Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2004:AO4318

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
29-10-2004
Datum publicatie
29-10-2004
Zaaknummer
39168
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHAMS:2002:AP4592
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2004:AO4318
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

- GDT

- Algemene indelingsregels 2b en 3a

- Mengsel

- Samenverpakte erwten en suiker

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2005/54 met annotatie van B.A. van Brummelen
FED 2004/625
WFR 2004/1675, 1
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 39168

Mr. Overgaauw

Derde Kamer A

Bindende tariefinlichting

28 januari 2004

Conclusie inzake

X N.V.

tegen

Staatssecretaris van Financiën

0. Inleidend

De zaak handelt materieel over de vraag of gezamenlijk verpakte goederen ook gezamenlijk in aanmerking moeten worden genomen bij de indeling in het Gemeenschappelijk Douanetarief (GDT). De goederen in kwestie (erwten en suiker) zijn verpakt in zogenaamde big bags met een totaal gewicht van 1000 kg netto. In het kader van de genoemde indeling komen - zoals als in mijn conclusie in zaaknr. 39100 - de zogenaamde algemene indelingsregels aan de orde. De zaak bevat daarnaast een formele kwestie, die met name betrekking heeft op de grenzen van de rechtsstrijd tussen partijen.

1. Feiten en procesverloop

1.1. Op 15 december 1999 is namens X N.V. te Z, België (belanghebbende) aan de inspecteur verzocht om afgifte van een bindende tariefinlichting voor een product, dat bestaat uit hele gedroogde erwten en kristalsuiker. Bij die aanvraag is een monster van het betreffende product overgelegd.

1.2. Op 9 juni 2000 heeft de inspecteur een bindende tariefinlichting verstrekt, waarin het product is ingedeeld in post 1701 99 10 van het GDT. Als motivering voor de indeling van de goederen is daarbij vermeld: "toepassing algemene regel 1, 3c en 6 voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur, de tekst van de GN-codes 1701, 1701 99 en 17019910.".

1.3. De in het geding aan de orde zijnde goederen, gedroogde, groene consumptie-erwten (pisum sativum) en witte kristalsuiker zijn gezamenlijk verpakt in zogenoemde big bags met een totaal gewicht van 1000 kg netto. Daarvan is het gewichtspercentage erwten 51%, en dat van de suiker 49%. Het volumepercentage van de erwten bedraagt 63,75% tegenover 36,25% van de suiker. De waarde van de erwten bedraagt ongeveer DEM 355,-- per 1000 kilogram netto; de suiker heeft een waarde van ongeveer DEM 340,-- per 1000 kilogram netto. De prijzen van beide producten kunnen, afhankelijk van vraag en aanbod, variëren.

1.4. Het Hof (de Douanekamer) heeft een door beide partijen als representatief beschouwd monster van het product, verpakt in een transparant plastic zakje van 14 bij 20 cm, ontvangen en geconstateerd dat de suiker in zijn geheel naar beneden was gezakt, en dat de erwten daar los bovenop lagen.

1.5. Namens belanghebbende is bezwaar gemaakt tegen de in 1.2. genoemde bindende tariefinlichting. De inspecteur(1) heeft het bezwaar bij uitspraak van 3 oktober 2000 afgewezen, waarna belanghebbende tijdig beroep heeft ingesteld bij de Tariefcommissie. De mondelinge behandeling vond plaats tijdens de zitting van de Tariefcommissie van 8 mei 2001. De Tariefcommissie heeft belanghebbende op 16 november 2001 om nadere inlichtingen gevraagd.

1.6. Op grond van artikel XI van de Wet van 14 september 2001 (Stb. 419) is met ingang van 1 januari 2002 de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam in de plaats getreden van de Tariefcommissie. Op 8 oktober heeft een tweede mondelinge behandeling plaatsgevonden tijdens de zitting van de Douanekamer.

1.7. De Douanekamer heeft het beroep van belanghebbende bij uitspraak van 16 december 2002 gegrond verklaard en de genoemde bindende tariefinlichting vernietigd. (2)

1.8. Namens belanghebbende is tijdig beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris van Financiën heeft schriftelijk verweer gevoerd, waarna namens belanghebbende een conclusie van repliek is ingediend. De Staatssecretaris heeft schriftelijke medegedeeld af te zien van de mogelijkheid om een conclusie van dupliek in te dienen.

