Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2004:AO4099

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-05-2004
Datum publicatie
11-05-2004
Zaaknummer
00458/03
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSHE:2002:AF3829
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2004:AO4099
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Betekening appèldagvaarding aan griffier gevolgd door verzending aan adres in Indonesië. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat geen van de ten processe naar voren gekomen adressen van verdachte in Indonesië kon gelden als woon- of verblijfplaats van de verdachte in het buitenland ex art. 588.2 Sv. 's Hofs oordeel dat de dagvaarding geldig is betekend ex art. 588.1.b.3 Sv is onjuist noch onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2004, 198
JOL 2004, 256

Conclusie

Griffienr. 00458/03

Mr. Wortel

Zitting:17 februari 2004

Conclusie inzake:

[verzoeker=verdachte]

1. Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch waarbij verzoeker wegens (1) "deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven" en (2 en 3 telkens) "valsheid in geschrift" is veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden.

2. Namens verzoeker heeft mr. J.G.G. Wilgers, advocaat te Yerseke, twee middelen van cassatie voorgesteld.

Bij arrest van dezelfde datum heeft het Hof verzoeker een ontnemingsmaatregel opgelegd. Ook tegen die uitspraak is cassatie ingesteld, en ook inzake dat beroep, bij de Hoge Raad bekend onder griffienr 00459/03 P, concludeer ik heden.

3. Het eerste middel bevat de klacht dat het Hof ten onrechte heeft nagelaten gevolg te geven aan het verzoek van de raadsman getuigen te horen omtrent de precieze woonplaats van verzoeker. Voorts wordt betoogd dat art. 588, tweede lid, Sv is geschonden doordat het Hof heeft goedgevonden dat de appèldagvaarding is verzonden naar een adres waarvan twijfelachtig is dat verzoeker daar woonde, zodat ten onrechte verstek tegen de niet verschenen verdachte is verleend.

4. De bestreden uitspraak is gewezen naar aanleiding van het ter terechtzitting van 26 maart 2002 gehouden onderzoek in hoger beroep.

Bij de cassatieschriftuur is gevoegd een afschrift van een brief gedateerd 21 maart 2002 van mr. J.G.G. Wilgers, advocaat te Yerseke, gericht tot de procureur-generaal in het ressort 's-Hertogenbosch. In deze brief verzocht mr. Wilgers als raadsman van de verdachte om voor de terechtzitting van 26 maart 2002 als getuige op te roepen zestien opsporingsambtenaren van de politie te Djakarta (Indonesië), twee Nederlandse opsporingsambtenaren, en twee medewerkers van het Wereld Natuur Fonds.

Voorts is bij de cassatieschriftuur gevoegd een afschrift van een brief van de advocaat-generaal bij het Gerechtshof, gedateerd 22 maart 2002, houdende een gemotiveerde afwijzing van het verzoek de genoemde personen als getuige op te roepen.

Overigens merk ik op dat ik deze twee bescheiden niet heb teruggevonden bij de stukken die op de voet van art. 434 Sv aan de Hoge Raad zijn toegezonden.

5. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 26 maart 2002 is aldaar niet de verdachte, maar wel mr. Wilgers als raadsman verschenen.

Dit proces-verbaal houdt in dat de voorzitter melding heeft gemaakt van de wijze waarop de dagvaarding van verdachte in hoger beroep was verzonden, de raadsman heeft opgemerkt dat hij door de verdachte niet bepaaldelijk gevolmachtigd was de verdediging te voeren, en vervolgens zijn zienswijze heeft gegeven omtrent het betekenen van de appèldagvaarding, een en ander zoals hierna (onder 16) weergegeven.

6. Uit dit proces-verbaal blijkt niet dat de raadsman het eerder door de advocaat-generaal afgewezen verzoek getuigen op te roepen ter terechtzitting heeft herhaald. Voor zover de raadsman beoogde, gelijk in de toelichting op het middel is gesteld, de getuigen in verband met de betekening van de appèldagvaarding omtrent de precieze woonplaats van de verdachte te horen, was hij in staat het verzoek tot oproeping van de getuigen ter terechtzitting te herhalen, daar het Hof hem de gelegenheid heeft gegeven zich over de betekening van de appèldagvaarding uit te laten.

