Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2004:AO4600

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
28-05-2004
Datum publicatie
28-05-2004
Zaaknummer
C03/055HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2004:AO4600
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

28 mei 2004 Eerste Kamer Nr. C03/055HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr. P. Garretsen, t e g e n ALLIED SIGNAL CARPET FIBERS B.V., gevestigd te Arnhem, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. R.A.A. Duk. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 283
JWB 2004/192

Conclusie

C03/055 HR

Mr. D.W.F. Verkade

Zitting 20 februari 2004

Conclusie inzake:

[eiser]

tegen

Allied Signal Carpet Fibers BV

(hierna: Allied)

1. Inleiding

1.1. Partijen strijden over de vraag of een werknemer die ten tijde van het dienstverband arbeidsongeschikt is geraakt, maar wiens WAO-uitkering eerst na afloop van het dienstverband is ingegaan, op grond van het tussen partijen geldende WAO-aanvullingreglement recht heeft op aanvulling door de voormalige werkgever van de WAO(-vervolg-)uitkering.

1.2. Of de door de rechtbank bij de beoordeling van het reglement toegepaste 'objectieve' maatstaf in dit geval de juiste is, kan m.i. in deze zaak in het midden blijven. Ook bij toepassing van die maatstaf (en dus: zonder toepassing van de zgn. 'Haviltex'-maatstaf) is de motiveringsklacht tegen het afwijzend oordeel van rechtbank m.i. gegrond.

2. Feiten en procesverloop(1)

2.1. [Eiser] (geboren op [geboortedatum] 1951) is in 1978 als productiemedewerker in dienst getreden van de rechtsvoorgangster van Allied. In 1994 was hij in dienst van Allied.

2.2. In de loop van 1994 is tussen partijen een conflictsituatie ontstaan die ertoe geleid heeft dat eiser op 20 mei 1994 op staande voet is ontslagen. Allied heeft onder dagtekening van 24 juni 1994 bij het kantongerecht te Emmen een verzoek ingediend tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Nadat dit verzoek op 28 juni 1994 behandeld was heeft [eisers] gemachtigde bericht dat partijen op 28 juni 1994 zijn overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 juli 1994 kan worden ontbonden onder toekenning van een vergoeding aan [eiser].

2.3. Bij beschikking van 29 juni 1994 is de arbeidsovereenkomst ontbonden onder toekenning van een vergoeding aan [eiser] ten laste van Allied van f 65.470,40.

2.4. [Eiser] heeft zich op 29 juni 1994 ziek gemeld. Vanaf die datum tot 28 juni 1995 heeft hij een Ziektewetuitkering ontvangen. Nadien heeft hij een loondervinguitkering in de zin van de WAO ontvangen. Vanaf 28 december 1996 heeft [eiser] nog slechts recht op een vervolguitkering in de zin van de WAO.

2.5. Allied heeft in de loop van het dienstverband een WAO-aanvullingreglement vastgesteld, in werking getreden op 1 april 1994, en onder meer inhoudende:(2)

Artikel 1.

In dit reglement wordt verstaan onder deelnemer: de werknemer die overeenkomstig de bepalingen van dit reglement opgenomen is in de onderhavige regeling.

Artikel 3.

Als deelnemer aan deze regeling wordt opgenomen elke werknemer die

- de leeftijd van 58 jaar nog niet heeft bereikt en

- wiens jaarsalaris uitgaat boven het minimumloon.

Artikel 5.

1. De grootte van de W.A.O.-aanvulling van een deelnemer wordt vastgesteld op de datum, waarop de deelnemer recht krijgt op een (loondervings- of vervolg) uitkering krachtens de W.A.O.

De W.A.O.-aanvulling is gelijk aan het verschil tussen de conform de bepalingen van de W.A.O. berekende loondervingsuitkering en vervolguitkering, uitgaande van het voor de deelnemer geldende jaarsalaris en het arbeidsongeschiktheidspercentage, waarop de W.A.O.-uitkering is gebaseerd.

2. De conform het vorige lid vastgestelde W.A.O.-aanvulling wordt vervolgens per 1 januari van elk jaar aangepast overeenkomstig artikel 16 van het pensioenreglement.

3. Indien en zodra het arbeidsongeschiktheidspercentage, waarop de (loondervings- of vervolg) uitkering krachtens de W.A.O. is gebaseerd, een wijziging ondergaat, wordt de W.A.O.-aanvulling dienovereenkomstig aangepast.

Artikel 6.

1. De W.A.O.-aanvulling wordt per maand bij achterafbetaling uitgekeerd vanaf de datum, waarop de deelnemer recht krijgt op een vervolguitkering krachtens de W.A.O.

2. De W.A.O.-aanvulling wordt uitgekeerd, indien en zolang betrokkene recht op de in lid 1 bedoelde uitkering heeft, doch uiterlijk tot de pensioendatum of tot de eerdere overlijdensdatum van de deelnemer.

2.6. Bij inleidende dagvaarding van 11 januari 2001 heeft [eiser], bij het kantongerecht te Emmen, gevorderd dat Allied zou worden veroordeeld tot betaling van f 63.532,66, welk bedrag Allied volgens [eiser] op grond van het WAO-aanvullingreglement jegens hem verschuldigd is. Allied voerde gemotiveerd verweer.

2.7. Bij vonnis van 6 juni 2001 wees de kantonrechter de vordering af, daarbij, voorzover in cassatie van belang, overwegend:

'4.1. Het arrest HR 17 september 1993 (Gerritse/Has) is gepubliceerd als NJ 1994, 173. Als NJ 1994, 174 is gepubliceerd HR 24 september 1993 (Hol en FNV/EIM). Kennelijk beroept eiser zich op het eerstgenoemde arrest ofschoon het tweede voor deze zaak eveneens van belang is. Dit zal hierna aan de orde komen.

4.2. Partijen zijn het erover eens dat bij de uitleg van het WAO-aanvullingsreglement de maatstaf gehanteerd moet worden die de Hoge Raad heeft aangelegd in de door eiser bedoelde arresten. Deze maatstaf is eveneens gehanteerd in HR 24 september 1993, NJ 1994, 174. Die maatstaf is, naar gedaagde terecht heeft opgemerkt, dat het bij het bepalen van de inhoud en de strekking van het WAO-aanvullingsreglement gaat om de bewoordingen daarvan, gelezen in het licht van de gehele tekst.

4.3. In zijn arrest van 24 september 1993, NJ 1994, 174 heeft de Hoge Raad, ten aanzien van een met het WAO-aanvullingsreglement vergelijkbare regeling neergelegd in een CAO, geoordeeld dat faalt hetgeen is aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank, die het begrip "werknemer" had verstaan in de zin die gedaagde in deze zaak met betrekking tot het begrip "deelnemer" voorstaat.

