Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2004:AO9645

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-06-2004
Datum publicatie
08-06-2004
Zaaknummer
02927/03
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSGR:2003:AF9403
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2004:AO9645
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Vervolg op HR NJ 2003, 2: HR verwerpt cassatieberoep met toepassing van art. 81 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 315
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 02927/03

Mr Jörg

Zitting 11 mei 2004

Conclusie inzake:

[verzoeker=verdachte]

1. Na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad heeft het gerechtshof te 's-Gravenhage verzoeker bij arrest van 3 juni 2003 terzake van - kort gezegd - medeplegen van het voorhanden hebben van een zeer grote hoeveelheid wapens en munitie veroordeeld tot drie jaar en zes maanden gevangenisstraf met onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest vermeld.

2. Mrs. A.G. van der Plas en P.H. Bakker Schut, beiden advocaat te Amsterdam, hebben namens verzoeker bij schriftuur vijf middelen van cassatie voorgesteld.

3. Deze zaak is het 'vervolg' op de zaak HR 2 juli 2002, NJ 2003, 2. Voor een goed overzicht van de achtergrond van deze zaak verwijs ik naar de conclusie van mijn ambtgenoot A-G Machielse voor genoemd arrest. In de kern - en voor zover hier van belang - komt het hierop neer dat verzoeker een overeenkomst had gesloten met officier van justitie Teeven om hem informatie te verschaffen over onopgehelderde zaken uit het IRT-tijdperk. In ruil daarvoor zou een eerder aan verzoeker opgelegde straf niet eerder tenuitvoergelegd worden dan dat het EHRM zich over die zaak zou hebben uitgesproken. Hoewel afgesproken was het bestaan van de overeenkomst om begrijpelijke redenen volstrekt geheim te houden, lekte deze toch uit. Het gerechtshof te Amsterdam oordeelde daarop dat in de onderhavige strafzaak het OM niet-ontvankelijk diende te worden verklaard omdat verzoekers veiligheid ernstig in gevaar was gebracht. Deze uitspraak werd door de Hoge Raad bij arrest van 2 juli 2002 vernietigd en de zaak werd verwezen naar het gerechtshof te 's-Gravenhage. Het resultaat van die verwijzing is het thans bestreden arrest.

4. In het eerste middel wordt erover geklaagd dat het hof in zijn arrest heeft geopenbaard hetgeen verzoeker en de getuige Teeven achter gesloten deuren hebben verklaard. Nu de reden voor het sluiten van de deuren gelegen was in de omstandigheid dat openbaarmaking van de verklaringen van verzoeker en Teeven gevaar zou kunnen opleveren voor het leven en de persoonlijke veiligheid van verzoeker, heeft het hof, door het desondanks aanhalen van delen van deze verklaringen in zijn arrest, de veiligheidsrisico's voor verzoeker "nodeloos vergroot" en in strijd met art. 2 en 6, eerste lid, EVRM gehandeld, aldus het middel.

5. Blijkens de respectievelijke processen-verbaal van de zittingen van 15 april 2003, 8 en 20 mei 2003 hebben zowel verzoeker als getuige Teeven hun verklaringen achter gesloten deuren afgelegd, omdat openbaarheid naar het oordeel van het hof het belang van een goede rechtspleging ernstig zou schaden.

6. Blijkens de toelichting richt het middel zich in het bijzonder tegen de overwegingen 11.1, 11.5, 11.6 en 11.10 van het bestreden arrest, waarin het hof in het kader van een gevoerd verweer de achtergrond en inhoud van de overeenkomst tussen verzoeker en Teeven uiteenzet.

