Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2004:AO6438

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
18-05-2004
Datum publicatie
18-05-2004
Zaaknummer
02093/03
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2004:AO6438
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Onpartijdigheid van raadsheer hof die in dezelfde zaak eerder arrest heeft medegewezen strekkend tot terugwijzing wegens schending van art. 268 Sv. Medewijzen van eerdere arrest levert geen zwaarwegende aanwijzing ex HR NJ 2000, 335 op. In het eerste arrest is verdachtes verweer gehonoreerd en is het hof niet toegekomen aan een inhoudelijk oordeel over de zaak. Dat de rechter de stukken en de verdachte al eerder heeft gezien maakt hem niet partijdig, aldus conclusie plv. PG waarnaar HR verwijst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 265
NJ 2004, 496

Conclusie

Nr. 02093/03

Mr. Fokkens

Zitting: 23 maart 2004

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam veroordeeld tot één maand gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren wegens "met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd".

2. Tegen deze uitspraak heeft verdachte cassatieberoep ingesteld.

3. Namens verdachte heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel klaagt over schending van art. 6 lid 1 EVRM en art. 14 lid 1 IVBPR. Er zou geen sprake zijn geweest van een berechting door een onpartijdige rechter aangezien mr. Van Asperen zowel de bestreden uitspraak, als een eerder arrest van het Hof in deze zaak heeft medegewezen.

5. De gang van zaken is als volgt geweest:

- Bij vonnis van 19 maart 1999 is de verdachte door de Rechtbank Haarlem veroordeeld. Tegen dit vonnis heeft de verdachte hoger beroep ingesteld.

- Op 9 mei 2000 heeft het Hof Amsterdam het vonnis van de Rechtbank Haarlem van 19 maart 1999 vernietigd en de zaak teruggewezen naar de Rechtbank. Het arrest, dat onder meer is gewezen door mr. Van Asperen, houdt - voorzover hier relevant - het volgende in:

"Door verdachte is in hoger beroep onder meer aangevoerd, zakelijk weergegeven, dat het vonnis moet worden vernietigd en de zaak terug moet worden gewezen naar de arrondissementsrechtbank te Haarlem vanwege schending van artikel 268 van het Wetboek van Strafvordering.

Dienaangaande overweegt het hof als volgt.

In eerste aanleg heeft de van de rechtbank deel uitmakende rechter R.A. van der Pol als rechter-commissaris het gerechtelijk vooronderzoek gesloten. Artikel 268 Wetboek van Strafvordering strekt ertoe te voorkomen dat een rechter-commissaris, ten aanzien van wie de vrees zou kunnen bestaan dat hij op grond van zijn in de zaak reeds verrichte onderzoek niet meer geheel onbevangen staat tegenover de tot de verdachte gerichte beschuldigingen, meewerkt aan het onderzoek ter terechtzitting omtrent de gegrondheid van die beschuldiging en aan de op grondslag van dat onderzoek gegeven uitspraak. In dit op straffe van nietigheid gegeven voorschrift wordt geen onderscheid gemaakt naar gelang de aard en de omvang van de onderzoekswerkzaamheden die de desbetreffende rechter als rechter-commissaris heeft verricht. Aangenomen moet worden dat zodra van enig onderzoek door een rechter als rechter-commissaris in een zaak sprake is, deze rechter niet mag deelnemen aan het onderzoek ter terechtzitting in die zaak, omdat het in dat geval ervoor moet worden gehouden dat de verdachte redelijkerwijze reden kan hebben te vrezen dat die rechter de vereiste onpartijdigheid mist. Nu mr. Van der Pol als rechter-commissaris in deze zaak het gerechtelijk vooronderzoek heeft gesloten, heeft hij enig onderzoek in de zin van artikel 268 van het Wetboek van Strafvordering verricht. Dat brengt mee dat nu mr. Van der Pol tevens deel uitmaakte van de kamer van de rechtbank die het onderzoek ter terechtzitting heeft verricht, artikel 268 van het Wetboek van Strafvordering is geschonden; de zich in het dossier bevindende - niet ondertekende - notitie van mr. Van der Pol, waarin deze verklaart het gerechtelijk vooronderzoek "vermoedelijk bij afwezigheid van collega Toeter" te hebben gesloten en "als RC (...) nimmer enige inhoudelijke bemoeienis met de strafzaak tegen [verdachte]" te hebben gehad, kan hieraan niet afdoen. Wat het aan een zodanig verzuim te verbinden gevolg betreft kan het hof niet volstaan met vernietiging van de uitspraak waarvan beroep, doch dient het de zaak terug te wijzen naar de eerste rechter.

Nu de verdachte ter zitting van dit hof heeft opgegeven dat niet, met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij artikel 423, tweede lid, eerste volzin van het Wetboek van Strafvordering, wordt verlangd dat het hof thans de hoofdzaak onderzoekt en daaromtrent beslissingen neemt, moet de zaak worden teruggewezen naar de arrondissementsrechtbank te Haarlem, teneinde in een andere samenstelling opnieuw te worden berecht en afgedaan.

Gelet op de aldus te nemen beslissing komt het hof niet toe aan een oordeel over de verder door verdachte gevoerde verweren.

- Na terugwijzing heeft de Rechtbank Haarlem op 19 januari 2001 voor de tweede maal vonnis gewezen. Tegen dit vonnis heeft de verdachte opnieuw hoger beroep ingesteld.

- Op 10 maart 2003 is de zaak in hoger beroep door het Hof Amsterdam - onder voorzitterschap van mr. Van Asperen - behandeld. Op de terechtzitting van 10 maart 2003 is de verdachte, zonder raadsman, verschenen. Het proces-verbaal van deze terechtzitting houdt als verklaring van de verdachte onder meer in:

"De voorzitter vraagt mij waarom ik geen advocaat heb. Ik antwoord hier op dat ik dat niet fatsoenlijk zou vinden tegenover de advocaat. Deze zaak is erg veel werk voor maar weinig geld."

- Op 24 maart 2003 heeft het Hof de bestreden uitspraak gewezen.

6. Uit het proces-verbaal van de zitting van het Hof van 10 maart 2003 blijkt niet dat de verdachte aldaar heeft geklaagd over het feit dat mr. Van Asperen opnieuw deel uit maakte van de kamer. Dit hoeft niet tot de conclusie te leiden dat de verdachte in cassatie tardief klaagt over het ontbreken van de vereiste onpartijdigheid bij de voorzitter van het Hof (vgl. voor een geval waarin in cassatie tardief werd geklaagd: HR 24 oktober 1995, NJ 1996, 484 m.nt. Kn). Anders dan in de zaak die heeft geleid tot genoemd arrest van 24 oktober 1995, gaat het in casu niet om een klacht over partijdigheid van een rechter uit de eerste aanleg die pas in cassatie naar voren wordt gebracht, maar om een klacht over de partijdigheid van de appèlrechter (zie ook HR 18 januari 1994, NJ 1994, 305 en HR 8 april 2003, LJN: AF5389). Bovendien werd de verdachte niet bijgestaan door een raadsman en kon van hem niet worden verwacht dat hij wist dat hij een dergelijke klacht bij het Hof naar voren moest brengen. Het feit dat de verdachte heeft medegedeeld dat hij geen advocaat wenste, doet hier niet aan af (vgl. Pfeifer en Plankl v. Oostenrijk, EHRM 25 februari 1992, NJ 1994, 117 § 38). Daarbij komt nog dat het niet onwaarschijnlijk is dat het de verdachte pas bij lezing van de stukken van het Hof - en dus na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting - duidelijk is geworden dat de voorzitter de mr. Van Asperen was die eveneens het arrest van 9 mei 2000 had medegewezen. De verdachte kan hierover dus voor het eerst in cassatie klagen.

7. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6 lid 1 EVRM en art. 14 lid 1 IVBPR dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens de verdachte een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdachte dienaangaande bestaande vrees objectief is gerechtvaardigd (zie o.m. HR 26 mei 1992, NJ 1992, 676 m.nt. Sch, HR 14 oktober 1997, NJ 1998, 187 m.nt. Kn, HR 16 november 1999, NJ 2000, 335 m.nt. 'tH en HR 8 april 2003, LJN: AF5389).

8. Het feit dat mr. Van Asperen het arrest van 9 mei 2000 heeft medegewezen, levert geen zwaarwegende aanwijzing op als hiervoor bedoeld. Bij arrest van 9 mei 2000 heeft het Hof het verweer van de verdachte dat sprake was van schending van art. 268 Sv gehonoreerd en is het niet toegekomen aan een oordeel over de verder door verdachte gevoerde verweren of over de overige vragen van art. 348 en 350 Sv. Er is dus geen inhoudelijk oordeel over de zaak gegeven (vgl. o.m. de zaak Nortier v. Nederland EHRM 24 augustus 1993, NJ 1993, 650 § 33 waarin het Europese Hof overwoog dat het antwoord op de vraag of de vrees van partijdigheid van de rechter objectief gerechtvaardigd was gelet op zijn eerdere bemoeienis met dezelfde strafzaak, afhangt van "the scope and the nature of these decisions". Zie verder HR 15 april 1997, NJ 1997, 535 en HR 26 oktober 1999, NJ 2000, 26). De omstandigheid dat de rechter reeds de gelegenheid heeft gehad de stukken te bestuderen en de verdachte al eens heeft gezien, betekent niet dat hij zodanig bevooroordeeld is dat hij niet meer onpartijdig zou zijn (vgl. Saraiva de Carvalho v. Portugal, EHRM 22 april 1994, Series A 286-B § 38). De - in de Toelichting op het middel op geen enkele wijze gemotiveerde - stelling dat hier sprake zou kunnen zijn van schending van het recht op berechting door een onpartijdige rechter is dan ook ondeugdelijk. Het middel kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

9. Ik heb ook overigens geen gronden voor cassatie aangetroffen. Daarom concludeer ik dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

plv.