Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2004:AP0114

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
28-05-2004
Datum publicatie
28-05-2004
Zaaknummer
C03/054HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2004:AP0114
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

28 mei 2004 Eerste Kamer Nr. C03/054HR RM/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr. P. Garretsen, t e g e n RABO FINANCIERINGSMAATSCHAPPIJ B.V., gevestigd te Eindhoven, VERWEERSTER in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2004-05-28
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 407, geldigheid: 2004-05-28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 282
JWB 2004/194

Conclusie

Rolnr C03/054HR

mr J. Spier

Zitting 20 februari 2004

Conclusie inzake

[eiser]

tegen

Rabo Financieringsmaatschappij BV

(hierna: RF)

1. Feiten

1.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de navolgende, door de Rechtbank Rotterdam in rov. 4.2 van haar in cassatie bestreden vonnis, vastgestelde feiten. Zoals hierna nog zal blijken, bestrijdt het middel de onder 1.3 vermelde vaststelling.

1.2 Tussen Rabobank De Maaslanden te De Lier (hierna ook RM) en [eiser] is op 14 oktober 1992 een overeenkomst van geldlening totstandgekomen. Het ging om een zogenaamde persoonlijke lening. Op grond van die overeenkomst heeft [eiser] fl. 20.000 van RM geleend. [Eiser] was op grond van deze overeenkomst verplicht om maandelijks fl. 790,65 aan RM te betalen gedurende dertig maanden. De eerste termijn verviel op 14 november 1992. In totaal moest [eiser] fl. 23.719,50 betalen.

1.3 De overeenkomst bevatte een derdenbeding ten behoeve van RF dat - kort gezegd - aan RF dezelfde positie gaf als die welke RM voor zichzelf had bedongen. Dit beding heeft RF bij voorbaat aanvaard.(1)

1.4 RM heeft [eiser] een creditcard ter beschikking gesteld.

1.5 [Eiser] had bij RM een betaalrekening lopen.

1.6 Bij brief van 20 oktober 1994 gericht aan RF met onderwerp: "betalingsregeling [eiser]" heeft een medewerker van het Buro voor rechtshulp het volgende bericht:

"(...)

De verwarring omtrent de betalingen verricht door [eiser] zijn ontstaan, doordat hij zowel bij zijn (Rabo)bank als bij uw financieringsmaatschappij een betalingsregeling heeft lopen voor f 500,- per maand. De betalingen aan Rabo Maaslanden doet cliënt via de deurwaarder. Van uw maatschappij ontvangt hij acceptgiro's. Doordat hij deze acceptgiro's aan zijn eigen bank heeft afgegeven, heeft Rabo Maaslanden aanvankelijk de betalingen geaccepteerd als betrof het een aflossing op de met haar getroffen regeling. Inmiddels is één en ander gecorrigeerd.

(...)

Indien de mogelijkheid bestaat, dat de gehele vordering in één hand komt, aan welke rechtspersoon cliënt dan f 1000,- per maand zal aflossen, dan stelt cliënt dit ten zeerste op prijs."

1.7 In totaal heeft RF fl 15.963,90 afgeboekt op hetgeen [eiser] uit hoofde van de geldlening verschuldigd was. Dit bedrag was door [eiser] betaald.

1.8 [Eiser] heeft voorts f 7.800,= aan incassobureau Trajectum B.V. betaald.

2. Wat behoort tot de processtukken?

2.1 Bestudering van het dossier deed de vraag rijzen welke stukken daartoe nauwkeurig behoren. Die vraag werd met name ingegeven door de omstandigheid dat er a prima vista twee verweren van een verschillende datum in de overgelegde procesmap zitten. Naar aanleiding van de inventaris in de "conclusie van eis in hoger beroep" heeft RF in haar mva onder 2 betoogd twee stukken niet te kennen.

2.2 Ik heb daarom het dossier bij het Kantongerecht Schiedam doen opvragen.(2) Daaruit blijkt een discrepantie tussen de in cassatie overgelegde stukken en het kantongerechtsdossier.

2.3 Nu het vonnis door de Kantonrechter is gewezen onder de vigeur van het oude Rv., meen ik me te moeten baseren op de overgelegde stukken. Eens temeer omdat sprake is van een verstekzaak. Stukken die niet in het kantongerechtsdossier zitten, heb ik evenwel buiten beschouwing gelaten. Het betreft hier met name de stukken waartegen RF bezwaar heeft gemaakt.