2. Uitspraak van de Douanekamer

2.1. Voor de Douanekamer van het Hof was in geschil het antwoord op de vraag of de inspecteur voor het onderhavige product op juiste gronden een bindende tariefinlichting voor post 1701 99 10 heeft verstrekt. Belanghebbende meent van niet en heeft ter onderbouwing van dat standpunt verdedigd dat het product in post 0713 10 90 moet worden ingedeeld. De Douanekamer overweegt als volgt:

6.1. Op grond van de vaststaande feiten en hetgeen belanghebbende ter zitting over de samenstelling en de verdere be- en verwerking van het sub 2.2. genoemde product heeft verklaard, acht de Douanekamer het niet aannemelijk dat door samenvoeging in één verpakking van gedroogde erwten en kristalsuiker in de vermelde verhouding een product met een eigen economische en industriële betekenis is ontstaan. Daarenboven heeft de Douanekamer uit eigen waarneming van het sub 2.2. vermelde monster kunnen opmaken dat de samenstellende delen zich niet blijvend vermengen. Daarvoor is een verdere bewerking van erwten en suiker noodzakelijk.

6.2. Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat ten aanzien van de samen verpakte erwten en suiker niet gesproken kan worden van een mengsel of een samengesteld werk in de zin van de sub 3. weergegeven indelingsregel 2b, waarop dan verder een indeling in het GDT zou kunnen volgen met behulp van de bepalingen van regel 3.

6.3. Dit oordeel komt er in wezen op neer dat de samen verpakte goederen ieder afzonderlijk in het GDT moeten worden ingedeeld. De bindende tariefinlichting, met als grondslag een gezamenlijke behandeling van de goederen op de voet van regel 2b, kan derhalve niet in stand blijven.

2.2. De beslissing van de Douanekamer strekt vervolgens tot gegrondverklaring van het door belanghebbende ingestelde beroep, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vernietiging van de door de inspecteur afgegeven bindende tariefinlichting.

3. Geschil in cassatie

3.1. Belanghebbende heeft een tweetal middelen voorgesteld. Het eerste middel klaagt erover dat de Douanekamer met zijn oordeel buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden, nu de Douanekamer zijn beslissing heeft doen steunen op een ambtshalve bijgebrachte grond die (mede) van feitelijke aard is, dan wel geeft de uitspraak op dit punt blijk van een motiveringsgebrek.

3.2. Het tweede middel richt zich tegen het oordeel dat niet kan worden gesproken van een mengsel, nu geen sprake is van een product met een eigen economische en industriële betekenis en de samenstellende delen zich daarenboven niet blijvend vermengen. Hiermee zou de Douanekamer het recht, met name algemene indelingsregel 2b van de Gecombineerde Nomenclatuur, hebben geschonden.

4. Behandeling van het eerste middel

4.1. Belanghebbende stelt dat de bestemming van het in het geding zijnde product, onder verwijzing naar haar verklaring opgenomen in rechtsoverweging 4.1. van de uitspraak, niet in geschil is tussen partijen. Door te oordelen dat niet aannemelijk is dat een product met een eigen economische en industriële betekenis is ontstaan, heeft de Douanekamer zijn beslissing doen steunen op een ambtshalve bijgebrachte grond die (mede) van feitelijke aard is, aldus belanghebbende. Hiermee zou de Douanekamer buiten de rechtsstrijd van partijen zijn getreden, dan wel zou de uitspraak onvoldoende gemotiveerd zijn.

4.2. De door belanghebbende aangehaalde overweging van de Douanekamer leidt mede tot het oordeel dat niet kan worden gesproken van een mengsel of een samengesteld werk in de zin van de algemene regel 2b voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur (algemene indelingsregel 2b). Hoewel tussen partijen vaststond dat sprake was van een mengsel in voornoemde zin, kan de Douanekamer zonder meer overgaan tot een ambtshalve onderzoek daaromtrent. De Douanekamer is immers niet gebonden aan de rechtsopvatting van partijen. Dit wordt door belanghebbende overigens ook niet bestreden. Belanghebbende meent echter dat de Douanekamer, met de feitelijke vaststelling dat niet aannemelijk is dat een product met een eigen economische en industriële betekenis is ontstaan, buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden, nu de inspecteur enkel heeft gesteld dat het product voordat het zijn bestemming bereikt, eerst een aanvullende bewerking zal moeten ondergaan.

4.3. In dit verband is van belang te melden dat de secretaris van de Tariefcommissie na de eerste mondelinge behandeling, bij brief van 16 november 2001 belanghebbende als volgt om nadere informatie heeft verzocht:

"Om in deze zaak tot een uitspraak te komen zou de Tariefcommissie nog gaarne van u vernemen - aan de hand van schriftelijke bewijsstukken - wat de economische en industriële betekenis (toepassing in de praktijk) van het onderhavige mengsel van erwten en suiker is."

Belanghebbende heeft aan dit verzoek voldaan en bij brief van 29 november 2001, welke tot de gedingstukken moet worden gerekend, aanvullende informatie verschaft ter staving van de stelling dat het onderhavige product economische en industriële betekenis toekomt. De inspecteur heeft hierop gereageerd bij brief van 20 december 2001, waarin hij concludeert dat niet op overtuigende wijze is aangetoond dat een dergelijk mengsel economische of industriële betekenis heeft. Tevens kan nog worden gewezen op hetgeen belanghebbende ter zitting heeft verklaard over de toepassing van het product.(3)

4.4. Uit het voorgaande volgt dat de Douanekamer niet is overgegaan tot een ambtshalve aanvulling van de feitelijke gronden en dus geenszins buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden. Voorts is het gewraakte oordeel niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd, zodat het eerste middel faalt.

5. Behandeling van het tweede middel

5.1. Het tweede middel bevat de klacht dat de Douanekamer, met het oordeel dat ten aanzien van samen verpakte erwten en suiker niet gesproken kan worden van een mengsel of een samengesteld werk in de zin van regel 2b van de algemene bepalingen voor de toepassing van de gecombineerde nomenclatuur (algemene indelingsregels), er een onjuiste rechtsopvatting op na houdt. De in het kader van dit oordeel gehanteerde criteria vinden volgens belanghebbende geen steun in het recht.

5.2. Aangezien het middel zich met name richt op de uitleg van het begrip "mengsel of samengesteld werk" in de zin van algemene indelingsregel 2b, geef ik allereerst deze indelingsregel weer:(4)

"Onder een in een post vermelde stof wordt niet alleen verstaan die stof in zuivere staat, doch ook vermengd of verbonden met andere stoffen. Evenzo worden onder werken van een genoemde stof niet alleen verstaan die werken, die geheel uit die stof bestaan, doch ook werken, die gedeeltelijk uit die stof bestaan. De vorenbedoelde mengsels en samengestelde werken worden ingedeeld met inachtneming van de onder 3 vermelde beginselen."

De toelichting van de Internationale Douaneraad (IDR) bij algemene indelingsregel 2b luidt:(5)

"X. Regel 2 b betreft mengsels en uit twee of meer stoffen samengestelde goederen. De posten waarop de regel betrekking heeft, zijn die waarin een bepaalde stof met name wordt genoemd, zoals post 05.03 (paardenhaar) en die betreffende werken die zijn vervaardigd uit een bepaalde stof, zoals post 45.03 (werken van kurk). Er wordt echter op gewezen dat deze regel alleen toepassing vindt indien uit de tekst van een post of uit Aantekeningen op afdelingen en hoofdstukken niet anders blijkt (bijvoorbeeld post 15.03 ...spekolie... niet vermengd).

Mengsels die bereidingen zijn, als zodanig omschreven in een Aantekening op een afdeling of hoofdstuk, dan wel in een post, worden ingedeeld met toepassing van regel 1.

XI. De toepassing van deze regel betekent dat de draagwijdte van posten waarin een bepaalde stof is genoemd zodanig wordt verruimd dat daaronder ook die stof vermengd of verbonden met andere stoffen kan worden ingedeeld. Voorts betekent het dat de draagwijdte van posten waarin werken van een bepaalde stof worden genoemd zodanig wordt verruimd dat daaronder ook werken die slechts gedeeltelijk uit die stof bestaan, kunnen worden ingedeeld.

XII. De draagwijdte van de desbetreffende posten wordt echter door deze regel niet zodanig verruimd, dat daaronder ook goederen kunnen worden ingedeeld, die niet overeenkomstig het bepaalde in regel 1 aan de omschrijving van die posten beantwoorden, hetgeen het geval is indien toevoeging van andere stoffen of andere bestanddelen aan een goed dit goed zodanig van aard wijzigt, dat het niet meer het karakter heeft van een onder de in beschouwing genomen post vallend goed.

XIII. Als gevolg van deze regel moeten goederen die bestaan uit meer dan één stof, indien zij onder twee of meer posten kunnen worden ingedeeld, worden ingedeeld volgens het bepaalde onder regel 3."

