Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2004:AO4223

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
14-05-2004
Datum publicatie
14-05-2004
Zaaknummer
C03/029HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2004:AO4223
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

14 mei 2004 Eerste Kamer Nr. C03/029HR AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiseres], wonende te [woonplaats], EISERES tot cassatie, advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens, t e g e n [Verweerster], wonende te [woonplaats], VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. R.F. Thunnissen. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2004-05-14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 251
JWB 2004/178

Conclusie

Rolnummer C03/029HR

Mr. Keus

Zitting 20 februari 2004

Conclusie inzake

[eiseres]

tegen

[verweerster]

1. Feiten en procesverloop

1.1 Het gaat in deze arbeidszaak om de vraag wie als voormalig werkgever van [eiseres] heeft te gelden.

1.2 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan(1).

(a) [Eiseres] is op 1 november 1991 als tweede apotheker in dienst getreden van [betrokkene 1](2), in diens apotheek aan de [a-straat 1] te [plaats]. Deze apotheek wordt ook wel als de Erasmus apotheek aangeduid.

(b) Op 20 april 1997 is [eiseres] arbeidsongeschikt geworden. In augustus 1998 werd het percentage van haar arbeidsongeschiktheid door Cadans vastgesteld op 65-80%; op basis daarvan ontving zij een aanvullende WW-uitkering. Per 13 september 1999 werd het percentage van haar arbeidsongeschiktheid bepaald op 80-100%.

(c) Per 1 november 1997 is de apotheek overgenomen. Op 10 december 1997 vond er een gesprek plaats tussen [eiseres] enerzijds en de heren [betrokkene 2] en [betrokkene 3] anderzijds. In dat gesprek, waarin jegens [eiseres] kritiek werd geuit omtrent de toestand van de apotheek, is aangegeven dat genoemde heren alsmede [betrokkene 4] de nieuwe eigenaren van de apotheek waren. [Verweerster] was bij dat gesprek niet aanwezig.

(d) Bij een door [verweerster] ondertekende brief van 22 maart 1999, waarin de afzender wordt aangeduid als "Erasmus Apotheek p/a [verweerster]", met vermelding van haar adres in [plaats], heeft de Erasmus apotheek aan de raadsman van [eiseres] kenbaar gemaakt enerzijds dat [eiseres] nog recht had op uitbetaling van vakantiedagen en op salaris, conform salarisstrook nr. 15 van 1998, en anderzijds dat [eiseres] nog aan de Erasmus apotheek een bedrag diende terug te betalen wegens ten onrechte ontvangen salaris. Daarbij is verwezen naar de in die brief genoemde loonstroken nrs. 15 en 16 van 1998 respectievelijk nr. 1 van 1999. Die loonstroken van [eiseres], welke volgens die brief daarbij zijn gevoegd en die [verweerster] bij repliek in oppositie heeft overgelegd, hebben betrekking op augustus respectievelijk december 1998 en februari 1999; daarop wordt als werkgever vermeld: "APOTHEEK MOERWIJK B.V. [a-straat 1] [plaats]". Als datum van indiensttreding wordt vermeld: 1 november 1997.

(e) Tevens wordt in die brief opgemerkt dat [eiseres] per saldo f 4.106,51 is verschuldigd en wordt gevraagd ervoor zorg te dragen dat [eiseres] dit bedrag overmaakt naar de rekening van Apotheek Moerwijk B.V..

(f) Bij brief, eveneens van 22 maart 1999, heeft [verweerster] "namens de Erasmus Apotheek" ten aanzien van [eiseres] een ontslagvergunning aangevraagd bij de regionaal directeur arbeidsvoorziening (RDA). Deze vergunning is bij brief van 15 september 1999 verleend aan "[verweerster] h/o Erasmusapotheek". Bij de stukken die betrekking hebben op de aanvraag, bevindt zich een brief van "Erasmus apotheek p/a [b-straat 1] [plaats]", ondertekend door [verweerster] namens de Erasmus apotheek; daarin wordt o.a. ten aanzien van de mogelijkheden van herplaatsing van [eiseres] opgemerkt dat de administratieve werkzaamheden (binnen de Erasmus apotheek) geheel worden verzorgd "door de vrouw van een van de mede-eigenaren van de apotheek, [betrokkene 5]". Tevens bevindt zich bij die stukken een salarisspecificatie van [eiseres], afgegeven in mei 1998. Daarin wordt als werkgever vermeld: "ERASMUS APOTHEEK [a-straat 1] [plaats]" en als datum van indiensttreding 1 november 1997.