3. Procesverloop

3.1 Op 22 september 1999 heeft RF [eiser] gedagvaard voor de Kantonrechter te Schiedam. Zij heeft betaling gevorderd van fl. 9.725,70. Dit bedrag is opgebouwd uit fl. 7.775,60 vervallen doch niet betaalde termijnen uit hoofde van een geldleningsovereenkomst en fl. 1.950,10 vervallen doch niet betaalde vertragings-vergoeding. Volgens RF is deze lening opgezegd. [Eiser] was gehouden om de kontante waarde van de nog niet betaalde termijnen onder aftrek van de "niet verdiende kredietvergoeding", verhoogd met vertragingsrente te voldoen.

3.2 [Eiser] heeft in de Engelse taal schriftelijk verweer gevoerd.(3) Daarbij heeft hij onder meer aangevoerd(4) dat hij tot op de datum van zijn schriftelijk verweer zowel voor de persoonlijke lening als de Eurocard(5) betaald heeft. Voorts stelt hij dat hij in eerste instantie niet wist dat hij twee verschillende overeenkomsten had afgesloten; te weten voor de Eurocard en de persoonlijke geldlening.

3.3 RF stelt bij cvr dat de persoonlijke lening door bemiddeling van Rabobank "De Maaslanden" is ondergebracht bij RF en dat [eiser] verder nog een betaalrekening met een debetstand had bij RM. Volgens haar is er sprake van twee overeenkomsten die door [eiser] apart dienden te worden betaald.

3.4 [Eiser] geeft in zijn schriftelijke reactie op de cvr aan dat hij (samengevat) niet met verschillende afdelingen van de Rabo overeenkomsten heeft gesloten. Bovendien was hij door een vertegenwoordiger van Rabo voorgelicht dat hij zowel de persoonlijke lening als de creditcard samen kon krijgen. Hij veronderstelde dat de creditcard onderdeel uitmaakte van de persoonlijke geldlening. Hij is nimmer voorgelicht dat er meer dan één overeenkomst was. Hij dacht dat hij met zijn (termijn) betalingen één overeenkomst afbetaalde.

3.5 Bij tussenvonnis van 30 mei 2000 heeft de Kantonrechter een comparitie van partijen gelast.

3.6 RF heeft bij akte na comparitie nieuwe producties overgelegd, waaronder een "verzoek een betaalrekening te openen" bij RM, met daaraan gekoppeld de Rabo/Eurocard. Onder de handtekeningen komt een handgeschreven mededeling voor: "Aanvraag/contract betaalrekening met daaraan gekoppelde Rabo/Eurocard". De mogelijkheid om aan te geven dat er een krediet op de betaalrekening wordt gegeven is niet aangekruist. Prod. 4 maakt melding van oplopende debetsaldi verband houdend met het uitschrijven van eurochèques en opnames in kontanten met "uw rabocard".

3.7 In het eindvonnis van 13 februari 2000 wijst de Kantonrechter te Schiedam de vordering van RF toe.

3.8 In rov. 4.2 gaat de Kantonrechter in op de vraag of er één dan wel twee overeenkomsten zijn:

"De stelling van [eiser] dat er sprake was van één overeenkomst wordt eveneens verworpen. De hiervoor in 2.1 genoemde overeenkomst met Rabobank De Maaslanden betreft slechts de overeenkomst van geldlening en gaf aan [eiser] niet het recht op gebruik van een creditcard. Het wordt er daarom voor gehouden dat voor het gebruik van die creditcard een aparte overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen. (...) Daarbij komt dat de stelling van [eiser] dat tussen partijen alleen de in 2.1 genoemde overeenkomst bestond niet strookt met de feiten. Op grond van de geldlening heeft [eiser] f 20.000,-- opgenomen. Nu hij dit niet heeft weersproken is aannemelijk dat [eiser] daarnaast met de creditcard bestedingen heeft gedaan. Het moet [eiser] daarom duidelijk geweest zijn dat hij enerzijds voor de lening en anderzijds voor het gebruik van de creditcard moest betalen. Het verweer van [eiser] dat hij in totaal niet meer dan het bedrag van de geldlening en de creditvergoeding verschuldigd was treft dan ook geen doel."

