Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2004:AO6452

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
25-05-2004
Datum publicatie
23-07-2004
Zaaknummer
02136/03
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2004:AO6452
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Vertrouwensregel in het verkeersrecht. De opvatting dat de bestuurder van een motorrijtuig die daarmee rijdt over een voorrangsweg, er - behoudens bijzondere gevallen - op mag vertrouwen dat het verkeer dat deze voorrangsweg kruist, voor hem de doorgang vrij laat of (tijdig) vrij maakt, ook indien hij met een veel hogere dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid de betreffende kruising is genaderd dan wel is opgereden, is in haar algemeenheid onjuist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2004, 237
VR 2004, 99

Conclusie

Griffienr. 02136/03

Mr. Wortel

Zitting:23 maart 2004

Conclusie inzake:

[verzoeker = verdachte]

1. Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam waarbij verzoeker wegens "als bestuurder van een motorrijtuig overtreden van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht" is veroordeeld tot een taakstraf, te weten de werkstraf van het verrichten van 180 uren onbetaalde arbeid, met bevel dat hechtenis van drie maanden zal worden toegepast in geval deze werkstraf niet naar behoren wordt verricht. Voorts heeft het Hof verzoeker de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen ontzegd voor de tijd van 12 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

2. Namens verzoeker heeft mr. L.J.P. Selders, advocaat te Nieuwegein, twee cassatiemiddelen voorgesteld.

3. In de toelichting op het eerste middel wordt betoogd dat verkeersdeelnemers er naar vaste rechtspraak op mogen vertrouwen dat andere weggebruikers voorrang zullen verlenen en de doorgang vrij zullen laten waar zij dat behoren te doen, terwijl ook de verkeersdeelnemer die zelf de regels overtreedt op dat vertrouwen af moet kunnen gaan.

's Hofs vaststelling dat verzoeker met veel hogere snelheid heeft gereden dan ter plaatse toegestaan en, gelet op het wegbeeld, verantwoord was, zou niet het bijzondere geval opleveren waarin verzoeker er - in afwijking van de vertrouwensregel - rekening mee moest houden dat hem geen voorrang zou worden verleend.

4. Het middel behelst derhalve de klacht dat de bewezenverklaring, voor zover inhoudend dat verzoeker aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden, onvoldoende met redenen is omkleed.

5. Een ter terechtzitting in hoger beroep gevoerd verweer is in de bestreden uitspraak als volgt samengevat en verworpen:

"De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair en subsidiair tenlastegelegde feit omdat het bestanddeel "schuld", zoals dat is uitgewerkt in de tenlastelegging, niet kan worden bewezen. Hij heeft daartoe - kort gezegd en zakelijk weergegeven - gesteld dat:

- verdachte in de gegeven verkeerssituatie ten tijde van de aanrijding op een voorrangsweg reed;

- het voor verdachte geldende verkeerslicht op het moment dat hij de kruising naderde op groen stond;

- het slachtoffer volgens de verklaring van de verdachte niet naar links keek, hetgeen wordt bevestigd door het feit dat de meefietsende man wel voor de kruising stopte;

- voor een behoorlijk functioneren van het wegverkeer ervan moet worden uitgegaan dat de berijder van een voorrangsweg er altijd en onder alle omstandigheden onvoorwaardelijk op moet kunnen rekenen dat aan hem voorrang zal worden verleend, ook als hij 80 km/u of sneller rijdt, daar waar een maximaal toegestane snelheid geldt van 50 km/u.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de bewijsmiddelen blijkt onder meer dat de verdachte met een veel hogere snelheid reed dan ter plaatse was toegestaan en gezien de wegsituatie, een kruispunt met een onrustig wegbeeld, met diverse verkeersborden en met verkeerslichten, verantwoord was. Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden. Dit oordeel wordt niet anders door de omstandigheid dat de verdachte op een voorrangsweg reed en mogelijkerwijze groen licht had. Dat het slachtoffer mogelijkerwijze de kruising opreed zonder naar links te kijken, maakt dit evenmin anders, reeds omdat deze omstandigheid de verdachte juist tot grotere voorzichtigheid had moeten nopen. Het verweer wordt derhalve verworpen"

