Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2004:AP4260

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12-10-2004
Datum publicatie
12-10-2004
Zaaknummer
02808/03
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2004:AP4260
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Een voor de openbare dienst bestemd lokaal ex art. 139 Sr. 1. De bij de Erasmus Universiteit te Rotterdam in gebruik zijnde lokalen, waaronder de bibliotheek, zijn voor de openbare dienst bestemde lokalen. 2. De opvatting dat het, ingeval geen sprake is van een “volledig openbaar karakter van de bibliotheek”, niet gaat om een voor de openbare dienst bestemd lokaal, vindt geen steun in het recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 528
NJ 2004, 662
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 02808/03

Mr. Vellinga

Zitting: 22 juni 2004

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens 1. en 2. "het in een voor de openbare dienst bestemd lokaal wederrechtelijk binnendringen, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een geldboete van € 250,-, subsidiair vijf dagen hechtenis.

2. Namens verdachte heeft mr. A.P. Visser, advocaat te 's-Gravenhage, zes middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel bevat de klacht dat het Hof zich ten onrechte bevoegd heeft verklaard en het verweer dat verdachte in Den Haag gedagvaard had moeten worden en niet in 's-Gravenhage op ontoereikende gronden heeft verworpen.

4. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

"4. Bevoegdheid van het gerechtshof te 's-Gravenhage

4.1

De verdachte stelt dat het gerechtshof niet bevoegd is, omdat het is gevestigd te Den Haag in plaats van te 's-Gravenhage.

4.2

Het hof verwerpt dit verweer.

A. Artikel 59 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie bepaalt dat het gerechtshof is gevestigd in de hoofdstad van het ressort. Wat er ook zij van de aanduiding van de naam van de gemeente Den Haag of 's-Gravenhage, onbetwist is dat het gerechtshof is gevestigd in de hoofdstad van het ressort 's-Gravenhage. Het verweer faalt reeds op deze grond.

B. De gemeente Den Haag noemde zich tot een aantal jaren geleden uitsluitend 's-Gravenhage. De gemeenteraad heeft toen besloten dat de gemeente voortaan de naam Den Haag zou gaan voeren. In plechtige akten, zoals geboorte- en huwelijksakten, wordt evenwel de naam 's-Gravenhage nog gebruikt. In wetgeving en in informele publicaties in de media wordt zowel de aanduiding Den Haag als ook 's-Gravenhage gebruikt voor dezelfde gemeente. In Stb. 2001, 349, Wet van 12 juli 2001 tot gemeentelijke herindeling van Den Haag en omgeving, is dat bijvoorbeeld ook het geval.

In de Wet van 10 augustus 1951, houdende nieuwe vaststelling van het rechtsgebied en de zetels der rechtbank en kantongerechten is in artikel 1 onder meer bepaald dat een gerechtshof is gevestigd te 's-Gravenhage. Ook in de Wet op de rechterlijke organisatie is de aanduiding gerechtshof (te) 's-Gravenhage gebruikt. De stelling, dat het gerechtshof te 's-Gravenhage niet bevoegd zou zijn, omdat het zich aldus noemend gerechtshof is gevestigd te Den Haag, faalt derhalve ook omdat het miskent dat 's-Gravenhage en Den Haag aanduidingen zijn voor dezelfde gemeente. Ten overvloede zij opgemerkt, dat de verdachte omtrent de juiste plaats van berechting in appèl, gezien zijn aanwezigheid, ook niet heeft gedwaald.

Hieruit volgt dat dit gerechtshof bevoegd is tot kennisneming van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten."

5. Na te zijn gedagvaard om te verschijnen op 7 oktober 2003 "ter terechtzitting van het gerechtshof te 's-Gravenhage" - welke appèldagvaarding op 12 augustus 2003 aan verdachte in persoon is uitgereikt - is verdachte daadwerkelijk ter terechtzitting verschenen en is door hem het in het middel bedoelde verweer gevoerd.

6. 's Hofs verwerping van het verweer - waarin als 's Hofs oordeel besloten ligt dat bij verdachte in redelijkheid geen onduidelijkheid heeft bestaan omtrent de vraag voor welke rechter hij zich in hoger beroep diende te verantwoorden in de onderhavige zaak - geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is allerminst onbegrijpelijk en behoeft geen nadere motivering.(1) Reeds in aanmerking genomen dat zowel ter terechtzitting in hoger beroep als in het cassatiemiddel niet is gesteld dat verdachte in enig belang is geschaad door de beweerdelijk(2) verkeerde plaatsaanduiding, faalt het middel.(3)

7. Het middel kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

8. Het tweede middel is gericht tegens 's Hofs verwerping van het verweer dat het verblijf van verdachte in de betreffende bibliotheek geen betrekking had op een voor de openbare dienst bestemd lokaal.

