Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2004:AP0426

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
15-10-2004
Datum publicatie
15-10-2004
Zaaknummer
C03/160HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2004:AP0426
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

15 oktober 2004 Eerste Kamer Nr. C03/160HR JMH/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie), gevestigd te 's-Gravenhage, EISER tot cassatie, advocaat: mr. D. Stoutjesdijk, t e g e n [Verweerder], wonende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, niet verschenen....

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 558a
Wetboek van Strafvordering 559
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 524
NJ 2004, 624
RvdW 2004, 118
JWB 2004/355
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. C03/160HR

Mr L. Strikwerda

Zt. 28 mei 2004

conclusie inzake

De Staat der Nederlanden

tegen

[verweerder]

Edelhoogachtbaar College,

1. Het gaat in deze zaak om de vraag of thans eiser tot cassatie, hierna: de Staat, jegens thans verweerder in cassatie, hierna: [verweerder], onrechtmatig heeft gehandeld door aan een door [verweerder] ingediend verzoekschrift om gratie van een hem opgelegde vrijheidsstraf geen opschortende werking van de tenuitvoerlegging van de straf toe te kennen.

2. De feiten liggen als volgt (zie r.o. 1 van het arrest van het Hof in verbinding met r.o. 1 van het vonnis van de Voorzieningenrechter).

(i) Bij vonnis van de Rechtbank te Amsterdam van 16 september 1997 is [verweerder] ter zake van vernieling (meermalen), diefstal in vereniging en verbale bedreiging veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk. [verweerder] is in verband daarmee, inclusief de daaraan voorafgaande voorlopige hechtenis, van 13 april 1997 tot 10 oktober 1997 gedetineerd geweest.

(ii) Bij uitspraak van 22 september 2000 van de Rechtbank te Amsterdam is de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van voornoemde veroordeling gelast.

(iii) Bij brief van het Landelijk Coördinatiepunt Arrestatiebevelen van 17 mei 2001 is [verweerder] de mogelijkheid van de zgn. "zelfmeldprocedure" geboden. Bij deze procedure wordt de mogelijkheid gegeven om de straf in een halfopen gevangenis te ondergaan.

(iv) [Verweerder] heeft de bij bovengenoemde brief gevoegde instemmingsverklaring op 14 juni 2001 geretourneerd.

(v) Vervolgens is [verweerder] bij brief van 27 juni 2001 opgeroepen zich op 30 juli 2001 te melden in de inrichting Bankenbosch te Veenhuizen. Deze brief is verzonden aan het GBA-adres van [verweerder], te weten [a-straat 1] te [woonplaats].

(vi) Bij brief van 29 juni 2001 is namens [verweerder] door zijn advocaat een gratieverzoek ingediend. Daarbij is tevens verzocht om aan het gratieverzoek opschortende werking toe te kennen, en daarover schriftelijk te berichten.

(vii) Bij faxbrief van 24 juli 2001 is nogmaals verzocht aan het gratieverzoek schorsende werking te verlenen.

(viii) Aan het gratieverzoek is geen opschortende werking verleend.

(ix) [Verweerder] heeft aan de oproeping geen gehoor gegeven.

(x) Medio maart 2002 is [verweerder] aangehouden, waarna hij is gedetineerd.

3. Daarop heeft [verweerder] de Staat gedagvaard in kort geding voor de Voorzieningenrechter in de Rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd de Staat te verbieden de verdere executie van voornoemde straf voort te zetten voordat op het gratieverzoek is beslist. Aan zijn vordering heeft [verweerder] onder meer ten grondslag gelegd dat de maatregelen ter executie die de Staat jegens hem heeft genomen onrechtmatig zijn, aangezien ingevolge art. 558a lid 1 Sv aan het door hem ingediende gratieverzoek alsnog opschortende werking dient te worden toegekend nu geen van de gevallen genoemd in art. 559 Sv, waarin art. 558a Sv buiten toepassing wordt gelaten, op hem van toepassing zijn.

4. De Staat heeft de vordering van [verweerder] op twee gronden bestreden. In de eerste plaats heeft de Staat aangevoerd dat tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf geacht moet worden te zijn aangevangen indien de handeling van het OM, die is gericht op het bewerkstelligen dat de vrijheidsstraf wordt ten uitvoer gelegd, te weten in deze zaak de verzending aan [verweerder] van de mededeling met de melddatum bij de inrichting. Aangezien [verweerder] zijn verzoekschrift om gratie na die verzending heeft ingediend, kan daaraan geen opschortende werking worden toegekend. Voorts heeft de Staat aangevoerd dat [verweerder] zich heeft onttrokken aan de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde straf, zodat ingevolge art. 559, aanhef en onder a?, Sv art. 558a Sv buiten toepassing blijft.