(g) De apotheek wordt inmiddels geëxploiteerd door Apotheek Moerwijk B.V.. Blijkens het handelsregister is enig aandeelhouder van die B.V.: [A] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], op het adres van [verweerster]. Apotheek Moerwijk B.V. is blijkens het handelsregister opgericht op 30 december 1998 en is daarin ingeschreven op 6 januari 1999.

1.3 Tegen deze achtergrond heeft [eiseres] bij dagvaarding van 28 juni 2000 een geding voor de kantonrechter 's-Gravenhage ingeleid. Haar vordering strekte:

a) tot een verklaring voor recht dat het door [verweerster] aan [eiseres] gegeven ontslag kennelijk onredelijk is;

b) tot veroordeling van [verweerster] tot betaling van een schadevergoeding aan [eiseres] wegens het kennelijk onredelijk ontslag van f 42.000,-, met wettelijke rente;

c) tot veroordeling van [verweerster] tot betaling aan [eiseres] van de bedragen genoemd in de inleidende dagvaarding onder 14 (zijnde aanspraken op achterstallig loon, premies en aanvullingen op WAO en WW-uitkeringen), vermeerderd met wettelijke rente, de wettelijke verhoging van 50% over het gevorderde loon en buitengerechtelijke incassokosten; in de conclusie van antwoord in oppositie onder 11 heeft [eiseres] haar eis ter zake van achterstalligheden in verband met haar vakantiedagen met een bedrag van f 7.626,24 vermeerderd.

[Eiseres] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij op 1 november 1991 als tweede apotheker voor onbepaalde tijd in dienst van [verweerster] is getreden en dat het dienstverband per 1 januari 2000 door opzegging zijdens [verweerster] is beëindigd (inleidende dagvaarding onder 1). De ontslagvergunning is verleend op grond van het feit dat - zakelijk weergegeven - [verweerster] aanvoerde dat [eiseres] langer dan twee jaar arbeidsongeschikt was en binnen de apotheek geen andere passende werkzaamheden voorhanden waren (inleidende dagvaarding onder 2 en 5). Volgens [eiseres] waren er binnen de apotheek wel passende werkzaamheden voorhanden (inleidende dagvaarding onder 3, 4, 6, 8, en 9; conclusie van antwoord in oppositie onder 6, 7, 9). Nu de beëindiging van het dienstverband is geschied onder opgave van een voorgewende reden is het dienstverband kennelijk onredelijk beëindigd (inleidende dagvaarding onder 12; conclusie van antwoord in oppositie onder 8 en 10).

[Eiseres] maakt aanspraak op schadevergoeding ingevolge art. 7:681 BW wegens kennelijk onredelijk ontslag (inleidende dagvaarding onder 12) en op achterstallig loon, premies en aanvulling WAO en WW-uitkeringen (inleidende dagvaarding onder 14).

1.4 Bij verstekvonnis van 15 augustus 2000 heeft de kantonrechter de vorderingen van [eiseres] toegewezen.

1.5 Tegen het vonnis vermeld onder 1.4 is [verweerster] in verzet gekomen bij dagvaarding van 12 september 2000.

In conventie heeft [verweerster] primair aangevoerd dat [eiseres] niet ontvankelijk is in haar vordering. [Eiseres] is op 1 november 1991 in dienst getreden van Erasmus Apotheek B.V.. In 1997 zijn de activiteiten van deze vennootschap overgenomen door Apotheek Moerwijk B.V.. Er bestaat geen arbeidsovereenkomst tussen [verweerster] en [eiseres] (verzetdagvaarding onder 1).

Subsidiair heeft [verweerster] in conventie betoogd dat zij geen passend werk voor [eiseres] beschikbaar had (verzetdagvaarding onder 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 15) en dat het ontslag van [eiseres] niet kennelijk onredelijk is (verzetdagvaarding onder 15). Voorts heeft [verweerster] de aanspraken van [eiseres] op achterstallig loon, premies en aanvulling WAO en WW-uitkeringen bestreden (verzetdagvaarding onder 17, 18, 19, 20, 22, 23 en 24).

Voor het geval dat moet worden aangenomen dat [eiseres] laatstelijk in dienst was van [verweerster], vordert [verweerster] in reconventie primair (als in conventie het beroep van [verweerster] op verrekening zou slagen) betaling door [eiseres] van een bedrag van f 3.240,43 netto met wettelijke rente, de kosten van het geding en buitengerechtelijke incassokosten, en subsidiair (als in conventie het beroep van [verweerster] op verrekening niet zou slagen) betaling door [eiseres] van een bedrag van f 13.581,47 bruto met wettelijke rente, de kosten van het geding en buitengerechtelijke incassokosten.

1.6 Bij conclusie van antwoord in oppositie heeft [eiseres] enige correspondentie en een loonstrook die erop zouden wijzen dat [verweerster] als werkgeefster heeft te gelden, in het geding gebracht. Voorts heeft zij in reconventie gemotiveerd verweer gevoerd.

1.7 [Verweerster] heeft er bij repliek in oppositie (onder 3) op gewezen dat de correspondentie die [eiseres] als productie 2 bij de conclusie van antwoord in oppositie heeft overgelegd, is gevoerd namens apotheek Moerwijk B.V., handelend onder de naam Erasmusapotheek. Voorts heeft [verweerster] kopieën van loonstroken (over augustus 1998, december 1998 en februari 1999), waarop Apotheek Moerwijk B.V. als werkgeefster is vermeld, in het geding gebracht.

[Verweerster] heeft aangevoerd dat zij niet aanwezig is geweest bij het gesprek op 10 december 1997, in welk gesprek aan [eiseres] te kennen is gegeven dat de heren [betrokkene 2], [betrokkene 3] en [betrokkene 4] de nieuwe eigenaren van de apotheek waren. [Verweerster] heeft nimmer met [eiseres] gesproken en het is haar een raadsel hoe [eiseres] haar als werkgeefster kan beschouwen (conclusie van repliek in oppositie onder 3).

1.8 Bij akte ter rolzitting van 27 februari 2001 (onder 3) heeft [eiseres] opgemerkt dat volgens de Kamer van Koophandel Haaglanden Apotheek Moerwijk B.V. is opgericht op 30 december 1998 en op 6 januari 1999 in het handelsregister is ingeschreven.

1.9 Bij vonnis van 1 mei 2001 heeft de kantonrechter het verstekvonnis van 15 augustus 2000 vernietigd en [eiseres] alsnog niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

De kantonrechter heeft hiertoe overwogen dat uit de door [eiseres] bij antwoord in oppositie overgelegde correspondentie en loonstrook niet blijkt dat [verweerster] de werkgeefster van [eiseres] is geweest. De brief van 22 maart 1999 is door [verweerster] namens de Erasmus Apotheek geschreven; nergens in de brief staat te lezen dat [eiseres] in dienst is van [verweerster]. Voorts heeft de kantonrechter overwogen:

"Nu [eiseres] niet heeft betwist dat [verweerster](3) destijds in 1991 in dienst is getreden van Erasmus Apotheek B.V. en dat de activiteiten van deze vennootschap zijn overgenomen door Apotheek Moerwijk B.V., dient ervan te worden uitgegaan dat [eiseres] eerst bij de eerste vennootschap en later op enig moment bij de tweede vennootschap in dienst is gekomen. Immers een overgang van de eerste vennootschap naar [verweerster] is gesteld noch gebleken.

Dat de vennootschap Apotheek Moerwijk B.V. pas op 30 december 1998 is opgericht doet evenmin terzake. Daaruit blijkt immers niet van het feit dat [verweerster] werkgeefster is geworden en haar laatste werkgeefster is gebleven; hooguit betekent het dat deze vennootschap bij de overname van de activiteiten van Erasmus Apotheek B.V. nog in oprichting was.

Het vorenstaande brengt met zich dat ervan dient te worden uitgegaan dat [verweerster] niet de laatste werkgeefster is geweest van [eiseres], zodat de vordering van [eiseres] tegen de verkeerde persoon is ingesteld."

1.10 Tegen dit vonnis heeft [eiseres] bij dagvaarding van 30 juli 2001 hoger beroep bij de rechtbank 's-Gravenhage ingesteld. Zij heeft twee grieven aangevoerd.

De eerste grief richt zich tegen het hiervóór onder 1.9 weergegeven oordeel van de kantonrechter. [eiseres] heeft erop gewezen dat zij in 1991 niet bij Erasmus Apotheek B.V. (die volgens [eiseres] "(k)laarblijkelijk (...) op enig moment (...) ten tonele (is) verschenen"), maar bij [betrokkene 1] in dienst is getreden. Op een bepaald moment dook [verweerster] als eigenares van de apotheek op en heeft zich vanaf dat moment steeds als werkgeefster van [eiseres] gedragen. Klaarblijkelijk heeft [verweerster] op enig moment de eigendom van de apotheek van [betrokkene 1] verworven. Dat, zoals [verweerster] heeft gesteld, de activiteiten van Erasmus Apotheek B.V. in 1997 door Apotheek Moerwijk B.V. zouden zijn overgenomen, is onjuist. Uit het handelsregister blijkt dat Apotheek Moerwijk B.V. eerst op 30 december 1998 is opgericht en op 6 januari 1999 is ingeschreven. Derhalve was [eiseres] vanaf 1 november 1997 in elk geval niet in dienst van apotheek Moerwijk B.V.; zij was in dienst van [verweerster], die handelde onder de naam Erasmus apotheek (memorie van grieven, p. 3). Uit het handelsregister blijkt dat Apotheek Moerwijk B.V. niet onder de naam "Erasmus apotheek" handelde. [Eiseres] heeft zich in verband met het een en ander ook beroepen op documenten waaruit zou blijken dat [verweerster] onder de naam Erasmus apotheek handelde en waaruit, volgens haar, volgt, dat zij bij [verweerster] in dienst was (memorie van grieven, p. 4/5).

Indien [eiseres] al op enig moment in dienst zou zijn getreden van een vennootschap met de naam Erasmus apotheek B.V. (van het bestaan van welke vennootschap zij nooit op de hoogte is geweest), dan is deze vennootschap kennelijk in november 1997 beëindigd en is in elk geval op dat moment [eiseres] in dienst getreden van [verweerster], die op dat moment eigenares van de Erasmus apotheek was (memorie van grieven, p. 5).

Met de tweede grief beoogt [eiseres] de zaak in volle omvang aan de rechtbank voor te leggen.

1.11 [Verweerster] heeft in hoger beroep erkend dat [eiseres] in 1991 bij [betrokkene 1] in dienst is getreden. Kennelijk heeft [betrokkene 1](4) de Erasmus Apotheek (deze handelsnaam is te allen tijde feitelijk gebruikt) ingebracht in Apotheek Moerwijk B.V. i.o., later Apotheek Moerwijk B.V. (memorie van antwoord onder 3). [Verweerster] is nimmer aandeelhouder of bestuurder van Apotheek Moerwijk B.V. of van [A] B.V. geweest. [Verweerster] is niet gerechtigd om leiding te geven aan een apotheek en heeft zich ook op geen enkele andere wijze als eigenares van de apotheek en/of werkgeefster van [eiseres] gemanifesteerd (memorie van antwoord onder 4 en 6).

