Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2004:AO9900

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
01-10-2004
Datum publicatie
01-10-2004
Zaaknummer
C03/093HR
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHLEE:2002:AF0926
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2004:AO9900
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

1 oktober 2004 Eerste Kamer Nr. C03/093HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: 1. [Eiseres 1], gevestigd te [vestigingsplaats], 2. [Eiser 2], wonende te [woonplaats], 3. [Eiser 3], wonende te [woonplaats], EISERS tot cassatie, advocaat: mr. E. van Staden ten Brink, t e g e n [Verweerder], wonende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, advocaat: mr. D. Rijpma. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 500
NJ 2005, 92
S&S 2005, 96
JWB 2004/335
JA 2005/1
JBPR 2005/3
Verrijkte uitspraak

Conclusie

nr. C03/093HR

Mr. Hartkamp

zitting 14 mei 2004

Conclusie inzake

1) [eiseres 1]

2) [eiser 2]

3) [eiser 3]

tegen

[verweerder]

Feiten en procesverloop

1) In cassatie staan de volgende feiten vast.(1) [Verweerder], verweerder in cassatie, exploiteert een loonbedrijf en heeft met het assurantiekantoor [A], de rechtsvoorgangster van eiseres in cassatie onder (1) (hierna: [A]), een advies- en bemiddelingsovereenkomst gesloten. In het kader van die overeenkomst heeft [eiser 2], eiser tot cassatie onder (2), eind 1993/begin 1994 aangegeven dat [verweerder] mogelijk onderverzekerd was, alsmede dat de lopende (brand)verzekering bij Univé Onderlinge Verzekering Maatschappij Noord Groningen (hierna: Univé) wellicht onder betere voorwaarden zou kunnen worden ondergebracht bij Delta Lloyd Schadeverzekering N.V. (hierna: Delta Lloyd).

In dat kader heeft [eiser 2] het verzoek aan Delta Lloyd gedaan om ten behoeve van [verweerder] een offerte op te stellen terzake van de "brandposten", dat wil zeggen: de opstallen, de roerende zaken en de bedrijfsschade. Ter voldoening aan dat verzoek heeft [betrokkene 1], landbouwverzekeringsdeskundige van Delta Lloyd, het risico ter plaatse geïnspecteerd en een offerte opgesteld, alsmede tussen de Univé polis en die van Delta Lloyd een vergelijking gemaakt. Dit overzicht is besproken in een tweetal bijeenkomsten waarbij aanwezig waren [betrokkene 1], [verweerder] en [eiser 2].

In de vergelijking is onder meer opgenomen dat in de Univé polis de schade als gevolg van een eigen gebrek is uitgesloten. Op grond van de Delta Lloyd polis geldt krachtens art. 2 lid 5 van de Voorwaarden Brandverzekering Agrarische Bedrijven dat ook brand en ontploffing als gevolg van eigen gebrek of eigen bederf is gedekt, maar dat deze dekking voor motorrijtuigen uitsluitend geldt voorzover op het polisblad uitdrukkelijk is vermeld dat deze zijn meeverzekerd tegen zelfontbranding en ontploffing.

In januari 1994 heeft [verweerder] de verzekeringsovereenkomst (brandverzekering agrarische bedrijven) met Delta Lloyd gesloten.

Op 3 november 1997 is voor f. 58.500,- (€ 26.546,14) brandschade ontstaan aan een graafmachine van [verweerder]. Delta Lloyd heeft met een beroep op art. 2 lid 5 van de polisvoorwaarden uitkering geweigerd, nu volgens een expert van Delta Lloyd de machine uit eigen beweging in brand is geraakt (eigen gebrek).

2) [Verweerder] heeft bij exploot van 14 juli 1999 Delta Lloyd en [eiser] c.s. (d.w.z. [A], alsmede haar vennoten [eiser 2] en [eiser 3]) gedagvaard voor de rechtbank te Groningen. Primair heeft [verweerder] gevorderd Delta Lloyd te veroordelen tot betaling van f. 58.500,- (€ 26.546,14), vermeerderd met wettelijke rente en kosten. Voor zover in cassatie van belang, heeft hij daartoe het volgende aangevoerd.