7. Voor zover het middel op het standpunt berust dat gegevens die zijn verkregen tijdens niet openbare terechtzittingen niet in de (openbare) uitspraak mogen worden opgenomen, vindt het geen steun in het recht. In zijn arrest van 2 juli 2002 in deze zaak heeft de Hoge Raad nog eens nadrukkelijk uiteengezet dat de uitspraak, inclusief de gronden waarop deze berust, in het openbaar dient te geschieden, zij het dat niet vereist is dat de gehele uitspraak wordt voorgelezen, terwijl bovendien anonimisering van personalia wel mogelijk is. Op deze grondwettelijke regel is geen uitzondering mogelijk, ook niet voor gegevens die tijdens een besloten zitting zijn verkregen (rov. 3.7); dat wil zeggen dat dergelijke gegevens, wanneer zij in de uitspraak zijn opgenomen ter noodzakelijke motivering van een in die uitspraak weergegeven beslissing van de rechter, openbaar zullen worden. De grondwettelijke eis van openbaarheid brengt dat nu eenmaal met zich mee.

8. De voorzitter van het hof heeft daar, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad in deze zaak, ook terecht op gewezen, door blijkens het proces-verbaal van de zitting van 15 april 2003 onder meer het volgende te overwegen (p. 6 en 7):

"Geen uitzondering is toegelaten op de regel dat de vonnissen en arresten de gronden inhouden waarop zij rusten. Het Wetboek van Strafvordering kent in artikel 269 slechts een beslissing van de rechter om de behandeling geheel of gedeeltelijk met gesloten deuren te bevelen. Dit bevel kan door de rechter ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie of op het verzoek van de verdachte of andere procesdeelnemers, zoals getuigen, worden gegeven. Wat de gevolgen zijn voor het verdere verloop van de strafrechtelijke procedure regelt het Wetboek van Strafvordering niet. Uit het arrest van de Hoge Raad in deze zaak zou evenwel kunnen worden afgeleid dat de rechter, gezien het feit dat geen uitzondering is toegelaten op de regel dat de vonnissen en arresten de gronden inhouden waarop zij rusten, bij iedere motivering, of dit nu de motivering van een bewezenverklaring of een vrijspraak dan wel de aanvaarding of de verwerping van een verweer betreft, geen enkele beperking in acht behoeft te nemen. De rechter mag voluit putten uit hetgeen tijdens de besloten zittingen aan de orde is geweest. Voor de rechter is er dus na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting maar één dossier. Hij kan bij de openbare uitspraak van zijn vonnis of arrest volstaan met de voorlezing van het slotoordeel, mits de volledige tekst van het vonnis of arrest voor daarvoor in aanmerking komende personen beschikbaar is. Hierbij kunnen de personalia worden geanonimiseerd. Instemming van de verdediging om bij het bespreken van de door de verdediging gevoerde verweren ook - zij het met de nodige behoedzaamheid - informatie te gebruiken die tijdens de besloten zitting was besproken lijkt dus, gelet op 's Hogen Raads arrest, niet nodig. De rechter moet iedere beslissing zonder enige beperking kunnen motiveren, hetgeen niet wil zeggen dat waar mogelijk niet reeds bij de formulering van de gronden de nodige behoedzaamheid kan worden betracht."

9. Anders dan in de toelichting op het middel wordt betoogd heeft het hof blijkens de hierboven weergegeven overwegingen wel degelijk een belangenafweging gemaakt; kennelijk zijn alleen die delen van de verklaringen van verzoeker en Teeven in het arrest opgenomen die nodig waren om 's hofs oordeel te motiveren. Nu door de verdediging het verweer is gevoerd dat verzoeker de onderhavige strafbare feiten in het kader van zijn overeenkomst met Teeven heeft gepleegd, is het ook bepaald niet verwonderlijk dat het hof het noodzakelijk heeft geacht op de achtergrond en inhoud van die overeenkomst in te gaan. Het enige andere alternatief zou zijn geweest het gevoerde verweer niet of minder uitvoerig te behandelen door weglating van de bestreden overwegingen, maar dan zou ongetwijfeld weer geklaagd worden over de gebrekkige motivering van 's hofs oordeel.

