Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2004:AP1429

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
29-10-2004
Datum publicatie
29-10-2004
Zaaknummer
C03/152HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2004:AP1429
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

29 oktober 2004 Eerste Kamer Nr. C03/152HR AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr. E. van Staden ten Brink, t e g e n [Verweerder], wonende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, advocaat: mr. G.C. Makkink. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 556
NJ 2005, 79
JWB 2004/369
Verrijkte uitspraak

Conclusie

nr. C03/152HR

Mr. Hartkamp

zitting 11 juni 2004

Conclusie inzake

[eiser]

tegen

[verweerder]

Feiten en procesverloop

1) De rechtbank heeft in r.o. 3 van haar tussenvonnis van 22 januari 2002 de volgende, ook in cassatie vaststaande feiten vastgesteld (zie ook de vonnissen d.d. 2 november 1999 en 30 augustus 2000 van de kantonrechter).

[Verweerder], verweerder in cassatie, huurt sinds 1969 een stuk grond met daarop gestichte opstallen, deel uitmakende van het perceel plaatselijk bekend [a-straat 1] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Castricum, sectie [A], nr. [001] (gedeeltelijk), alwaar [verweerder] zijn onderneming heeft gevestigd.

[Verweerder] huurt het evengenoemde perceel sinds 1989 van [eiser], eiser tot cassatie, tegen een huurprijs van laatstelijk ƒ 18.500,-- per jaar. De huurovereenkomst tussen partijen luidt, voorzover van belang, als volgt:

"(...)

2. Het gehuurde is bestemd om te worden gebruikt als garagebedrijf en als motorbrandstoffenverkooppunt.

(...)

6. [Verweerder] verplicht zich tegenover [eiser] om in het gehuurde een brandstoffenverkooppunt te exploiteren en daartoe een leverantie-contract te sluiten met de olie- en benzinehandel Boha BV, gevestigd te Heiloo (...)."

[Verweerder] heeft vanaf 1989 met het brandstoffenverkooppunt (tankstation) een brutowinst gegenereerd van ongeveer ƒ 20.000,-- per jaar.

De gemeente Castricum heeft [verweerder] bij brief van 14 juli 1999 meegedeeld dat hij de werkzaamheden van het tankstation aan de [a-straat 1] vanaf 18 juli 1999 dient te staken; zo niet, dan zou de gemeente dit gedeelte van de inrichting sluiten. [Verweerder] heeft per 18 juli 1999 de exploitatie van het brandstoffenverkooppunt gestaakt.

[Eiser] heeft [verweerder] bij aangetekende brief van 16 augustus 1999 gesommeerd om binnen 14 dagen na de dagtekening van de brief de bedrijfsvoering van het brandstoffenverkooppunt te hervatten. [Verweerder] heeft niet aan deze sommatie voldaan.

2) Bij exploot van 27 september 1999 heeft [eiser] [verweerder] gedagvaard voor de kantonrechter te Haarlem. Hij heeft gevorderd, bij wijze van voorlopige voorziening, dat [verweerder] wordt veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde. [eiser] heeft daartoe aangevoerd dat [verweerder] tekort is gekomen in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst door de motorbrandstoffenverkoop te staken, de exploitatieovereenkomst met Boha BV (hierna: Boha) te beëindigen en aan al zijn relaties schriftelijk kenbaar te maken dat het verkooppunt wordt gesloten. Volgens [eiser] heeft [verweerder] hierover niet vooraf met hem overlegd. [Eiser] heeft verder betoogd dat de tekortkoming (wanprestatie) zeer ernstig is omdat de sluiting van het motorbrandstoffenverkooppunt ertoe zou leiden dat de plaatselijke overheid de daarmee verband houdende vergunningen zou intrekken, althans niet meer opnieuw zou verstrekken, waardoor hij aanzienlijke schade zou lijden vanwege de waardevermindering van het bedoelde stuk grond.

[Verweerder] heeft verweer gevoerd. Hij heeft aangevoerd dat [eiser] geen belang heeft bij zijn vordering en dat het besluit om de exploitatie van het brandstoffenverkooppunt te staken is genomen door een door [eiser] zelf aangewezen derde, te weten Boha, aangezien de exploitatie, mede vanwege de nieuwe milieueisen die sinds juli 1999 gelden, niet rendabel is.