5.3. Hoewel indeling van goederen enkel met toepassing van indelingsregel 2b mogelijk is, komt dit niet veelvuldig voor in de jurisprudentie. Meestal vindt een indeling (mede) met toepassing van algemene indelingsregel 3b plaats. De begrippen "mengsel" en "samengestelde werken" komen namelijk ook voor in deze indelingsregel. Daarnaast omvat deze indelingsregel de categorieën "werken door samenvoeging van verschillende goederen" en "goederen opgemaakt in stellen of assortimenten":

"Indien goederen met toepassing van het bepaalde onder 2 b of om enige andere reden vatbaar zijn voor indeling onder twee of meer posten, geschiedt de indeling als volgt:

(...)

b. mengsels, werken die zijn samengesteld uit twee of meer stoffen dan wel zijn vervaardigd door samenvoeging van verschillende goederen, zomede goederen in stellen of assortimenten opgemaakt voor de verkoop in het klein, waarvan de indeling niet mogelijk is aan de hand van het bepaalde onder 3 a, worden ingedeeld naar de stof of naar het goed, waaraan de mengsels, de werken, de stellen of assortimenten hun wezenlijke karakter ontlenen, indien dat kan worden bepaald"

De toelichting IDR bij deze indelingsregel vermeldt o.a.:(6)

"(...)

IX. Als werken vervaardigd door samenvoeging van verschillende goederen worden voor toepassing van deze regel niet alleen de werken aangemerkt waarvan de samenstellende delen tot een praktisch onscheidbaar geheel zijn samengevoegd, maar ook die waarvan de samenstellende delen scheidbaar zijn, mits deze delen aan elkaar zijn aangepast en onderling elkaars complement zijn en samen een geheel vormen, waarvan de delen gewoonlijk niet afzonderlijk te koop worden aangeboden. (...)

X. Voor de toepassing van deze regel moet de uitdrukking 'goederen opgemaakt in stellen of assortimenten opgemaakt voor de verkoop in het klein' worden opgevat betrekking te hebben op goederen die tegelijkertijd:

a. bestaan uit ten minste twee verschillende artikelen die op het eerste gezicht kunnen worden ingedeeld onder verschillende posten. Daarom kunnen bijvoorbeeld zes fonduevorkjes niet worden aangemerkt als een stel of assortiment in de zin van deze regel;

b. bestaan uit producten of artikelen die samen worden aangeboden om in een behoefte te voorzien of om een bepaalde activiteit uit te voeren, en

c. zodanig zijn opgemaakt dat zij, zonder opnieuw te worden verpakt, rechtstreeks aan de verbruiker kunnen worden verkocht (bijvoorbeeld in koffertjes, in dozen, op kartons). (...)

XI. Regel 3 b is niet van toepassing op goederen bestaande uit verschillende afzonderlijk verpakte produkten die samen in vaste verhoudingen worden aangeboden (ook indien in één gezamelijke verpakking), bijvoorbeeld voor de industriële vervaardiging van dranken."

5.4. Uit deze algemene indelingsregels maak ik op, dat vier categorieën van gemengde dan wel samengestelde goederen kunnen worden onderkend. Allereerst noem ik de categorieën "mengsels" en "samengestelde werken" die zowel in algemene indelingsregel 2b als in 3b voorkomen. Deze categorieën onderscheiden zich van de overige doordat - tot een zekere grens - de daartoe behorende goederen enkel met toepassing van indelingsregel 2b tot indeling in een post kunnen leiden. Slechts indien goederen uit deze categorieën voor indeling in twee of meer posten in aanmerking komen, is toepassing van algemene indelingsregel 3b aan de orde. Daarnaast zijn de categorieën "samengestelde goederen" en "goederen in stellen of assortimenten" te onderscheiden. Goederen van deze categorieën kunnen niet met algemene indelingsregel 2b worden ingedeeld, maar met 3b of in voorkomend geval een daaropvolgende indelingsregel.

5.5. Het verschil tussen een "mengsel" en een "samengesteld werk" heeft hoofdzakelijk te maken met de aard van de goederen. Zo kan ruwweg worden gesteld dat een mengsel in tegenstelling tot een werk vormloos is.(7) De bijkomende categorieën van algemene indelingsregel 3b ("samengevoegde goederen" en "goederen in stellen of assortimenten") onderscheiden zich van de overige twee, doordat deze categorieën betrekking hebben op samenstelling van goederen (in plaats van stoffen), die in beginsel een zelfstandige functie hebben, maar om wat voor reden dan ook - al dan niet scheidbaar - zijn samengevoegd. De samenvoeging van deze goederen kan enkel worden gevolgd indien de samengevoegde goederen een geheel vormen en elkaar completeren dan wel in een behoefte voorzien. Tot zover de te onderscheiden categorieën.