10. Overigens zie ik eerlijk gezegd niet in waarom de betreffende passages, die in het middel letterlijk worden geciteerd - is hier geen sprake van nodeloze vergroting van verzoekers veiligheidsrisico? - dermate gevaarzettend zijn dat zij een "direct extra veiligheidsrisico" voor verzoeker vormen. Daarbij neem ik in aanmerking dat het bestaan van de overeenkomst tussen verzoeker en het OM inmiddels toch wel als publiek geheim kan worden beschouwd. Het middel legt dit ook niet verder uit.

11. De uitspraken van het EHRM waarop in het middel een beroep wordt gedaan (B. en P. tegen het Verenigd Koninkrijk, EHRM 24 april 2001, NJB 2001, p. 1126 en Z. tegen Finland, EHRM 25 februari 1997, NJ 1999, 516) verschillen tenslotte in zoverre van de onderhavige zaak, dat in die zaken nu juist wél een wettelijke basis bestond voor (beperkte) geheimhouding van (delen van) het arrest; zowel de Engelse als de Finse wetgeving voorzagen, onder bepaalde omstandigheden, in die mogelijkheid. In Nederlands bestaat die mogelijkheid, zoals gezegd, niet. Reeds om die reden gaat een vergelijking met de onderhavige zaak mank.

12. Het hof kon derhalve, zonder schending van art. 2 of 6 EVRM, de betreffende passages uit de verklaringen van verzoeker en Teeven in zijn arrest opnemen.

13. Het middel faalt.

14. Het tweede middel richt zich tegen de verwerping van een ter terechtzitting gevoerd verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie (OM).

15. Het hof heeft het bewuste verweer als volgt samengevat en verworpen:

"12.2

()

De raadsvrouw van de verdachte handhaaft tenslotte - niettegenstaande hetgeen de Hoge Raad hieromtrent in zijn arrest van 2 juli 2002 heeft overwogen - haar verweer dat de geschonden beslotenheid van de behandeling van de zaak in eerste aanleg door het laten openstaan van de verbinding tussen de zittingszaal en de perskamer tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in zijn vervolging moet leiden.

12.3

Naast het door de verdediging ingenomen en door het Hof reeds verworpen standpunt, inhoudende, kort gezegd, dat de vervolging zich niet verdraagt met de overeenkomst en de wijze waarop daaraan uitvoering werd gegeven, zou ook de kennelijk doelbewuste discommunicatie binnen het Amsterdamse Arrondissementsparket strijd met het vertrouwensbeginsel opleveren. De Officier van Justitie mr. Teeven zou consequent buiten ieder gesprek over de tegen de verdachte gerezen verdenking zijn gehouden en er zou, al dan niet met tussenkomst van de Hoofdofficier van Justitie mr. Vrakking, ook overigens geen enkele inhoudelijke communicatie tussen hem en de met de vervolging belaste Officier van Justitie mr. Plooy zijn geweest.

12.4

Het Hof verwerpt ook dit verweer. Artikel 2 van de overeenkomst houdt in dat de verdachte tijdens de opschorting van de executie van het tegen hem gewezen en door de Hoge Raad op 30 juni 1998 bekrachtigde arrest van het Hof te Amsterdam d.d. 29 oktober 1996 geen misdrijven zal plegen. Krachtens artikel 5 van de overeenkomst garandeert het Openbaar Ministerie de verdachte ter zake de door hem verstrekte informatie volledige en absolute geheimhouding. Aan deze overeenkomst zal, zo luidt tenslotte artikel 7, door geen van partijen op welke wijze dan ook enige openbaarheid worden gegeven. Een redelijke uitleg van die overeenkomst brengt mee dat, als sprake zou zijn van een jegens de verdachte gerezen verdenking dat hij een misdrijf had gepleegd en door het Openbaar Ministerie zou worden besloten de verdachte hiervoor te vervolgen, het alleen dan op de weg van de Officier van Justitie mr. Teeven als gesprekspartner van de verdachte bij de uitvoering van de overeenkomst dan wel op de weg van de Hoofdofficier van Justitie mr. Vrakking zou hebben gelegen om de behandelend Officier van Justitie over de overeenkomst in te lichten indien en voorzover zij van oordeel zouden zijn dat tussen het desbetreffende misdrijf en de overeenkomst een zodanig verband bestond dat laatstbedoelde daarover onmiddellijk diende te worden ingelicht.