Hoewel het polisblad niet vermeldt dat motorrijtuigen zijn meeverzekerd tegen zelfontbranding en ontploffing, zodat op grond van art. 2 lid 5 van de polisvoorwaarden geen dekking voor de geleden brandschade zou bestaan, moet Delta Lloyd volgens [verweerder] niettemin dekking bieden, gelet op de polisvergelijking die door haar van te voren is verstrekt en die van belang is bij de vaststelling van de inhoud van de verzekeringsovereenkomst. Zo moet daarbij als maatstaf worden gehanteerd de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en/of wat zij te dien aanzien van elkaar mochten verwachten. Nu in de polisvergelijking de uitsluiting voor motorrijtuigen niet was vermeld, mocht [verweerder] aannemen en verwachten dat er geen uitsluiting wegens eigen gebrek bij brand gold, zodat de verzekeringsovereenkomst in deze zin moet worden uitgelegd.

Voor het geval deze uitleg naar het oordeel van de rechtbank niet juist zou zijn, heeft [verweerder] gesteld dat (het beroep van Delta Lloyd op) art. 2 lid 5 in het licht van de polisvergelijking naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en daarom niet van toepassing is.

Subsidiair, voor zover Delta Lloyd niet verplicht is tot vergoeding van de geleden schade, heeft [verweerder] gevorderd [eiser] c.s. - hoofdelijk - te veroordelen tot betaling van zijn schade ad f. 58.500,-, vermeerderd met wettelijke rente en kosten. [Verweerder] voert hiertoe aan dat als de vordering tegen Delta Lloyd wordt afgewezen, dit betekent dat hij niet op de door Delta Lloyd verschafte polisvergelijking had mogen afgaan. Gelet op de met [eiser] c.s. gesloten advies- en bemiddelingsovereenkomst behoorde het volgens [verweerder] tot de advies- en zorgtaak van [eiser] c.s. dat de mogelijkheid dat ook motorrijtuigen tegen zelfontbranding en ontploffing zouden worden meeverzekerd met hem zou worden besproken. Nu dit niet is gebeurd, zou [eiser] c.s. tekortgeschoten zijn in de nakoming van de verplichtingen uit de advies- en bemiddelingsovereenkomst en daarom aansprakelijk zijn voor de geleden schade.

Zowel Delta Lloyd als [eiser] c.s. hebben verweer gevoerd.

3) Bij vonnis van 15 december 2000 heeft de rechtbank de vorderingen van [verweerder] afgewezen.

4) [Verweerder] is onder aanvoering van twaalf grieven tegen het vonnis van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Gerechtshof te Leeuwarden. Daarbij heeft hij zijn eis in die zin gewijzigd dat hij primair vergoeding van zijn schade heeft gevorderd van [eiser] c.s. en subsidiair van Delta Lloyd. In cassatie is slechts de primaire vordering van belang.

[verweerder] heeft hieraan - opnieuw - ten grondslag gelegd dat [A] tekortgeschoten is in de nakoming van de adviestaak en zorgplicht die zij als assurantietussenpersoon had, nu zij heeft nagelaten [verweerder] op de polisbepaling van Delta Lloyd te wijzen en te bespreken of hij verzekering van motorrijtuigen tegen zelfontbranding en ontploffing wenste.

[eiser] c.s. hebben de vordering bestreden.

5) Bij arrest van 20 november 2002 heeft het hof de primaire vordering toegewezen en [eiser] c.s. - hoofdelijk - veroordeeld tot betaling aan [verweerder] van een bedrag ad € 26.546,14 (f. 58.500,-), vermeerderd met wettelijke rente en kosten. Daartoe heeft het hof het volgende overwogen.