3) Bij vonnis van 2 november 1999 heeft de kantonrechter geoordeeld dat op de beslissing van de bodemrechter niet vooruitgelopen kon worden en dat de gevorderde voorlopige voorziening mitsdien moest worden geweigerd.

4) Bij exploot van eveneens 27 september 1999 heeft [eiser] in de bodemprocedure (naast ontruiming) tevens ontbinding van de huurovereenkomst met [verweerder] gevorderd. Zijn in de voorlopige-voorzieningprocedure gevoerde betoog heeft hij gehandhaafd.

[Verweerder] heeft op zijn beurt zijn eerder gevoerde verweer gehandhaafd.

5) Na tussenvonnis van 3 mei 2000 waarbij een comparitie is gelast, heeft de kantonrechter bij eindvonnis van 30 augustus 2000 de vordering toegewezen. De kantonrechter heeft daartoe het volgende overwogen.

Uit het bepaalde in art. 6 van de huurovereenkomst vloeit voort dat het risico van de exploitatie van het brandstoffenverkooppunt bij [verweerder] ligt. Het betoog van [verweerder] dat [eiser] geen belang heeft bij zijn vordering omdat de exploitatie, onder andere vanwege de nieuwe milieueisen, niet rendabel is, is dan ook onjuist; als exploitant heeft [verweerder] er immers voor te zorgen dat het tankstation aan de daaraan te stellen eisen voldoet. Aangezien [verweerder] niet voorafgaande aan de sluiting van het tankstation overleg heeft gevoerd met [eiser], kan [verweerder] zich er in redelijkheid niet op beroepen dat de niet-nakoming van zijn contractuele verplichtingen is te wijten aan een derde (Boha). De vraag of een rendabele exploitatie mogelijk is, kan en behoeft geen beantwoording omdat het aan eventueel geïnteresseerde ondernemers is om de (on)mogelijkheden van exploitatie ter plaatse te beoordelen. De door de overheid gestelde normen maken het (voor derden) niet onmogelijk om op het gehuurde perceel een tankstation te exploiteren. [Verweerder] heeft niet weersproken dat de sluiting van het tankstation er toe zal leiden dat de plaatselijke overheid de daarmee verband houdende vergunningen zal intrekken, althans niet opnieuw zal willen verstrekken, waardoor [eiser] aanzienlijke schade zou lijden vanwege de waardevermindering van het gehuurde. In het licht van het voorgaande heeft [verweerder] jegens [eiser] derhalve zodanige wanprestatie gepleegd dat de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde gerechtvaardigd zijn.

6) [Verweerder] is onder aanvoering van vier grieven tegen het vonnis van de kantonrechter in hoger beroep gekomen bij de Arrondissementsrechtbank te Haarlem. De grieven strekken ten betoge dat [eiser] geen belang heeft bij zijn vordering, dat dit belang zodanig beperkt is dat de niet-nakoming van [verweerder] geen ontbinding rechtvaardigt en dat het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is [verweerder] aan zijn contractuele verplichting tot exploitatie van het brandstoffenverkooppunt te houden.

[Eiser] heeft de grieven bestreden.

7) Bij tussenvonnis van 22 januari 2002, onder gezamenlijke behandeling van de grieven, heeft de rechtbank overwogen dat [verweerder] het door [eiser] gestelde processuele belang bij zijn vordering voldoende gemotiveerd heeft betwist. [Eiser] zal daarom het belang bij zijn vordering moeten aantonen, waartoe hij aannemelijk dient te maken dat voor de huurder van het perceel de exploitatie van het tankstation op bedrijfseconomisch verantwoordelijke wijze mogelijk is, indien de inrichtingsvoorschriften uit het Besluit herstelinrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer 1990 worden nageleefd en uitgaande van de omstandigheid dat de huurder daartoe noodzakelijke investeringen voor zijn rekening neemt (r.o. 4.4). De stelling van [verweerder] dat de door [eiser] gevorderde ontruiming naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, heeft de rechtbank verworpen (r.o. 4.5). Vervolgens heeft de rechtbank overwogen:

"4.6 De rechtbank is tot slot van oordeel dat [verweerder] het door [eiser] gestelde belang bij ontbinding van de overeenkomst, namelijk het verval van de met het brandstoffenverkooppunt verband houdende vergunningen en de daaruit volgende waardedaling van het perceel, voldoende gemotiveerd heeft weersproken. Uit artikel 6:265 lid 1 B.W. volgt dat wanprestatie in de regel ontbinding wettigt, tenzij degene die is tekort geschoten zich er gemotiveerd op beroept dat de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding en haar gevolgen niet rechtvaardigt en dit bij betwisting bewijst. [verweerder] zal derhalve worden belast met het bewijs van zijn stellingen dat er van de zijde van de gemeente Castricum geen beperkingen bestaan, noch te verwachten zijn, tot het heroprichten van een tankstation op het perceel [a-straat 1] te [plaats]."

De rechtbank heeft in het voorgaande aanleiding gezien om ambtshalve een comparitie van partijen te bevelen (r.o. 4.7).

8) Bij tussenvonnis van 28 mei 2002 heeft de rechtbank overwogen dat de op 15 mei 2002 gehouden comparitie niet heeft geleid tot een regeling in der minne (r.o. 2.1) en dat [eiser] zal worden toegelaten tot het in het tussenvonnis van 22 januari 2002 bedoelde bewijs (r.o. 2.2), met dien verstande dat indien [eiser] in deze bewijsopdracht niet slaagt, het vonnis van de kantonrechter d.d. 30 augustus 2000 zal worden vernietigd en de vorderingen van [eiser] wegens gebrek aan belang zullen worden afgewezen (r.o. 2.3). Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat [verweerder] wordt toegelaten tot het bewijs dat er, uitgaande van de sluiting van het brandstoffenverkooppunt met ingang van 18 juli 1999 en buiten beschouwing latend de heroprichting van dat brandstoffenverkooppunt door Benelite BV met ingang van 2001, van de zijde van de gemeente Castricum geen beperkingen bestaan, noch binnen een periode van 10 jaar ná 18 juli 1999 te verwachten zijn, tot het heroprichten van een brandstoffenverkooppunt op het perceel [a-straat 1] te [plaats] (r.o. 2.4). De rechtbank heeft tot slot overwogen dat indien [verweerder] in dit bewijs slaagt, het eerdergenoemde vonnis van de kantonrechter zal worden vernietigd en de vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen, maar dat indien [verweerder] faalt in de opgedragen bewijslevering, het vonnis van de kantonrechter zal worden bekrachtigd (r.o. 2.5).

9) Bij eindvonnis van 15 januari 2003 heeft de rechtbank het vonnis van de kantonrechter d.d. 30 augustus 2000 vernietigd en de vordering van [eiser] alsnog afgewezen. Zij heeft daartoe het volgende overwogen.

[Eiser] heeft het hem opgedragen bewijs geleverd (r.o. 2.1-2.2); de door [verweerder] gevoerde verweren treffen geen doel (r.o. 2.3-2.4). Zoals in het tussenvonnis van 28 mei 2002 is overwogen, is derhalve thans van belang of [verweerder] in zijn bewijsopdracht is geslaagd; zo ja, dan volgt daaruit dat de tekortkoming van [verweerder] de ontbinding van de huurovereenkomst niet rechtvaardigt, aangezien de door [eiser] aangevoerde belangen, te weten het verval van met het tankstation verband houdende vergunningen en de daaruit voortvloeiende waardevermindering van het perceel, dan niet in het geding zijn (r.o. 2.5). Als getuige heeft [verweerder] [betrokkene 1] laten horen die namens burgemeester en wethouders van de gemeente Castricum daartoe was gemachtigd (r.o. 2.6, met citaat uit diens verklaring). Namens burgemeester en wethouders van de gemeente Castricum heeft [betrokkene 2] een brief d.d. 22 juli 2002 aan mr. R. Leuven, de advocaat van [verweerder], gestuurd (r.o. 2.7, met citaat daaruit). [eiser] heeft in zijn conclusie na enquête op een aantal gronden betoogd dat [verweerder] niet in zijn bewijsopdracht is geslaagd (r.o. 2.8). De rechtbank heeft daaromtrent overwogen:

"2.9 De rechtbank stelt voorop dat de praktijk heeft uitgewezen dat na de sluiting en verwijdering van het door [verweerder] geëxploiteerde tankstation, de heroprichting van een nieuw tankstation mogelijk was. Dit volgt immers uit de heroprichting van het tankstation door Benelite B.V. Voorts staat vast dat de gemeente Castricum aan de (milieu)vergunningverlening aan Benelite B.V. geen - voor de exploitatie relevante - andere voorschriften heeft verbonden dan voor [verweerder] golden. [Eiser] heeft de verklaring van [betrokkene 1] ter zake niet bestreden en evenmin zulke voorschriften gesteld. Verder is van belang dat [betrokkene 1], daarbij de gemeente Castricum vertegenwoordigend, heeft verklaard dat noch in de milieuvoorschriften noch in het bestemmingsplan beletselen zijn of te verwachten zijn ter zake de heroprichting van het tankstation. Na de sluiting in 1999 kon deze derhalve op ieder moment opnieuw worden opgericht.

2.10 Het voorbehoud dat de gemeente daarbij in haar brief van 22 juli 2002 maakt, namelijk "behoudens bedrijfswijzigingen" heeft naar het oordeel van de rechtbank uitsluitend betrekking op de geldende milieuvoorschriften. In deze brief relateert de gemeente dit voorbehoud aan het bepaalde in de Wet Milieubeheer, waarbij zij het oog moet hebben gehad op de artikelen 8.1 lid 1 onder b en 8.4 uit deze wet. In deze bepalingen is bepaald dat voor de verandering van een inrichting of de werking daarvan een vergunning moet worden verleend. Dit voorbehoud speelt bij de beoordeling van het bewijs derhalve geen rol, omdat de heroprichting van een brandstoffenverkooppunt geen verandering ten opzichte van het eerder door [verweerder] geëxploiteerde tankstation veronderstelt.

2.11 Waar het op aankomt is of met de mogelijkheid dat wijzigingen in wetgeving op gebied van milieu of ruimtelijke ordening of wijzigingen in gemeentelijk beleid ter zake zodanig rekening moet worden gehouden, dat het oordeel gerechtvaardigd is dat in de periode tot 18 juli 2009 beperkingen van de zijde van de gemeente Castricum tegen de heroprichting van het tankstation aan de [a-straat 1] te [plaats] te verwachten zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet het geval. Door partijen is niet gesteld en evenmin is gebleken dat met een wijziging van de toepasselijke regelgeving in de genoemde termijn rekening moet worden gehouden. Voorts betekent de wettelijke plicht van gemeenten om de geldende bestemmingsplannen tienjaarlijks te herzien, nog daargelaten de wijze waarop aan die regel uitvoering wordt gegeven, niet dat bestemmingsplannen daadwerkelijk worden aangepast. In dat kader is van belang dat [betrokkene 1] heeft verklaard dat het beleid van de gemeente Castricum inhoudt dat in geval van een voorgenomen wijziging van de bestemming van het perceel, de gemeente de wensen van de eigenaar/gebruiker van het perceel eerbiedigt.

2.12 De omstandigheid dat omwonenden bij heroprichting van het brandstoffenverkooppunt daartegen bezwaar zouden kunnen maken kan niet tot een ander oordeel leiden. Nu ter zake de inhoud van dergelijke bezwaren, laat staan de uitkomst daarvan, niets bekend is kan, mede gelet op het standpunt dat de gemeente Castricum heeft ingenomen, de enkele mogelijkheid van indiening van bezwaren niet tot de conclusie leiden dat [eiser] deswege voldoende belang had bij de ontbinding van de overeenkomst.

2.13 De slotsom is dat [verweerder] het hem opgedragen bewijs heeft geleverd. (...)"

7) [Eiser] is (tijdig) van de vonnissen van de rechtbank in cassatie gekomen. Daartoe heeft hij een middel van cassatie geformuleerd dat bestaat uit vier onderdelen. [Verweerder] heeft geconcludeerd voor antwoord. Vervolgens hebben partijen hun stellingen schriftelijk toegelicht.