5.6. De Douanekamer heeft het oordeel dat geen sprake is van een mengsel of een samengesteld werk gegrond op een tweetal overwegingen. De eerste heeft betrekking op de hiervoor reeds besproken economische en industriële betekenis van het product. De tweede betreft de vaststelling - uit een eigen waarneming van de Douanekamer - dat de samengestelde delen zich niet blijvend vermengen.

5.7. In haar beroepschrift in cassatie als ook in haar conclusie van repliek betoogt belanghebbende daarentegen dat het enkele feit dat een goed bestaat uit twee of meer bestanddelen volstaat om het goed als mengsel in de zin van het GDT aan te merken. Nadere vereisten worden volgens belanghebbende niet gesteld. Hierna geef ik kort de diverse argumenten weer die belanghebbende voorts aanvoert tegen voornoemd oordeel van de Douanekamer:

- De communautaire jurisprudentie biedt geen aanknopingspunten voor het door de Douanekamer aangelegde criterium dat de samenstellende delen blijvend vermengd moeten zijn.

- Niet mag worden verlangd dat de samenstellende delen hun eigen identiteit verliezen.

- Het gehanteerde criterium betreft geen objectief kenmerk of eigenschap van het product zelf.

- De toelichting IDR op algemene indelingsregel 2b stelt enkel de eis dat de "goederen bestaan uit meer dan één stof".

- Uit jurisprudentie omtrent "toevallige vermenging" volgt dat het ontbreken van een "eigen economische en industriële betekenis" er niet aan in de weg behoeft te staan het product als mengsel aan te merken.

5.8. Wat betreft het eerste argument merk ik op dat de door de Douanekamer gebezigde criteria inderdaad niet als zodanig in de communautaire jurisprudentie kunnen worden aangetroffen. Dit hoeft ook niet te verwonderen, nu aan het HvJ EG nimmer expliciet de vraag is voorgelegd welke criteria men dient aan te leggen bij beoordeling van de vraag of sprake is van een mengsel of samengesteld werk in meergenoemde zin. Aan dit gegeven kan men uiteraard geen consequenties verbinden. Een argumentatie gebaseerd op hetzelfde gegeven, waarbij wordt betoogd dat de vraag nimmer is gesteld omdat het antwoord zo evident is, of zo men wil buiten redelijke twijfel, heeft naar ik meen dezelfde waarde.

5.9. De indeling van goederen die als een "mengsel" of een "samengesteld werk" in voornoemde zin moeten worden aangemerkt is wel aan de orde geweest in enkele arresten van het HvJ EG.(8) Niet kan worden betwijfeld dat de onderhavige goederen geen "samengesteld werk" in voornoemde zin vormen, zodat ik mij in navolging van partijen beperk tot de uitleg van het begrip "mengsel". Belanghebbende verwijst in dit verband naar het arrest Rheinkrone-Kraftfutterwerke(9) van het HvJ EG, waarin wordt overwogen:

"Vastgesteld moet worden, dat de tariefindeling van een mengsel, dat wil zeggen een uit twee of meer stoffen samengesteld product (cursivering; JO), plaatsvindt overeenkomstig de algemene regels en de bijzondere bepalingen van het GDT. Daaruit volgt, dat een dergelijk product onder één omschrijving van een post moet worden ingedeeld."

5.10. Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris menen dat het HvJ EG met de gecursiveerde zinsnede een uitleg heeft gegeven van het begrip "mengsel". Beiden geven er echter een andere uitleg aan. Belanghebbende legt daarbij de nadruk op "twee of meer stoffen", terwijl de Staatssecretaris focust op "het product". Allereerst vraag ik mij af of het HvJ EG met deze zinsnede criteria heeft willen neerleggen ter beoordeling van de vraag of sprake is van een "mengsel". Vaststond in die zaak immers dat sprake was van een mengsel. De centrale vraag betrof slechts welke soorten mengsels onder de betrokken bepaling konden worden gebracht. Bovendien wordt in het arrest een uitleg gegeven van het begrip "mengsel" als gebezigd in Verordening nr. 1371/81 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de monetaire compenserende bedragen, waarbij het HvJ EG opmerkt dat de betrokken bepaling onafhankelijk van het GDT moet worden uitgelegd, voor zover een dergelijke uitlegging noodzakelijk is wegens de verschillende doeleinden van beide regelingen.(10) Daaraan voorbijgaand, zou ik overigens de nadruk willen leggen op het woord "samengesteld" uit de gecursiveerde zinsnede. Dit duidt, gelijk het begrip mengsel, op een bepaald fysiek verband tussen de betrokken componenten. Ik stel dan ook vast dat het HvJ EG hiermee geen hanteerbare criteria heeft gegeven (voorzover dit al de bedoeling is geweest), zodat de uitleg van het begrip "mengsel" in het kader van deze zaak op andere wijze dient plaats te vinden.