5. Bij vonnis van 18 april 2002 heeft de Voorzieningenrechter de vordering van [verweerder] afgewezen. Hij heeft daartoe overwogen dat juist is het standpunt van de Staat dat op het moment waarop [verweerder] zijn verzoekschrift om gratie indiende de tenuitvoerlegging reeds was aangevangen, zodat aan dat gratieverzoek geen opschortende werking van rechtswege toekomt (r.o. 3.6). De tweede grond waarop de Staat zijn verweer heeft gebouwd, is door de Voorzieningenrechter eveneens als deugdelijk aanvaard. Doordat [verweerder] zich niet vrijwillig heeft gemeld om de vrijheidsstraf te ondergaan op een moment dat de tenuitvoerlegging geacht werd te zijn aangevangen, heeft hij zich aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf onttrokken en kon de indiening van het gratierekest hem toen dus niet meer baten, aldus de Voorzieningenrechter (r.o. 3.7).

6. [Verweerder] is van het vonnis van de Voorzieningenrechter in hoger beroep gegaan bij het Gerechtshof te Amsterdam. Met twee grieven kwam hij op tegen de aanvaarding door de Voorzieningenrechter van beide gronden van het verweer van de Staat.

7. Bij arrest van 20 maart 2003 heeft het Hof het vonnis van de Voorzieningenrechter vernietigd en, opnieuw recht doende, de vordering van [verweerder] alsnog toegewezen.

8. Ten aanzien van de vraag op welk moment de tenuitvoerlegging wordt geacht te zijn aangevangen, heeft het Hof het oordeel van de Voorzieningenrechter onderschreven: de tenuitvoerlegging moet geacht worden te zijn aangevangen op het moment van verzending van de mededeling aan [verweerder] met de melddatum bij de inrichting (r.o. 5.2). Naar het oordeel van het Hof heeft de omstandigheid dat de tenuitvoerlegging is aangevangen evenwel niet tot gevolg dat een nadien ingediend gratieverzoek opschortende werking ontbeert. Blijkens art. 558a lid 1, aanhef en onder b, Sv geldt voor de daarin genoemde gevallen niet de voorwaarde dat de tenuitvoerlegging nog niet is aangevangen, aldus het Hof (r.o. 5.3). Voorts heeft het Hof overwogen dat niet valt in te zien dat het indienen van het gratieverzoek door [verweerder] kan worden gekwalificeerd als een zich onttrekken aan de vrijheidsstraf als bedoeld in art. 559, aanhef en onder a?, Sv (r.o. 5.4). Het Hof is op grond hiervan tot de slotsom gekomen dat de grieven slagen, behoudens voor zover daarin een andere uitleg van het begrip "aanvang van de tenuitvoerlegging" wordt voorgestaan dan door het Hof in zijn arrest is gegeven (r.o. 6).

9. De Staat is tegen het arrest van het Hof (tijdig) in cassatie gekomen met een uit verscheidene onderdelen opgebouwd middel. [Verweerder] is in cassatie niet verschenen. Tegen hem is verstek verleend.

10. Onderdeel 1 van het middel neemt stelling tegen het oordeel van het Hof dat de omstandigheid dat de tenuitvoerlegging is aangevangen niet tot gevolg heeft dat een nadien ingediend gratieverzoek opschortende werking ontbeert, omdat blijkens art. 558a lid 1, aanhef en onder b, Sv voor de daarin genoemde gevallen niet de voorwaarde geldt dat de tenuitvoerlegging nog niet is aangevangen. Volgens het onderdeel heeft het Hof daarbij miskend dat ten aanzien van zowel de vrijheidsstraffen genoemd in art. 558a lid 1, aanhef en onder a en b, Sv, als de geldboete genoemd in art. 558a lid 1, aanhef en onder c, Sv, een verzoekschrift om gratie de tenuitvoerlegging van de straf waarvan gratie wordt verzocht slechts opschort indien de tenuitvoerlegging daarvan nog niet is aangevangen.

11. Bij de beoordeling van deze klacht dient vooropgesteld te worden dat het Hof - in cassatie onbestreden - heeft geoordeeld dat de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf van zes maanden die [verweerder] voorwaardelijk was opgelegd bij het vonnis van de Rechtbank te Amsterdam van 16 september 1997 en waarvan bij uitspraak 22 september 2000 van dezelfde Rechtbank de tenuitvoerlegging was bevolen, was aangevangen op het moment van verzending op 27 juni 2001 van de mededeling aan [verweerder] met de melddatum bij de inrichting, derhalve vóór 29 juni 2001, de dag waarop [verweerder] zijn gratieverzoek indiende.