9. Het derde middel bevat de klacht dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het terrein en de lokalen van de Erasmus Universiteit voor de openbare dienst bestemd zijn.

10. De middelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

11. Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat:

1."hij op 5 oktober 2001 te Rotterdam wederrechtelijk is binnengedrongen in een voor de openbare dienst bestemd lokaal, te weten de bibliotheek van de Erasmus Universiteit, gevestigd aan de Burgemeester Oudlaan"

en

2. "hij op 11 oktober 2001 te Rotterdam wederrechtelijk is binnengedrongen in een voor de openbare dienst bestemd lokaal, te weten de bibliotheek van de Erasmus Universiteit, gevestigd aan de Burgemeester Oudlaan".

12. Daartoe heeft het Hof de volgende bewijsmiddelen gebezigd

Ten aanzien van feit 1:

1. Een proces-verbaal, inhoudende als verklaring van aangever [betrokkene 1]:

"Op 5 oktober 2001 werd op de Burgemeester Oudlaan 50 te Rotterdam door [verdachte] lokaalvredebreuk gepleegd.

Ik ben werkzaam als beveiligingsmedewerker bij de Erasmus Universiteit te Rotterdam. Vandaag, 5 oktober 2001, was ik aan het werk. In de bibliotheek zat een man, welke ik herkende als [verdachte]. De bibliotheek van de Universiteit is een openbare gelegenheid. Het is mij ambtshalve bekend dat het [verdachte] verboden is om zich op het terrein van de Erasmus Universiteit te bevinden. Dit verbod is hem zowel mondeling als schriftelijk kenbaar gemaakt. Dit verbod is hem enkele jaren geleden aangezegd door het College van Bestuur van de Erasmus Universiteit. Dit verbod is [verdachte] aangezegd voor onbepaalde tijd. Ik verzocht [verdachte] derhalve de bibliotheek en het terrein van de Erasmus Universiteit te verlaten. [Verdachte] weigerde dit. Ik heb vervolgens de komst van de politie verzocht.

Toen de politie ter plaatse was, heb ik [verdachte] in hun bijzijn tot 2 maal toe gevorderd het pand en het terrein te verlaten. [Verdachte] gaf aan deze vordering geen gehoor en is vervolgens aangehouden door de politie. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit."

2. Een proces-verbaal, inhoudende als verklaring van verdachte:

"Ik ben vandaag (het hof leest: 5 oktober 2001) naar de Erasmus Universiteit gegaan. Ik ben naar de bibliotheek gegaan. Ik weet dat ik van het bestuur van de Erasmus Universiteit niet in het gebouw mag komen. In de gang van de bibliotheek werd gevorderd dat ik het pand moest verlaten. Ik deed dit niet. Ik wilde het pand niet verlaten."

Ten aanzien van feit 2:

3. Een proces-verbaal, inhoudende als verklaring van aangever [betrokkene 2]:

"Op donderdag 11 oktober 2001 werd op de Burgemeester Oudlaan 50 te Rotterdam door [verdachte] lokaalvredebreuk gepleegd.

Ik ben werkzaam als beveiligingsmedewerker bij de Erasmus Universiteit te Rotterdam. Vandaag, 11 oktober 2001, was ik aan het werk op het terrein van de Universiteit. Ik werd naar de bibliotheek geroepen. Aldaar zou zich een man bevinden die een terrein- en gebouwverbod zou hebben. Toen ik bij de bibliotheek kwam, zag ik dat het een mij bekende man betrof genaamd [verdachte]. Sinds 1999 heeft deze man dit verbod voor onbepaalde tijd. Ik heb [verdachte] twee keer gevorderd het gebouw en terrein te verlaten. [Verdachte] voldeed hier niet aan. Wij hebben de politie gebeld. De politie heeft [verdachte] aangehouden. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit."

4. Een proces-verbaal, inhoudende als relaas van een opsporingsambtenaar:

"De verdachte is op 5 oktober 2001 voor hetzelfde feit op dezelfde locatie aangehouden. Toen bekende hij het feit en zei op de hoogte te zijn van de ontzegging."

