Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2004:AO6270

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
23-03-2004
Datum publicatie
31-03-2004
Zaaknummer
00751/04
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2004:AO6270
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Een verzoek tot wraking van raadsheren HR kan alleen worden ingediend door een advocaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 189
NJ 2004, 509
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Mr. Jörg

Nr.00751/04 B

Zitting 23 maart 2004

Conclusie inzake:

[verzoeker=verdachte]

1. Bij op 4 december 2003 en 15 maart 2004 ingekomen geschriften heeft verzoeker de wraking verzocht van de raadsheren die zijn zaak behandelen.

2. Ingevolge art. 512 Sv kan elk van de rechters die de zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uit Uw jurisprudentie maak ik op dat voor wrakingsverzoeken geen verplichte procesvertegenwoordiging geldt.(1) De vraag is echter of dat anders is geworden na de inwerkingtreding op 1 oktober 2000 van de Wet verplichte schrifturen en uitsluiting beroep in lichte overtredingszaken.(2) Voor zover Uw Raad zou oordelen dat voor wrakingsverzoeken géén uitzondering op de verplichte procesvertegenwoordiging geldt, zou verzoeker niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in zijn verzoek. Voor het geval Uw Raad anders oordeelt - en gelet op het feit dat het in deze zaak juist erom gaat dat verzoeker geen raadsman heeft! - zal ik nader op de zaak ingaan.

3. Voor het antwoord op de vraag of er een grond voor wraking is, kan aansluiting worden gezocht bij de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) over de onpartijdigheid van de rechter.(3)

4. Het EHRM hanteert bij de beoordeling van de rechterlijke onpartijdigheid een subjectieve en een objectieve maatstaf. Bij de subjectieve benadering gaat het om de persoonlijke overtuiging (van schuld of onschuld etc.) van de rechter in een bepaalde zaak. Zijn persoonlijke onpartijdigheid wordt verondersteld zolang het tegendeel niet is bewezen.

5. Bij de objectieve benadering gaat het om de vraag of gerechtvaardigde twijfel bestaat ten aanzien van de onpartijdigheid van de rechter. Daarbij moet zelfs de objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid worden vermeden.(4)

6. Ik keer terug naar het onderhavige wrakingsverzoek. Het is mij niet geheel duidelijk geworden op grond waarvan verzoeker wraking verzoekt. Het oorspronkelijke wrakingsverzoek van 4 december 2003 begrijp ik aldus: nu verzoekers raadsman zich heeft teruggetrokken hadden de behandelend raadsheren verzoekers zaak moeten schorsen, hetgeen zij niet zouden hebben gedaan.

7. Dit verzoek mist feitelijke grondslag, nu uit de stukken volgt dat Uw Raad de zaak heeft aangehouden, eerst tot 22 januari 2004 en vervolgens tot 17 maart 2004, om verzoeker in de gelegenheid te stellen een nieuwe raadsman te vinden.

8. In de brief van 15 maart 2004 wordt het verzoek echter op een andere wijze onderbouwd. Uw Raad zou de voormalig raadsman van verzoeker aan zijn plicht tot rechtsbijstand moeten houden en bij gebreke hiervan aangifte moeten doen bij het openbaar ministerie. Voorts zou Uw Raad vooringenomen zijn, hetgeen zou blijken uit de omstandigheid dat Uw Raad de voormalig raadsman van verzoeker toestaat geen volledige voorstelling van zaken te geven. Verzoeker meent dat zijn voormalig raadsman een uiteenzetting van de feiten had moeten geven waaruit onomstotelijk blijkt dat er geen sprake is van een strafbaar feit maar van een civielrechtelijk en administratiefrechtelijk geschil.

9. Anders dan verzoeker kennelijk meent, bestaat voor de voormalig raadsman van verzoeker geen plicht tot rechtsbijstand. De Hoge Raad kan de voormalig raadsman dan ook niet dwingen verzoeker bij te staan.

10. Voor zover verzoeker meent dat zijn voormalig raadsman een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven en Uw Raad verwijt niet te hebben ingegrepen, miskent verzoeker dat eventuele tekortkomingen in de rechtsbijstand in beginsel voor rekening van een verdachte komen.(5) Dat kan slechts anders zijn in bijzondere gevallen. Nu zal verzoeker uiteraard menen dat het hier een bijzonder geval betreft, maar daarin moet ik hem teleurstellen. Het moet gaan om een overduidelijk tekortschieten van de raadsman.(6) Uit de enkele omstandigheid dat verzoeker niet is vrijgesproken - want daar komen zijn bezwaren eigenlijk op neer - kan uiteraard niet worden afgeleid dat de voormalig raadsman zijn plichten heeft verzaakt. Dan zou geen rechter meer in functie kunnen blijven. Van een overduidelijk tekortschieten is in ieder geval geen sprake, evenmin van enige vooringenomenheid van de toevallige leden van Uw Raad die verzoekers zaak behandelen.

11. Ik kom tot de volgende slotsom. Het is duidelijk dat verzoeker het karakter van de wrakingsprocedure miskent. Uit de stukken blijkt dat verzoeker meent dat zijn voormalig raadsman hem niet op juiste wijze heeft bijgestaan. Wat daar ook van zij, dat kan niet het onderwerp van een wrakingsprocedure zijn. Wat staat verzoeker te doen? Verzoeker dient, als hij schriftelijk wil reageren op mijn Conclusie van 4 november 2003, een nieuwe raadsman te zoeken. Mocht hij daarin niet slagen, dan kan hij zich wenden tot de deken van de Orde van Advocaten.(7) Voor zover hij meent dat zijn voormalig raadsman hem niet goed heeft bijgestaan, kan hij daarover bij de deken van de Orde van Advocaten een klacht indienen.(8)

12. Op mijn slotsom dat tekortschietende rechtsbijstand geen onderwerp van de wrakingsprocedure kan zijn past mijns inziens het best de uitspraak: niet-ontvankelijkheid van het wrakingsverzoek. Mocht Uw Raad over dit bezwaar heen stappen en enkel willen oordelen over de gegrondheid van de bewering dat de (toevallige) leden van Uw Raad die verzoekers zaak behandelen subjectief of objectief vooringenomen zijn of daarvan de schijn vertonen, dan dient het verzoek als ongegrond te worden afgewezen.

13. Deze conclusie strekt primair tot niet-ontvankelijkverklaring, subsidiair tot afwijzing van het wrakingsverzoek.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 9 mei 2000, LJN: AA5777. Zie ook Handboek Strafzaken, par. 79.1.4 en Hof Amsterdam 27 januari 1999, NJ 1999, 254.

2 Wet van 1 oktober 1999, Stb. 1999, 467. In civiele zaken is immers ook procesvertegenwoordiging verplicht: zie HR 18 december 1998, NJ 1999, 271.

3 Vgl. Van Strien, in: T&C Sv, 5e, aant. 4 bij art. 512.

4 Vgl. EHRM 26 oktober 1984, NJ 1988, 744, De Cubber; EHRM 24 mei 1989, NJ 1990, 627, Hauschildt; EHRM 24 februari 1993, NJ 1993, 649, Fey.

5 HR 26 mei 1998, NJ 1998, 677.

6 Zie Spronken, Verdediging, diss. Maastricht 2001, p. 447-449 en 463-469.

7 Art. 13 Advocatenwet.

8 Art. 46c Advocatenwet.