3.9 Daarop onderzoekt de Kantonrechter welke bedragen nog openstaan op de lening (rov. 4.4):

"Zoals hiervoor is overwogen(6) zijn uiteindelijk alleen de betalingen die [eiser] heeft gedaan aan Incassobureau Trajectum op de debetstand bij Rabobank te Maaslanden afgeboekt. Al deze betalingen dateren van na hiervoor genoemde brief van 20 oktober 1994 van de medewerker van het Bureau voor Rechtshulp te Utrecht. De eventuele verwarring omtrent de betalingen voordien was blijkens het gestelde in die brief op het moment dat [eiser] de betalingen deed deels opgelost. Uit het betalingsoverzicht dat door Rabo Financieringsmaatschappij bij akte na comparitie is overgelegd blijkt dat alle overige betalingen, ook die welke [eiser] heeft verricht gelijktijdig met de betalingen aan Incasso Bureau Trajectum, zijn afgeboekt op hetgeen [eiser] uit hoofde van de overeenkomst van geldlening schuldig was."

3.10 Ten slotte berekent de Kantonrechter - kort gezegd - dat het gevorderde bedrag klopt (rov. 4.6).

3.11 [Eiser] is in hoger beroep gekomen. Hij heeft vier grieven (de laatste twee beide genummerd 3) geformuleerd.

3.12 In de eerste grief voert [eiser] aan dat hij (meer dan) de volledige schuld aan Rabo heeft afgelost. In totaal stelt [eiser] fl. 23.743,90 aan Rabo te hebben voldaan. Hij wijst daarbij op een betaling van fl. 7.800,-- aan Trajectum B.V. en op betalingen ten belope van fl. 15.943,90 die hij volgens Rabo zou hebben voldaan. [Eiser] geeft aan dat "uit de stukken niet aannemelijk is geworden dat [eiser] een grotere schuld had dan de fl. 7.800,-- die hij aan het incassobureau Trajectum heeft betaald." In deze grief maakt [eiser] geen onderscheid tussen RF en RM. Grief 2 komt in essentie op hetzelfde neer.

3.13 Grief 3 richt zich tegen rov. 4.2. [eiser] stelt dat hij maar één overeenkomst, te weten met RM., heeft getekend. Voorts heeft Rabo niet aangetoond dat [eiser] "meer geld heeft opgenomen dat verschuldigd was."

3.14 RF heeft de grieven bestreden. Zij wijst er onder 6 op dat - naar [eiser] ook is meegedeeld - sprake was van een debetsaldo van de "betaalrekening" ten belope van fl. 13.608,81 ter zake van automatische incasso's, het uitschrijven van eurochèques en opnames met de eurocard. Zij vervolgt dan:

"7. Uit het overzicht dat als productie 3 bij de conclusie van repliek is overgelegd, blijkt in totaal tot 14 maart 1993 zes keer f 790,65, derhalve in totaal f 4.743,90 via de betaalrekening is geïncasseerd. Dit betekent dat de schuld op de betaalrekening toen voor een bedrag van f 8.864,85 werd veroorzaakt door het bovengenoemde gebruik van de cheques en/of Eurocard.

8. Eveneens blijkt uit dit overzicht dat terzake de overeenkomst van geldlening (het onderwerp van dit geschil) in totaal door [eiser] f 23.719,50 verschuldigd was. Middels een afbetalingsregeling heeft de bank in totaal f 15.963,90 terzake deze overeenkomst van [eiser] ontvangen."

9. Daarnaast heeft [eiser] aan het Incassobureau Trajectum, welke was belast met de incassering van de debetstand op de betaalrekening, f 7.800 betaald." De totale schuld uit dien hoofde was hoger; dit wordt onder 10 nader uitgesponnen.

3.15 De Rechtbank Rotterdam heeft de bestreden vonnissen in haar vonnis van 5 september 2002 bekrachtigd. Zij gaat ervan uit dat het geschil in volle omvang aan haar oordeel wordt onderworpen (rov. 4.3).

3.16 Daartoe overweegt de Rechtbank het navolgende:

"4.5 [Eiser] heeft niet betwist dat hij het geleende bedrag van f 20.000,-- heeft opgenomen. Evenmin heeft hij betwist daarnaast met de hem verstrekte creditcard bestedingen te hebben gedaan. Nu [eiser] voorts niet heeft betwist dat de vervallen termijnbedragen automatisch via zijn betaalrekening werden geïncasseerd en dat ook de uitgaven met de creditcard ten laste van de betaalrekening kwamen, dient de stelling van [eiser] dat hij niet meer verschuldigd was dan het bedrag van de geldlening vermeerderd met de overeengekomen kredietvergoeding (in totaal f 23.719,50) als onvoldoende gemotiveerd te worden gepasseerd. Hierbij heeft de rechtbank nog in aanmerking genomen dat uit de door Rabo Financieringsmaatschappij in eerste aanleg overgelegde brief van Rabobank De Maaslanden d.d. 16 maart 1993 in samenhang met het eveneens door haar in eerste aanleg overgelegde betalingsoverzicht blijkt dat de debetstand op de betaalrekening destijds hoger was dan de optelsom van de alstoen vervallen termijnen van de geldlening.