5. Een proces-verbaal, als relaas van bevindingen van opsporingsambtenaren:

"Op 11 oktober 2001 gingen wij in opdracht van de politie meldkamer Rotterdam-Rijnmond naar de Erasmus Universiteit aan de Burgemeester Oudlaan 50 te Rotterdam. Ter plaatse werden wij aangesproken door de beveiligingsmedewerker. Hij verklaarde ons dat de man zowel schriftelijk als mondeling de toegang tot de universiteit was ontzegd. Hij verklaarde verder dat hij de man diverse malen had gevorderd de bibliotheek te verlaten maar dat de man hier geen gehoor aan had gegeven. Hij wees ons de betrokken man aan. De man gaf ons op te zijn genaamd: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1962 te [geboorteplaats]. Bij navraag bleek dat de verdachte op 5 oktober 2001 ook onrechtmatig in de bibliotheek aanwezig was en daarvoor ook was aangehouden. Wij hebben de verdachte aangehouden."

6. Een proces-verbaal, inhoudende als verklaring van verdachte:

"Vorige week heb ik nog een proces-verbaal gekregen terzake lokaalvredebreuk omdat mij de toegang tot de Erasmus Universiteit is ontzegd. Ik vind het vreemd dat ik niet op de Erasmus Universiteit word toegelaten."

Ten aanzien van feit 1 en feit 2:

7. Een geschrift, zijnde een uitspraak van de Raad van State, Afdeling Bestuursrechtspraak, d.d. 12 september 2000.

Het houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

"Bij brief van 8 oktober 1997, aangevuld bij brief van 28 oktober 1997, heeft het college van bestuur van de openbare universiteit "Erasmus Universiteit Rotterdam" (hierna: de universiteit) appellant (het hof leest: [verdachte]) op basis van artikel 7.57a van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: de WHW) de toegang tot de terreinen en gebouwen van de universiteit voor de duur van een jaar ontzegd.

Bij besluit van 2 april 1998 heeft het college van bestuur van de universiteit het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en besloten om hem op basis van artikel 9.2 van de WHW de toegang tot de terreinen en gebouwen van de universiteit voor onbepaalde termijn te ontzeggen.

Bij uitspraak van 6 juli 1998 heeft de voorzitter van het College van Beroep voor het hoger onderwijs (hierna: het College) het tegen dit besluit door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit, voorzover hij daarbij niet-ontvankelijk is verklaard, vernietigd.

Bij besluit van 6 augustus 1998 heeft het college van bestuur van de universiteit appellant alsnog in zijn bezwaar ontvangen en de brieven van 8 oktober 1997 en 28 oktober 1997 herroepen. Bij afzonderlijke brief van 6 augustus 1998 heeft het college van bestuur van de universiteit de ontzegging voor onbepaalde termijn van de toegang tot de terreinen en gebouwen van de universiteit gehandhaafd.

Bij brief van 14 augustus 1998 heeft de griffier van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam (hierna: de rechtbank), met toepassing van artikel 6:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), het door appellant tegen de brieven van 6 augustus 1998 ingediende beroepschrift doorgezonden aan het College.

Bij uitspraak van 23 september 1998 heeft de voorzitter van het College het beroep niet-ontvankelijk verklaard, voorzover dat is gericht tegen de brief ven 6 augustus 1998 waarbij de besluiten van 8 oktober 1997 en 28 oktober 1997 zijn herroepen, en zich onbevoegd verklaard van het beroep kennis te nemen, voorzover dat is gericht tegen de brief van 6 augustus 1998 waarbij de ontzegging voor onbepaalde termijn van de toegang tot de terreinen en gebouwen van de universiteit is gehandhaafd. In zoverre heeft het College bepaald dat het beroepschrift moet worden doorgezonden aan de rechtbank, sector bestuursrecht.

Bij uitspraak van 10 februari 1999, verzonden op 12 februari 1999, heeft de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken van de rechtbank zich onbevoegd verklaard van het beroep kennis te nemen.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 19 maart 1999, bij de Raad van State ingekomen op die dag, hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 juni 2000.

Het hoger beroep is gericht tegen de door de rechtbank uitgesproken onbevoegdverklaring om kennis te nemen van het beroep tegen de gehandhaafde beslissing van het college van bestuur van de universiteit van 2 april 1998 om appellant de toegang tot de terreinen en gebouwen van de universiteit voor onbepaalde termijn te ontzeggen.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de beslissing van het college van bestuur om appellant de toezegging tot de terreinen en gebouwen van de universiteit te ontzeggen, niet als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb kan worden aangemerkt. De beslissing van het college van bestuur hangt immers uitsluitend samen met het beheer van de gebouwen en terreinen waarover de universiteit beschikt, voor welke taak -gelet op artikel 9.2, eerste lid, van de WHW- het college van bestuur zorg draagt. De rechtbank heeft zich dan ook terecht onbevoegd verklaard van het beroep kennis te nemen. Het hoger beroep is ongegrond en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

De hiervoor weergegeven inhoud van het onder 7 vermelde geschrift wordt slechts gebruikt in verband met de overige bewijsmiddelen."

