Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2004:AO5030

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-05-2004
Datum publicatie
05-01-2006
Zaaknummer
01721/03
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2004:AO5030
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaard “doen opnemen” levert i.c. geen doen plegen op. Gelet op de door het hof aan het bewezenverklaarde gegeven kwalificatie (valsheid in geschrift) heeft het hof de op de grondslag van de tenlastelegging bewezenverklaarde woorden “doen opnemen” kennelijk en niet onbegrijpelijk aldus verstaan dat daarmee slechts een feitelijke beschrijving wordt gegeven van de wijze waarop verdachte de desbetreffende valsheid in geschrift heeft gepleegd (HR DD 98.329).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 01721/03

Mr Machielse

Zitting 2 maart 2004

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft de verdachte bij arrest van 4 maart 2003 ter zake van 1. medeplegen van het opzettelijk vervalsen van een waardekaart, meermalen gepleegd, en 5. valsheid in geschrift veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf, waarvan zes voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Verder heeft het hof ten aanzien van de onder verdachte in beslag genomen voorwerpen beslist als in het arrest vermeld.

2. Namens verdachte heeft mr C. Waling, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur en een aanvulling daarop drie middelen van cassatie voorgesteld. Deze zaak hangt samen met de zaak [medeverdachte], nr. 01722/03, waarin ik vandaag ook concludeer.

3.1 Het eerste middel betreft de bewezenverklaring van feit 5. Deze houdt in dat verdachte:

"op 14 mei 1996 te Rijsbergen een aanvraag om een vergunning tot verblijf - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte in strijd met de waarheid in die aanvraag doen opnemen dat hij, verdachte, de Iraakse nationaliteit bezat, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken."

3.2 Het middel berust op de opvatting dat het gebruik in de tenlastelegging en de bewezenverklaring van de woorden "doen opnemen" erop duidt dat verdachte de valsheid in geschrift heeft doen plegen. Volgens het middel betekent dit dat de bewezenverklaring onvoldoende is gemotiveerd, nu uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat de fysieke dader van dit feit niet strafrechtelijk aansprakelijk is.

3.3 Het hof heeft bewezenverklaard dat verdachte de aanvraag valselijk heeft opgemaakt door daarin te doen opnemen dat hij de Iraakse nationaliteit had. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat op dit formulier inderdaad is vermeld dat verdachte die nationaliteit had, dat dit niet het geval was en dat verdachte de aanvraag met daarin de onjuiste informatie heeft ondertekend. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat de bewezenverklaring van feit 5 het delict valsheid in geschrift oplevert.

3.4 Gelet op de bewezenverklaring en de daaraan door het hof gegeven kwalificatie heeft het hof de woorden "doen opnemen" in de tenlastelegging kennelijk en niet onbegrijpelijk in die zin verstaan dat daarmee slechts een feitelijke beschrijving wordt gegeven van de - hiervoor onder 3.4 uiteengezette - wijze waarop de valsheid in geschrift door de verdachte is gepleegd.(1) Het middel berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest op dit punt, zodat het faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.

5.1 Het tweede middel klaagt erover dat de bewezenverklaring van feit 5 onvoldoende is gemotiveerd, omdat uit de bewijsmiddelen niet valt af te leiden dat verdachte het bewezenverklaarde opzettelijk heeft gepleegd.

5.2 Het hof heeft op grond van de bewijsmiddelen 5 tot en met 8 bewezen geoordeeld dat verdachte niet de Iraakse nationaliteit heeft, dat op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning die nationaliteit wel stond vermeld en dat verdachte die aanvraag heeft ondertekend. Deze oordelen zijn in cassatie niet bestreden. Voorts heeft het hof de verklaring van verdachte over het verkrijgen van de Iraakse nationaliteit volstrekt ongeloofwaardig geacht. Hieruit heeft het hof in onderling verband en samenhang zonder meer kunnen afleiden dat verdachtes opzet erop gericht was de aanvraag valselijk op te maken. Tot een nadere motivering van de bewezenverklaring was het hof niet gehouden. Zijn oordeel op dit punt is evenmin onbegrijpelijk. Het middel faalt.