4.6 Zoals hierboven onder 4.1 is vastgesteld heeft Rabo Financieringsmaatschappij f 15.963,90, als zijnde door [eiser] betaald, afgeboekt op hetgeen [eiser] uit hoofde van de geldlening verschuldigd was. [Eiser] voert aan dat de door hem aan Trajectum B.V. betaalde bedragen eveneens op de geldlening hadden moeten worden afgeboekt. Rabo Financieringsmaatschappij heeft dit gemotiveerd bestreden. Volgens haar zijn de door [eiser] aan Trajectum B.V. betaalde bedragen van in totaal f 7.800,-- door Rabobank De Maaslanden afgeboekt op het debetsaldo op de betaalrekening. Nu de rechtbank als onvoldoende gemotiveerd betwist aanneemt dat [eiser] niet alleen uit hoofde van de geldlening, maar ook uit hoofde van de bestedingen met de creditcard betalingsverplichtingen had, en geen wettelijke of contractuele grondslag is genoemd voor de stelling dat alle betalingen moesten worden aangemerkt als betalingen op de geldlening, maar integendeel uit de brief van 20 oktober 1994 juist blijkt dat dat niet zo is, wordt voornoemd betoog van [eiser] verworpen. Gelet op de brief van 16 maart 1993, waarvan [eiser] de inhoud als zodanig niet heeft betwist, is, ook al heeft Rabo Financieringsmaatschappij geen duidelijke specificatie van het verloop van de rekening in het geding gebracht, de stelling van Rabo Financieringsmaatschappij dat het betaalde bedrag van f 7.800,-- ontoereikend was om toe te staan dat verdere betalingen op de lening van die rekening werden afgeboekt, onvoldoende gemotiveerd betwist, zodat de rechtbank die stelling als vaststaand aanneemt. [Eiser] zal daarom niet worden toegelaten tot bewijs van het tegendeel.

4.7 De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van [eiser] dat sprake was van slechts één overeenkomst en dus van één vordering. Zoals hierboven onder 2.1(7) aangehaald was het [eiser] in ieder geval in oktober 1994 al duidelijk dat er twee vorderingen waren. Enerzijds was er de vordering van Rabobank De Maaslanden die via de deurwaarder werd geïnd. Anderzijds was er de vordering van Rabo Financieringsmaatschappij."

3.17 [Eiser] heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. Hij heeft zijn middel schriftelijk doen toelichten.

3.18 Tegen RF is verstek verleend.

4. Bespreking van de klachten

4.1 Deze zaak gaat om een louter feitelijke kwestie. Het geschil lijkt te kunnen worden herleid tot een misverstand over de aflossing van een persoonlijke geldlening en de aflossing van een debetstand op een betaalrekening, mede ten gevolge van Eurocard-bestedingen.

4.2 Volgens RF is sprake van een debetstand op de betaalrekening. In deze procedure wordt evenwel slechts de restantschuld uit hoofde van de lening gevorderd.

4.3 Het oordeel van zowel de Kantonrechter als de Rechtbank komt er op neer dat, tegen de achtergrond van de gemotiveerde stellingen van RF, [eiser] onvoldoende heeft bestreden dat 1) de gevorderde restantschuld krachtens de lening bestaat en 2) dat, de gedane betalingen ten spijt, eveneens sprake was van een debetsaldo op de betaalrekening.

4.4 In cassatie wordt niet bestreden dat [eiser] uit hoofde van de geldleningsovereenkomst fl. 23.719,50 verschuldigd was; zie hierboven onder 1.2.

4.5 In hetgeen onder 1.1 - 1.6 is verwoord, heb ik geen klachten kunnen lezen.

4.6 De eerste klacht is verwoord onder 1.7. Naar ik begrijp bedoelt deze - niet nader toegelichte - klacht het volgende aan de orde te stellen. Het moge zijn dat sprake is van een derdenbeding, RF heeft dat niet aan haar vordering ten grondslag gelegd.