1.12 Bij vonnis van 18 september 2002 heeft de rechtbank het vonnis van de kantonrechter van 1 mei 2001 bekrachtigd. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat vaststaat dat de onderhavige apotheek(5) op 1 november 1997 in andere handen is overgegaan. Daarmee kwam [eiseres] op grond van artikel 7:663 BW van rechtswege in dienst van de nieuwe ondernemer(s). [Eiseres] heeft op 10 december 1997 kennis gemaakt met twee van de drie nieuwe eigenaren van de apotheek. Vóór de oprichting van Apotheek Moerwijk B.V. per einde 1998 mocht [eiseres] daarom niet zonder meer aannemen dat [verweerster] haar werkgeefster was. Tegen die achtergrond heeft [eiseres] haar stelling dat per (of na) 1 november 1997 [verweerster] als haar werkgeefster had te gelden, onvoldoende onderbouwd (rov. 5.1).

Tussen de overname van de apotheek (op 1 november 1997) en de oprichting van Apotheek Moerwijk B.V. (op 31 december 1998(6)) had(den) één of meer andere personen dan Apotheek Moerwijk B.V. als werkgever van [eiseres] te gelden. Dat dit [verweerster] zou zijn, in afwijking van de drie personen met wie [eiseres] op 10 december 1997 als "eigenaren" heeft kennisgemaakt dan wel die als zodanig aan [eiseres] zijn genoemd, wordt in de stellingen van [eiseres] niet onderbouwd (rov. 5.2).

Ook na 31 december 1998 was er voor [eiseres] geen grond om aan te nemen dat [verweerster] haar werkgeefster was geworden. Immers, blijkens de overgelegde loonspecificatie van februari 1999 werd Apotheek Moerwijk B.V. als werkgeefster vermeld, met als adres dat van de (Erasmus) apotheek. Tevens wordt in de brief van 22 maart 1999 aan [eiseres] gevraagd het door haar verschuldigde bedrag over te maken naar de rekening van Apotheek Moerwijk B.V. (rov. 5.4).

1.13 [Eiseres] heeft tijdig(7) beroep in cassatie ingesteld. [Verweerster] heeft tot verwerping van het beroep geconcludeerd. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten. Namens [verweerster] is gedupliceerd.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 Volgens onderdeel 1 (het eerste en enige onderdeel van het middel) heeft de rechtbank in rov. 5.7 ten onrechte overwogen dat de eerste grief faalt op grond van hetgeen zij in de rov. 5.1-5.6 heeft geoordeeld.

2.2 Volgens de tweede volle alinea van het onderdeel heeft de rechtbank volstrekt onbegrijpelijk geoordeeld dat [eiseres] haar stelling dat zij wel ontvankelijk is in haar vordering jegens [verweerster], onvoldoende heeft onderbouwd. Het onderdeel verwijst naar de stellingen van [eiseres] als geponeerd bij de inleidende dagvaarding, de conclusie van antwoord in oppositie en met name de memorie van grieven.

In cassatie kan niet worden geklaagd over de juistheid van een feitelijk oordeel van de rechter tegen wiens beslissing het cassatieberoep zich richt, maar slechts over de wijze waarop dit oordeel is gemotiveerd(8). Als in cassatie over de onbegrijpelijkheid van een dergelijk oordeel wordt geklaagd, impliceren de ingevolge art. 407 lid 2 Rv aan een cassatiemiddel te stellen eisen dat het cassatiemiddel aangeeft waarom de bestreden beslissing onbegrijpelijk is(9). Daarbij volstaat het niet in algemene zin naar processtukken, stellingen of producties uit de eerdere instanties te verwijzen(10), omdat het feitelijk debat daarmee in wezen wordt heropend(11).

Voor zover de tweede volle alinea van het onderdeel een zelfstandige klacht bevat, stuit deze klacht reeds op het voorgaande af. Het onderdeel verwijst slechts in algemene zin naar de processtukken van [eiseres] in de feitelijke instantie, zonder daarbij een meer precieze vindplaats van de bedoelde stellingen te vermelden. Overigens maakt het enkele feit dat bepaalde stellingen [eiseres] niet met het oordeel van de rechtbank stroken, dit oordeel nog niet onbegrijpelijk. Daarbij is van belang dat de tweede volle alinea van het onderdeel niet uitwerkt waarom de rechtbank, in het licht van de bedoelde stellingen van [eiseres], haar oordeel niet naar behoren zou hebben gemotiveerd.

