Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2004:AP2638

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
29-10-2004
Datum publicatie
29-10-2004
Zaaknummer
C03/175HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2004:AP2638
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

29 oktober 2004 Eerste Kamer Nr. C03/175HR RM/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: COÖPERATIE HOLLAND TRANSPORT CORPORATION GROUP U.A., gevestigd te Deventer, EISERES tot cassatie, advocaat: mr. P. Garretsen, t e g e n EBAG TRUCK LEASE B.V., gevestigd te Ede, VERWEERSTER in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 29
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 559
JWB 2004/366
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr. C03/175HR

Mr. Huydecoper

Zitting van 18 juni 2004

Conclusie inzake

Coöperatie Holland Transport Corporation Group U.A.

eiseres tot cassatie

tegen

Ebag Truck Lease B.V.

verweerster in cassatie

(niet verschenen)

Feiten en procesverloop

1. Het hof is in het in cassatie bestreden arrest uitgegaan van de feiten die in rov. 3 vermeld staan. Het hierna volgende is op die feitenvaststelling gebaseerd. (Een beperkt deel van deze feitenvaststelling wordt in cassatie bestreden. Bij de behandeling van het middel zal ik daar op ingaan.)

2. De in cassatie niet verschenen verweerster, Ebag, verhuurt vrachtauto's en toebehoren. Zij heeft op 22 juli 1999 een lease-overeenkomst gesloten met [betrokkene 1], handelende onder de naam Adatrans. Daarbij trad [betrokkene 2] op als tolk voor [betrokkene 1]. De overeenkomst betrof een vrachtauto, merk Volvo, met oplegger(1).

3. Toen de overeenkomst werd gesloten, was Adatrans een eenmanszaak. Vanaf september 1999 tot en met december 1999 was ook [betrokkene 3] bestuurder van Adatrans.

4. Bij brief van 26 oktober 1999(2) schreef Ebag aan Adatrans dat uit haar lease-administratie bleek dat zij, behoudens een vergissing aan haar zijde, niet in bezit was van het overschrijvingsbewijs (kopie deel III) en het verzekeringsformulier van de vrachtauto, en verzocht zij terugzending daarvan.

5. Bij brief van 14 januari 2000(3) zond Ebag Adatrans een incassowaarschuwing, in verband met een betalingsachterstand van f. 20.945, 62. Op 11 februari 2000(4) bedroeg de achterstand nog f. 10.945,62.

6. Bij brief van 3 maart 2000 aan Adatrans(5) heeft Ebag het leasecontract beëindigd omdat Adatrans zich niet had gehouden aan de betalingsafspraken. Zij sommeerde Adatrans de vrachtauto in te leveren.

7. Tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 3] is op 24 april 2000 een overeenkomst opgemaakt, getiteld: "overeenkomst m.b.t. het beëindigen van het compagnonschap"(6). Daarin verklaarden [betrokkene 1] en [betrokkene 3], dat [betrokkene 3] met ingang van 31 december afstand deed van het compagnonschap in de firma Adatrans en dat tijdens het afstand doen op 21 april 2000 was overeengekomen dat de trekker van het merk Volvo en de oplegger aan [betrokkene 3] werden gegeven/overgedragen, dat de waarde daarvan was vastgesteld op f. 95.000,-, dat dit bedrag door [betrokkene 3] zou worden betaald en verrekend aan Adatrans en dat de factuur voor het voertuig door [betrokkene 1] zou worden uitgeschreven op naam van Bliksem Internationaal Transport B.V., een firma van [betrokkene 3]. Deze overeenkomst werd gesloten in aanwezigheid van een getuige, [betrokkene 2].

In cassatie mag er veronderstellenderwijs van worden uitgegaan dat [betrokkene 1] het kentekenbewijs deel III ten tijde van de overdracht aan [betrokkene 3] heeft overhandigd (vide m.n. rov. 4.6 arrest).

8. Op 2 mei 2000 deed [betrokkene 1] bij de politie aangifte van verduistering van de vrachtauto met oplegger(7).

9. Blijkens gegevens van de Rijksdienst voor het Wegverkeer(8) was de vrachtauto vanaf 25 april 2000 geregistreerd op naam van Bliksem B.V. en vanaf 18 mei 2000 op naam van de eiseres tot cassatie, Holland Transport. Bestuurder van Bliksem B.V. en van Holland Transport was [betrokkene 3](9).

