Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2004:AP4769

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
01-10-2004
Datum publicatie
01-10-2004
Zaaknummer
R03/067HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2004:AP4769
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

1 oktober 2004 Eerste Kamer Rek.nr. R03/067HR JMH/AS Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [De man], wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, advocaat: mr. H.H. Barendrecht, t e g e n [De vrouw], wonende te Brazilië, VERWEERSTER in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 494
JWB 2004/328
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rekestnr. R03/067HR

mr. L. Timmerman

25 juni 2004

Conclusie in

[de man]

tegen

[de vrouw]

1. Feiten en procesverloop

1.1 In cassatie kan van de volgende feiten en omstandigheden worden uitgegaan (zie r.o. 3 van de beschikking van 12 november 2002 van het Hof):

(i) Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad en tot november 1999 met elkaar samengewoond.

(ii) Op [geboortedatum] 2000 is in [geboorteplaats] [de dochter], hierna: [de dochter], geboren. Verweerster in cassatie, hierna: de vrouw, voert gezag over [de dochter].

(iii) Bij beschikking van de Rechtbank te Almelo d.d. 31 januari 2002 is vastgesteld dat verzoeker tot cassatie, hierna: de man, de vader is van [de dochter].

1.2 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de Rechtbank te Almelo op 9 april 2001, heeft de vrouw verzocht ten laste van de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van [de dochter] vast te stellen van fl. 1.000,- per maand. De man heeft daartegen verweer gevoerd.

1.3 De Rechtbank heeft in zijn beschikking van 17 april 2002 bepaald dat de man met ingang van 3 mei 2000 dient bij te dragen in de kosten van de verzorging en opvoeding van [de dochter] met een bedrag van € 454,- per maand.

1.4 De man is daartegen in hoger beroep gekomen met een beroepschrift dat op 11 juni 2002 ter griffie van het Hof is ingekomen. Voor zover in cassatie van belang heeft de man daarin geklaagd over de hoogte van het door de Rechtbank vastgestelde bedrag (grief IV).

In verband daarmee heeft hij tijdens de mondelinge behandeling op 8 oktober 2002 (onder andere) aangevoerd dat de vrouw vanaf 19 april 2002 geen bijstandsuitkering meer ontvangt en dat de vrouw per 5 juni 2002 wegens vertrek naar Brazilië is uitgeschreven uit de Gemeente [...].

1.5 In zijn tussenbeschikking van 12 november 2002 heeft het Hof de beschikking van de Rechtbank van 17 april 2002 bekrachtigd voor zover het de periode van 3 mei 2000 tot 19 april 2002 betreft. Voorts heeft het Hof de vrouw in de gelegenheid gesteld zich over haar financiële omstandigheden na 19 april 2002 uit te laten en gegevens daaromtrent over te leggen.

1.6 Bij brief van 16 december 2002 heeft de vrouw een overzicht van haar maandelijkse kosten overgelegd.

1.7 In zijn reactie daarop d.d. 7 januari 2003 voert de man aan dat de levensstandaard in Brazilië verschilt van die in Nederland. Zo bedraagt het minimumloon in Brazilië € 67,- tegenover € 988,- in Nederland. Volgens de man hoeft met de exorbitant hoge levensstandaard van de vrouw in Brazilië geen rekening te worden gehouden.

1.8 In zijn beschikking d.d. 18 maart 2003 heeft het Hof vervolgens de beschikking van de Rechtbank ook voor het overige bekrachtigd.

1.9 De man heeft tegen die beschikking van het Hof tijdig(1) beroep in cassatie ingesteld. De vrouw is in cassatie niet verschenen.

2. Enige opmerkingen vooraf

2.1 In deze zaak gaat het om de beoordeling van de behoefte van een kind in verband met de vaststelling van kinderalimentatie.