5.11. Wat betreft de uitleg van een communautaire bepaling, zoals de onderhavige algemene indelingsregels, moet volgens het HvJ EG vooreerst in aanmerking worden genomen, dat de teksten van gemeenschapsrecht in verscheidene talen zijn opgesteld en dat de verschillende taalversies gelijkelijk authentiek zijn, zodat de uitlegging van een bepaling een vergelijking van de verschillende taalversies vereist.(11)

5.12. Wat betreft de betekenis van het gehanteerde begrip in de Nederlandse taalversie wijs ik erop dat de Van Dale een "mengsel" typeert als een massa waarin twee of meer bestanddelen vermengd zijn.(12) Hoewel men de goederen in kwestie wellicht nog als een massa zou kunnen aanmerken, heeft de Douanekamer na bestudering van een representatief monster geconstateerd dat de suiker in zijn geheel naar beneden was gezakt, en dat de erwten daar los bovenop lagen. Ik raadpleeg wederom de Van Dale: "mengen": (m. betr. t. twee of meer stoffen) door elkaar werken tot een min of meer homogeen geheel, en onder "iets mengen met": het eraan toevoegen zodat het zich door de hele massa verspreidt. Hieruit volgt naar ik meen dat het door de Douanekamer gebezigde criterium van blijvende vermenging overduidelijk steun vindt in een tekstuele uitleg van de Nederlandse taalversie.

5.13. Voor de goede orde maak ik nog een vergelijking met de Duitse en Engelse taalversies. Deze taalversies hanteren het begrip "gemischten Waren" respectievelijk "mixtures" in de genoemde algemene indelingsregels. Volgens het Deutsches Wörterbuch dient onder "gemischt" te worden verstaan: aus verscheidenartigen Bestandteilen zusammengesetzt. En onder "mischen": verscheidene Dinge, Flüssigkeiten o.ä. - zu einer (scheinbaren) Einheit vereinigen, miteinander vermengen, durcheinanderbringen;.(13) Onder "mixtures" moet daarnaast worden verstaan: the result of mixing; something mixed; a combination. En tevens: ingredients mixed together to produce a substance, esp. A medicine (cough mixture). Onder "mix" wordt ten slotte verstaan: combine or put together (two or more substances or things) so that the constituents of each are diffused among those of the other(s).(14)

5.14. De betekenis van "mengsel" komt in de besproken taalversies naar ik meen op hetzelfde neer: logischerwijze moeten de componenten daadwerkelijk vermengd zijn tot een eenheid of tot een min of meer homogeen geheel. Niet valt dan ook in te zien dat de Douanekamer door hantering van een dergelijk criterium blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

5.15. De overige argumenten van belanghebbende brengen hierin geen verandering. Zo doet belanghebbendes stelling dat niet mag worden verlangd dat de samenstellende delen hun eigen identiteit verliezen niet ter zake, nu nergens uit blijkt dat de Douanekamer zulks heeft verlangd. Met het derde argument, dat de blijvende vermenging geen objectief of kenmerkende eigenschap van de goederen is, bezigt belanghebbende voorts een verkeerd uitgangspunt. Met deze vaste jurisprudentie van HvJ EG wordt immers gedoeld op de objectieve en kenmerkende eigenschappen van een goed, zoals deze in de teksten van de posten van het GDT en in de Aantekeningen op de Afdelingen en hoofdstukken zijn omschreven en niet, zoals belanghebbende kennelijk betoogt, op dergelijke eigenschappen van in te delen goederen. Voor zover relevant, valt ook niet in te zien dat het door de Douanekamer gehanteerde criterium van blijvende vermenging, niet tot dergelijke objectieve en kenmerkende eigenschappen zou kunnen behoren, die voorts ook nog bij inklaring kunnen worden geverifieerd. Ook het vierde argument, de verwijzing naar de toelichting IDR, waaruit zou blijken dat enkel vereist is dat iets uit twee stoffen bestaat, moet worden afgewezen. Twee verschillende stoffen vormen immers nog geen mengsel of een samengesteld werk, zoals hiervoor reeds is geconstateerd.