2.3 De derde volle alinea van het onderdeel opent met de opmerking dat het voorgaande (het gestelde in de tweede volle alinea) temeer geldt daar [eiseres] tevens "voor wat betreft de naam c.q. rechtsgeldige eigenaren c.q. rechtsvorm van de apotheek" onduidelijkheid heeft aangetoond, welke onduidelijkheid niet anders dan aan [verweerster] en/of de B.V. zelf kan worden verweten.

Voor zover [eiseres] zou hebben beoogd aldus een argument aan de tweede volle alinea van het onderdeel toe te voegen, acht ik dat argument niet concludent. Waar het in de gedachtegang van de rechtbank om gaat, is of [eiseres] [verweerster] als haar werkgeefster mocht beschouwen. Dat onduidelijkheid met betrekking tot de naam, de eigenaren en de rechtsvorm van de apotheek zou hebben bestaan, bracht, wat daarvan overigens zij, op zichzelf niet mee dat [eiseres] (juist) [verweerster] als haar werkgeefster mocht beschouwen, zeker niet in het door het onderdeel mede omvatte geval dat de bedoelde onzekerheid (niet door [verweerster] maar) door de B.V. in het leven zou zijn geroepen.

2.4 In rov. 5.2 heeft de rechtbank vastgesteld dat de apotheek zich op de salarisspecificaties in zoverre niet juist heeft aangeduid, dat, waar op de salarisspecificaties van augustus tot december 1998 als werkgever Apotheek Moerwijk B.V. wordt vermeld, daarvoor kennelijk Apotheek Moerwijk B.V. in oprichting moet worden gelezen. Volgens de rechtbank leidt deze omstandigheid niet tot een andere uitkomst voor [eiseres].

Blijkens de overlopende alinea op p. 3/4 van de cassatiedagvaarding acht [eiseres] dit oordeel onbegrijpelijk, omdat de rechtbank daarmee hetgeen [eiseres] op p. 3, 4 en 5 van de memorie van grieven heeft aangevoerd, volstrekt, althans merendeels, links heeft laten liggen. Uit de bedoelde stellingen blijkt, volgens het middel, dat de apotheek zich qua naamsvoering op meerdere manieren en op onjuiste wijze heeft gepresenteerd.

Door naar drie volledige pagina's van de memorie van grieven te verwijzen geeft het middel onvoldoende precies aan om welke stellingen van [eiseres] het gaat(12). Daarbij ware overigens te bedenken dat de rechtbank niet was gehouden op alle, doch slechts op de essentiële stellingen van [eiseres] in te gaan, en dat zij evenmin was gehouden alle stellingen van [eiseres] afzonderlijk in haar motivering te betrekken(13).

Intussen geldt ook hier, dat, voor zover de bedoelde stellingen impliceren dat (in de woorden van het onderdeel) "de apotheek zich qua naamsvoering op meerdere manieren en op onjuiste wijze heeft gepresenteerd", zulks op zichzelf nog niet meebrengt dat [eiseres] (juist) [verweerster] als haar werkgeefster mocht beschouwen. Het aangevochten oordeel is niet onbegrijpelijk, waarbij ik er nog op wijs dat de rechtbank haar oordeel aan het slot van rov. 5.2 nader heeft gemotiveerd door erop te wijzen dat [verweerster] niet behoorde tot de drie personen met wie [eiseres] op 10 december 1997 als "eigenaren" heeft kennis gemaakt of die haar als zodanig werden genoemd.