Bespreking van het cassatiemiddel

8) Onderdeel 1 bevat een algemene klacht gericht tegen r.o. 4.6 van het tussenvonnis d.d. 22 januari 2002 alsmede tegen het in het eindvonnis d.d. 15 januari 2003 vervatte oordeel van de rechtbank dat op grond van de bewijslevering door [verweerder] het vonnis d.d. 30 augustus 2000 van de kantonrechter moet worden vernietigd en de vordering van [eiser] afgewezen (r.o. 2.5 t/m 2.13). Deze algemene klacht wordt nader uitgewerkt in een aantal deelklachten (subonderdelen 2.1 t/m 2.4). Het onderdeel heeft daarnaast geen zelfstandige betekenis en behoeft derhalve geen afzonderlijke bespreking.

9) Onderdeel 2 behoeft evenmin afzonderlijke bespreking aangezien het uitsluitend ter inleiding van de subonderdelen 2.1 t/m 2.4 dient. Volgens het onderdeel heeft de rechtbank in de bedoelde r.o. 4.6 terecht tot uitgangspunt genomen, conform art. 6:265 lid 1 BW, dat iedere tekortkoming van [verweerder] in de nakoming van de huurovereenkomst [eiser] de bevoegdheid geeft de overeenkomst te ontbinden, tenzij die tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding en haar gevolgen niet rechtvaardigt en [verweerder] dat bij betwisting bewijst. Dat aan de uitzondering van art. 6:265 lid 1 BW reeds zou zijn voldaan indien [verweerder] bewijst dat van de zijde van de gemeente Castricum terzake van het heroprichten van een tankstation op het betreffende perceel geen beperkingen bestaan en ook niet te verwachten zijn, getuigt echter van een onjuiste rechtsopvatting of is onvoldoende gemotiveerd, aldus het onderdeel.

10) Alvorens tot een bespreking van de subonderdelen 2.1 t/m 2.4 over te gaan, merk ik het volgende op. Hetgeen de rechtbank in r.o. 4.6 van haar tussenvonnis tot uitgangspunt heeft genomen - kort gezegd: iedere tekortkoming geeft een recht op ontbinding, tenzij -, komt mij juist voor in het licht van wat inmiddels vaste rechtspraak van de Hoge Raad mag heten. Zie HR 24 november 1995, NJ 1996, 160 (Tromp/Regency Residence); HR 27 november 1998, NJ 1999, 197 (De Bruin/Meiling), waarin tevens is beslist dat de algemene regels voor de ontbinding van een overeenkomst wegens tekortschieten in de nakoming daarvan (art. 6:265-278 BW) mede van toepassing zijn op huur van bedrijfsruimte; HR 22 oktober 1999, NJ 2000, 208 m.nt. JH (Twickler/R); HR 4 februari 2000, NJ 2000, 562 m.nt. JBMV (Mol/Meijer Beheer).

Uit deze rechtspraak kan voorts het volgende worden afgeleid. Bij de beantwoording van de vraag of de tekortkoming in de nakoming, gezien de bijzondere aard of de geringe betekenis daarvan, de ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt in de zin van art. 6:265 lid 1 BW, dient de rechter rekening te houden met alle omstandigheden van het geval. Tot die omstandigheden kunnen onder andere worden gerekend de aard en de betekenis van het beding in de naleving waarvan tekort is geschoten, de aard van de overeenkomst en de wederzijdse belangen van partijen. Zie over dit laatste ook HR 11 juni 1982, NJ 1983, 695 m.nt. CJHB (Gallas/Mozes), HR 30 november 1984, NJ 1985, 232 (Plieger/Van Delft) en HR 10 augustus 1992, NJ 1992, 715 (Lensink/Van Koppenhagen). Zie verder, met veel verwijzingen naar rechtspraak en literatuur, Losbladige Verbintenissenrecht (Hartlief), art. 265, aant. 7 en, met betrekking tot huur van woon- en bedrijfsruimte, aant. 10 onder a; zie in verband met duurovereenkomsten ook de noot (onder 8) van Hijma bij HR 11 januari 2002, NJ 2003, 255 (Schwarz/Gnjatovic).