4.7 De Kantonrechter en de Rechtbank hebben de - inderdaad niet erg heldere - vordering klaarblijkelijk aldus verstaan dat RF deze baseert op genoemd derdenbeding. Daarop wijst duidelijk de vaststelling door zowel de Kantonrechter als de Rechtbank dát van zodanig beding sprake is en dat het door RF bij voorbaat is aanvaard; zie hierboven onder 1.3. In feitelijke aanleg heeft [eiser] niet bestreden dat RF op grond van dit beding een vordering kon instellen en heeft ingesteld. Daarover kan niet met vrucht voor het eerst in cassatie worden geklaagd. Daarbij verdient nog opmerking dat het middel er - terecht - van uitgaat dat RF op grond van het derdenbeding een vordering kón instellen.

4.8 Voor zover het middel er nog over bedoelt te klagen dat ten onrechte is aangenomen dat sprake is van een derdenbeding voldoet het niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. Immers wordt in genen dele aangegeven waarom zulks onjuist zou zijn.(8)

4.9 De tweede klacht - verwoord onder 1.8 en 1.9 - richt zich tegen rov. 4.5. De klacht verwijt de Rechtbank, naar ik begrijp en naar de kern genomen, de gedane betalingen op onjuiste wijze aan de twee afzonderlijke schulden te hebben toegerekend.

4.10 Deze klacht voldoet niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. Immers wordt niet aangegeven waar deze stelling - en hetgeen verder te berde wordt gebracht - in de stukken is terug te vinden.

4.11 Met wat goede wil zou de klacht zo kunnen worden gelezen dat de Rechtbank heeft miskend dat uit prod. 5 bij - wat het middel aanduidt als - cva blijkt dat Trajectum de betaalde bedragen afboekte op de geldleningsovereenkomst. In deze lezing moet men halverwege de derde regel ophouden met lezen.

4.12 Prod. 5 lijkt inderdaad in te houden dat Trajectum de betalingen aanmerkte als betalingen op de lening. Dwingend is die lezing niet; aannemelijk is zij wel. Een complicatie is evenwel al aanstonds dat [eiser] - ook in het stadium dat hij door een advocaat werd bijgestaan - deze lezing nimmer heeft verdedigd.

4.13 De Kantonrechter heeft vastgesteld dat RM het betaalde afboekte op de debetstand van de betaalrekening (rov. 2.7). Dat oordeel is in appèl niet bestreden.

4.14 De Rechtbank heeft het betoog van [eiser] aldus verstaan dat "de door hem aan Trajectum B.V. betaalde bedragen eveneens op de geldlening hadden moeten worden afgeboekt". Waar zij dat betoog in de stukken heeft ontwaard, wordt niet aangegeven. Het kan blijven rusten nu RF tegen dit oordeel niet is opgekomen. Deze "stelling" van [eiser] wordt verworpen omdat - kort gezegd - hij een schuld had uit zowel een overeenkomst van geldlening als "van de bestedingen met de creditcard" (rov. 4.6).

4.15 De klacht, gelezen zoals hierboven onder 4.11 vermeld, kan alleen slagen wanneer de volgende hindernissen worden genomen:

a. zij richt zich tegen rov. 4.5, terwijl het oordeel van de Rechtbank inzake Trajectum voorkomt in rov. 4.6;

b. de Rechtbank leest het betoog van [eiser] aldus dat het ziet op de vraag hoe afboeking "had moeten plaatsvinden" en niet op de vraag hoe zij daadwerkelijk plaatsvond;

c. mijn interpretatie van prod. 5 is niet dwingend en (in feitelijke aanleg) niet door [eiser] verdedigd;

d. laten we er veronderstellenderwijs vanuitgaan dat sprake was van toerekening van de betalingen door Trajectum aan de schuld uit de leningovereenkomst. Dat betekent nog allerminst dat zodanige toerekening ook aan RF moet worden toegerekend. Dat daarvoor grond zou bestaan, is in geen enkel stadium door [eiser] verdedigd. Zeker nu niet is gesteld of gebleken dat Trajectum - ten minste(9) - onderdeel is van de Rabo-organisatie gaat het veel te ver daarvan uit te gaan;

e. de in appèl niet bestreden feitelijke vaststelling van de Kantonrechter moet worden genegeerd (zie onder 4.13);

f. van de appèlrechter moet worden gevergd dat een sowieso al weinig toegankelijk betoog van een procespartij hem dwingt ambtshalve te onderzoeken of een van de vele zonder commentaar overgelegde producties voor een allerminst dwingende interpretatie van het betoog steun zou kunnen bieden;

g. de door de Rechtbank gegeven motivering (onder 4.14) wordt als zodanig niet bestreden, wat daar verder ook van zij.