2.5 Het onderdeel lijkt op p. 4 van de cassatiedagvaarding mede de klacht te bevatten, dat [eiseres] [verweerster] wel degelijk als werkgeefster mocht beschouwen, omdat (i) zelfs [verweerster] achteraf niet op de hoogte was van de naam van de werkgever van [eiseres], (ii) [verweerster] eraan heeft meegewerkt dat [eiseres] haar als werkgeefster heeft beschouwd, daar zij, [verweerster], telkens namens de apotheek optrad, (iii) [verweerster] (zelf) onder de naam Erasmus Apotheek heeft gehandeld, in welk verband [eiseres] zich erop heeft beroepen "meerdere documenten" te hebben aangevoerd, van welke documenten het onderdeel met name de aanvraag van een ontslagvergunning en de brief van de RDA van 16 augustus 1999 noemt.

Daargelaten dat ook hier verwijzingen naar concrete vindplaatsen in de stukken van de feitelijke instanties ontbreken, meen ik dat (i) het feit dat [verweerster] niet wist wie als werkgever had te gelden, géén argument is haarzelf als zodanig te beschouwen, (ii) het feit dat [verweerster] telkens namens de apotheek (en dus niet pro se) optrad, evenmin een argument is haar als werkgeefster te beschouwen, en (iii) [verweerster] de ontslagaanvraag van 22 maart 1999(14) namens de Erasmus Apotheek heeft ondertekend (hetgeen niet op een handelen pro se van [verweerster] wijst; vergelijk in dit verband ook rov. 5.6 van het bestreden vonnis) en de wijze waarop de RDA de aanvrager vervolgens heeft aangeduid, voor de rechtsverhouding tussen partijen niet beslissend is (aldus ook de rechtbank in rov. 5.6). Anders dan het onderdeel betoogt, meen ik dat het bestreden oordeel ook in het licht van de bedoelde omstandigheden niet onbegrijpelijk is en evenmin onvoldoende is gemotiveerd.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Zie rov. 3 van het in cassatie bestreden vonnis. De cursiveringen zijn uit rov. 3 van het vonnis overgenomen.

2 In rov. 3 onder 1 van het bestreden vonnis wordt kennelijk abusievelijk van [betrokkene 1] gesproken; vgl. in dit verband de partijaanduiding op de als prod. 2 bij de memorie van grieven overgelegde overeenkomst.

3 Hier zal "[eiseres]" zijn bedoeld.

4 In de memorie van antwoord wordt kennelijk abusievelijk van [betrokkene 1] gesproken; vgl. in dit verband de partijaanduiding op de als prod. 2 bij de memorie van grieven overgelegde overeenkomst.

5 De rechtbank heeft hiermee ongetwijfeld gedoeld op de apotheek als genoemd in rov. 3 onder 1-3.

6 Volgens de in cassatie niet bestreden feitelijke vaststelling in rov. 3 onder 7 vond de bedoelde oprichting op 30 december 1998 plaats.

7 Het vonnis is op 18 september 2002 gewezen; de cassatiedagvaarding is op 18 december 2002 uitgebracht.

8 A.E.B. ter Heide, Middelmaat: aan een cassatiemiddel te stellen eisen, TCR 2001, p. 79, onder 3.

9 Vgl. A.E.B. ter Heide, a.w., p. 79, onder 2; A-G Bakels, conclusie onder 2.7 voor HR 8 december 2000, NJ 2001, 122, en W.D.H. Asser, Civiele Cassatie (2003), p. 80.

10 W.D.H. Asser, a.w., p. 82, met verwijzing naar HR 10 oktober 1997, NJ 1998, 64 en HR 28 mei 1999, NJ 1999, 694, m.nt. HJS. Vgl. ook HR 6 april 2001, C99/188, JOL 2001, 233, rov. 3.4.

11 Vgl. A.E.B. ter Heide, a.w., p. 79, onder 3; zie voorts onder meer HR 10 oktober 1997, NJ 1998, 64, rov. 3.4.

12 Vgl. HR 6 april 2001, C99/188, JOL 2001, 233, rov. 3.4.

13 Veegens-Korthals Altes-Groen, Cassatie in burgerlijke zaken (1989), nr. 120.

14 Zie hiervóór onder 1.2 (f); de bedoelde aanvraag bevindt zich bij de correspondentie, die als prod. 2 bij de conclusie van antwoord in oppositie is overgelegd.