Vereist is dat de tekortschietende schuldenaar zich voldoende gemotiveerd op de uitzondering van art. 265 lid 1 in fine beroept. Zie HR 31 december 1993, NJ 1994, 317 (Abbas/Woningbouwvereniging 's-Gravenhage) en het arrest De Bruin/Meiling. De waardering van de omstandigheden en van het gewicht van de tekortkoming in het kader van de vraag of de ontbinding al dan niet gerechtvaardigd is, is voorbehouden aan de feitenrechter en in cassatie slechts beperkt toetsbaar.

De subonderdelen 2.1 t/m 2.4 moeten mede tegen deze achtergrond worden beoordeeld.

11) Subonderdeel 2.1 vormt in wezen een herhaling van hetgeen in onderdeel 2 is aangevoerd. Het subonderdeel betoogt dat [eiser] niet zijn bevoegdheid tot ontbinding verliest door de (enkele) omstandigheid dat de sluiting van het tankstation ongedaan kan worden gemaakt door het tankstation te heropenen c.q. doordat de gemeente daartegen geen bezwaren zal hebben. Vervolgens stelt het - wat op hetzelfde neerkomt - dat niet valt in te zien dat door die omstandigheid [eiser] zijn bevoegdheid tot ontbinding verliest c.q. dat (alleen) daardoor de ontbinding en haar gevolgen niet gerechtvaardigd is. Indien echter de rechtbank op grond van de omstandigheden van dit geval zou hebben geoordeeld dat in casu aan de uitzondering van art. 6:265 lid 1 BW zou zijn voldaan, dan had de rechtbank, aldus het subonderdeel, nader dienen te motiveren waarom de tekortkoming de ontbinding en haar gevolgen niet zou rechtvaardigen.

12) Voorzover het subonderdeel niet reeds strandt op de eisen die art. 407 lid 2 Rv. daaraan stelt - het verzuimt immers aan te geven waarom [eiser] zijn ontbindingsbevoegdheid niet vanwege bedoelde omstandigheid (alleen) verliest of waarom dat niet valt in te zien -, faalt het omdat het oordeel van de rechtbank dat, gegeven de bewijslevering door [verweerder], zijn tekortkoming de ontbinding van de huurovereenkomst niet rechtvaardigt (r.o. 2.5 e.v. van het eindvonnis), m.i. geen nadere motivering behoeft gelet op de stellingen van [eiser] en het daaropvolgende partijdebat. Immers, [eiser] heeft zich zowel in eerste als in tweede aanleg op het standpunt gesteld dat [verweerder]'s tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst zeer ernstig is omdat het sluiten van het tankstation ertoe zal leiden dat de plaatselijke overheid de daarmee verband houdende vergunningen zal intrekken of niet opnieuw zal willen afgeven, waardoor hij aanmerkelijke schade zal lijden vanwege de waardevermindering van het perceel (dagvaarding in voorlopige-voorzieningprocedure onder 8; dagvaarding in bodemprocedure onder 8; memorie van antwoord onder 28). Hij heeft betoogd dat dáárom (onmiddellijke) ontbinding van de huurovereenkomst "gerechtvaardigd" is (dagvaarding in bodemprocedure onder 9).

Daarmee heeft [eiser] niet - in strijd met de aanhef van art. 265 lid 1 en de daarop gebaseerde onder 10 geciteerde rechtspraak - betoogd dat alleen een ernstige tekortkoming ontbinding rechtvaardigt, doch hij heeft, hoewel de stelplicht terzake op [verweerder] rustte, een voorschot genomen op de discussie omtrent de vraag of de tekortkoming van [verweerder] de ontbinding niet rechtvaardigde in de zin van art. 265 lid 1 in fine; en hij heeft die discussie begrensd tot de kwestie van de vergunningen en de waardevermindering van zijn grond. Een ander belang heeft [eiser] niet gesteld, noch enige andere omstandigheid waaruit zou volgen dat de niet-nakoming de ontbinding kan rechtvaardigen.(1) [Verweerder] heeft evenmin andere omstandigheden aangevoerd die met het oog op de uitzonderingsregel van art. 6:265 lid 1 in fine van belang zouden kunnen zijn, kennelijk omdat ook [verweerder] er van is uitgegaan dat [eiser]' enige belang bij de ontbinding was het door hem gevreesde verval van de vergunningen en de waardevermindering van de grond, welk belang [verweerder] heeft betwist. De rechtbank heeft de aldus door partijen uitgezette rechtsstrijd beslecht: na aan [verweerder] de bewijslast te hebben opgelegd en te hebben geoordeeld dat hij daarin was geslaagd, heeft zij geoordeeld dat zijn tekortkoming de ontbinding niet rechtvaardigt.