Naar het oordeel van het hof is [eiser] c.s. op grond van het bepaalde in art. 6:76 BW aansprakelijk voor eventuele verkeerde of onvolledige informatie die door [betrokkene 1] (als hulppersoon van [A]) aan [verweerder] is verstrekt, en wel omdat er tussen [verweerder] en [A] een advies- en bemiddelingsovereenkomst bestond, [betrokkene 1] door [eiser 2] was ingeschakeld in het kader van een door [verweerder] aan [A] gedaan verzoek om advies en de verzekeringsovereenkomst tussen [verweerder] en Delta Lloyd via [A] tot stand was gekomen. In dat licht bezien is het voor de uitkomst van deze procedure derhalve niet van belang, zo vervolgt het hof, of [eiser] c.s. zelf toerekenbaar zijn tekortgeschoten in de nakoming van de tussen hen en [verweerder] gesloten advies- en bemiddelingsovereenkomst, of dat die eventuele toerekenbare tekortkoming op het conto van [betrokkene 1] moet worden geschreven (r.o. 5).

Voorts is het volgens het hof van tweeën één: of [verweerder] mocht er op basis van de door [betrokkene 1] opgestelde vergelijking op vertrouwen dat zijn gemotoriseerde landbouwmachines ook waren verzekerd tegen verbranding ten gevolge van een eigen gebrek (zelfontbranding), of [eiser] c.s. c.q. [betrokkene 1] had [verweerder] er - zeker in het licht van de eerder verstrekte informatie (meergenoemde vergelijking) - expliciet op moeten wijzen dat bedoeld risico standaard was uitgesloten, doch wel als optie kon worden meegenomen (r.o. 6).

Nu vorenbedoeld vertrouwen is beschaamd c.q. nu is nagelaten bedoelde relevante informatie te verstrekken, zijn [eiser] c.s. volgens het hof aansprakelijk voor de schade die [verweerder] dientengevolge lijdt, zodat de primaire vordering van [verweerder] voor toewijzing in aanmerking komt. De vraag of Delta Lloyd - mede gelet op het gegeven dat het bij de beantwoording van de vraag hoe partijen in het schriftelijke contract hun rechtsverhouding hebben geregeld, aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen van dat contract mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten - zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de brandschade aan de graafmachine niet onder de dekking valt, behoeft volgens het hof in het kader van de onderhavige procedure geen beantwoording, omdat de vordering tegen Delta Lloyd slechts een subsidiair karakter heeft (r.o. 7).

Vervolgens heeft het hof ten overvloede nog opgemerkt dat [A] ook zelf toerekenbaar tekort is geschoten in de advisering van [verweerder] naar aanleiding van de adviesaanvraag die [verweerder] in het kader van de bestaande advies- en bemiddelingensovereenkomst bij haar had neergelegd. Weliswaar ontkent [A] dat zij tijdens een van de besprekingen op haar kantoor tussen [verweerder] en [betrokkene 1] of nadien de beschikking heeft gekregen over een kopie van de polisvergelijking, maar volgens het hof is niet gesteld of gebleken dat zij niet de beschikking over (een kopie van) die polisvergelijking had kunnen krijgen. Wel staat vast, aldus het hof, dat bedoelde besprekingen steeds in aanwezigheid van [eiser 2] zijn gevoerd. Nu [verweerder] uiteindelijk juist op basis van deze polisvergelijking heeft besloten via [A] de polis bij Delta Lloyd af te sluiten, had het in de gegeven omstandigheden op de weg van [eiser] c.s. gelegen zich ervan te vergewissen dat de uiteindelijke polis niet op essentiële punten afweek van de met [verweerder] besproken polisvergelijking. Desnodig hadden [eiser] c.s. een kopie van de polisvergelijking moeten verlangen van [verweerder] en/of [betrokkene 1]. Als [eiser] c.s. de op haar - uit hoofde van de bestaande advies- en bemiddelingsovereenkomst - rustende verplichting waren nagekomen, hadden zij kunnen vaststellen dat in de polisvergelijking voor de verzekering van Delta Lloyd niet uitdrukkelijk de uitsluiting voor brandschade voor eigen gebrek voor motorrijtuigen stond vermeld, terwijl een dergelijke uitsluiting wel in de polis onder art. 2 lid 5 was opgenomen, zij het dat een extra dekking had kunnen worden verkregen. Naar het oordeel van het hof hadden [eiser] c.s. [verweerder] van dit onderscheid op de hoogte moeten stellen, zodat deze in de gelegenheid zou zijn gesteld terzake desgewenst aanvullende dekking overeen te komen, dan wel alsnog af te zien van het sluiten van de verzekeringsovereenkomst met Delta Lloyd (r.o. 8).