12. Uitgangspunt van de bij Wet van 18 januari 1996, Stb 39, herziene gratieregeling in het Wetboek van Strafvordering (art. 558-561) is dat, anders dan onder de oude regeling, aan gratieverzoeken geen opschortende of schorsende werking van de straf waarvan gratie wordt verzocht, toekomt. Op dit uitgangspunt worden enige limitatief door de wet opgesomde uitzonderingen gemaakt. Daarbij wordt in de wettelijke regeling een onderscheid gemaakt tussen opschorting van de tenuitvoerlegging van de straf, dat wil zeggen uitstel van de tenuitvoerlegging die nog niet is aangevangen, en schorsing van de tenuitvoerlegging van de straf, dat wil zeggen onderbreking van de reeds aangevangen tenuitvoerlegging. Zie art. 559a lid 2 Sv. Art. 558a Sv somt limitatief de gevallen op waarin het indienen van een gratieverzoek van rechtswege opschortende werking heeft, de gevallen dus waarin het indienen van een gratieverzoek van rechtswege leidt tot uitstel van de nog niet aangevangen tenuitvoerlegging van de straf waarvan gratie wordt verzocht. Uitzonderingen op de uitzonderingen van art. 558a Sv worden vervolgens geformuleerd in art. 559 Sv. Een gratieverzoek dat is ingediend nadat de tenuitvoerlegging van de straf waarvan gratie wordt verzocht, is aangevangen kan niet meer leiden tot opschorting van de tenuitvoerlegging; het kan slechts leiden, indien de Minister van Justitie zulks bepaalt, tot schorsing van de tenuitvoerlegging (art. 559a lid 2 Sv).

13. Uit dit een en ander volgt dat de regeling van art. 558a Sv en art. 559 Sv inzake de opschortende werking van het gratieverzoek slechts van toepassing is, indien het gratieverzoek is ingediend voordat de tenuitvoerlegging van de straf waarvan gratie wordt verzocht, is aangevangen. In het onderhavige geval staat vast dat [verweerder] zijn gratieverzoek heeft ingediend nadat de tenuitvoerlegging van de straf waarvan hij gratie heeft verzocht, reeds was aangevangen. De artt. 558a en 559 Sv zijn derhalve niet van toepassing, hetgeen meebrengt dat aan dat gratieverzoek geen opschortende werking kan toekomen, doch slechts schorsende werking indien de Minister van Justitie zulks mocht bepalen (art. 559a lid 2 Sv).

14. Het oordeel van het Hof dat de omstandigheid dat de tenuitvoerlegging is aangevangen niet tot gevolg heeft dat een nadien ingediend gratieverzoek opschortende werking ontbeert, omdat blijkens art. 558a lid 1, aanhef en onder b, Sv voor de daarin genoemde gevallen niet de voorwaarde geldt dat de tenuitvoerlegging nog niet is aangevangen, is derhalve onjuist. Het Hof heeft miskent dat art. 558a Sv niet van toepassing is op gevallen waarin het gratieverzoek is ingediend nadat de tenuitvoerlegging van de straf waarvan gratie wordt verzocht, reeds is aangevangen. Aan het door [verweerder] ingediende gratieverzoek kan daarom hoe dan ook geen opschortende werking toekomen. Onderdeel 1 van het middel treft derhalve doel.

15. Dit betekent dat het bestreden arrest van het Hof niet in stand kan blijven en dat de overige onderdelen van het middel, die zich keren tegen de nadere uitleg die het Hof heeft gegeven aan art. 558a Sv en het evenmin toepasselijke art. 559 Sv, geen behandeling behoeven.

16. De Hoge Raad kan na vernietiging van het bestreden arrest de zaak op het bestaande hoger beroep zelf afdoen en, met inachtneming van het in cassatie onbestreden oordeel van het Hof dat de tenuitvoerlegging van de straf waarvan [verweerder] gratie heeft verzocht ten tijde van de indiening van het gratieverzoek reeds was aangevangen, en onder verwerping van de door [verweerder] tegen het vonnis van de Voorzieningenrechter aangevoerde grieven die beide ten onrechte uitgaan van de toepasselijkheid van art. 558a Sv en art. 559 Sv, het beroepen vonnis te bekrachtigen.

De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot afdoening van de zaak door de Hoge Raad in voege als hierboven onder 16 is aangegeven.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,