5.16. Het laatste argument van belanghebbende betoogt dat het door de Douanekamer gebezigde criterium, dat de onderhavige goederen industriële en economische betekenis moet hebben om te kunnen worden aangemerkt als een mengsel of een samengesteld werk, niet strookt met nationale rechtspraak omtrent "toevallige vermenging". Wat overigens ook zij van die rechtspraak, ik moet belanghebbende nageven dat een mengsel of een samengesteld werk in de zin van algemene indelingsregel 2b niet per definitie een dergelijke betekenis moet kunnen worden toegedicht. De tekst van deze algemene indelingsregel, noch de toelichting van de IDR daarop geven daartoe voldoende aanleiding. Het wegvallen van dit criterium kan het oordeel van de Douanekamer dat geen sprake is van een mengsel of een samengesteld werk in de zin van algemene indelingsregel 2b, overigens niet aantasten, nu dit oordeel naar ik meen zelfstandig kan worden gedragen door de vaststelling dat de goederen niet blijvend zijn vermengd.

5.17. Op basis van het voorgaande meen ik dat het oordeel van het Hof dat niet kan worden gesproken van een mengsel of een samengesteld goed in de zin van algemene indelingsregel 2b juist is, wat ook zij van de daartoe gebezigde gronden.

5.18. Belanghebbende heeft voor de Douanekamer overigens meer in het algemeen bepleit dat algemene indelingsregel 3b van toepassing is op de onderhavige goederen. In dat verband zal ik voor een compleet overzicht nog bezien of de onderhavige goederen wellicht onder één van de overige categorieën van algemene indelingsregel 3b kunnen worden gebracht. Het zou dan met name moeten gaan om "samengestelde goederen" of "goederen in stellen of assortimenten".

5.19. Zoals blijkt uit de toelichting van de IDR op deze indelingsregel, welke belangrijke hulpmiddelen voor de uitleg vormen, kunnen de samenstellende delen van een samengesteld goed tevens scheidbaar zijn, mits deze delen aan elkaar zijn aangepast en onderling elkaars complement zijn en samen een geheel vormen, waarvan de delen gewoonlijk niet afzonderlijk te koop worden aangeboden. Voor goederen in stellen of assortimenten, welke per definitie zijn gescheiden, geldt o.a. een soortgelijke voorwaarde: zij dienen te bestaan uit producten of artikelen die samen worden aangeboden om in een behoefte te voorzien of om een bepaalde activiteit uit te voeren.

5.20. Hier lijkt het oordeel van de Douanekamer, dat het niet aannemelijk is dat door samenvoeging in één verpakking van gedroogde erwten en kristalsuiker in de vermelde verhouding een product met een eigen economische en industriële betekenis is ontstaan, wel opgeld te kunnen doen. In dit oordeel ligt immers besloten dat de samenstellende delen niet aan elkaar zijn aangepast en ook niet een geheel vormen. Zelfs indien de samenstellende delen wel aan elkaar zouden zijn aangepast (een specifieke en bruikbare verhouding erwten en kristalsuiker), geldt nog altijd dat deze delen gewoonlijk afzonderlijk te koop worden aangeboden.

5.21. Hieruit volgt dat de in het geding zijnde goederen niet als een "samengesteld" goed of als een "stel of assortiment" in de zin van algemene indelingsregel 3b kunnen worden aangemerkt. Zoals de Douanekamer terecht heeft geoordeeld komt het er vervolgens in wezen op neer dat de samen verpakte goederen ieder afzonderlijk in het GDT moeten worden ingedeeld.

6. Tot slot

6.1. De beslissing van de Douanekamer houdt o.a. in dat (i) het beroep van belanghebbende gegrond is, (ii) de uitspraak op bezwaar wordt vernietigd en (iii) de afgegeven bindende tariefinlichting moet worden vernietigd. Over het laatste onderdeel van deze beslissing, maak ik kort nog twee opmerkingen.

6.2. Allereerst een opmerking over de mogelijkheid om een eenmaal afgegeven bindende tariefinlichting te vernietigen. AG Léger concludeerde in de gevoegde zaken C-132/02 en C-134/02 (Timmermans Diessen B.V. en Hoogenboom Productions B.V.) dat de nationale douaneautoriteiten niet bevoegd zijn om discretionair bindende tariefinlichtingen in te trekken die zij marktdeelnemers ten behoeve van de tariefindeling van goederen verstrekken, wanneer deze nationale autoriteiten hun opvatting over de uitlegging van de toepasselijke douanenomenclatuur wijzigen.(15) Dit riep bij mij de vraag op of dit ook geldt voor de nationale rechterlijke instanties. Strikt genomen kan een bindende tariefinlichting haar geldigheid enkel verliezen door een van de in artikel 12, vijfde lid van het Communautair douanewetboek genoemde omstandigheden. Het HvJ EG heeft evenwel recent arrest gewezen en in afwijking van de AG geoordeeld dat de nationale douaneautoriteiten die bevoegdheid wel hebben.(16) De Douanekamer komt een dergelijke bevoegdheid hiermee zeker ook toe.