4.4. Eiser bepleit thans een andere uitleg van het begrip "werknemer/deelnemer" dan de Hoge Raad bij dit arrest aanvaard heeft. Hij wenst een ruime grammaticale uitleg doch hij bepleit die goeddeels met argumenten die tot een teleologische uitleg leiden. Deze argumenten kunnen niet dienen bij een grammaticale uitleg van het WAO-aanvullingsreglement. Het feit dat dit reglement geen onderscheid maakt tussen werknemers en gewezen werknemers - het begrip gewezen werknemers niet kent - ondersteunt het oordeel van gedaagde dat het reglement op gewezen werknemers niet van toepassing is.

4.5. De conclusie is dat de door gedaagde gegeven interpretatie van het begrip 'werknemer/deelnemer' in het WAO-reglement - waaruit volgt dat daaronder gewezen werknemers niet begrepen zijn - juist is. Daaruit volgt dat eiser diens vordering moet worden ontzegd.

4.6. Ten overvloede wordt opgemerkt dat de uitleg die eiser aan het begrip "werknemer/deelnemer" in het WAO-reglement wenst te geven intrigerende vragen oproept zoals of als werknemer in de zin van dat reglement zijn aan te merken:

- gewezen werknemers wier dienstverband met gedaagde geëindigd is na het invoeren van het WAO-aanvullingsreglement, die vervolgens bij een andere werkgever in dienst getreden zijn terwijl van de nieuwe arbeidsvoorwaarden geen regeling als die van het WAO-aanvullingsreglement deel uitmaakt.

4.7. Eveneens ten overvloede wordt overwogen:

- vooreerst dat een werknemer met wie het dienstverband na een ziekteperiode van meer dan twee jaren wordt beëindigd, met als gevolg het vervallen van zijn aanspraken krachtens het WAO-aanvullingsreglement, kan trachten die aanspraken met een beroep op kennelijke onredelijk ontslag te doen honoreren;

- vervolgens dat - naar gedaagde terecht gesteld heeft - moet worden aangenomen dat in de vergoeding die eiser (destijds bijgestaan door een rechtsgeleerd raadsman) in verband met de ontbinding van de arbeidsovereenkomst met gedaagde overeengekomen is alle relevante factoren - zoals het verlies van eisers aanspraken op grond van het WAO-aanvullingsreglement - verdisconteerd waren.'

2.8. Van dit vonnis is [eiser] hoger beroep gegaan bij de rechtbank te Assen. Bij memorie van grieven vermeerderde hij zijn eis aldus, dat zijn vordering op grond van het WAO-aanvullingreglement zich ook over de periode vanaf 1 december 2000 uitstrekt.

2.9. Bij vonnis van 20 augustus 2002 heeft de rechtbank het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd. De rechtbank overwoog hiertoe:

'5.1. De eerste en derde grief richten zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat [eiser] als gewezen werknemer, geen deelnemer is in de zin van het WAO-aanvullingreglement van Allied en dat de gevorderde WAO-aanvulling hem daarom moet worden ontzegd. Deze grief faalt.

5.2. De rechtbank overweegt dat de kantonrechter terecht heeft geoordeeld dat het bij het bepalen van de inhoud en strekking van genoemd reglement gaat om de bewoordingen daarvan, gelezen in het licht van de gehele tekst. Uit die tekst volgt, anders dan [eiser] ingang wil doen vinden, geenszins dat onder deelnemer logischerwijs ook moet worden begrepen, degene waarmee op de datum waarop recht ontstaat op een uitkering krachtens de WAO, zijnde het toetsingsmoment, geen arbeidsovereenkomst meer bestaat. Dat [eiser] ziek is geworden op een moment dat hij - formeel - nog wel werknemer van Allied was, doet hieraan niet af.

5.3. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] de kantonrechter ten onrechte een motiveringsgebrek verwijt; de onder r.o. 4 van het vonnis in eerste aanleg opgenomen rechtsoverwegingen verschaffen voldoende inzicht in diens gedachtengang. Zij overweegt voorts dat uit de ten overvloede opgenomen rechtsoverwegingen 4.6 en 4.7 duidelijk blijkt waarom de kantonrechter hier ook overigens geen aanleiding ziet voor een ruime grammaticale interpretatie van het begrip werknemer op grond van teleologische argumenten, zoals [eiser] die voorstaat. De rechtbank onderschrijft de zienswijze van de kantonrechter.

5.4. Gelet op het vorenstaande kunnen de overige grieven van [eiser] verder onbesproken blijven. De rechtbank zal het vonnis van de kantonrechter waarvan beroep bekrachtigen en [eiser] als in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van dit hoger beroep.'

2.10. Tegen dit vonnis heeft [eiser] tijdig beroep in cassatie ingesteld.(3) Allied concludeerde tot verwerping van het beroep. Beide partijen hebben hun onderscheiden standpunten schriftelijk doen toelichten. [Eiser] heeft gerepliceerd en Allied heeft gedupliceerd.

3. Inleidende opmerkingen

3.1. Het middel, dat geheel op de uitleg van het onderhavige WAO-aanvullingreglement ziet, moet worden beoordeeld tegen de volgende achtergronden.

Status reglement

3.2. Bij het onderhavige WAO-aanvullingreglement van Allied van 1994 gaat het om een reglement als bedoeld in art. 7:613 (oud) BW.(4) Sinds 1998 bevat het Burgerlijk Wetboek niet langer een regeling voor het reglement (welke regeling volgens de toenmalige regering in de praktijk nog nauwelijks betekenis had(5)).

Een reglement als het onderhavige Allied-reglement van 1994 onderscheidt zich van een CAO, doordat de vakbonden niet bij de totstandkoming ervan betrokken zijn.(6)

Ingevolge art. VIII van de wet van 14 februari 1998, Stb. 1998, 107 zijn arbeidsreglementen in de zin van artt. 7:613-613c (oud) van rechtswege geïncorporeerd in de arbeidsovereenkomst.

3.3. Zowel partijen als de kantonrechter en de rechtbank zijn ervan uitgegaan dat het onderhavige reglement moet worden uitgelegd overeenkomstig de maatstaven voor de uitleg van CAO's. Op de vraag of zulks een juist uitgangspunt is, of niet, of dat die vraag in het midden kan blijven, kom ik hieronder nog terug.