Blijkens de door de Hoofdofficier van Justitie mr. Vrakking als getuige afgelegde verklaring heeft de Officier van Justitie mr. Teeven hem na 15 september 1999 gezworen dat hij met de verdachte niet de afspraak "ga op wapenjacht" had gemaakt en heeft de Hoofdofficier van Justitie mr. Vrakking tegen de behandelend Officier van Justitie mr. Plooy gezegd dat de overeenkomst niet aan de vervolging van de verdachte in de weg stond, hetgeen, zo moet thans worden vastgesteld, een juiste zienswijze was. Laatstgenoemde mocht er bij zijn zelfstandige vervolgingsbeslissing bovendien in redelijkheid van uitgaan dat door het Openbaar Ministerie geen overeenkomst zou zijn gesloten waarbij het de verdachte zou zijn toegestaan om misdrijven, ter zake waarvan de verdenking was gerezen dat de verdachte zich daaraan had schuldig gemaakt, te plegen. Van enige discommunicatie, die in strijd zou zijn met het vertrouwensbeginsel, is derhalve geen sprake geweest.

()

12.8

Het Hof acht volstrekt aannemelijk dat de beslotenheid van de behandeling van de zaak in eerste aanleg door het laten openstaan van de verbinding tussen de zittingszaal en de perskamer niet doelbewust is geschonden. Voor een niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in zijn vervolging om die reden bestaat dan ook geen goede grond. Enige invloed van deze schending op de eerlijkheid van het onderhavige strafproces heeft het Hof niet kunnen vaststellen. Een duidelijk oorzakelijk verband tussen deze schending en de huidige bedreiging van de persoonlijke veiligheid van de verdachte heeft het Hof, in aanmerking genomen hetgeen tevoren over de verdachte en de door hem met het Openbaar Ministerie gesloten overeenkomst reeds bekend was, evenmin kunnen vaststellen. Wel acht het Hof aannemelijk dat dit incident de reeds bestaande gevoelens van onveiligheid bij de verdachte heeft versterkt. Het Hof zal hiermee rekening houden op het moment dat de strafoplegging in beeld komt."

16. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat door de "discommunicatie" tussen Teeven en Plooy "in strijd met de benodigde zorgvuldigheid door de vervolgende instanties nieuwe extra risico's [zijn] geschapen voor requirants leven en veiligheid".

17. De logica achter deze redenering ontgaat mij. In de overeenkomst tussen verzoeker en Teeven was uitdrukkelijk opgenomen dat deze geheim zou worden gehouden. Dat Teeven (en de toenmalige hoofdofficier van justitie Vrakking, die als enige ook van de overeenkomst wist) niet over de overeenkomst heeft gesproken met officier van justitie Plooy, die verzoeker terzake van de onderhavige strafzaak heeft vervolgd, kan dan ook weinig verbazing wekken en hem zeker niet worden tegengeworpen. Teeven heeft zich slechts aan de overeenkomst gehouden. Zou hij dat niet gedaan hebben, dán zou hem wellicht onzorgvuldig gedrag jegens verzoeker kunnen worden verweten. Andersom was er voor Plooy geen reden om Teeven op de hoogte te brengen van de voorgenomen aanhouding en vervolging van verzoeker; Plooy wist immers niet dat Teeven en verzoeker een overeenkomst hadden gesloten.