10. Holland Transport was opgericht bij notariële akte van 20 oktober 1998(10). Blijkens die akte werd [betrokkene 2] benoemd als secretaris/penningmeester. Dit geschiedde op verzoek van Barion International BV (Barion), waarbij onder meer in dienst waren [betrokkene 3] en [betrokkene 1].

De bestuurder van Barion, [betrokkene 4], heeft bij brief van 15 januari 2001(11) aan [betrokkene 2] geschreven dat [betrokkene 2] in de periode 1998-1999 bij Barion in dienst was, dat het personeel uit onder meer [betrokkene 3] en [betrokkene 1] bestond, dat Barion het advies had gekregen om haar activiteiten in een nieuw bedrijf voort te zetten en dat toen op hun kosten Holland Transport is opgericht.

Verder schreef [betrokkene 4] dat Barion onbetrouwbaar personeel had, waaronder [betrokkene 1], waardoor een faillissement van Barion niet kon worden voorkomen en dat door de inzet van [betrokkene 2] twee van de gestolen dan wel achtergehouden objecten waren teruggehaald en aan de eigenaren (leasebedrijf) waren overgedragen.

Ook schreef hij dat [betrokkene 2] Holland Transport - na het faillissement van Barion - op verzoek van Barion aan het einde van 1999 heeft overgedragen aan [betrokkene 3].

11. Verder heeft het hof in rov. 4.4 tot uitgangspunt genomen (wat in cassatie niet wordt bestreden) dat de verkrijging (levering) van de vrachtauto met oplegger aan [betrokkene 3]/Bliksem BV heeft plaatsgevonden op of omstreeks 21 april 2000, en is het hof ervan uitgegaan dat de wetenschap van [betrokkene 3] aan Holland Transport moet worden toegerekend, zodat in het geval [betrokkene 3] bij de verkrijging niet te goeder trouw was, ook Holland Transport bij haar verkrijging niet te goeder trouw was (rov. 4.7).

12. Ebag heeft in conventie een verklaring voor recht gevorderd dat zij eigenaar is van de vrachtauto met oplegger, en veroordeling van Holland Transport tot afgifte daarvan. Voorts vorderde zij een schadevergoeding van NLG 32.500,- (het bedrag waarmee de eerste huurtermijn volgens de huurovereenkomst werd verhoogd), plus NLG 4.007, 09 (de maandelijkse huurtermijn) voor elke maand die zou verstrijken na 18 mei 2000.

Holland Transport verweerde zich, en vorderde in reconventie dat zou worden vastgesteld dat de vrachtauto (e.a.) aan háár toekwam.

13. De rechtbank heeft de vorderingen van Ebag afgewezen en die van Holland Transport toegewezen). Het hof heeft alsnog in de door Ebag verdedigde zin beslist; en bij de veroordeling tot schadevergoeding als einddatum voor de maandelijkse huurtermijnen 25 juli 2002 aangehouden (de datum waarop de overeenkomst volgens art. 17.2 daarvan afliep), rov. 4.9.

14. Het hof heeft in rov. 4.6 overwogen dat het overhandigen van een kentekenbewijs deel III weliswaar een omstandigheid is die meeweegt bij het antwoord op de vraag of [betrokkene 3]/Bliksem B.V. te goeder trouw is, maar dat [betrokkene 3]/Bliksem in de gegeven omstandigheden had behoren te twijfelen en nader onderzoek had dienen te plegen naar de bevoegdheid van [betrokkene 1]. Die omstandigheden brachten (volgens het hof) mee dat de mededeling van Adatrans/[betrokkene 1] aan [betrokkene 3]/Bliksem B.V. dat hij de volledige leasetermijnen ineens had afbetaald, dat hij gebruik had gemaakt van de koopoptie en dat hem daarom kentekenbewijs deel III was overhandigd(12), onvoldoende was om tot de conclusie te voeren dat [betrokkene 3]/Bliksem te goeder trouw was.