Jurisprudentie Hoge Raad met betrekking tot uitleg van CAO's

3.4. Volgens rechtspraak van de Hoge Raad, ingezet met de arresten van 17 september 1993, NJ 1994, 173 (Gerritse/HAS) en 24 september 1993 (Hol en FNV/EIM), NJ 1994, 174, gelden voor de uitleg van CAO's andere maatstaven dan voor de uitleg van 'gewone' overeenkomsten. Volgens de Hoge Raad geldt, als verwoord in een arrest van 31 mei 2002, voor de uitleg van de bepalingen van een CAO:

'dat (...) in beginsel de bewoordingen daarvan en eventueel van de daarbij behorende schriftelijke toelichting, gelezen in het licht van de gehele tekst van die overeenkomst, van doorslaggevende betekenis zijn (vgl. HR 17 september 1993, nr. 15 064, NJ 1994, 173). Daarbij komt het niet aan op de bedoelingen van de partijen bij de CAO, voor zover deze niet uit de CAO-bepalingen en de toelichting kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de CAO en de toelichting zijn gesteld. Bij deze uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders in de CAO gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden.'(7)

3.5. Deze uitlegmethode pleegt in de literatuur aangeduid te worden als de 'objectieve methode', of met sterk gelijkende aanduidingen als 'objectief-tekstueel'. Men zou ook kunnen spreken van een 'objectieve aannemelijkheidsmaatstaf', een aanduiding die ik hierna ook wel zal gebruiken.

De maatstaf is door de Hoge Raad niet alleen aanvaard voor CAO's, maar ook ten aanzien van een sociaal plan(8), een perceelsomschrijving in een notariële leveringsakte(9) en een beding in een trustakte voor een obligatielening(10).

Deze maatstaf is niét aanvaard ten aanzien van de uitleg van algemene voorwaarden(11), van de aan de verpanding van auteursrecht op software ten grondslag liggende titel(12) of van een overeenkomst van achterstelling(13): daar kan dus nog met alle 'Haviltex'-omstandigheden rekening worden gehouden.

Du Perron (noot onder HR 20 september 2002, NJ 2002, 610 (ING/Muller)) en A-G Spier (conclusie (onder 3.20.3) voor HR 16 mei 2003, NJ 2003, 470 (London/ Noordhollandsche)) achten voor de toepasselijkheid van de 'objectieve methode' beslissend of sprake is van een overeenkomst die naar haar aard bestemd is om ook een groot aantal anderen ('toetredingspartijen') dan de oorspronkelijke 'ontstaanspartijen' op uniforme wijze te verbinden.

Voor ontvangst getekend arbeidsreglement

3.6. De Hoge Raad heeft zich in 2002 uitgesproken over de uitleg van een door de werkgever opgesteld, en door de werknemer voor ontvangst getekend (arbeids)reglement. In HR 18 oktober 2002, NJ 2003, 258 m.nt. MMM (Pieterse/Nationale Nederlanden) oordeelde de Hoge Raad dat een pensioenreglement en een op grond daarvan gesloten collectieve verzekering ter aanvulling van het 'WAO-gat' voor naar het buitenland uitgezonden werknemers, aan de hand van de Haviltex-maatstaf moest worden uitgelegd. Het ging in die zaak om een uitgezonden werknemer, die tijdens zijn verblijf in het buitenland als gevolg van een ongeluk arbeidsongeschikt werd. De dienstbetrekking tussen partijen werd gedurende de wachttijd van 52 weken (art. 19 lid 1 WAO) beëindigd. Het hof had het betreffende pensioenreglement aldus uitgelegd, dat geen aanspraak op een uitkering (aanvulling) krachtens de op grond van het reglement gesloten verzekering kon ontstaan op een moment gelegen na beëindiging van het deelnemerschap van de betrokkene aan het reglement. De Hoge Raad vernietigde 's hofs arrest, o.m. overwegende:

'3.4. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Het gaat hier om de uitleg van bepalingen van het pensioenreglement van Haskoning en van bepalingen van de in de onderhavige collectieve verzekeringsovereenkomst opgenomen verzekeringsvoorwaarden. Ten aanzien van het pensioenreglement moet in cassatie veronderstellenderwijs ervan worden uitgegaan dat Pieterse de aan het slot van dat reglement opgenomen ontvangstverklaring heeft ondertekend, welke verklaring inhoudt dat de ontvanger verklaart het pensioenreglement te hebben ontvangen en van de inhoud daarvan te hebben kennisgenomen, daarmede akkoord te gaan en zich aan de daarin opgenomen bepalingen te onderwerpen. Ook bij de uitleg van de toepasselijke verzekeringsvoorwaarden en het pensioenreglement moet uitgangspunt zijn dat het aankomt op de zin die partijen bij de verzekeringsovereenkomst - Haskoning als verzekeringnemer en Nationale-Nederlanden als verzekeraar - en voor zover het het pensioenreglement betreft enerzijds Haskoning als werkgever en anderzijds de uitgezonden werknemers zoals Pieterse, in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze voorwaarden onderscheidenlijk dit reglement mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Voorts moeten bij die uitleg de aard en strekking van de onderhavige verzekering in aanmerking genomen worden (vgl. HR 11 november 1988, 13 362, NJ 1990, 440). In dat verband is van belang dat het Hof - in cassatie onbestreden - heeft geoordeeld dat het hier gaat om een door Haskoning ter nakoming van haar in het pensioenreglement neergelegde toezegging gesloten verzekering en dat het Hof in rov. 13 is uitgegaan van de door Pieterse te berde gebrachte omstandigheid dat de strekking van de toezegging en van de ter uitvoering daarvan gesloten verzekering is geweest het ondervangen van de gevolgen van het niet-verzekerd zijn voor de WAO van de uitgezonden werknemers. Ten slotte is van belang dat ten aanzien van de onderhavige verzekering - waarop nog niet van toepassing is hetgeen is bepaald in art. 5 in verbinding met art. 3 van de EG-richtlijn 93/13 van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (Pb EG 21 april 1993, L 95) en hetgeen ter uitvoering van die richtlijn is bepaald in art. 6:238 lid 2 BW - als algemeen gezichtspunt heeft te gelden dat bij de beoordeling door de feitenrechter van de uit te leggen overeenkomst naar gelang van de omstandigheden mag meewegen dat een eenzijdig door de verzekeraar opgestelde polisvoorwaarde in geval van twijfel over de uitleg ervan in het nadeel van de verzekeraar en ten gunste van de verzekerde moet worden uitgelegd (vgl. HR 24 september 1993, nr. 14 949, NJ 1993, 760). In een geval als dit, waar de verzekeraar de verzekeringsovereenkomst gesloten heeft met een werkgever ten behoeve van diens werknemers, die niet bij de totstandkoming van de verzekeringsovereenkomst betrokken zijn geweest, geldt dit algemene gezichtspunt evenzeer. Het moet bovendien in aanmerking worden genomen bij de uitleg van het pensioenreglement ter uitvoering waarvan de verzekeringsovereenkomst is gesloten, voor zover dat reglement bij de uitleg van die overeenkomst een rol speelt.

