Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2004:AO5693

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
04-05-2004
Datum publicatie
04-05-2004
Zaaknummer
01845/03
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2004:AO5693
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Uitleg van het begrip “de zaak” in art. 268 Sv. Onder “de zaak” in art. 268 Sv moet worden verstaan de strafzaak tegen de verdachte, waarin de R-C in het kader van de toetsing van verdachtes inverzekeringstelling, naar aanleiding van een tegen de verdachte ingestelde vordering bewaring of in het kader van een tegen hem ingesteld GVO enig onderzoek heeft verricht. Art. 268 Sv staat dus uitsluitend eraan in de weg dat een rechter aan het onderzoek ter terechtzitting in de zaak tegen de verdachte deelneemt indien hij voordien als R-C in diens zaak enig onderzoek heeft verricht en niet reeds indien deze als R-C – zoals in casu – zonder in de zaak tegen de verdachte te zijn opgetreden, onderzoek heeft verricht in een zaak tegen een andere verdachte welke in enigerlei verband staat met die tegen de verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2004, 203
JOL 2004, 239
NJ 2005, 242

Conclusie

Nr. 01845/03

Mr. Jörg

Zitting 9 maart 2004

Conclusie inzake:

[verzoeker=verdachte]

1. Verzoeker is door het gerechtshof te Arnhem bij arrest van 3 april 2003 wegens het medeplegen van opzettelijk een in art. 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod overtreden, veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

2. Namens verzoeker heeft mr. C.G.Th. Ouwerkerk, advocaat te Tiel, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt - kort gezegd - dat art. 268 Sv is geschonden, doordat mr. J.A.W. Lensing als voorzitter heeft deelgenomen aan het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep naar aanleiding waarvan het arrest is gewezen, terwijl hij als rechter-commissaris in het gerechtelijk vooronderzoek is opgetreden en in die hoedanigheid aanwezig is geweest bij de huiszoeking bij verzoeker.

4. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 20 maart 2003 houdt in dat mr. Lensing als voorzitter heeft deelgenomen aan het onderzoek ter terechtzitting naar aanleiding waarvan het bestreden arrest van 3 april 2003 is gewezen.

5. De aan de Hoge Raad gezonden stukken houden onder meer in:

(i) dat mr. Lensing is opgetreden als rechter-commissaris in de gerechtelijke vooronderzoeken tegen [A] Inc, [betrokkene 1] en [betrokkene 2];

(ii) dat in het kader van die gerechtelijke vooronderzoeken de verdenking tegen verzoeker is ontstaan en het aan de veroordeling ten grondslag liggende bewijsmateriaal is verzameld;

(iii) dat mr. Lensing in het kader van voormelde gerechtelijke vooronderzoeken als rechter-commissaris aanwezig is geweest bij de huiszoeking die in verband met de aan verzoeker tenlastegelegde - en bewezenverklaarde - gedraging heeft plaatsgevonden in de loods van verzoeker aan de [a-straat 1] te [plaats].

6. Art. 268, tweede lid (oud), Sv, welke bepaling ingevolge art. 415 Sv in hoger beroep van overeenkomstige toepassing is, verbiedt de rechter deel te nemen aan het onderzoek ter terechtzitting indien hij als rechter-commissaris in de zaak enig onderzoek heeft verricht.

7. Volgens vaste jurisprudentie van Uw Raad wordt in art. 268, tweede lid (oud), Sv geen onderscheid gemaakt naar gelang de aard en de omvang van de onderzoekswerkzaamheden die de desbetreffende rechter als rechter-commissaris heeft verricht (zie bijv. HR 23 september 1997, NJ 1998, 188; HR 13 januari 1998, NJ 1998, 390 en HR 11 januari 2000, NJ 2000, 196).

8. Gelet hierop moet het er in cassatie voor worden gehouden dat mr. Lensing als rechter-commissaris in deze zaak enig onderzoek heeft verricht in de zin van art. 268, tweede lid (oud), Sv en dat hij in strijd met deze bepaling heeft deelgenomen aan het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep. Zulks heeft de nietigheid van dit onderzoek tot gevolg (vgl. HR 27 januari 2004, 00823/03).

9. Het middel slaagt. Daaraan staat de omstandigheid dat de verzoeker noch zijn raadsman ter terechtzitting van het hof erover heeft geklaagd dat mr. Lensing deelnam aan dat onderzoek, niet in de weg (vgl. HR 27 januari 2004, 00823/03).

10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot verwijzing van de zaak naar het gerechtshof te 's-Hertogenbosch, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG