Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2004:AO4225

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
07-05-2004
Datum publicatie
07-05-2004
Zaaknummer
R03/062HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2004:AO4225
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

7 mei 2004 Eerste Kamer Rek.nr. R03/062 HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [Verzoekster], wonende te [woonplaats], VERZOEKSTER tot cassatie, advocaat: mr. M.H. van der Woude, t e g e n de vennootschap naar Duits recht SPARKASSE BONN, gevestigd te Bonn, Duitsland, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. T.F.E. Tjong Tjin Tai. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 69, geldigheid: 2004-05-07
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 223
NJ 2004, 362
RvdW 2004, 65
JWB 2004/172

Conclusie

Rek.nr. R03/062HR

Mr L. Strikwerda

Parket, 20 febr. 2004

conclusie inzake

[Verzoekster]

tegen

Sparkasse Bonn

Edelhoogachtbaar College,

1. Het gaat in deze zaak om de vraag of de wisselbepaling van art. 69 Rv kan worden toegepast in de in art. 36 EEX-Verdrag (Verdrag van 27 september 1968, Trb. 1969, 101) bedoelde procedure tot het doen van verzet tegen een beslissing waarbij op de voet van art. 31 EEX-Verdrag verlof is verleend tot tenuitvoerlegging in Nederland van een door de rechter van een andere verdragsluitende staat, in casu Duitsland, gegeven beslissing.

2. Uit de gedingstukken blijkt het volgende.

(i) Thans verzoekster van cassatie, hierna: [verzoekster], is bij Vollstreckungsbescheid van 25 oktober 1995 van het Amtsgericht Euskirchen (BRD) veroordeeld tot betaling aan thans verweerster in cassatie, hierna: Sparkasse, van een bedrag van DM 50.020,06 (Euro 25.574,85) te vermeerderen met rente en kosten.

(ii) Op een daartoe strekkend verzoekschrift van Sparkasse heeft de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Almelo bij beschikking van 17 oktober 2002 verlof verleend tot tenuitvoerlegging in Nederland van genoemd Vollstreckungsbescheid.

(iii) [Verzoekster] heeft bij een op 7 april 2003 ter griffie van de Rechtbank Almelo ingekomen verzoekschrift met een beroep op de weigeringsgrond van art. 34 sub 2 EEX-Verordening (Verordening (EG) Nr. 44/2001, PbEG 2001, L 012) verzet gedaan tegen de beschikking van de Voorzieningenrechter.

(iv) De Rechtbank heeft bij beschikking van 18 april 2003 [verzoekster] niet-ontvankelijk verklaard in haar verzet. Daartoe overwoog de Rechtbank onder meer dat het verlof tot tenuitvoerlegging van het Volstreckungsbescheid is verleend op grond van de artt. 31 e.v. van het EEX-Verdrag en niet op grond van de EEX-Verordening, aangezien het Vollstreckungsbescheid waarvoor in casu verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland werd gevraagd, is gegeven op een vordering van Sparkasse uit 1995, derhalve ver voor de inwerkingtreding van de EEX-Verordening. Aangezien verzet tegen een verleend verlof op grond van het EEX-Verdrag dient te geschieden bij dagvaarding, dient [verzoekster], nu zij bij verzoekschrift in verzet is gekomen, niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar verzet, aldus de Rechtbank.

3. [Verzoekster] is tegen de beschikking van de Rechtbank (tijdig; zie art. 5 Uitvoeringswet EEX-Verdrag, Wet van 4 mei 1972, Stb. 240) in cassatie gekomen met een uit verscheidene onderdelen opgebouwd cassatiemiddel. Sparkasse heeft een verweerschrift ingediend en daarbij de Hoge Raad verzocht het cassatieberoep te verwerpen.