3.5 De tekst van (art. 19 van) de WAO geeft geen uitsluitsel ten aanzien van de vraag op welk moment de aanspraak ontstaat op een WAO-uitkering en van welke voorwaarden het ontstaan van deze aanspraak afhankelijk is. Naar blijkt uit de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.14 aangehaalde wetsgeschiedenis staat evenwel vast dat degene die aanspraak maakt op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering (slechts) aan drie eisen behoeft te voldoen: 1) verzekerd zijn bij de aanvang van de arbeidsongeschiktheid, 2) vervolgens onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt blijven en 3) nog arbeidsongeschikt zijn na afloop van de periode van 52 weken. In cassatie moet ervan uitgegaan worden dat Pieterse aan deze drie eisen voldeed. Zou hij niet zijn uitgezonden, dan zou hij derhalve recht gekregen hebben op een WAO-uitkering.

3.6 In het licht van het in 3.5 overwogene en in aanmerking genomen dat de strekking van de onderhavige verzekering is geweest het ondervangen van de gevolgen van het niet-verzekerd zijn voor de WAO van de uitgezonden werknemers en dat 's Hofs uitsluitend op de bewoordingen van het pensioenreglement en de verzekeringsvoorwaarden gebaseerde oordeel dat noch het pensioenreglement, noch de verzekering met polisnr. [001] voorziet in een aanspraak voor Pieterse op een arbeidsongeschiktheidsuitkering voor een minder dan 52 weken vóór 1 november 1992 ontstane arbeidsongeschiktheid, ertoe leidt dat in het onderhavige geval voormelde gevolgen niet worden ondervangen, behoefde 's Hofs oordeel dat de strekking van de onderhavige verzekering niet kan afdoen aan zijn evenvermelde oordeel, gelet op hetgeen in 3.4 is overwogen, nadere motivering, die evenwel ontbreekt. In het middel liggen op het voorgaande gerichte klachten besloten. In zoverre treft het middel derhalve doel, terwijl het voor het overige geen bespreking behoeft.'

3.7. Commentatoren gaan ervan uit dat voor de keuze van uw Raad om in even genoemd arrest (Pieterse/NN) de zgn. Haviltex-maatstaf van toepassing te doen zijn op de uitleg van zowel de collectieve verzekeringsovereenkomst als van het pensioenreglement, de volgende overweging doorslaggevend is geweest:

'Ten aanzien van het pensioenreglement moet in cassatie veronderstellenderwijs ervan worden uitgegaan dat Pieterse de aan het slot van dat reglement opgenomen ontvangstverklaring heeft ondertekend, welke verklaring inhoudt dat de ontvanger verklaart het pensioenreglement te hebben ontvangen en van de inhoud daarvan te hebben kennisgenomen, daarmede akkoord te gaan en zich aan de daarin opgenomen bepalingen te onderwerpen.'

In die zin de verklaring van Mendel in zijn noot onder het arrest. Sagel is dezelfde mening toegedaan. Sagel toont zich in zoverre minder gelukkig met het arrest, nu volgens hem materieel sprake is van een eenzijdig vastgestelde gestandaardiseerde collectieve regeling, waarop de werknemer geen invloed heeft gehad, waarover niet is onderhandeld en bij de totstandkoming waarvan de werknemer niet betrokken is geweest.(14) Sagel relativeert een en ander vervolgens, waar hij stelt dat in gevallen waarin geen overleg heeft plaatsgevonden, ook bij toepasselijkheid van het Haviltexcriterium geen rekening zal kunnen worden gehouden met subjectieve bedoelingen en verwachtingen van de werkgever, omdat deze immers niet zijn geopenbaard en er aldus bij de werknemer ook geen verwachtingen zijn gewekt. Omwille van een uniforme uitleg (voor enerzijds de werknemers ten aanzien van wie door de werkgever wel en anderzijds hen ten aanzien van wie geen verwachtingen zijn gewekt) pleit hij niettemin ook voor eenzijdig opgestelde arbeidsregelingen voor de objectief-tekstuele uitleg.(15)

3.8. Du Perron plaatst in zijn noot onder HR 18 oktober 2002, NJ 2003, 503 (mr. Buter c.s./Besix) bij het arrest Pieterse/NN de volgende relativerende kanttekening:

'Het is opmerkelijk dat Bakels in zijn conclusie in de reeds genoemde verzekeringszaak (NJ 2003, 258) op grond van de objectieve uitlegmethode tot hetzelfde materiële resultaat komt als de Hoge Raad, die de Haviltex-maatstaf tot uitgangspunt neemt. Uiteindelijk bepaalt kennelijk niet de keuze van de methode of maatstaf, maar die van de relevante omstandigheden het uitlegresultaat. Dit wijst erop dat er in wezen slechts één uitlegmethode is, waarin omstandigheden als de aard en de strekking van de overeenkomst en de context waarin de overeenkomst een plaats heeft zowel de keuze voor de uitlegmaatstaf als de uitleg zelf bepalen. Er is daardoor meer tussen zuivere Haviltex en objectieve uitleg dan denkers in afgebakende categorieën voor mogelijk houden.'

Beoordelingsmaatstaf in casu

3.9. Wat de onderhavige zaak betreft, is Allied van mening dat op het reglement de objectieve uitlegmethode toepasselijk is, omdat het een reglement betreft dat naar zijn aard bestemd is om een groot aantal toetredingspartijen op uniforme wijze te verbinden. Volgens haar onderscheidt de onderhavige zaak zich van de Pieterse/NN-casus, doordat het personeel van Allied in 1998, toen reglementen als deze van rechtswege in de arbeidsovereenkomst zijn geïncorporeerd(16) niet voor de ontvangst van het reglement zal hebben getekend en niet zal hebben verklaard van de inhoud ervan te hebben kennisgenomen.(17)

3.10. Of (tegen de achtergrond van het arrest Pieterse/NN) voor de uitleg van het onderhavige Allied-reglement de Haviltex-maatstaf, of de objectieve aannemelijkheidsmaatstaf heeft te gelden, kan m.i., zoals hierna te motiveren, in de onderhavige zaak in het midden blijven, gezien de aard van de omstandigheden waarop door [eiser] een beroep is gedaan. Die omstandigheden kunnen namelijk bij beide uitlegmaatstaven een rol spelen.

Daarmee is de kernvraag in dit geval dus niet de relevante maatstaf, maar de vraag of de rechtbank (in navolging van de kantonrechter) de relevante omstandigheden (voldoende gemotiveerd) in haar uitleg heeft betrokken.