2.2 Volgens art. 1:397 lid 1 BW moet bij de bepaling van het volgens de wet door bloed- en aanverwanten verschuldigde bedrag voor levensonderhoud enerzijds rekening worden gehouden met de behoeften van de tot onderhoud gerechtigde en anderzijds de draagkracht van de tot uitkering verplichte persoon. De behoefte van minderjarige kinderen moet worden beoordeeld naar de individuele omstandigheden.(2) Naar gangbare inzichten wordt bij de bepaling van kinderalimentatie de behoefte van het kind bepaald aan de hand van het aantal kinderen en het inkomen van beide (gewezen) partners.(3) Zo wordt bereikt dat de kinderen in beginsel niet slechter af zijn na en door de echtscheiding van hun ouders.(4)

2.3 Op 27 februari 2004 heeft de Hoge Raad een arrest gewezen waaruit het volgende kan worden opgemaakt. (5) Indien het kind vanaf de geboorte alleen door de moeder is opgevoed en de vader en de moeder nimmer met het kind in gezinsverband hebben samengeleefd, wordt van de individuele omstandigheden afgeweken: hoewel het kind ook voor de scheiding niet van een gezinsinkomen heeft geprofiteerd, wordt bij de bepaling van zijn behoefte toch van die gezinssituatie uitgegaan. Dat brengt met zich dat de man in beginsel moet bijdragen in de kosten van het kind met een bedrag dat hij aan het kind zou besteden als dit in zijn gezin zou opgroeien. Zo wordt inhoud gegeven aan het aan het wettelijk systeem ten grondslag liggende uitgangspunt dat zowel de vader als de moeder aan de verzorging en de opvoeding van het kind moeten bijdragen. Vervolgens zijn de individuele omstandigheden weer van belang: indien de gezinssituatie waarin het kind na de scheiding verkeert ertoe leidt dat bepaalde kosten niet voor hem worden gemaakt terwijl zij in de fictief aangenomen opvoedingssituatie in het gezin van de vader waarschijnlijk wel zouden zijn gemaakt, mogen deze bij de bepaling van de behoefte niet worden meegerekend.

3. Bespreking van het middel

3.1 De man heeft één middel van cassatie voorgesteld.

3.2 Het middel richt zich tegen r.o. 2.6 van de bestreden beschikking, waarin het Hof als volgt heeft overwogen:

"De man betwist tenslotte de kosten die de vrouw opvoert in verband met de kosten van verzorging en opvoeding van [de dochter] in Brazilië en de behoefte van [de dochter] aan een hogere bijdrage dan € 125,- per maand. Gezien het feit dat het minimumloon per maand in Brazilië € 67,- bedraagt en in Nederland € 988,-, behoeft zijns inziens met de exorbitant hoge levensstandaard van de vrouw in Brazilië geen rekening te worden gehouden. Het hof verwerpt ook deze stellingen van de man. Het hof heeft de behoefte van [de dochter] vastgesteld op basis van een welstand die gerelateerd is aan het inkomen van de man. Het feit dat de vrouw en [de dochter] in Brazilië hun gewone verblijfplaats hebben brengt daarin geen verandering, nu niet gebleken is dat de bijdrage van de man niet ten goede komt aan [de dochter], die in Brazilië opgroeit in een familie die volgens de man behoort tot de financiële bovenlaag van de bevolking."

3.3 Hoewel [de dochter] nooit deel heeft uitgemaakt van het gezin van de man, heeft het Hof de behoefte van [de dochter] vastgesteld op basis van een welstand die gerelateerd is aan zijn inkomen. De man heeft de daartegen in beide feitelijke instanties aangevoerde bezwaren kennelijk laten varen en tegen dat oordeel geen klacht gericht. Terecht, gelet op de onder 2.3 aangehaalde rechtspraak.