15. Holland Transport is tijdig van het arrest van het hof in cassatie gekomen. Zij heeft haar cassatieberoep schriftelijk doen toelichten. Bij de schriftelijke toelichting is meegedeeld dat Holland Transport inmiddels failliet werd verklaard(13).

Tegen Ebag is in cassatie verstek verleend.

Het effect van de faillietverklaring van Holland Transport

16. Ingevolge art. 29 F. is dit geding geschorst voorzover het tot inzet heeft de voldoening van een verbintenis uit de boedel(14). Dat geval doet zich voor, nu Ebag ook vergoeding van schade in verband met het missen van de door haar gerevindiceerde vrachtauto(combinatie) vordert (en in appel toegewezen kreeg).

Voor de overige vorderingen gelden de regels van de art. 27 en 28 F(15). Die bepalingen voorzien er in dat de belanghebbenden schorsing van het geding kunnen verzoeken teneinde de curator in het geding te betrekken(16). Van deze mogelijkheid is - voorzover aan de Hoge Raad heeft kunnen blijken - geen gebruik gemaakt, zodat het geding - zonder dat de curator daarin gemoeid is - vervolgd kan worden.

Deze conclusie zal daarom ingaan op de materie die thans in cassatie ter beoordeling staat; waarbij uitgangspunt moet zijn dat het geding (voorzover) betreffende de voldoening van gelden uit de boedel, als geschorst moet worden aangemerkt.

Bespreking van het cassatiemiddel

17. Ofschoon het middel ook een beroep doet op schending van het recht, heb ik daar inhoudelijk (vrijwel) alleen motiveringsklachten in aangetroffen.

Die klachten lijken mij alle ongegrond, kort gezegd: omdat zij merendeels niet of onvoldoende aangeven waarin het gebrek in de motivering waarop een beroep wordt gedaan zou bestaan, én omdat de feitelijke stellingen waarop de klachten steunen merendeels niet in de processtukken zijn terug te vinden, ofwel in de processtukken zodanig naar voren zijn gebracht dat de rechters van de feitelijke instanties die geredelijk anders konden begrijpen - en die klaarblijkelijk ook anders hebben begrepen - dan nu in het middel wordt voorgestaan(17). Ten aanzien van deze klachten geldt dan ook, mutatis mutandis, wat de Hoge Raad in HR 6 juni 2003, NJ 2003, 707 m.nt. DA, rov. 3.1.4 - 3.1.7 heeft overwogen.

Ter toelichting van deze bevindingen loop ik de middelonderdelen na, in de volgorde waarin ze zijn aangevoerd:

18. Het eerste middel richt zich (ook) tegen rov. 3 van het bestreden arrest, de rov. waarin het hof de vaststaande feiten opsomt. Het middel bestrijdt echter niet werkelijk de in die rov. door het hof uitgevoerde vaststelling van feiten; het klaagt erover dat bepaalde feiten door het hof buiten beschouwing zouden zijn gelaten, althans dat onvoldoende zou blijken dat (of hoe) daarmee rekening is gehouden.

19. Die klachten miskennen dat de motivering van een rechterlijk oordeel duidelijk moet maken welke gedachtegang aan dat oordeel ten grondslag ligt; waarbij, voorzover dat voor de begrijpelijkheid van die gedachtegang nodig is, ook duidelijk moet worden gemaakt welke feiten daarbij in aanmerking zijn genomen. Verder gaat de motiveringsplicht niet. Hij gaat, met name, niet zo ver dat óók zou moeten worden uitgelegd waarom de rechter andere feiten, die tot een oordeel in andere zin kunnen bijdragen, hem niet tot andere gedachten hebben gebracht. De rechter moet aangeven op welke gronden hij tot het door hem gegeven oordeel is gekomen, en hoeft niet uit te leggen (laat staan: met een logisch dwingende redenering aan te tonen) waarom overigens aangevoerde gegevens hem minder overtuigend zijn voorgekomen dan de gegevens waarmee hij zijn oordeel heeft onderbouwd(18).