4. Bespreking van het cassatiemiddel

4.1. Het middel bestaat uit vijf onderdelen, die zich in vérgaande mate voor gezamenlijke behandeling lenen. Onderdeel 2 (onderdeel 1 bevat slechts een inleiding) klaagt dat de rechtbank bij de door haar gegeven uitleg van het reglement ten onrechte slechts heeft gekeken naar de bewoordingen van het reglement, gelezen in het licht van de gehele tekst. Volgens het onderdeel heeft de rechtbank miskend dat daarbij tevens de achterliggende bedoelingen van belang zijn, al dan niet blijkend uit de schriftelijke toelichting. Daardoor heeft de rechtbank voorbijgezien aan de bedoelingen van partijen, dat het reglement een regeling vormt voor hen die aanspraak krijgen op een WAO-uitkering, aldus het onderdeel. Onderdeel 3 komt erop neer dat de rechtbank heeft miskend dat, gelet op het in onderdeel 2 gestelde, niet de datum waarop het recht op een WAO-uitkering ontstaat beslissend is, maar of sprake was van een dienstbetrekking op het moment dat de arbeidsongeschiktheid (ziekte) ontstond. Onderdeel 4 voegt daaraan toe dat het reglement - dat geen onderscheid maakt tussen werknemers en gewezen werknemers - ertoe strekt een voorziening te bieden voor hen die ten tijde van de eerste ziektedag werknemer zijn, terwijl vaststaat dat [eiser] tijdens het dienstverband ziek is geworden. Volgens onderdeel 5, dat geen zelfstandige klacht bevat, is het bestreden oordeel dus onjuist, danwel onvoldoende gemotiveerd.

4.2. Bij de door de rechtbank gegeven uitleg van het onderhavige reglement gaat het om een feitelijk oordeel. Dienaangaande kan in cassatie slechts worden getoetst of de rechtbank de juiste maatstaf heeft gehanteerd, en of zij haar oordeel voldoende (begrijpelijk) heeft gemotiveerd.

4.3. Zoals blijkt uit hetgeen hiervoor onder 3.7-3.8 is vermeld, is discussie mogelijk over de vraag of de rechtbank, door uitdrukkelijk de objectieve uitlegmaatstaf aan te halen, van de juiste rechtsopvatting is uitgegaan. Maar de vraag welke uitlegmaatstaf voor het onderhavige reglement geldt, kan m.i., als gezegd, in deze zaak in het midden blijven. Ik licht dat als volgt toe.

Het verschil tussen de Haviltexmaatstaf en de objectieve aannemelijkheidsmaatstaf is erin gelegen of de rechter wel of niet 'Haviltex'-omstandigheden (ten deze bestaande in tussen de daadwerkelijk onderhandelende partijen aanwezige, maar voor (gebonden) derden niet kenbare verklaringen of verwachtingen, oftewel bedoelingen/verwachtingen voor zover die niet uit het geheel de tekst en de toelichting kenbaar zijn), in zijn oordeel mag betrekken. Welnu, voor zover het middel zou klagen dat de rechtbank ten onrechte niet op door [eiser] gestelde Haviltex-omstandigheden zou zijn ingegaan, voldoet het m.i. niet aan de aan een cassatiemiddel te stellen eisen (407 lid 2 Rv). Het middel geeft immers niet aan welke buiten de tekst van het reglement gelegen verklaringen en gedragingen van Allied, bij [eiser] het gerechtvaardigd vertrouwen zouden hebben mogen opwekken dat ook in een geval als het onderhavige recht op WAO-aanvulling zou bestaan, terwijl dit allerminst luce clarius is, noch uit de gedingstukken blijkt. Hierbij moet worden bedacht dat de rechter niet is gehouden om andere dan de door partijen naar voren gebrachte gezichtspunten bij zijn uitleg te betrekken.(18)

Mocht het middel het door [eiser] in feitelijke instanties gedane beroep op de PAS-Info-brochure op het oog hebben, dan gaat het daarbij om een objectieve bron (een gepubliceerde toelichting)(19). Voor een motiveringsklacht over miskenning van de inhoud van die brochure heeft [eiser] de Haviltex-maatstaf niet nodig: zo'n klacht kan ook bij toetsing aan de 'objectieve maatstaf' aan de orde komen. In zoverre mist [eiser] dus (ook nog) belang bij de even bedoelde rechtsklacht.

4.4.1. Bij toetsing aan de objectieve maatstaf kan (net als bij toetsing aan de Haviltex-maatstaf) op het eerste gezicht twijfel bestaan of rechtbank, met de kantonrechter, terzake van de gehanteerde maatstaf mogelijk ten onrechte de objectief kenbare strekking van de regeling als gezichtspunt bij de uitleg heeft uitgesloten.(20) De kantonrechter had in zijn rov. 4.4 nl. overwogen dat argumenten 'die tot een teleologische uitleg leiden' bij de door hem gehanteerde (objectieve) uitlegmaatstaf geen rol kunnen spelen, waarbij de rechtbank zich blijkens rov. 5.3 van haar vonnis aansluit. Ik acht dit niet juist. Niet alleen volgens 'Haviltex', maar ook bij hantering van de objectieve uitlegmaatstaf dient de strekking van het reglement een rol te kunnen spelen, indien deze uit de bewoordingen van de collectieve regeling of de toelichting volgt.(21)

In casu blijkt reeds uit de bewoordingen van het onderhavige reglement het doel om het WAO-gat aan te vullen (art. 5 lid 1 van het reglement). Ook het wettelijk systeem van de WAO, waarop de regeling immers een aanvulling vormt, kan worden aangemerkt als een objectief, bij de uitleg te betrekken, gezichtspunt.(22) Dit klemt temeer, waar zo'n reglement minder sterk is uitgewerkt, en dus meer ruimte voor aanvullende uitleg aan de hand van de WAO laat.

4.4.2. Uit rov. 5.3 van het bestreden vonnis, in verbinding met r.ovv. 4.6 en 4.7 van het vonnis van de kantonrechter blijkt intussen dat beide gerechten voor twee ankers zijn gaan liggen. De kantonrechter gaat in de genoemde (ten overvloede gegeven) overwegingen namelijk alsnog in op de 'teleologische' argumenten van [eiser], en de rechtbank sluit zich in rov. 5.3 uitdrukkelijk bij deze overwegingen aan. Aldus heeft de rechtbank (ook al gaat het om ten overvloede gegeven overwegingen) toch mede het 'teleologische' gezichtspunt in haar oordeel betrokken. Voorzover het middel erover klaagt dat de rechtbank dit heeft verzuimd, mist het feitelijke grondslag.

4.4.3 Uit een en ander volgt dat de in het middel vervatte rechtsklacht faalt.

4.5. Het middel behelst ook een motiveringsklacht. Het klaagt dat de door de rechtbank gegeven uitleg, gelet op de 'teleologische' stellingen van [eiser] en de omstandigheid dat het reglement geen onderscheid maakt tussen werknemers en gewezen werknemers, ontoereikend is gemotiveerd.