3.4 Het middel klaagt over de motivering van het oordeel van het Hof dat de omstandigheid dat de vrouw en [de dochter] hun gewone verblijfplaats in Brazilië hebben, waar de levensstandaard veel lager is dan in Nederland, geen verandering brengt in de op voornoemde basis vastgestelde behoefte van [de dochter]. Volgens de man had het Hof had moeten onderzoeken wat het kost om [de dochter] in Brazilië te laten leven in de omstandigheden waarin zij, gelet op het inkomen van de man, in Nederland zou kunnen worden grootgebracht. Het Hof heeft het kernverweer van de man onbesproken gelaten, althans niet, dan wel onvoldoende en deels onbegrijpelijk gemotiveerd verworpen, aldus de man.

3.5 Voor zover het middel de rechtsklacht bevat dat het Hof bij de beoordeling van de behoefte van [de dochter] een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd, kan het niet tot cassatie leiden. De vaststelling en waardering van omstandigheden die de hoogte van (kinder)alimentatie bepalen, is aan de feitenrechter voorbehouden en kan in cassatie niet op juistheid worden getoetst(6).

3.6 Voor zover het middel erover klaagt dat het Hof de essentiële stellingen van de man dat, gelet op het verschil in minimum loon, de levensstandaard in Brazilië veel lager is dan in Nederland en dat met de exorbitant hoge levensstandaard van de vrouw in Brazilië geen rekening behoefte worden gehouden, onbesproken heeft gelaten, mist het feitelijke grondslag. Het Hof heeft die stellingen in r.o. 2.6 immers expliciet verworpen.

3.7 Voorts klaagt het middel erover dat de motivering van die verwerping onvoldoende, althans onbegrijpelijk is.

3.8 De motivering van het Hof om de behoefte van [de dochter] ondanks de omstandigheid dat de vrouw en [de dochter] hun gewone verblijfplaats in Brazilië hebben, waar de levensstandaard veel lager is dan in Nederland, niet naar beneden bij te stellen, luidt dat niet is gebleken dat de bijdrage van de man niet ten goede komt aan [de dochter], die in Brazilië opgroeit in een familie die volgens de man tot de financiële bovenlaag van de bevolking behoort. Deze motivering is, mede gelet op de onder 2.3 genoemde rechtspraak niet onbegrijpelijk. De behoefte van [de dochter] wordt bepaald aan de hand van haar individuele omstandigheden. Om inhoud te geven aan het wettelijk systeem wordt bij de vaststelling van de hoogte van de bijdrage van de vader uitgegaan van de fictieve situatie dat van een gezinsverband sprake was. Dat neemt evenwel niet weg dat de individuele omstandigheden waarin [de dochter] verkeert, het uitgangspunt moeten blijven. Voor de vraag of de bijdrage van de man naar beneden zou moeten worden bijgesteld, omdat de vrouw en [de dochter] in Brazilië wonen, is van belang of die bijdrage ook daadwerkelijk aan [de dochter] ten goed komt. Het is niet onbegrijpelijk dat het Hof dat in zijn motivering heeft betrokken, noch is onbegrijpelijk dat het Hof daarbij gewicht heeft toegekend aan de door de man gestelde omstandigheid dat [de dochter] opgroeit bij haar familie die tot de financiële bovenlaag van de Braziliaanse bevolking behoort, nu dat relevant is voor de bepaling van de daadwerkelijke behoefte van [de dochter].

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Het verzoekschrift is op 18 juni 2003 ter griffie van de Hoge Raad der Nederlanden ingekomen

2 HR 15 april 1988, NJ 1989, 49

3 A. Heida, alimentatie, de wettelijke onderhoudsplicht (1997), blz. 67 e.v.

4 rapport 'Kosten van kinderen ten behoeve van vaststelling kinderalimentatie' van de werkgroep alimentatienormen van de studiekring burgerlijke rechtspraak van de NVvR i.s.m. het Nibud (Trema, maart 1994)

5 HR 27 februari 2004, NJ 2004, 283

6 Zie bijv. HR 15 november 1977, NJ 1978, 359