4.16 Mij lijkt duidelijk dat het rechterliijk apparaat zou worden ontwricht wanneer al deze hindernissen zouden moeten worden genomen.

4.17 De klacht die resteert wanneer men niet halverwege de derde regel ophoudt met lezen, ziet er aan voorbij dat de discussie in feitelijke aanleg veeleer een andere is geweest. De kern van [eiser]s betoog is steeds geweest dat hij niets meer verschuldigd was; zie bijv. onder 3.12. Toerekening aan de ene dan wel de andere schuld is dan - uiteraard - zonder gewicht.

4.18 De derde klacht - te vinden onder 1.10 - richt zich tegen rov. 4.6. Voor een deel heb ik deze klacht hiervoor al besproken.

4.19 De resterende klacht mist feitelijke grondslag omdat zij ten onrechte aanneemt dat de Rechtbank ervan uitgaat dat "alle betalingen (...) moesten worden aangemerkt als betalingen op de geldlening". Rov. 4.6 en 4.7, gelezen in onderlinge samenhang, laten m.i. geen andere lezing toe dan dat de Rechtbank van oordeel was dat de betalingen - kort gezegd - ten dele aan de ene en ten dele aan de andere schuld moesten worden toegerekend. Maar de steller van het middel kan worden toegegeven dat de Rechtbank zich weinig duidelijk uitdrukt.

4.20 De vierde klacht - te vinden onder 1.11 - richt zich tegen rov. 4.7. Niet goed duidelijk is waarover nauwkeurig wordt geklaagd, laat staan dat uit de verf komt bij welke in feitelijke aanleg betrokken stellingen wordt aangehaakt. De klacht voldoet daarmee niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv.

4.21 De vijfde klacht - opgenomen onder 1.12 - verwijt de Rechtbank te hebben miskend dat RF tot dagvaarding van [eiser] is overgegaan en dat RF haar vordering heeft gestoeld op de geldleningsovereenkomst. Daarom zou er slechts sprake zijn van één vordering, aldus [eiser].

4.22 Deze klacht is niet goed begrijpelijk. De enkele omstandigheid dat voor één vordering wordt gedagvaard, betekent niet dat er dus ook maar één vordering is. Evenmin als bijvoorbeeld het feit dat één cassatieklacht wordt geformuleerd, betekent dat er niet meer hadden kunnen worden vervaardigd.

4.23 De slotklacht voegt niets toe en deelt daarom in het lot van haar voorgangers.

Conclusie

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Ook de Kantonrechter had zulks al vastgesteld in rov. 2.2 van zijn eindvonnis.

2 Dat dossier wordt Uw Raad ad informandum ter beschikking gesteld.

3 Alleen de brief van 4 februari 2000 is in aanmerking genomen; zie onder 2.

4 Volgens [eiser] zouden bij de beoogde incasso van de openstaande bedragen zijn werkgevers zijn benaderd. Dat heeft geleid tot veel narigheid. Als dat juist is, is dat hoogst betreurenswaardig. In deze procedure speelt het evenwel geen rol omdat de inzet een geheel andere is. De Kantonrechter heeft het slot van het verweer en de nadere uiteenzetting in de reactie op de cvr onder 6 - 8 klaarblijkelijk - en niet onbegrijpelijk - niet opgevat als een eis in reconventie. Blijkens het p.v. van de cvp is de Kantonrechter wél summierlijk op deze kwestie ingegaan.

5 [Eiser] noemt zijn betaalkaart in zijn brieven "VISA Card"

6 Te weten in rov. 2.7.

7 Vermoedelijk bedoelt de Rechtbank het citaat van de brief van 20 oktober 1994 in rov. 4.2 i.p.v. rov. 2.1.

8 Vgl. HR 6 juni 2003, NJ 2003, 707 DA rov. 3.1.1.

9 Vgl. HR 5 december 2003, rolnr. C 02/201, JOL 2003, 643 rov. 3.6 en de conclusie van mijn ambtgenoot Timmerman onder 3.7.