4.6. De vraag kan even worden gesteld of deze motiveringsklacht niet reeds strandt op art. 407 lid 2 Rv. Het middel verwijst in nogal vergaand algemene termen naar de gedingstukken en daarin betrokken stellingen, zonder verwijzing naar specifieke vindplaatsen.

Ik ga er evenwel van uit dat het middel (gelet op het kernachtige, overzichtelijke debat van partijen) in dit geval niettemin voldoende duidelijk is.(23) Ook is mij niet gebleken dat de wederpartij niet heeft begrepen wat de inhoud is van de argumenten van [eiser], waarop het middel doelt.

4.7. De rechtbank heeft zich, als gezegd, in rov. 5.3 aangesloten bij r.ovv. 4.6 en 4.7 van de kantonrechter, waarin deze heeft gerespondeerd op de 'teleologische' stellingen van [eiser]. De overwegingen van de kantonrechter komen, kort weergegeven, erop neer:

(i) dat de uitleg van [eiser] minder waarschijnlijk is, gezien de afgrenzingsvragen tussen de verschillende groepen gewezen werknemers die deze uitleg op zijn beurt weer oproept;

(ii) dat onder omstandigheden een beroep op kennelijk onredelijk ontslag kan worden gedaan;

(iii) dat aangenomen moet worden dat in de tussen Allied en [eiser] (bijgestaan door een raadsman) overeengekomen ontslagvergoeding alle relevante factoren, zoals het verlies van de aanspraak op het WAO-aanvullingreglement, zijn verdisconteerd.

Van de derde overweging kan niet worden gezegd dat de rechtbank ook die aan haar beslissing ten grondslag heeft gelegd, nu zij heeft geoordeeld dat de daarop gerichte tweede grief onbesproken kon blijven. De eerste twee overwegingen blijven dus over.

4.8. Blijkens rov. 5.3 van het bestreden vonnis in verbinding met rov. 4.4 van het vonnis van de kantonrechter, heeft de rechtbank ook de (in het middel genoemde) stelling van [eiser] dat het reglement geen onderscheid maakt tussen werknemers en gewezen werknemers onder ogen gezien, maar heeft zij geoordeeld dat die omstandigheid de lezing van Allied ondersteunt.

4.9. De klacht dat de rechtbank haar oordeel in het licht van het doel van de regeling (aanvulling van het 'WAO-gat'(24)) en het wettelijk systeem onvoldoende gemotiveerd heeft, is m.i. gegrond.

De door de rechtbank (en de kantonrechter) gegeven uitleg aan het begrip 'deelnemer/werknemer' zou, aangenomen dat dit begrip in het gehele reglement een uniforme betekenis heeft, inhouden dat voor een recht op aanvulling ook vereist is dat op het moment dat de vervolguitkering ingaat nog sprake is van een dienstverband (zie art. 6 lid 1 reglement), en (mogelijk) zelfs dat alleen een recht op aanvulling bestaat gedurende het voorbestaan van het dienstverband.(25) Deze uitleg is, gelet op het navolgende, m.i. zodanig onaannemelijk, dat de rechtbank haar oordeel op dit punt nader had moeten motiveren.

4.10. In dit opzicht volgt deze zaak het spoor van de meer genoemde zaak Pieterse/NN. In die zaak heeft de Hoge Raad verwezen naar de uiteenzetting van A-G Bakels over de vraag aan welke voorwaarden in het systeem van de WAO een aanspraak op WAO is gebonden. Uit die conclusie citeer ik de volgende, ook hier van belang zijnde, passages:(26), (27)

'2.14 M.i. dienen [...] de begrippen "deelnemer"en "verzekerde" te worden uitgelegd tegen de achtergrond van de wettelijke term verzekerde in art. 19 WAO, welk artikel luidt:

"De verzekerde,(28) die arbeidsongeschikt wordt, heeft, zodra hij onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest, recht op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering."

De vraag is nu op welk moment de aanspraak ontstaat op een WAO-uitkering en aan welke voorwaarden deze eventueel is gebonden. De wettekst geeft daarover geen uitsluitsel. De wetgeschiedenis(29) doet dat wel (met een eentonige herhaling):

"Degene, die aanspraak maakt op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering, zal volgens artikel 19, eerste lid, aan de volgende drie vereisten moeten voldoen:

1e. verzekerd zijn bij de aanvang van de arbeidsongeschiktheid;

2e. vervolgens onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt blijven;

3e. nog arbeidsongeschikt zijn na afloop van de periode van 52 weken."

(...) Met betrekking tot het eerste vereiste, dat de belanghebbende verzekerd moet zijn bij de aanvang van de arbeidsongeschiktheid, zij nog gewezen op artikel 17, eerste lid, welke bepaling aan de verzekering een nawerking verleent (...) Ter zake van arbeidsongeschiktheid, welke intreedt gedurende de periode, dat de verzekering nawerkt, ontstaan dezelfde rechten als ter zake van arbeidsongeschiktheid, welke intreedt tijdens de verzekering. (...) Met het niet onderscheiden van de arbeidsongeschiktheid naar oorzaak hangt samen de omstandigheid, dat het vereiste van het verzekerd zijn voor de toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering (...) alleen wordt gesteld bij de aanvang van de arbeidsongeschiktheid. Niet gedurende de wachttijd van 52 weken, noch na afloop daarvan.(30) (...) Wordt reeds ten tijde van de toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering, 52 weken na de aanvang van de arbeidsongeschiktheid, niet de eis gesteld, dat de belanghebbende alsdan nog verzekerd is - immers wordt verzekerd zijn slechts geëist bij de aanvang van de arbeidsongeschiktheid - dan is het duidelijk, dat ook voor het behouden van een eenmaal toegekende uitkering niet vereist zal zijn, dat de betrokkene verzekerd is tijdens het genot van die uitkering. (...) Aangezien het eerste lid het vereiste, dat de betrokkene verzekerd is, slechts stelt bij de aanvang van de wachttijd van 52 weken en niet gedurende deze wachttijd, is voor het recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering niet vereist dat ook bij de aanvang van de volgende perioden van arbeidsongeschiktheid, waaruit de wachtperiode is samengesteld, de betrokkene verzekerd is.

