativeerd door de omstandigheid dat [verweerder] een aantal uitspraken heeft geproduceerd die zijn uitleg van het '80%-beding' ondersteunen. Als ik op basis van de ingeroepen vonnissen goed 'geturfd' heb, is de score bij de rechtbanken 8 x in het voordeel van [verweerder], en 5 x in het voordeel van de curator.(20) Voor wat het waard is: want ik wijs - afgezien van het goeddeels feitelijk karakter van de uitleg van overeenkomsten - op de mogelijkheid van verschil in partijdebatten, wat gevolgen kan hebben voor motiveringen respectievelijk motiveringsvereisten.

4.28. Ik overzie de stellingen in het cassatiemiddel nogmaals. Ik meen dat deze noch stuk voor stuk, noch bij elkaar genomen, 's hofs arrest als rechtens of wegens onvoldoende motivering strijdig met de 'Haviltex-norm' of enige andere norm kunnen vitiëren. Daarbij teken ik nog aan dat het hof niet gehouden was om op alle stellingen over en weer afzonderlijk in te gaan.

Het hof heeft bij de uitleg van de overeenkomst de Haviltex-maatstaf niet miskend. Het hof heeft evenwel onvoldoende feitelijke aanknopingspunten aanwezig geacht om via de Haviltex-maatstaf tot de door de curator gewenste interpretatie van de overeenkomst te komen.

5. Conclusie

Mijn conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

A-G

1 Zo blijkt uit de 'aanbiedingsbrief' aan de Hoge Raad en de schriftelijke toelichting zijdens mr. Aerts q.q., p. 2, onder 4.

2 Zie onder meer Conclusie van repliek in conventie, tevens houdende conclusie van antwoord in reconventie, pp. 2 en 3, de appeldagvaarding, pp. 3 en 4 en de Memorie van antwoord, pp. 2-4.

3 De feiten onder 2.1-2.7 zijn ontleend aan r.ovv. 1.1-1.7 van het rechtbankvonnis van 10 juli 2002, waarvan het hof, blijkens rov. 1, ook is uitgegaan. De feiten onder 2.8 zijn ontleend aan rov. 2 van het bestreden arrest.

4 De cassatiedagvaarding is uitgebracht op 21 oktober 2003.

5 Zie ook de schriftelijke toelichting zijdens de curator, pp. 15-17, nrs. 29-34.

6 Vgl. ook Asser-Hartkamp 4-I (2004), nr. 156 in fine.

7 De verhouding van de zgn. Haviltex-maatstaf tot de zgn. CAO-maatstaf (waarover laatstelijk HR 20 februari 2004, C02/219, RvdW 2004, 34, JAR 2004, 83 (DSM-Chemie/Fox)) is, als ik goed zie, in deze zaak niet aan de orde.

8 HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635 m.nt. CJHB, AA 1981, p. 355 m.nt. PvS.

9 Integendeel: het uitgangspunt van de curator is immers (ook in cassatie), dat de niet-voldoening aan deze opschortende voorwaarde niet terzake doet, althans gerepareerd wordt door een uitleg van het aanbod c.q. de overeenkomst, waarbij het hem zou vrijstaan om bij het niet intreden van die voorwaarde door eenzijdige wilsverklaring de voorwaarde te laten vervallen en daarmee de voorwaardelijke verbintenis tot een zuivere verbintenis te maken.

10 Integendeel: ik herinner aan de stellingen van de curator dat het ging om een 'geheel spontaan en eenzijdig door de curator aan (...) zijn aanbod verbonden voorwaarde' (vgl. p. 3, tweede alinea cassatiedagvaarding), terwijl het aanbod door [verweerder] schriftelijk en voorbehoudloos is geaccepteerd (p. 3 onderaan).

11 Zie Conclusie van dupliek in conventie nr. 15, Memorie van antwoord nrs. 56-57 en pleitnota mr. De Wit d.d. 7 mei 2003, nr. 8.

12 Vergelijk met name (maar niet alleen) de volzin: 'Met onvoorwaardelijk is met name bedoeld dat geen voorbehouden kunnen worden aanvaard met betrekking tot de verschuldigdheid van de betaling van het niet-kwijtgescholden gedeelte van de vorderingen.'

13 In die zin (toch) ook de s.t. namens de curator, nr. 19: '...dat de curator die voorwaarde slechts stelde om tot een snelle, niet-contentieuze inning van de aldus gematigde vorderingen [...] te kunnen overgaan' (curs. toegevoegd, A-G).

14 Mijn curs., A-G.

15 Dat het dáárom gaat, lijkt ook zijn bevestiging te vinden in de s.t. namens de curator, p. 4, nr. 9: 'Het middel richt zich uitsluitend tegen rovv. 7 t/m 10, derhalve op de uitleg van wat zich vóór 7 april 2000 tussen partijen heeft voorgedaan' (curs. toegevoegd, A-G).

16 Het middel geeft niet aan dat (of waar) zulks het geval zou zijn geweest.

17 In dit verband gaan mijn gedachten nog uit naar de strofe in het Haviltex-arrest die gewicht toekent aan de factor 'tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht'.

18 Hetgeen door [verweerder] wordt betwist, zie Memorie van antwoord, onder 46.

19 In de in voetnoot 6 bij het middel vermelde vindplaatsen staat dat de overgrote meerderheid van de consulenten met het voorstel van de curator heeft ingestemd en dat verreweg de meesten hiervan aan hun betalingsverplichtingen hebben voldaan; slechts 15 consulenten hebben geweigerd te betalen; verder wordt gewezen op een aantal rechtbankuitspraken die in het voordeel van het standpunt van de curator pleiten.

20 Zie zijdens [verweerder] productie 1 bij de Memorie van antwoord en producties 1-8 bij pleidooi in hoger beroep, alsmede de pleitnota in hoger beroep van mr. De Wit, onder 10. Vgl. aan de zijde van de curator de pleitnota in hoger beroep van mr. Lam, onder 3.