4. Sparkasse heeft in haar verweerschrift doen aanvoeren dat bij de indiening van het verzoekschrift waarbij [verzoekster] verzet heeft gedaan tegen de beschikking van de Voorzieningenrechter de voorschriften van de Betekeningsverordening (Verordening (EG) Nr. 1348/2000, PbEG 2000, L 160) niet in acht zijn genomen (verweerschrift onder 2.3 en 2.4), alsmede dat het verzet niet is gedaan binnen de door art. 36 EEX-Verdrag voorgeschreven termijn van één maand (verweerschrift onder 3.1). Voor zover Sparkasse met deze stellingen wil betogen dat de Rechtbank in strijd met de Betekeningsverordening resp. art. 36 EEX-Verdrag heeft beslist, kan Sparkasse in deze klachten niet worden ontvangen, nu door Sparkasse bij het verweerschrift niet op de voet van art. 427 lid 1 Rv (voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep is ingesteld.

5. [Verzoekster] kan niettegenstaande het in art. 69 lid 5 Rv neergelegde rechtsmiddelenverbod in het door haar ingestelde cassatieberoep worden ontvangen, aangezien het cassatiemiddel erover klaagt dat de Rechtbank art. 69 Rv ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten (zie bijv. HR 22 januari 1999, NJ 1999, 243 inzake het rechtsmiddelenverbod van art. 32 lid 5 (oud), thans art. 39 lid 5 Rv).

6. Centraal in het door [verzoekster] voorgestelde middel staat de klacht dat de Rechtbank, door [verzoekster], die bij verzoekschrift in plaats van bij dagvaarding in verzet kwam tegen de beschikking van de Voorzieningenrechter, niet-ontvankelijk te verklaren, ten onrechte heeft nagelaten de wisselbepaling van art. 69 Rv toe te passen.

7. Bij de beoordeling van deze klacht dient vooropgesteld te worden dat de Rechtbank - in cassatie terecht niet bestreden - heeft geoordeeld dat niet de regeling inzake erkenning en tenuitvoerlegging van de EEX-Verordening, doch die van het EEX-Verdrag van toepassing is. De genoemde beslissing van het Amtsgericht Euskirchen is immers gegeven op 25 oktober 1995, derhalve vóór 1 maart 2002, de datum van inwerkingtreding van de EEX-Verordening (zie art. 66 lid 2 EEX-Verordening).

8. Ingevolge art. 37 EEX-Verdrag moet het verzet - in Nederland - voor de arrondissementsrechtbank worden gebracht "volgens de regels van de procedure op tegenspraak". In het toelichtende rapport bij het EEX-Verdrag van de hand van P. Jenard (PbEG 1979, C 59) wordt erop gewezen dat hieruit voortvloeit dat "degene tegen wie de tenuitvoerlegging is verleend zijn tegenstander tot verschijning dient te dagvaarden" (toelichting op art. 37). Op de vraag welke procesregels het vervolg van de verzetsprocedure beheersen, wordt door het rapport niet ingegaan. Kennelijk is, binnen het raam van de eisen die het EEX-Verdrag aan de verzetsprocedure stelt, het nationale procesrecht van de in de verzetsprocedure aangezochte rechter toepasselijk. In de MvT bij de Uitvoeringswet EEX-Verdrag wordt hiervan althans uitgegaan. Opgemerkt wordt dat "de verzetsprocedure (...) overigens (zal) worden beheerst door de algemene regels van rechtspleging van het eerste Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor zover althans uit het verdrag (artikel 37, tweede lid, 38 en 39) niet het tegendeel voortvloeit" (Kamerstukken II 1970/71, 11 154 (R 775), nr. 5, blz. 7).

9. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen blijkt evenwel van een enigszins andere opvatting omtrent de (aanvullende) rol van het nationale procesrecht. In HvJ EG 11 augustus 1995, zk. C-432/93 (SISRO/Ampersand), Jur. 1995, p. I-2288, NJ 1997, 2, is onder meer overwogen dat het EEX-Verdrag een exequaturprocedure in het leven heeft geroepen die een zelfstandig en volledig stelsel vormt, losstaand van de rechtsorde van de verdragsluitende staten, en dat het beginsel van rechtszekerheid in de communautaire rechtsorde en de doelstellingen van het EEX-Verdrag vereisen dat de regels van het EEX-Verdrag en de desbetreffende rechtspraak van het Hof in alle verdragsluitende staten eenvormig worden toegepast (r.o. 39). De eenvormige toepassing van het EEX-Verdrag in alle verdragsluitende staten laat naar het oordeel van het Hof niet toe, dat de partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevraagd, in sommige aangezochte staten over vergaandere processuele middelen beschikt dan in andere verdragsluitende staten om de tenuitvoerlegging van een in de verdragsluitende staat van oorsprong uitvoerbaar vonnis te vertragen (r.o. 41). Zie ook HvJ EG 2 juli 1985, zk. 148/84 (Deutsche Genossenschaftsbank/Brasserie du Pêcheur), Jur. 1985, p. 1981, NJ 1986, 508.

10. Moet hieruit worden afgeleid dat voor de wisselbepaling van art. 69 Rv, die immers kan leiden tot vertraging van de tenuitvoerlegging van een in de verdragsluitende staat van oorsprong uitvoerbaar vonnis, geen plaats is in de door het EEX-Verdrag in het leven geroepen exequaturprocedure?

11. Voor een bevestigend antwoord op deze vraag pleit dat de partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevraagd en die de verzetsprocedure niet op de voorgeschreven wijze heeft ingeleid, in Nederland op de voet van art. 69 Rv in de gelegenheid kan worden gesteld om - ook in de gevallen waarin de door art. 36 EEX-Verdrag gestelde termijn voor verzet reeds is verstreken (zie het slot van art. 69 lid 1 Rv) - alsnog de wederpartij te dagvaarden, terwijl in de verdragsluitende staten wier nationale procesrecht geen bepaling van de strekking van art. 69 Rv kent de partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevraagd een zodanige gelegenheid moet worden onthouden. Daarmee wordt, zo laat zich verdedigen, afbreuk gedaan aan de door het Hof van Justitie verlangde eenvormige toepassing van de regels inzake de door het EEX-Verdrag in het leven geroepen exequaturprocedure.

12. Voor een ontkennende beantwoording van de vraag pleit evenwel dat uit art. 37 EEX-Verdrag weliswaar voortvloeit dat de verzetsprocedure moet worden ingeleid met een dagvaarding, maar dat de wijze waarop de dagvaarding dient te worden uitgebracht kennelijk is overgelaten aan het nationale procesrecht van de in de verzetsprocedure aangezochte rechter, zulks - zo moet worden aangenomen - met inbegrip van de in dat nationale procesrecht opgenomen regelingen inzake herstel van gebreken in de dagvaarding. Voor zover de wisselbepaling van art. 69 Rv is aan te merken als een zodanige regeling, laat zich verdedigen dat art. 69 Rv behoort tot het domein dat door het EEX-Verdrag is overgelaten aan het nationale procesrecht en dus kan worden toegepast in de door het EEX-Verdrag voorziene verzetsprocedure.

13. Het betreft hier een uitleggingsvraag van art. 37 EEX-Verdrag, waarvan m.i. niet kan worden gezegd dat er redelijkerwijze geen twijfel kan bestaan hoe deze moet worden beantwoord. Het lijkt mij daarom aangewezen dat de Hoge Raad deze vraag van uitleg op de voet van art. 3 van het Protocol betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het EEX-Verdrag (Protocol van 3 juni 1971, Trb. 1971, 149) verwijst naar het Hof van Justitie. Ik teken hierbij aan dat de onderhavige uitleggingsvraag zich ook voordoet onder de EEX-Verordening, thans in verband met het rechtsmiddel bedoeld in art. 43 van de verordening (zie art. 43 lid 3 van de verordening), zodat de vraag - ook na de omzetting van het EEX-Verdrag in de EEX-Verordening - haar actualiteit heeft behouden.

De conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad, alvorens verder te beslissen, het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen zal verzoeken over de hiervoor bedoelde vraag van uitlegging van art. 37 EEX-Verdrag uitspraak te doen en het geding zal schorsen totdat het Hof van Justitie naar aanleiding van dit verzoek uitspraak zal hebben gedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,