2.15 De uitvoeringspraktijk past deze bepaling toe overeenkomstig de zojuist geciteerde toelichting:(31)

"De eis van verzekerd zijn geldt niet tijdens de wachttijd en na afloop daarvan. Soms wordt de wachttijd onderbroken door kort durende periodes van arbeidsgeschiktheid. Ook in zo'n geval geldt de verzekeringseis slechts op het moment, waarop de wachttijd begint.(32)"

2.16 Het recht op een WAO-uitkering ontstaat dus op het moment waarop de arbeidsongeschiktheid intreedt. Maar dat recht is dan niet onmiddellijk opeisbaar en evenmin onvoorwaardelijk. De (louter praktische) reden waarom een WAO-uitkering pas wordt uitgekeerd zodra de werknemer (verzekerde) onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest, is dat hij eerder aan die uitkering geen behoefte heeft omdat hij dan hetzij nog gewoon salaris krijgt betaald door zijn werkgever, hetzij een uitkering ontvangt krachtens de Ziektewet. Deze laatste wordt echter beëindigd na verloop van een periode van 52 weken (art. 29 lid 5 ZW).(33)

[...]

2.18 Gezien (i) dit stelsel van de WAO, (ii) het feit dat de onderhavige verzekering kennelijk ertoe strekt ten behoeve van de uitgezonden werknemers van Haskoning de nadelen op te vangen die zij lijden doordat zij bij een verblijf buitenslands geen recht op de WAO krijgen dat zij, als die uitzending achterwege was gebleven, wél hadden gekregen, (iii) hetgeen Nationale Nederlanden wist en (iv) en in aanmerking genomen dat, in dit licht, de door het hof aan de onderhavige verzekeringspolis gegeven uitleg tot een even onaannemelijk als onbevredigend resultaat leidt, ben ik uiteindelijk van mening dat de motiveringsklacht doel treft. Het is waar dat de werkgever (Haskoning) op zichzelf gerechtigd was ten behoeve van haar uitgezonden werknemers een minder verstrekkende verzekering te sluiten dan de WAO biedt. Maar omdat is gesteld noch gebleken dat zij - dan wel de verzekeraar zelf - die werknemers hiervoor uitdrukkelijk heeft gewaarschuwd, acht ik de door het hof aan de polis gegeven uitleg zo onaannemelijk dat deze nadere toelichting behoeft, die ontbreekt.'

4.11. De Hoge Raad overwoog vervolgens:

'3.5. De tekst van (art. 19 van) de WAO geeft geen uitsluitsel ten aanzien van de vraag op welk moment de aanspraak ontstaat op een WAO-uitkering en van welke voorwaarden het ontstaan van deze aanspraak afhankelijk is. Naar blijkt uit de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.14 aangehaalde wetsgeschiedenis staat evenwel vast dat degene die aanspraak maakt op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering (slechts) aan drie eisen behoeft te voldoen: 1) verzekerd zijn bij de aanvang van de arbeidsongeschiktheid, 2) vervolgens onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt blijven en 3) nog arbeidsongeschikt zijn na afloop van de periode van 52 weken. In cassatie moet ervan uitgegaan worden dat Pieterse aan deze drie eisen voldeed. Zou hij niet zijn uitgezonden, dan zou hij derhalve recht gekregen hebben op een WAO-uitkering.'

4.12. Wij kunnen dus uitgaan van de volgende 'actes éclairés'. De WAO stelt noch op het moment van ingaan (aan het einde van de wachttijd) van de WAO-uitkering, noch daarna (bijvoorbeeld op het moment dat de vervolguitkering ingaat) de eis dat degene die daarop aanspraak maakt als 'werknemer' in de zin van art. 3 WAO 'verzekerde' is. Met andere woorden: ook 'gewezen werknemers', mits zij 'verzekerde'/'werknemer' (art. 16 jo. art. 3 WAO) waren op de eerste ziektedag en mits zij aan de overige vereisten (met name het doorlopen van de wachttijd) voldoen, hebben aanspraak op een WAO-uitkering.

4.13. Keren wij terug naar de onderhavige zaak, dan kan allereerst worden vastgesteld (zie hiervoor, nr. 2.4) dat [eiser] verzekerde ('werknemer' in de zin van art. 16 jo. art. 3 WAO) was op het moment waarop hij ziek werd, waarna, na het verloop van de wachttijd van 52 weken, achtereenvolgens zijn WAO-loondervingsuitkering en WAO-vervolguitkering zijn ingegaan. Vaststaat dan ook dat [eiser] aan de door de WAO gestelde voorwaarden heeft voldaan. De door de rechtbank (met omhelzing van de kantonrechter) gegeven uitleg aan het reglement, dat WAO-aanvulling alleen wordt gegeven wanneer sprake is van een dienstverband op het moment waarop de WAO-uitkering ingaat, staat met dit stelsel minst genomen op gespannen voet. Daar komt bij dat het hier gaat om een aanvulling op de WAO-vervolguitkering (een aanvulling in verband met het 'WAO-gat'). Het moment dat zo'n WAO-vervolguitkering ingaat, kan - afhankelijk van de leeftijd van de werknemer - maximaal zes jaar na het ingaan van de loondervingsuitkering liggen (art. 21a WAO). In veel (misschien wel: de meeste) gevallen zal dan (althans op enigerlei moment gedurende de arbeidsongeschiktheid) geen sprake meer zijn van een dienstverband. Hierbij dient nog in aanmerking genomen te worden dat een verzoek om een ontslagvergunning na twee jaar ziekte in de meeste gevallen wordt toegewezen.(34) Tenslotte blijkt uit het onderhavige reglement dat dit uitdrukkelijk voorziet in een (langdurig) recht op aanvulling - tot de pensioendatum - (zie art. 6 lid 2 reglement).

4.14. M.i. maakt de door de rechtbank gegeven uitleg het reglement goeddeels zinledig, gezien het objectief kenbare doel daarvan en het systeem van de WAO. Ik acht die uitleg dan ook zodanig (objectief) onaannemelijk, dat deze nadere motivering behoefde, die evenwel ontbreekt.

4.15. Ik moet hierbij opmerken dat dezerzijds niet uitgesloten kan worden dat geen volledige WAO-aanvulling voor de duur van de arbeidsongeschiktheid is overeengekomen, maar het oordeel dat daarvan sprake is dient dan m.i. wel, gelet op de strekking van het reglement en het wettelijk stelsel, (begrijpelijk) te worden gemotiveerd.

De door de rechtbank van de kantonrechter overgenomen overwegingen ten overvloede, die in de kern erop neerkomen dat ook de door [eiser] voorgestane uitleg nadere afgrenzingsvragen oproepen en dat hij bij ontslag een beroep op het kennelijk onredelijk karakter daarvan kon doen, volstaan hiertoe naar mijn mening niet.

5. Conclusie

Mijn conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis met verwijzing van de zaak naar het gerechtshof te Leeuwarden.

De procureur-generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie rov. 1 van het vonnis van de kantonrechter, waarnaar de rechtbank in rov. 4 verwijst.