6.1 Het derde middel bevat allereerst de klacht dat het hof niet heeft gerespondeerd op een in hoger beroep gevoerd verweer. Dit verweer kwam erop neer dat verdachte de Nederlandse taal onvoldoende beheerst en dat hij de tolk die aanwezig was bij de politieverhoren niet goed begrepen had en dat daardoor de door hem tegenover de politie afgelegde verklaringen niet betrouwbaar zijn. Volgens het middel had het hof niet zonder op dit verweer in te gaan de desbetreffende verklaringen voor het bewijs mogen gebruiken.

6.2 De klacht dat het hof geen geloof had moeten hechten aan de voor de politie afgelegde bekennende verklaringen en wel aan de (grotendeels) ontkennende verklaring afgelegd ter zitting in hoger beroep miskent dat het is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt om van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat hem uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Van zijn oordeel over de keuze en de betrouwbaarheid van het gebezigde bewijsmateriaal hoeft hij geen nadere rekenschap af te leggen.(2) Een uitzondering op deze regel doet zich in dit geval niet voor.

6.3 Het hof heeft verder klaarblijkelijk het verweer dat verdachte de politietolk niet goed heeft begrepen en dat door dat onbegrip zijn bekennende verklaring in het proces-verbaal is opgenomen als ongeloofwaardig naast zich neergelegd. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk, zeker niet nu uit de processen-verbaal van verhoor blijkt dat daarbij een tolk aanwezig was en de verdachte bij zijn eigen verklaringen - na deze kennelijk met behulp van de tolk te hebben doorgelezen - heeft volhard en deze heeft ondertekend. Tot een nadere motivering van dit oordeel was het hof niet gehouden.

6.4 Het middel klaagt er verder over dat het hof niet heeft gerespondeerd op het verweer dat verdachte door een pseudo-koop tot het plegen van het delict zou zijn gekomen, terwijl zijn opzet daar eerder niet op was gericht. Dit verweer had kennelijk betrekking op de door het hof als bewijsmiddel 3 voor het bewijs gebruikte verklaring van een als A 550 aangeduide politie-infiltrant.

6.5 Uit de door het hof voor het bewijs gebruikte verklaringen van verdachte (bewijsmiddelen 1 en 2) blijkt dat verdachte zich al lang voordat de politie-infiltrant bij hem thuis kwam intensief bezig hield met het illegaal opwaarderen en verkopen van telefoonkaarten. Het in het middel bedoelde verweer vindt dus zijn weerlegging in de bewijsmiddelen. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden.

6.6 De laatste klacht voert aan dat verdachte heeft verklaard dat hij de telefoonkaarten wel kocht en verkocht, maar dat hij ze niet zelf opwaardeerde. Deze verklaring zou niet in strijd zijn met de bewijsmiddelen maar wel met de bewezenverklaring, zodat het hof de juistheid daarvan niet in het midden had mogen laten.

6.7 Ook deze klacht faalt, nu uit de bewijsmiddelen 1, 2 en 3 expliciet blijkt dat verdachte de telefoonkaarten juist wel zelf opwaardeerde.(3)

7. De middelen zijn tevergeefs voorgesteld en kunnen, met uitzondering van het eerste middel, met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 HR 16 juni 1998, DD 98.329, en HR 4 februari 1992, DD 92.207.

2 Vaste rechtspraak: HR NJ 1989,747; HR NJ 2002,329; HR NJ 1997, 388 m.nt. JR; HR NJ 1998,171; HR NJ 1998, 318 m.nt. Sch.; HR NJ 2002, 329. Zie Corstens, 4e druk, p. 666.

3 Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verdachte blijkens bewijsmiddel 1 in de aanvulling op het verkort vonnis van de rechtbank ook verklaard dat hij zelf telefoonkaarten heeft opgewaardeerd.