18. 's Hofs oordeel dat geen sprake is van discommunicatie die in strijd is met het vertrouwensbeginsel is dan ook niet onbegrijpelijk. Het hof heeft immers vastgesteld dat de overeenkomst tussen verzoeker en Teeven en het strafbare feit waarvoor verzoeker door Plooy werd vervolgd en dat thans aan de orde is, niets met elkaar van doen hadden.

19. Los daarvan vraag ik mij af op welke wijze verzoeker door een eventuele opzettelijke discommunicatie tussen Teeven en Plooy in zijn belangen zou zijn geschaad. De thans opgeworpen stelling dat hierdoor verzoekers veiligheid (extra) in gevaar is gebracht, is speculatief en niet onderbouwd.

20. Voor zover het middel zich tenslotte nog richt tegen de overweging van het hof met betrekking tot de "beweerdelijk per ongeluk" openstaande microfoons tijdens de behandeling van deze zaak in eerste aanleg, merk ik het volgende op. Het hof heeft niet onbegrijpelijk vastgesteld dat het laten openstaan van de verbinding tussen de zittingszaal en de perskamer niet doelbewust heeft plaats gevonden. Dat de stellers van het middel daar, getuige hun woordkeuze, kennelijk anders over denken, doet daar niet aan af. 's Hofs oordeel dat dit voorval dus geen grond oplevert voor niet-ontvankelijkheid van het OM geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Nu de Hoge Raad zich over dit punt in zijn arrest van 2 juli 2002 al heeft uitgelaten (rov. 4.7), komt dit onderdeel van het middel neer op een tevergeefse herhaling van zetten.

21. Het middel faalt.

22. Het derde middel bevat de klacht dat het hof een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het begrip 'voorhanden hebben' in de zin van art. 26, eerste lid Wet Wapens en Munitie (WMM), door te oordelen dat verzoeker door het controleren van wapens op gevaarzetting en ontploffingsgevaar feitelijke macht over die wapens had.

23. Het hof heeft ten laste van verzoeker bewezenverklaard dat hij - kort gezegd - in de periode van 1 juli 1999 tot en met 1 september 1999 in een woning aan de [a-straat 1] te [plaats B] tezamen en in vereniging met een ander 157 wapens, waaronder mitrailleurs, machinegeweren, pistolen, schietparaplu's en granaatwerpers, en munitie voorhanden heeft gehad.

24. Het hof heeft de volgende nadere bewijsoverweging opgenomen:

"8.1

De raadsvrouw van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte nooit de intentie heeft gehad de wapens voorhanden te hebben, aangezien hij deze slechts op verzoek van [medeverdachte] op gevaarzetting en ontploffingsgevaar heeft gecontroleerd.

8.2

Dit standpunt wordt door het Hof niet onderschreven. De wetsgeschiedenis (Tweede Kamer, vergaderjaar 1994-1995, 24 107, nr. 5, blz. 11) houdt ten aanzien van het onderscheid tussen het begrip "dragen" en het begrip "voorhanden hebben" in:

"Het begrip "dragen" is gedefinieerd in artikel 1, onder 10°, in verbinding met onderdeel 9°, van de Wet wapens en munitie, namelijk: het op de openbare weg of andere voor het publiek toegankelijke plaatsen bij zich hebben van een wapen dat voor onmiddellijk gebruik kan worden aangewend. (...) Het begrip "voorhanden hebben" is daarentegen niet gedefinieerd. (...) De reikwijdte van het begrip "voorhanden hebben" kan echter worden gevonden in artikel 1, onderdeel 11°, van de Wet wapens en munitie, waar het begrip "overdragen" is gedefinieerd als het aan een ander doen overgaan van de feitelijke macht.

Daaruit volgt dat het voorhanden hebben van een wapen inhoudt de feitelijke macht hebben over een wapen. (...)."

Naar het oordeel van het Hof brengt ook het controleren van wapens op gevaarzetting en ontploffingsgevaar met zich mee dat de verdachte op dat moment in ieder geval een zodanige feitelijke macht had over die wapens dat van het "voorhanden hebben" van die wapens dient te worden gesproken.

Anders dan hetgeen overigens in dit kader nog door de raadsvrouw van de verdachte naar voren is gebracht, is het daarbij in bewijsrechtelijke zin zonder enige betekenis of de verdachte met zijn bezoeken aan de [a-straat 1] te [plaats B] tevens de intentie heeft gehad om informatie met het oog op de hierna onder 10 nader te omschrijven overeenkomst te vergaren. De vraag, of die omstandigheid - gesteld dat de verdachte mede vanuit laatstbedoelde intentie heeft gehandeld - anderszins aan een veroordeling ter zake van de bij inleidende dagvaarding onder 1 ten laste gelegde feiten in de weg staat, zal hierna onder 11 worden bespoken."

25. In de toelichting op het middel wordt betwist dat verzoeker feitelijke macht over de wapens had, omdat verzoekers medeverdachte [medeverdachte] als katvanger en huurder van de woning aan de [a-straat] de feitelijke macht over de wapens had en uit niets blijkt dat [medeverdachte] de feitelijke macht over de wapens aan verzoeker had overgedragen.

26. Voor 'voorhanden hebben' in de zin van art. 26, eerste lid (oud) WWM is vereist dat er een zekere vorm van machtsuitoefening over het voorwerp bestaat. Vgl. de door het hof aangehaalde wetsgeschiedenis (TK 1994-1995, 24107, nr. 5 (Nota n.a.v. verslag), p. 11-12 en D.H. de Jong en H.G.M. Krabbe (red.), de Wet Wapens en Munitie, 1989, p. 82-88 en de daar aangehaalde jurisprudentie. Of een dergelijke machtsrelatie bestaat hangt af van de omstandigheden van het geval. Het verwijt in het middel dat het hof zou hebben geoordeeld dat het controleren van een wapen per definitie 'voorhanden hebben' oplevert "onafhankelijk van de omstandigheden waaronder deze controle plaatsvindt", is ten onrechte gemaakt. Het hof heeft overwogen dat verzoeker "in ieder geval een zodanige feitelijke macht had over de wapens dat van 'voorhanden hebben' kan worden gesproken".

27. Het middel berust verder kennelijk op het standpunt dat slechts één persoon over een bepaald voorwerp de feitelijke macht kan hebben en dat voorwerp dus voorhanden kan hebben. Dat standpunt is onjuist. De omstandigheid dat [medeverdachte], als huurder van de woning en kennelijk - getuige het feit dat hij verzoeker vroeg om de wapens te controleren - in staat om zeggenschap over de wapens uit te oefenen, de wapens voorhanden heeft gehad, staat er niet aan in de weg dat ook verzoeker over die wapens feitelijke macht had, en ze dus voorhanden heeft gehad in de zin van art. 26, eerste lid (oud), WWM. Als ik een garagist vraag mijn auto te controleren verlies ik daarmee geen zeggenschap over die auto, terwijl de garagist er wel zeggenschap over verkrijgt.

28. 's Hofs oordeel dat verzoeker in casu de wapens voorhanden heeft gehad, geeft tegen de hiervoor geschetste achtergrond geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is, gelet op de door het hof vastgestelde omstandigheden, niet onbegrijpelijk. Verzoeker is tot twee keer toe in de woning met wapens geweest en zijn tweede bezoek duurde 3-4 uur. Vgl. HR 18 januari 1949, NJ 1949, 309, waarin het ging om de vraag of sprake was van het voorhanden hebben van valse distributiebescheiden. Een verkoopleider van een N.V., belast met de controle op in- en uitgaande distributiebescheiden, had van een afnemer van die N.V. valse bescheiden ontvangen en die twee dagen later doorgegeven aan een andere onderneming. De Hoge Raad oordeelde dat het 'voorhanden hebben' kon worden afgeleid "uit de omstandigheid dat req. ter controle een aantal distributiebescheiden onder zich had". De Jong en Krabbe stellen dat uit de controlefunctie van de verdachte voortvloeit dat hij de bevoegdheid had zekere handelingen met de vervalste bescheiden te verrichten, in het bijzonder de bevoegdheid die bescheiden, in plaats van ze door te sturen naar een andere onderneming, te doen toekomen aan de met vervolging en opsporing belaste instanties. Die mogelijkheid had verzoeker in ieder geval ook.