2 Het reglement is als productie 2 opgenomen bij de inleidende dagvaarding van 11 januari 2001.

3 De cassatiedagvaarding dateert van 20 november 2002.

4 Zie over art. 7:613 (oud) bijv. Arbeidsovereenkomst (losbl.), aant. 8 bij art. 7:613 (Heerma van Voss), alsmede Hoffmans, Van personeelsgids tot cao, 's-Gravenhage 1992, pp. 36-39.

5 Zie TK 1995-1996, 24 615, nr. 3 (MvT), pp. 20-24 (22). Het afschaffen van de oude wettelijke regeling m.b.t. het arbeidsreglement had plaats bij de wet van 14 februari 1998, Stb. 1998, 107, in werking getreden 3 maart 1998. In het huidige art. 7:613 BW is nog slechts een regeling neergelegd voor het wijzigingsbeding (een beding op grond waarvan de werkgever eenzijdig arbeidsvoorwaarden kan wijzigen).

6 Uit de passage uit de PAS-Info-brochure (prod. 6 bij Conclusie van Repliek), waarop [eiser] zich heeft beroepen, blijkt dat het onderhavige reglement kan worden herleid tot een afspraak, in het verleden gemaakt bij het CAO-overleg. Dat het reglement gebaseerd is op een toezegging via het CAO-overleg, maakt het reglement zelf nog niet tot een CAO.

7 Rov. 3.6 van HR 31 mei 2002, NJ 2003, 110 (Ziekenhuis De Heel) (m.nt. Heerma van Voss onder HR 28 juni 2002, NJ 2003, 111).

8 HR 26 mei 2000, NJ 2000, 473, JAR 2000, 151 (Akzo Nobel Fibers/FNV).

9 HR 8 december 2000, NJ 2001, 350 m.nt. WMK (Eelder Woningbouw/Van Kammen).

10 HR 23 maart 2001, NJ 2003, 715 m.nt. Verstijlen (Ofasec/NTM).

11 HR 30 november 2001, JOR 2002/43 (Océ Technologies/Asea Brown Boveri).

12 HR 20 september 2002, NJ 2002, 610 m.nt. Du Perron (ING/Muller).

13 HR 18 oktober 2002, NJ 2003, 503 m.nt. Du Perron (Buter/Besix).

14 S.F. Sagel, De objectief-tekstuele uitleg van CAO-bepalingen: betekenis en reikwijdte, in: Arbeidsrecht 2003/11, pp. 12-25 (I) en Arbeidsrecht 2003/12, pp. 27-34 (II), i.h.b. p. 32.

15 Sagel, a.w., pp. 33-34.

16 Zoals ik onder nr. 3.2 reeds opmerkte, volgt dit uit het overgangsrecht met betrekking tot art. 7:613 BW oud.

17 Zie s.t. namens Allied, nr. 23.

18 Asser-Hartkamp 4-II (2001), nr. 288 (met verwijzingen).

19 Voor zover in deze zaak van belang, houdt die toelichting overigens niet meer in dan de vermelding dat het reglement ertoe strekt het WAO-gat te verzekeren: iets wat reeds uit het reglement zelf blijkt.

20 Dat [eisers] rechtsklacht m.b.t. het niet in acht nemen van de Haviltex-maatstaf óók nog eens een niet geoorloofd novum in cassatie zou opleveren, zoals de s.t. namens Allied in nr. 26 poneert, gaat niet op. [eiser] heeft zich steeds in de procedure op standpunt heeft gesteld dat bij de uitleg de door hem aangevoerde 'teleologische' gezichtspunten moesten worden betrokken.

21 Zie HR 28 juni 2002, NJ 2003, 111 m.nt. Heerma van Voss (Buijsman/Motel Akersloot), rov. 3.4.2. In de literatuur is in dit verband aangevoerd dat voor de strekking meer objectief kenbare interpretatiebronnen dan alleen de bewoordingen en toelichting in aanmerking komen. Zie Sagel, Arbeidsrecht 2003, afl. 11/12, p. 12 e.v. (23-24); Tanja-van den Broek, WPNR 6493 (2002), p. 430 e.v. (433); Verhulp, ArA 2003/1, p. 4 e.v. (28-29).

22 Zie de conclusie van A-G Bakels voor HR 18 oktober 2002, NJ 2003, 258 (Pieterse/NN) onder nr. 2.13. Zie voorts: Sagel, a.w., p. 24; Tanja-van den Broek, a.w., p. 433; Heerma van Voss in diens noot onder HR 28 juni 2002, NJ 2003, 111 (Buijsman/Motel Akersloot).

23 Zie HR 11 januari 2002, NJ 2002, 82, r.ovv. 3.3 en 3.4. Ik verwijs voorts naar A.E.B. ter Heide, Het cassatiemiddel in burgerlijke zaken, in: WB der Nederlanden, Nijmegen, 2003, pp. 197 e.v. (203).

24 Daarin verschilt dit reglement van de CAO in NJ 1994, 174 (de suppletieplicht in die CAO (uit 1983) zag niet op aanvulling van het 'WAO-gat'. Pas in 1993 is het onderscheid loondervingsuitkering/vervolguitkering ingevoerd (Wet Terugdringing Beroep op Arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (TBA) van 1 augustus 1993, Stb. 1993, 412).

25 Uit het in rov. 4.7, na het eerste gedachtestreepje overwogene blijkt m.i. dat de kantonrechter (en blijkens rov. 5.3 van het bestreden vonnis, ook de rechtbank) inderdaad uitging van een uitleg waarbij beëindiging van het dienstverband steeds de beëindiging van de WAO-aanvulling tot gevolg zou hebben, dus ook bij beëindiging gedurende de vervolguitkering.

26 De verwijzingen in de conclusie van A-G Bakels zijn voor wat betreft de inzet van onderhavige zaak [eiser]/Allied niet achterhaald.

27 Voetnoten van A-G Bakels niet in originele nummering.

28 'Verzekerden' in de zin van de WAO zijn de werknemers (art. 16).

29 Zitting 1962-1963 - 7171 (arbeidsongeschiktheidsverzekering), nr.3 (MvT), blz. 42-43.

30 Mijn curs. (evenals de volgende in dit citaat) - A-G [Bakels].

31 Leidraad UWV/GAK. De uitvoeringsinstelling werknemersverzekeringen (UWV) is de opvolger van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). Tenslotte kan ook nog op de handboeken worden gewezen, zie F.M. Noordam, Socialezekerheidsrecht, Deventer 2000, blz. 148.

32 Mijn curs. - A-G [Bakels].

33 Voor 1996 bestond nog geen loondoorbetalingsverplichting voor de werkgever zoals thans in art. 7:629 BW is neergelegd. 34 Zie: Afscheid van het duale ontslagrecht (Advies Commissie Duaal ontslagrecht, 's-Gravenhage 15 november 2000), p. 50 (met verdere verwijzingen).