6. Het vertrouwensbeginsel in het wegenverkeersrecht wordt in de toelichting op het middel overschat. Met name bij toepassing van art. 6 WVW 1994 kan niet als algemene regel worden aanvaard dat de weggebruiker die zelf een verkeersregel negeert mag blijven handelen in het vertrouwen dat andere deelnemers aan het verkeer de voor hen geldende voorschriften zullen naleven. Mij dunkt dat in dit verband belang toekomt aan de relatieve ernst van de diverse overtredingen. Indien een ongeval is ontstaan doordat verschillende weggebruikers verkeersregels hebben veronachtzaamd lijkt het mij niet redelijk om een beroep op de vertrouwensregel te ontzeggen aan degene die slechts in geringe mate is afgeweken van de voor hem geldende voorschriften. Evenwel zal een min of meer ernstige overtreding van verkeersregels in de regel aan een beroep op de vertrouwensregel in de weg staan. Ik verwijs naar HR NJ 1980, 580 voor een met de onderhavige zaak vergelijkbaar geval: de bestuurder die met aanmerkelijke overschrijding van de ter plaatse geldende maximumsnelheid een kruising nadert waarop het overige verkeer hem voorrang behoort te verlenen handelt door die snelheidsoverschrijding aanmerkelijk onvoorzichtig, en kan aan dat verwijt niet ontkomen door te stellen dat hem voorrang verleend had moeten worden, vgl. voorts J. Remmelink, Hoofdwegen door het verkeersrecht (1992), p. 24 - 27.

7. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen is verzoeker, met een personenauto rijdende op een voorrangsweg waar een maximumsnelheid van 50 km/u gold, een kruising genaderd met een snelheid tussen 84 en 89 km/u. Met onverminderde snelheid is verzoeker de kruising opgereden waardoor hij een fietser die de kruising opreed niet meer kon ontwijken.

8. De verwerping van het verweer getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is, in het licht van de gebezigde bewijsmiddelen, evenmin onbegrijpelijk te noemen. De bewezenverklaring dat verzoeker aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden is naar behoren met redenen omkleed.

Het middel faalt derhalve.

9. Het tweede middel, waarin wordt geklaagd over schending van art. 350 Sv en art. 6, tweede lid, EVRM, is niet gemakkelijk te doorgronden. Betoogd wordt dat eenieder die strafrechtelijk wordt vervolgd voor onschuldig gehouden moet worden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan, waaruit voortvloeit dat de bewijslast bij het Openbaar Ministerie ligt. Met verwijzing naar de toelichting op het eerste middel wordt verder betoogd dat het Openbaar Ministerie had moeten bewijzen dat zich zodanige bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan dat verzoeker er niet op had mogen vertrouwen dat hem vrije doorgang zou worden verleend. Naar het inzicht van de steller van het middel is het Openbaar Ministerie daarin niet geslaagd, zodat verzoeker het voordeel van de twijfel had moeten krijgen, en had hij vrijgesproken moeten worden.

10. Zonder twijfel is over dit middel lang nagedacht, maar ik vermag niet in te zien hoe het instellen van de vervolging en de daaruit voortkomende bewezenverklaring een inbreuk op de zogenaamde onschuldpresumptie opgeleverd kunnen hebben.

Ik neem het middel letterlijk, en stel vast dat daarin wordt geklaagd over het optreden van het Openbaar Ministerie. Dat is ingevolge de art. 78 en 79 RO, in verbinding met art. 437, tweede lid, Sv, geen klacht waarover de Hoge Raad zich uit kan laten, vgl. A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken (1998), p. 16.

11. Ambsthalve merk ik op dat de kwalificatie van het feit niet juist is. Daarin had, gelet op de in art. 6 WVW 1994 opgenomen delictsomschrijving en op de gebezigde bewijsmiddelen, melding gemaakt moeten worden van "zwaar lichamelijk letsel". De kwalificatie kan aldus verbeterd worden gelezen.

12. De middelen lenen zich voor afdoening met de in art. 81 RO bedoelde korte motivering.

13. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,