29. Voor zover de stellers van het middel menen voor hun opvattingen steun te vinden in de conclusie van mijn ambtgenoot Machielse voor het arrest van 2 juli 2002 in deze zaak, merk ik het volgende op. Het betreffende onderdeel van die conclusie, waarin wordt toegelicht waarom de zaak na vernietiging niet naar het gerechtshof te Amsterdam zou moeten worden teruggewezen, luidt als volgt (rubriek 8.1):

"Daarbij laat ik zeker meewegen dat het hof in § 6.1 van het arrest zo duidelijk heeft laten doorschemeren er al niet van overtuigd te zijn dat verdachte op strafbare wijze bij de partij aangetroffen wapens betrokken is geweest en daarmee reeds een voorschot genomen op een eventuele afdoening na cassatie."

30. Daarmee zegt mr Machielse enkel iets over de kennelijke opvatting van het Amsterdamse hof ten aanzienver de strafbaarheid van het controleren van wapens en niet, zoals de stellers van het middel klaarblijkelijk menen, over de juistheid van die opvatting.

31. Het middel faalt.

32. Ook in het vierde middel wordt 's hofs uitleg van het begrip 'voorhanden hebben' bestreden. Het middel richt zich in het bijzonder tegen 's hofs oordeel dat "in bewijsrechtelijke zin zonder enige betekenis" is of verzoeker met zijn bezoeken aan de [a-straat] tevens de intentie had om in het kader van de overeenkomst met Teeven informatie te vergaren.

33. Volgens de toelichting op het middel brengt het controleren van wapens met de intentie het OM over de vindplaats van die wapens te informeren een andere machtsrelatie tot die wapens met zich mee dan wanneer die wapens worden gecontroleerd als een vriendendienst. Het hof zou dat miskend hebben.

34. Enige vindplaats voor of nadere toelichting op deze stelling ontbreekt. Zij is in strijd met de grondregel dat voor het bewijs van opzet intenties irrelevant zijn: het gaat om de uit de handeling sprekende wil, en niet om de goede bedoelingen daarachter (zie de conclusie van mr Remmelink voor HR 27 november 1984, NJ 1985, 106, m.nt. ThWvV, ad middel II). 's Hofs bestreden oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk. Verzoeker was in het huis om de wapens te controleren. Daarmee heeft hij ze, zo bleek hiervoor, gelet op de omstandigheden 'voorhanden gehad' in de zin van art. 26, eerste lid (oud) WWM. Of hij die controle uitvoerde om informatie te vergaren voor het OM of als vriendendienst voor [medeverdachte] (of allebei) doet daarbij niet terzake. Terecht heeft het hof geoordeeld dat dit een rol zou kunnen spelen bij een andere vraag van art. 350 Sv.

35. Ook dit middel is tevergeefs voorgesteld.

36. In het vijfde middel wordt de klacht opgeworpen dat de gebezigde bewijsmiddelen de met de bewezenverklaring onverenigbare mogelijkheid openlaten dat de wapens die op 1 september 1999 in de woning aan de [a-straat 1] inbeslaggenomen zijn en op de tenlastelegging staan vermeld niet dezelfde wapens zijn als de wapens die verzoeker in augustus 1999 in die woning heeft gecontroleerd.