20. In deze zaak heeft het hof in rov. 4.6 de omstandigheden die bij zijn oordeel over de goede trouw aan de kant van Holland Transport de doorslag hebben gegeven, in een alleszins duidelijk betoog "onder elkaar gezet". In de trant van de hiervóór verdedigde parameters voor de rechterlijke motiveringsplicht, hoeft dan niet nader te worden uitgelegd waarom andere feiten, zoals die waar het middel zich op beroept, aan de bereikte slotsom niet afdoen: het is duidelijk dat dat het geval is omdat de rechter de feiten die hij aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd, heeft gewaardeerd als doorslaggevend (en de andere feiten dus niet). Anders dan in het middel lijkt te worden aangenomen, zijn de daarin ingeroepen feiten niet zodanig gewichtig of klemmend, dat daardoor onbegrijpelijk zou zijn dat het hof die als minder overtuigend terzijde heeft gelaten.

Op deze tegenwerpingen lopen alle argumenten van dit middelonderdeel vast.

21. Volledigheidshalve wijs ik er nog op dat het middel een aanzienlijk aantal stellingen betrekt waarvoor feitelijke grondslag ontbreekt: zo kan niet als vaststaand worden aangenomen dat de overeenkomst tussen Ebag en [betrokkene 1] "slechts" een huurovereenkomst zou zijn - van weerszijden hebben de procespartijen stellingen betrokken die de slotsom dat het een huurkoop- of lease-overeenkomst betrof plausibel maken(19) (zie onderdelen 1.3 en 1.6; ik laat daarom maar daar dat ik niet begrijp waarom dit veel - laat staan: doorslaggevend - verschil zou (kunnen) maken).

De in onderdeel 1.4 genoemde cijfers zien eraan voorbij dat (onweersproken) was gesteld dat bij afwikkeling op de voet van de lease-overeenkomst naast de aanbetaling van NLG 32.500,- en (zesendertig) leasetermijnen van ongeveer NLG 4007,-, nog een eindbetaling van NLG 13.750,- verschuldigd zou zijn geweest. Dat levert een totaal op van (afgerond) NLG 190.500,-. (Zelfs) volgens de eigen stellingen van Holland Transport lag niet in de rede dat er vóór april 2000 meer betaald zou zijn dan de aanbetaling, en negen termijnen ad NLG 4007, -, wat (afgerond) neerkomt op NLG 68.500,-. 's Hofs vaststelling dat dus (uiteraard: ook in aanmerking genomen de mogelijkheid dat er een achterstand in betalingen van de leasetermijnen was, of kon zijn) met een restantschuld van ca. NLG 130.000,- rekening moest worden gehouden is bij die stand van zaken in hoge mate aannemelijk, en dus het tegendeel van onbegrijpelijk. Voor de - kennelijk - op andere cijfers gebaseerde beschouwingen van onderdeel 1.4 ontbreekt dus een deugdelijke grondslag. (Voor de onderdelen 2.2, 2.7 en 2.11 (slot), waarin dezelfde cijfermatige grondslagen tot uitgangspunt worden genomen, geldt het hier besprokene dienovereenkomstig.)

Ook het argument dat [betrokkene 3] (slechts) chauffeur voor [betrokkene 1] zou zijn geweest en dat er (niet meer dan) "een soort compagnonschap" tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 3] zou hebben bestaan (onderdeel 1.6; zie ook onderdeel 2.6) vindt in de processtukken geen enkele steun: over deze zaken zijn geen bijzonderheden gesteld.

22. Het middel onder II bouwt voort op dezelfde argumenten die in onderdeel I worden aangevoerd. In zoverre faalt het onderdeel om dezelfde redenen. In de subonderdelen worden (reeksen van), voor een goed deel feitelijke grondslag ontberende, feiten aangehaald die alle dit met elkaar gemeen hebben, dat zij er niet aan in de weg staan dat het hof méér gewicht kon toekennen aan de (andere) feiten die het hof blijkens rov. 4.6 als doorslaggevend heeft beoordeeld. Wat dat betekent voor de motiveringsplicht, is (eveneens) al in verband met onderdeel I van het middel besproken.