13) Subonderdelen 2.2 t/m 2.4 strekken ten betoge dat het oordeel van de rechtbank onjuist is of onvoldoende is gemotiveerd omdat de rechtbank een aantal, in die subonderdelen gespecificeerde omstandigheden niet in haar oordeel heeft betrokken. Uit het hierboven onder 12 overwogene volgt dat de subonderdelen naar mijn mening niet tot cassatie kunnen leiden.

14) Blijkens onderdeel 3, dat zelf geen zelfstandige klacht behelst, komen de subonderdelen 3.1 t/m 3.5 op tegen r.o. 2.9 t/m 2.12 van het eindvonnis d.d. 15 januari 2003. Aldaar heeft de rechtbank gemotiveerd waarom in casu niet is voldaan aan het criterium waar het (bij de beoordeling van het door [verweerder] geleverde bewijs) op aankomt, te weten of met de mogelijkheid dat wijzigingen in wetgeving op gebied van milieu of ruimtelijke ordening of wijzigingen in gemeentelijk beleid ter zake zodanig rekening moet worden gehouden, dat het oordeel gerechtvaardigd is dat in de periode tot 18 juli 2009 beperkingen van de zijde van de gemeente Castricum tegen heroprichting van het tankstation aan de [a-straat 1] te [plaats] te verwachten zijn (r.o. 2.11).

15) Subonderdeel 3.1 acht het onduidelijk hoe de rechtbank tot het oordeel heeft kunnen komen dat aan dit criterium is voldaan, omdat niemand kan voorspellen hoe de (Nederlandse) wetgeving m.b.t. milieu of ruimtelijke ordening zich in de periode tot 18 juli 2009 zal ontwikkelen.

Het subonderdeel kan niet slagen. Het ziet eraan voorbij dat de rechtbank heeft overwogen dat door partijen niet is gesteld en dat evenmin is gebleken dat met een wijziging van de toepasselijke regelgeving in de genoemde termijn rekening moet worden gehouden (r.o. 2.11, tweede zin). Daarnaast miskent het subonderdeel dat het de rechtbank niet was te doen om het verkrijgen van absolute zekerheid ("(...) of met de mogelijkheid (...) zodanig rekening moet worden gehouden, dat het oordeel gerechtvaardigd is dat (...) beperkingen (...) te verwachten zijn") en dat het bewijsrecht zulks ook niet verlangt. Zie bijv., met verdere literatuurverwijzingen, Bewijslastverdeling, Mon. Nieuw BW A-24 (Asser), nr. 8, p. 14-15.

16) Subonderdeel 3.2 strekt ten betoge dat de rechtbank aan de verklaring van [betrokkene 1] - dat noch in de milieuvoorschriften, noch in het bestemmingsplan beletselen bestaan of zijn te verwachten terzake van het heroprichten van het tankstation - een onbegrijpelijke conclusie heeft verbonden door in r.o. 2.9 te overwegen: "Na de sluiting in 1999 kon deze derhalve op ieder moment opnieuw worden opgericht." Deze conclusie zou hooguit "tot dat moment" gerechtvaardigd zijn, waarmee het subonderdeel kennelijk bedoelt het moment waarop de rechtbank haar conclusie heeft getrokken (d.w.z. 15 januari 2003, de datum van het eindvonnis).