6.2. Mijn tweede opmerking hangt met de eerste samen. De Douanekamer heeft het door de inspecteur ingenomen standpunt onjuist geacht en de bindende tariefinlichting vernietigd. Hiermee is het verzoek van belanghebbende om een dergelijke inlichting naar ik meen niet van tafel. Ik ga er dan ook vanuit dat de inspecteur na kennisneming van de uitspraak van de Douanekamer is overgegaan tot afgifte van bindende tariefinlichtingen voor de betrokken goederen.(17) De inspecteur dient de uitspraak van de Douanekamer naar ik meen aldus te verstaan dat de beslissing tot vernietiging van de bindende tariefinlichting, de opdracht tot het nemen van een nieuw besluit met in achtneming van de uitspraak impliceert.

7. Conclusie

Ik geef de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie ongegrond te verklaren.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Hoofd van het douanedistrict P.

2 Gerechtshof Amsterdam 16 december 2002, nr. 00/090204 DK (voorheen: 0204/00 TC). Een samenvatting van de uitspraak is opgenomen in Douane Update, 2003-0058.

3 Zoals is weergegeven in onderdeel 4.3. van de uitspraak van de Douanekamer.

4 De algemene regels zijn opgenomen in Bijlage I, Titel I Algemene bepalingen, onder A van Verordening nr. 2658/87 van 23 juli 1987, met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijke douanetarief.

5 Opgenomen in het Handboek voor in- en uitvoer, Deel B2, III Toepassingsbepalingen, blz. 17 e.v., (supplement 206), tenHagenStam.

6 Opgenomen in het Handboek voor in- en uitvoer, Deel B2, III Toepassingsbepalingen, blz. 25 e.v., (supplement 196), tenHageStam.

7 Van Dale, groot woordenboek der Nederlandse taal, spreekt ook van een massa waarin twee of meer bestanddelen zijn vermengd, Van Dale Lexicografie Utrecht-Antwerpen.

8 Zie o.a. HvJ EG 23 maart 1972, zaak 36/71 (Guenter Henck), Jur. EG 1972, blz. 187, HvJ EG 12 april 1994, zaak C-150/93 (Societe Superior France SA, Danzas), Jur. EG 1994, blz. I-1161 en HvJ EG 10 mei 2001, zaak C-288/99 (VauDe Sport), Jur. EG 2001, blz. I-3683.

9 HvJ EG 27 september 1989, zaak 37/88 (Rheinkrone-Kraftfutterwerke), Jur. EG 1989, blz. 3013.

10 Zie hiervoor overweging 16 en 17.

11 HvJ EG 6 oktober 1982, zaak 283/81 (CILFIT), Jur. EG 1982, blz. 3415, overweging 18.

12 Van Dale, groot woordenboek der Nederlandse taal, Van Dale Lexicografie, Utrecht-Antwerpen.

13 Deutsches Wörterbuch, Bertelmann Lexikon Verlag-Gütersloh, 1994.

14 The Concise Oxford Dictionary of Current English, ninth edition, Clarendon Press - Oxford, 1995.

15 Conclusie AG Léger van 11 september 2003 in de gevoegde zaken C-133/02 en C-134/02 (Timmermans Diessen B.V. en Hoogenboom Productions Ltd), te vinden op http://europa.eu.int/eur-lex/nl/search/search_case.html.

16 HvJ EG 22 januari 2003, gevoegde zaken C-133/02 en C 134/02 (Timmermans Diessen B.V. en Hoogenboom Productions Ltd), te vinden op http://europa.eu.int/eur-lex/nl/search/search_case.html.

17 Uit het BTI-raadplegingsbestand op de website van de Europese Unie blijkt overigens dat de Nederlandse douaneautoriteiten een tweetal bindende tariefinlichting voor samen verpakte suiker en erwten heeft verstrekt. Zie nader http://europa.eu.int/comm/taxation_customs/dds/cgi-bin/ebtiquer?Lang=NL