23. Volledigheidshalve stip ik ook hier de stellingen aan die volgens mij (iedere) feitelijke grondslag ontberen:

- dat [betrokkene 1] de totale onder de lease-overeenkomst verschuldigde som zou hebben afgelost. Voorzover iets dergelijks al namens Holland Transport gesteld zou zijn (het is heel goed mogelijk de stellingen van Holland Transport zo te lezen dat die deze strekking niet hadden(20)), ontbreekt voor deze voorshands niet dadelijk aannemelijke stelling iedere onderbouwing. Het hof heeft die stelling dan ook vermoedelijk (als het al heeft aangenomen dat Holland Transport zich daarop wilde beroepen) als onvoldoende onderbouwd terzijde gelaten. Daardoor ontvalt de grondslag aan de verschillende middelonderdelen (voorzover) die van een ander substraat uitgaan (onderdelen 2.2, 2.3 en vooral 2.4 - waarbij ik aanteken dat ook deze middelonderdelen de in voetnoot 20 aangestipte ambivalentie vertonen; zie ook onderdeel 3.4, waarin dit onjuiste uitgangspunt terugkeert).

- dat [betrokkene 3] in zijn hoedanigheid van compagnon van [betrokkene 1] geen bemoeienis had met, of wetenschap had omtrent inkomende/uitgaande post, betalingen en betalingsverzoeken en

- achterstanden (onderdelen 2.5, 2.6, 2.10 en 2.11). Ook in dit verband geldt dat namens Holland Transport geen bijzonderheden over de rol van [betrokkene 3] als compagnon waren gesteld (een gegeven waarvan mocht worden aangenomen dat Holland Transport daar wèl wetenschap van had, reeds omdat [betrokkene 3] ook bestuurder van Holland Transport was), zodat het aan het hof was om zich aan de hand van de omstandigheden (en in het kader van de, in dit opzicht dus inhoudelijk niet weersproken, stellingen van Ebag) een oordeel te vormen over de vraag wat [betrokkene 3] van de gang van zaken in de desbetreffende organisatie wist of redelijkerwijs behoorde te weten.

- dat [betrokkene 1] (vrijwel) uitsluitend contante stortingen op de rekening van Ebag deed. Nog daargelaten dat dit mij een gegeven van verwaarloosbaar belang lijkt, kan ik geen stellingen van deze strekking in het dossier aantreffen.

24. Voorzover onderdeel 2.4 moet worden begrepen als rechtsklacht (die er dan toe strekt dat het bezit van een kentekenbewijs deel III als legitimatie van de houder moet worden aangenomen, en dus steeds voldoende is om degene die van een dergelijke houder verkrijgt te goeder trouw te doen zijn), is die klacht ondeugdelijk. Het spreekt vanzelf dat er gevallen zijn waarin ondanks het beschikbaar zijn van een "deel III", goede trouw bij de hier beoogde verkrijger ontbreekt - bijvoorbeeld het geval dat deze uit eigen ondervinding wéét dat de vervreemder weliswaar over deel III beschikt, maar niet tot vervreemding bevoegd is.

Dit voorbeeld maakt (voorzover nog nodig) duidelijk dat het hof van de juiste regel is uitgegaan: of een verkrijger te goeder trouw is (wat in dit verband betekent: niet wist van de beschikkingsonbevoegdheid van zijn "tegenspeler", en ook niet onaanvaardbaar lichtvaardig heeft gehandeld door daar zonder nadere verificatie op te vertrouwen(21)) moet worden beoordeeld met inachtneming van de bijzonderheden van het geval - zoals het hof in deze zaak dan ook heeft gedaan.

25. De klacht van onderdeel 2.7 dat het hof ten onrechte een in het laatste processtuk gesteld gegeven als onweersproken zou hebben aangenomen faalt (ook daarom), omdat Ebag de grondslagen voor haar schadeberekening reeds in de inleidende dagvaarding had gesteld (en de berekening in alinea 2.11 van de conclusie van dupliek in reconventie slechts een nadere cijfermatige verduidelijking van het in dit opzicht eerder aangevoerde vormde); en omdat van de kant van Holland Transport noch in eerste aanleg noch in appel een gemotiveerde betwisting heeft plaatsgehad van de namens Ebag verdedigde (wijze van) schadebegroting (dat geldt met name ook voor de in onderdeel 3.3 genoemde vindplaatsen uit de stukken). Dat de betreffende berekening onjuist zou zijn kan in cassatie niet worden beoordeeld, nu Holland Transport ook in dit verband zich alleen op de in alinea 21 hiervóór besproken verkeerde cijfermatige uitgangpunten beroept. Voor het aan het slot van onderdeel 2.11 betoogde geldt dan hetzelfde.