13. Voorts heeft het Hof in zijn arrest de volgende bijzondere bewijsoverweging opgenomen:

"8. Bewijsoverweging

8.1

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte het verweer gevoerd -zakelijk weergegeven- dat (de bibliotheek van) de Erasmus Universiteit, gevestigd aan de Burgemeester Oudlaan te Rotterdam, geen voor openbare dienst bestemd lokaal is. In het bijzonder heeft de raadsman daartoe aangevoerd dat het bezoek van zijn cliënt aan het Rotterdamsch Leeskabinet op 5 en 11 oktober 2001 kan worden gekwalificeerd als het aanwezig zijn op particulier terrein. Naar de mening van de raadsman moet dit leiden tot vrijspraak van de verdachte.

8.2

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe het volgende.

De voor openbare dienst bestemde lokalen zijn lokalen, gebruikt door publiekrechtelijke lichamen, zoals het kantoor van de belastingdienst, de gerechtszaal, lokaliteiten van rijks- en gemeente universiteiten, gemeentehuizen, provinciehuizen, etc. Ook (de bibliotheek van) de Erasmus Universiteit dient onder deze categorie geschaard te worden.

Nu uit het dossier niet blijkt dat verdachte zich op 5 en 11 oktober 2001 in het Rotterdamsch Leeskabinet heeft begeven, doch wel op het terrein van (de bibliotheek van) de Erasmus Universiteit, dient ook dit verweer te worden verworpen.

8.3

De raadsman heeft voorts het verweer gevoerd -zakelijk weergegeven- dat er geen sprake kan zijn van binnendringen van verdachte, aangezien zich niet een situatie als omschreven in artikel 139, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht heeft voorgedaan. Bij binnendringen wordt volgens de raadsman tekstueel iets meer verwacht dan het enkele aanwezig zijn.

8.4

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe dat er is sprake van binnendringen wanneer men binnengaat tegen de verklaarde wil van de beheerder. Nu de wil van de beheerder de verdachte duidelijk was en hij zich desondanks in (de bibliotheek van) de Erasmus Universiteit heeft begeven, is er sprake van binnendringen.

8.5

De raadsman heeft vervolgens betoogd dat -zakelijk weergegeven- het wederrechtelijke karakter van het binnendringen niet bewezen kan worden, aangezien het verbod de bibliotheek te betreden onrechtmatig dient te worden geacht, mede gelet op de duur van het betredingsverbod.

8.6

Het hof verwerpt het verweer ten aanzien van de ongeldigheid van het door het College van Bestuur van de Erasmus Universiteit op 2 april 1998 gegeven verbod voor onbepaalde termijn en overweegt daartoe het volgende. De verdachte ging er blijkens de processen-verbaal met nummers 2001180172-4 en 2001186500-4 zelf ook van uit dat het hem opgelegde verbod nog steeds van kracht was. De verdachte heeft indertijd hiertegen bij het college van bestuur van de universiteit tevergeefs bezwaar gemaakt tegen de hem ontzegde toegang tot de terreinen en gebouwen van de universiteit. De duur van het hem opgelegde verbod heeft verdachte echter nadien kennelijk nimmer aangevochten. Ten overvloede is het hof van mening dat de duur van het verbod ten tijde van het begaan van de tenlastegelegde feiten niet onredelijk lang is.

8.7

De raadsman heeft tenslotte naar voren gebracht -zakelijk weergegeven- dat er alleen van wederrechtelijk binnendringen in de zin van artikel 139, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering sprake kan zijn, wanneer het in combinatie met "het zich niet vervolgens op vordering van de bevoegde ambtenaar aanstonds verwijderen" heeft plaatsgevonden.

8.8

Ook dit verweer wordt door het hof verworpen. De door de raadsman gestelde lezing van artikel 139 van het Wetboek van Strafrecht vindt geen steun in de tekst van de wet: Of het wederrechtelijk binnendringen dient bewezen te worden of het zich wederrechtelijk aldaar vertoevende, niet op de vordering van de bevoegde ambtenaar aanstonds verwijderen. Het hof sluit een verplichte cumulatieve lezing uit."