6) [Eiser] c.s. zijn tijdig van het arrest van het hof in cassatie gekomen. Daartoe hebben zij een middel van cassatie geformuleerd dat bestaat uit drie onderdelen. [verweerder] heeft geconcludeerd voor antwoord. Vervolgens hebben partijen hun stellingen schriftelijk toegelicht, waarna [eiser] c.s. hebben gerepliceerd en [verweerder] heeft gedupliceerd.

Bespreking van het cassatiemiddel

7) Onderdeel 1 valt in zes subonderdelen uiteen. De subonderdelen 1-3 keren zich tegen r.o. 5, waarin het hof heeft overwogen dat [eiser] c.s. op grond van art. 6:76 aansprakelijk zijn voor de eventuele verkeerde en onvolledige informatie die door [betrokkene 1], als hulppersoon van [eiser] c.s., aan [verweerder] is verstrekt.

De subonderdelen 4-6 bestrijden r.o. 8 waarin het hof (ten overvloede) heeft overwogen dat [eiser] c.s. ook zelf toerekenbaar is tekortgeschoten in de advisering van [verweerder], omdat het in de gegeven omstandigheden op de weg van [eiser] c.s. had gelegen zich ervan te vergewissen dat de uiteindelijke polis niet op essentiële punten afweek van de met [verweerder] besproken polisvergelijking.

8) Ik meen dat de klachten tevergeefs worden voorgesteld. De door de subonderdelen 1-3 bestreden beslissing van het hof geeft in het licht van art. 6:76 en de daarop betrekking betrekking hebbende wetsgeschiedenis en rechtspraak(2) geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Zij is niet onbegrijpelijk, behoefde geen nadere motivering en geeft niet ervan blijk dat het hof zijn taak als appelrechter heeft miskend door de feitelijke grondslag van de stellingen van partijen aan te vullen.

Ook de door de subonderdelen 4-6 bestreden beslissing, die berust op de aan het hof voorbehouden uitleg van de tussen [verweerder] en [A] gesloten advies- en bemiddelingsovereenkomst, acht ik niet onbegrijpelijk. Zij behoefde in het licht van het debat tussen partijen ook geen nadere motivering.

9) Onderdeel 2 komt met vier subonderdelen op tegen het feit dat het hof de gehele door [verweerder] gevorderde schade heeft toegewezen. Nu op dit punt in de feitelijke instanties geen verweer is gevoerd, komen deze klachten in cassatie niet meer voor behandeling in aanmerking.

10) Van onderdeel 3 bevat het eerste subonderdeel geen klacht.

Subonderdeel 3.2 faalt reeds omdat het veronderstelt dat tenminste één van de onder 1.1 en 1.2 geformuleerde klachten opgaat, hetgeen m.i. niet het geval is.

Subonderdeel 3.3 faalt naar mijn mening omdat [eiser] c.s., naar 's hofs kennelijke en niet onbegrijpelijke oordeel, niet voldoende gemotiveerd hebben gesteld (noch te bewijzen aangeboden) dat de aan hun zijde geconstateerde tekortkoming niet de door [verweerder] gestelde schade tot gevolg heeft gehad.

Subonderdeel 3.4 miskent dat, ook indien [verweerder] krachtens de verzekeringsovereenkomst jegens Delta Lloyd recht zou hebben op vergoeding van zijn schade, zulks hem niet belet om [eiser] c.s op een andere grond tot vergoeding van diezelfde schade aan te spreken.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 Het gaat hierbij om de feiten zoals vastgesteld door de rechtbank in r.o. 1.1-1.5 van haar vonnis van 15 december 2000 en de aanvulling hierop van het hof in r.o. 2 van zijn arrest van 20 november 2002.

2 HR 21 mei 1999, NJ 1999, 733 m.nt. JH; HR 14 juni 2002, NJ 2002, 495 m.nt. K.F. Haak en HR 10 oktober 2003, RvdW 2003, 159.