26. Onderdeel III van het middel heeft alleen betrekking op de door het hof ten laste van Holland Transport toegewezen schadevordering. Voor die vordering geldt, zoals in alinea 16 hiervóór gezegd, dat het geding door het faillissement van Holland Transport is geschorst. Daarom meen ik dat dit middelonderdeel niet behandeld kan worden.

Voor het geval daarover anders moet worden geoordeeld geef ik als mijn mening, dat het onderdeel ongegrond is, en wel om de in alinea 25 hiervóór al genoemde reden, dat van de kant van Holland Transport geen gemotiveerde betwisting heeft plaatsgehad van de namens Ebag verdedigde (wijze van) schadebegroting. Ook als men aanneemt dat de vrijheid die de rechter bij begroting van schade heeft, meebrengt dat die rechter ook van een onbetwist gestelde schade(begroting) mag afwijken, kan men de rechter toch niet verwijten dat hij van die ruimte geen gebruik maakt. Het is niet zo dat uit het gegeven dat [betrokkene 1] een aanbetaling van NLG 32.500,- aan Ebag heeft gedaan, noodzakelijkerwijs voortvloeit dat Ebag hetzelfde bedrag niet derft doordat zij dat ten opzichte van een nieuwe huurder of huurkoper niet opnieuw heeft kunnen bedingen. Dat het hof dat niet heeft aangenomen, is daarom ook niet onlogisch of anderszins onbegrijpelijk.

27. Middelonderdeel 3.5 tenslotte doet een beroep op gegevens waarop in de feitelijke instanties geen beroep is gedaan, en die ook allerminst als vaststaand kunnen gelden. Ook dit onderdeel mist daarom feitelijke grondslag en/of berust op voor het eerst in cassatie aangevoerde nieuwe (feitelijke) stellingen. Dat het feit dat men conservatoir beslag op een auto heeft gelegd zou impliceren dat men - de beslaglegger - voortaan vrij over het beslagobject kan beschikken (zoals dit middelonderdeel tot uitgangspunt neemt) is bovendien evident onjuist; als dit argument in de feitelijke instanties wèl zou zijn aangevoerd, had het hof dat moeten, of geredelijk kunnen verwerpen.

Conclusie

Ik concludeer dat de Hoge Raad zal verstaan dat het geding, voorzover daarin verbintenissen ten laste van de boedel van de eiseres tot cassatie ter beoordeling staan, door het faillissement van de betrokkene is geschorst. Ik concludeer voor het overige tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 Voor de overeenkomst verwijs ik naar prod. 1 bij de conclusie van eis tevens akte overlegging producties van Ebag en (bijlage bij) prod. 5 van de conclusie van repliek in conventie en antwoord in reconventie van Ebag.

2 Prod. 2 bij de conclusie van eis tevens akte overlegging producties van Ebag.

3 Prod. 3 bij het in de vorige voetnoot genoemde processtuk.

4 Dit zou blijken uit prod. 8 bij de conclusie van dupliek in conventie, van repliek in reconventie van Holland Transport (zie de verwijzing in alinea 6 van de betreffende conclusie en in alinea 2.6 van de conclusie van dupliek in reconventie van Ebag). De prod. 7-9 zijn in cassatie niet overgelegd.

5 Prod. 4 bij de conclusie van eis tevens akte overlegging producties van Ebag en (bijlage bij) prod. 5 van de conclusie van repliek in conventie en antwoord in reconventie van Ebag.

6 Prod. 3 bij de conclusie van antwoord in conventie, van eis in reconventie van Holland Transport (de producties zijn in verkeerde volgorde aangehecht).

7 De aangifte (prod. 5 bij de conclusie van eis tevens akte overlegging producties van Ebag) heeft in deze zaak geen rol van betekenis gespeeld. Overigens zijn de aangifte en de in alinea 7 gememoreerde overeenkomst niet met elkaar te rijmen.