14. Art. 139 lid 1 Sr luidt:

"Hij die in een voor de openbare dienst bestemd lokaal wederrechtelijk binnendringt, of, wederrechtelijk aldaar vertoevende, zich niet op de vordering van de bevoegde ambtenaar aanstonds verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie."

15. Onder een voor de openbare dienst bestemd lokaal moet worden verstaan een lokaal dat wordt gebruikt door een publiekrechtelijk lichaam: het kantoor van de belastingdienst, de gerechtszaal, lokaliteiten van universiteiten, gemeentehuizen en provinciehuizen.(4) Een in het oog springend en voor de onderhavige zaak relevant voorbeeld biedt HR 12 mei 1970, NJ 1971 m.nt. CB waarin de bezetting van het Maagdenhuis werd gekwalificeerd als het wederrechtelijk binnendringen in een voor de openbare dienst bestemd lokaal. Dit voorbeeld laat ook zien dat voor een voor de openbare dienst bestemd lokaal niet vereist is dat daarin de dienst in het openbaar wordt uitgeoefend.(5)

16. Tegen deze achtergrond kan ook een bibliotheek van een universiteit tot een "voor de openbare dienst bestemd lokaal" worden gerekend. Het beroep dat het derde middel doet op HR 26 oktober 1976, NJ 1977, 94 m.nt. GEM maakt dit niet anders omdat de omstandigheid dat zich op een universiteitsterrein besloten lokalen - dat kunnen zelfs besloten delen van bibliotheken zijn - in de zin van art. 138 Sr kunnen bevinden niet wegneemt dat universiteitsgebouwen doorgaans het karakter hebben van voor de publieke dienst bestemde lokalen.(6)

17. Het Hof heeft vastgesteld dat verdachte zich ten tijde van beide bewezenverklaarde feiten bevond in de bibliotheek van de Erasmus Universiteit. De in het tweede middel genoemde omstandigheid dat verdachte zich in het Rotterdams Leeskabinet zou bevinden en dat zulks uit het dossier zou blijken, stuit af op de omstandigheid dat de selectie en waardering van bewijsmateriaal aan de feitenrechter is voorbehouden. Uit het in de toelichting op het tweede middel genoemde proces-verbaal van politie heeft het Hof overigens - niet onbegrijpelijk - niet afgeleid dat verdachte zich in het Rotterdams Leeskabinet bevond, nu dit proces-verbaal slechts als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar vermeldt:

"Op een gegeven moment, omstreeks 11:00 uur, werd ik door een ander personeelslid naar de bibliotheek geroepen. Aldaar zou zich een man bevinden die een terrein- en gebouwverbod zou hebben. De man zou zich bevinden in de ruimte van het Rotterdams Leeskabinet. Toen ik bij de bibliotheek kwam, zag ik dat een mij bekende man betrof. Deze man is genaamd [verdachte]."

18. De middelen falen.

19. Het vierde middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat er sprake is van binnendringen in het lokaal, terwijl uit de bewijsmiddelen slechts kan worden afgeleid dat verdachte ter plaatse was en niet dat van enige drang is kunnen blijken.

20. Het Hof heeft een terzake gevoerd verweer in zijn arrest in rov. 8.3 en 8.4 samengevat en verworpen zoals hiervoor weergegeven bij de behandeling van het tweede en derde middel.

21. Volgens jurisprudentie van de Hoge Raad moet als "binnendringen" van een lokaal worden beschouwd het betreden van dat lokaal indien degene die zich daarin of daarop begeeft zulks doet tegen de voor hem - hetzij door een verklaring van de rechthebbende, hetzij op grond van enige andere omstandigheid - onmiskenbare wil van de rechthebbende.(7)

22. Door te overwegen dat de verklaarde wil van de beheerder verdachte duidelijk was en dat verdachte zich desondanks in (de bibliotheek van) de Erasmus Universiteit heeft begeven, heeft het Hof geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de term binnendringen welke in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende term aldaar kennelijk is gebezigd in dezelfde betekenis als in art. 139 lid 1 Sr. 's Hofs oordeel is tegen de achtergrond van de bewijsmiddelen evenmin onbegrijpelijk en behoeft geen nadere motivering.

23. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

24. Het vijfde middel bevat de klacht dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het betredingsverbod rechtsgeldig en niet onevenredig lang is.