Voorzover het subonderdeel niet reeds afstuit op hetgeen hierboven onder 15 is overwogen, faalt het omdat het miskent dat, zoals de rechtbank heeft opgemerkt (in r.o. 2.9), [betrokkene 1] zelf heeft verklaard dat na de sluiting van het tankstation in 1999 deze op ieder moment opnieuw kon worden opgericht. Bovendien heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat [betrokkene 1] (tevens) heeft verklaard dat het beleid van de gemeente Castricum, die hij vertegenwoordigde, inhoudt dat in geval van een voorgenomen wijziging de gemeente de wensen van de eigenaar/gebruiker van het perceel eerbiedigt (r.o. 2.11). In dit licht is het oordeel van de rechtbank dat aan het hierboven onder 14 vermelde criterium is voldaan, m.i. niet onbegrijpelijk.

17) Volgens subonderdeel 3.3 is het door de rechtbank in r.o. 2.9 gehanteerde argument dat het mogelijk is gebleken het tankstation opnieuw op te richten, ongenoegzaam en onbegrijpelijk ter ondersteuning van haar oordeel dat, kort samengevat, [verweerder] in zijn bewijslevering is geslaagd.

Het subonderdeel miskent dat [eiser] zich op het standpunt heeft gesteld dat vanwege de sluiting van het tankstation de daarmee verband houdende vergunningen door de gemeente zouden worden ingetrokken en niet opnieuw zouden worden verleend. Ter beoordeling van dat standpunt heeft de rechtbank mede acht geslagen op de omstandigheid dat na sluiting van het tankstation door [verweerder], Benelite B.V. erin is geslaagd het tankstation te heropenen (waarbij, zoals de rechtbank bovendien in r.o. 2.9 heeft overwogen, de gemeente geen andere voorschriften aan de milieuvergunningverlening heeft verbonden dan voor [verweerder] golden). Dat de rechtbank die omstandigheid in haar oordeel heeft betrokken is niet onbegrijpelijk.

18) Subonderdeel 3.4 klaagt erover dat de rechtbank in r.o. 2.12 het uitgangspunt van r.o. 4.6 van haar tussenvonnis d.d. 22 januari 2002 heeft verlaten en alsnog heeft miskend dat het aan [verweerder] was om te stellen en te bewijzen dat de tekortkoming de ontbinding niet rechtvaardigt.

Het subonderdeel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Uit de eerste zin van r.o. 2.12, gelezen in samenhang met r.o. 2.11, blijkt dat volgens de rechtbank de omstandigheid dat omwonenden bezwaar zouden kunnen maken tegen heroprichting van het tankstation, niet tot een ander oordeel kan leiden dan het reeds in r.o. 2.11 gegeven oordeel (dat, kort gezegd, wijzigingen in milieuwetgeving of in gemeentelijk milieubeleid niet te verwachten zijn). Zo moet ook de formulering worden begrepen die de rechtbank in de tweede zin van r.o. 2.12 bezigt, nl. dat de enkele mogelijkheid van indiening van bezwaren niet tot de conclusie kan leiden dat [eiser] deswege voldoende belang had bij de ontbinding. Er is derhalve geen sprake van dat de rechtbank het eerder gekozen uitgangspunt heeft verlaten.

19) Subonderdeel 3.5 voert aan dat niet is komen vast te staan dat het tankstation tot 18 juli 2009 zou kunnen worden heropgericht, en dat daarom de werkelijke vraag die de rechtbank zich had moeten stellen, luidt of die onzekerheid [eiser] al dan niet van zijn ontbindingsrecht vermocht te depriveren.

Dit subonderdeel bouwt naar de kern genomen voort op subonderdeel 3.1 (waarover hierboven onder 15) en moet het lot daarvan delen.

20) Onderdeel 4 is in stelling gebracht op de voorwaarde dat [verweerder] incidenteel cassatieberoep zou instellen tegen r.o. 2.1 t/m 2.4 van het eindvonnis d.d. 15 januari 2003. Aangezien [verweerder] niet in cassatie is gekomen, behoeft het onderdeel geen bespreking.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 Deze begrenzing is minder merkwaardig dan zij op het eerste gezicht lijkt als men bedenkt dat [verweerder] weliswaar de exploitatie van het brandstoffenverkooppunt heeft gestaakt, maar niet die van het garagebedrijf en dat, nu [eiser] niet het tegendeel heeft aangevoerd, ervan kan worden uitgegaan dat [verweerder] niet in gebreke is geraakt met de betaling van de huurpenningen.