8 Prod. 2 bij de conclusie van dupliek in reconventie van Ebag.

9 Dat de vrachtauto later op naam van Holland Transport is gesteld, zou "een verzekeringstechnische kwestie" zijn geweest; conclusie van antwoord in conventie, van eis in reconventie, alinea 12; conclusie van dupliek in conventie, van repliek in reconventie van Holland Transport, alinea 16.

10 Prod. 4 bij de conclusie van repliek in conventie en antwoord in reconventie van Ebag.

11 Prod. 6 bij de conclusie van dupliek in conventie, van repliek in reconventie van Holland Transport.

12 Zie 's hofs samenvatting van het verweer van Holland Transport in rov. 4.5.

13 Ambtshalve verrichte navraag bij de griffie van de Rechtbank Zwolle heeft bevestigd dat het faillissement, dat op 30 juli 2003 is uitgesproken, nog niet is beëindigd.

14 HR 9 september 1994, NJ 1995, 5, rov. 3.3. In de huidige zaak is niet het geval aan de orde dat er in cassatieklachten op het ingetreden faillissement een beroep wordt gedaan (waarbij de vraag opkomt of de Hoge Raad dan het faillissement tot uitgangspunt kan nemen, ook als daarvoor geen feitelijke grondslag in het dossier wordt geboden). Hier is het faillissement, met de daaraan inherente gevolgen, hangende de cassatieprocedure ingetreden en (namens de gefailleerde zelf) ter kennis van de Hoge Raad gebracht. Dan is, denk ik, de Hoge Raad gehouden, art. 29 F. (zelf) toe te passen, en speelt de vraag van "feitelijke grondslag" (omdat het hier niet om onderzoek van de cassatiemiddelen gaat, zie art. 419 lid 1 en lid 2 Rv.) geen rol.

15 T&C Faillissementswet, Christiaans, art. 25, aant. 2, art. 27, aant. 1 en art. 28, aant. 1; Polak-Wessels, Insolventierecht deel II, 2000, nrs. 2350 - 2352, 2354, 2383 en 2407 - 2408.

16 Het uitzonderingsgeval van art. 30 F. is niet aan de orde: blijkens de mededelingen in de schriftelijke toelichting (Holland Transport's raadsman heeft overigens ook een copie van het vonnis van faillietverklaring overgelegd) was de faillietverklaring uitgesproken vóór er in deze zaak arrest werd gevraagd.

17 Dat zo zijnde, kan ik daarlaten dat het middel ten aanzien van een belangrijk deel van de feiten waarop een beroep wordt gedaan ook niet aangeeft, waar deze in de processtukken zouden zijn gesteld of aangevoerd; zodat de klachten ook in zoverre niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. beantwoorden.

18 Zie bijvoorbeeld Civiele Conclusies 2002, p. 105 - 106 (of Civiele Conclusies 2001, p. 93 - 94).

19 Holland Transport laat trouwens ook in cassatie nog beweren dat de overeenkomst een koopoptie ten gunste van de "huurder" bevatte - een gegeven dat op zichzelf al de kwalificatie als "lease-overeenkomst" kán rechtvaardigen.

20 Het betoog namens Holland Transport strekte er vooral toe dat haar rechtsvoorganger [betrokkene 3] mocht menen dat [betrokkene 1] beschikkingsbevoegd was, omdat [betrokkene 1] voorgaf, alle leaseverplichtingen te hebben voldaan. Dat is een wezenlijk ander betoog, dan dat de leasetermijnen ook werkelijk zouden zijn voldaan; en voor de tweede stelling is (dan ook) een wezenlijk andere onderbouwing nodig, dan voor de eerste. Wie beide argumenten naast elkaar in stelling wil brengen, moet zich daar dan ook duidelijk over uitlaten. Volgens mij waren de stellingen van Holland Transport in dit opzicht bepaald niet duidelijk.

21 Ik noem, als exemplarische vindplaatsen (temidden van vele): de Parlementaire Geschiedenis Boek 3, p. 332 en de Parlementaire Geschiedenis Inv. Boek 3, p. 1214; alinea 7 van de conclusie van A-G De Vries Lentsch-Kostense voor HR 11 mei 2001, rechtspraak.nl LJN-nr. AB1553; HR 4 april 1986, NJ 1986, 810 m.nt. WMK, rov. 3; HR 24 november 1967, NJ 1968, 74, "O. omtrent middel I".