25. Het Hof heeft een terzake gevoerd verweer in zijn arrest in rov. 8.5 en 8.6 samengevat en verworpen zoals hiervoor weergegeven bij de behandeling van het tweede en derde middel.

26. Voor de beoordeling van het middel is van belang dat het College van bestuur van de Erasmusuniversiteit, zoals volgt uit het zevende door het Hof gebezigde bewijsmiddel in verbinding met het bepaalde in art. 9.2 (oud) WHW(8) in zijn hoedanigheid van beheerder van de gebouwen en terreinen van de universiteit aan verdachte de toegang heeft ontzegd. Verdachte heeft daartegen bij het College nog eens bezwaar gemaakt doch dat bezwaar is niet gehonoreerd. Voorts is van belang dat het ontzeggen van de toegang in het kader de uitoefening van het beheer over de gebouwen en terreinen van de universiteit, in aanmerking genomen dat verdachte geen bij de universiteit ingeschreven student was(9), niet verschilt van het ontzeggen van de toegang tot een gebouw door een willekeurige andere beheerder van een niet voor de openbare dienst bestemd gebouw zoals de ontzegging van de toegang tot een winkel door een bedrijfsleider van die winkel. De Raad van State ziet in het onderhavige geval in de ontzegging van de toegang dan ook geen beslissing, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Zou verdachte wel een bij de universiteit ingeschreven student zijn geweest, dan was art. 7.57a (oud) WHW van toepassing en was voor hem beroep mogelijk zijn geweest op het College van beroep voor het hoger onderwijs (art. 7.66 (oud) WHW).(10)

27. Had verdachte tegen de ontzegging van de toegang willen ageren, dan stond - en staat - hem de mogelijkheid open de universiteit aan te spreken uit hoofde van onrechtmatige daad (art. 6:162 BW). Dat brengt mij in deze zaak op de vraag of - zoals het middel kennelijk beoogt te stellen - de universiteit onrechtmatig jegens verdachte heeft gehandeld door hem de toegang tot de gebouwen en terreinen van de universiteit voor onbepaalde duur te ontzeggen. Die enkele omstandigheid is - zoals in het oordeel van het Hof ligt besloten - daartoe niet toereikend, al was het alleen al niet omdat het College desgevraagd op het ontzeggen van de toegang zou kunnen terugkomen. Een inbreuk op verdachtes grondrecht op bewegingsvrijheid als verwoord in het vijfde middel zie ik in de ontzegging van de toegang voor onbepaalde tijd niet.

28. Het middel faalt.

29. Het zesde middel is gericht tegen 's Hofs verwerping van het verweer dat van wederrechtelijk binnendringen pas sprake kan zijn indien er cumulatief sprake is van a) het zich in het lokaal bevinden en b) een vordering van een ambtenaar zich te verwijderen.

30. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer in zijn arrest in rov. 8.7 en 8.8 samengevat en verworpen zoals hiervoor weergegeven bij de behandeling van het tweede en derde middel. Zoals reeds in de verwerping van het verweer door het Hof besloten ligt berust het middel op onjuiste lezing van art. 139 Sr.

31. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

32. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 23 september 2003, NJ 2004, 25.

2 Terzijde merk ik op dat verdachte blijkens de door zijn raadsman ingediende cassatieschriftuur voor deze zaak woonplaats heeft gekozen ten kantore van zijn raadsman te 's-Gravenhage. Zie daarover ook nr. 3.2 van de conclusie van mijn ambtsgenoot Machielse van 27 januari 2004 in zaak 01023/03, LJN AO2599 tegen dezelfde verdachte als de onderhavige zaak.

3 Vgl. HR 14 oktober 2003, LJN AG2651, rov. 3.5.

4 Zie voor een overzicht NLR, aant. 1a bij art. 139 Sr (supplement 106, oktober 1999). Zie voorts T&C Sr, vierde druk, 2002, aant. 9 bij art. 139 Sr, p. 606.

5 NLR, t.a.p.

6 Vgl. ook nr. 5.4 van de conclusie van mijn ambtsgenoot Machielse van 27 januari 2004 in zaak 01023/03, LJN AO2599.

7 HR 16 december 1969, NJ 1971, 96 m.nt. CB.

8 Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

9 Zoals in de toelichting op derde middel wordt vermeld staat verdachte niet ingeschreven als student aan de Erasmus Universiteit.

10 Die situatie deed zich kennelijk aanvankelijk voor toen hem bij brief van 8 oktober 1997 de toegang voor een jaar werd ontzegd.