37. Dit middel mist feitelijke grondslag. In de uitvoerige nadere bewijsoverwegingen (rubriek 8.3 tot en met 8.8 van het arrest) heeft het hof nu juist uiteengezet waarom het tot het oordeel is gekomen dat de op 1 september 1999 aangetroffen wapens en munitie, voor zover bewezen verklaard, dezelfde waren als de wapens en munitie die enkele weken eerder door verzoeker waren aangetroffen en gecontroleerd.

38. Dat oordeel van het hof is meer dan voldoende gemotiveerd en kan de toets der begrijpelijkheid ruimschoots doorstaan. Anders dan in het middel wordt gesteld heeft verzoeker bijvoorbeeld niet van meet af aan consequent verklaard dat hij bij zijn bezoeken aan de [a-straat] nooit meer dan 50 wapens heeft aangetroffen; tijdens zijn eerste verhoren van 15 en 16 september 1999, waarin de politie hem vertelde dat zij ruim 200 wapens in de woning aan de [a-straat] hadden aangetroffen, heeft verzoeker, die wel direct toegaf dat hij in augustus 1999 wapens had gecontroleerd in diezelfde woning, op geen enkel moment aangegeven dat het toen slechts om 50 wapens ging (rubriek 8.4).

39. Dat het hof bij zijn motivering een selectie heeft gemaakt uit de verklaringen van verzoeker stond het hof vrij. Van een "evident bevooroordeelde selectie", zoals in het middel wordt gesteld, is geen sprake. Het hof kan nu eenmaal die (onderdelen van) verklaringen tot het bewijs bezigen die hem geloofwaardig voorkomen en die onderdelen terzijde stellen die hij ongeloofwaardig of onbetrouwbaar acht. Vgl. Van Dorst, Cassatie in strafzaken, 4e, p. 204.

40. Daarbij heeft het hof bovendien kunnen laten meewegen dat verzoeker voor de aanwezigheid van zijn vingerafdrukken op onder meer tassen en koffers waarin op 1 september 1999 een deel van de wapens is aangetroffen "geen enkele redelijke verklaring [heeft] kunnen of willen geven" (rubriek 8.7). Vgl. bijvoorbeeld HR 3 juni 1997, NJ 1997, 584 (strippenkaartarrest), HR 18 mei 1999, NJ 2000, 104 en HR 6 mei 2003, NJ 2003, 458. Dat het hof de door verzoeker gegeven verklaring dat de tassen en koffers waarop zijn vingerafdrukken zijn aangetroffen "misschien" opnieuw gevuld zijn, niet als redelijk heeft aangemerkt, kan, in het licht van de overige bewijsmiddelen en door het hof vastgestelde omstandigheden, weinig verbazing wekken.

41. Het hof heeft evenmin, anders dan in het middel wordt betoogd, de mogelijkheid opengelaten dat de door verzoeker in augustus 1999 aangetroffen wapens geheel of gedeeltelijk uit de woning zijn verwijderd en zijn vervangen door de wapens die in september 1999 zijn aangetroffen. Zie rubriek 8.4, waarin het hof het volgende overweegt:

"Hij (verzoeker; NJ) heeft toen bevestigd dat het niet plausibel is dat in het korte tijdsbestek, gelegen tussen zijn tweede bezoek aan de [a-straat 1] en de wapenvondst aldaar op 1 september 1999, 50 wapens uit die woning zijn weggehaald en 220 nieuwe wapens die woning zijn binnengebracht.

"Zoiets is namelijk nog nooit gebeurd in Nederland", aldus de verdachte."

42. Het middel faalt dus.

43. De middelen falen. Naar mijn oordeel werpt - na Uw principiële arrest in de vorige ronde - geen van de middelen een rechtsvraag op die niet met behulp van de verkorte motivering van art. 81 RO kan worden afgedaan. Zoals bekend moet een dergelijke afdoening in samenhang met de conclusie van de procureur-generaal worden bezien. Ambtshalve gronden waarop Uw Raad tot vernietiging zou behoren over te gaan, heb ik niet aangetroffen.

44. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.