Dientengevolge kon het Hof aannemen dat de raadsman heeft berust in de eerdere beslissing van de advocaat-generaal, en ervoor heeft gekozen ter terechtzitting niet wederom het verzoek tot oproeping van getuigen te doen.

Derhalve lag, anders dan in het middel wordt verondersteld, ter terechtzitting van 26 maart 2002 geen verzoek voor waarop het Hof diende te beslissen. In zoverre faalt het middel bij gebreke aan feitelijke grondslag.

7. Met betrekking tot 's Hofs oordeel dat de voor verzoeker bestemde dagvaarding om in hoger beroep terecht te staan op geldige wijze is betekend, en tegen de niet-verschenen verdachte verstek kan worden verleend, verdient het volgende opmerking.

8. Blijkens de stukken woont verzoeker reeds geruime tijd in [woonplaats], Indonesië. De bewezenverklaring heeft betrekking op gedragingen die verzoeker aldaar heeft vertoond tussen 1993 en 1996.

Reeds in eerste aanleg heeft de betekening van gerechtelijke mededelingen aan verzoeker voor complicaties gezorgd. De inleidende dagvaarding voor de terechtzitting van de Rechtbank van 7 april 1998 is als gewone brief verzonden naar het toen van verzoeker bekende adres, te weten [a-straat] 1, [woonplaats], Indonesië. Dat is ook het adres dat is vermeld in de brief waarbij de raadsman zich in eerste aanleg stelde.

9. Ter terechtzitting van 7 april 1998 heeft de officier van justitie opgemerkt dat pogingen werden ondernomen om stukken aan verzoeker uit te reiken, en dat verzoeker inmiddels verhuisd scheen te zijn. Op verzoek van de officier van justitie is de behandeling voor onbepaalde tijd aangehouden teneinde de dagvaarding, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van de bevoegde autoriteiten ter plaatse, aan verzoeker te betekenen.

10. Ter terechtzitting van 30 september 1999 heeft de officier van justitie wederom medegedeeld dat het uitreiken van de oproeping niet door de Indonesische autoriteiten was bevestigd, en dat verzoeker zou zijn verhuisd. Op deze terechtzitting was mr. Wilgers aanwezig, die verklaarde:

"Ik treed nog steeds op voor [verdachte]. Bij mij is wel een adres bekend van cliënt maar voor het overige is voor mij ook alles duister. [Verdachte] belt mij altijd. Ik weet van hem geen adres. Ik weet ook niet of de oproeping goed aan hem is uitgereikt. Ik wil dan ook opmerken dat ik niet uitdrukkelijk ben gevolmachtigd om namens hem het woord te voeren. De laatste keer dat ik contact met hem heb gehad is al weer enkele maanden geleden. Ook met betrekking tot de ontnemingsvordering is mij niets bekend. Wel heb ik voor de behandeling van die ontnemingsvordering een brief/oproeping gericht aan cliënt ontvangen. Voor de behandeling van de hoofdzaak heb ik echter geen oproep ontvangen. Hij heeft mij echter niet gevolmachtigd. Ik wil hier slechts aanwezig zijn om te zien of de rechtbank ambtshalve tot de nietigverklaring van de oproeping komt. Wat het huidige adres van [verdachte] is weet ik niet. Waar hij anders zou moeten verblijven weet ik ook niet. Ik kan me niet herinneren dat hij zou hebben gezegd dat hij bij de behandeling van zijn zaak aanwezig zou willen zijn. Mijn cliënt weet dat vandaag de ontnemingsvordering zou worden behandeld. Ik heb hem dat namelijk gemeld. Hij belde mij. Thans blijkt wel dat dit voor hem geen reden was om voor die behandeling hier aanwezig te zijn. Omdat ik niet ben gevolmachtigd kan ik niet antwoorden op de vraag of hij aanhouding van de zaak wenst. Ik heb overigens de hele zaak niet voorbereid."

Op vragen van de officier van justitie deelde mr. Wilgers nog mede:

"Ik ken het adres van mijn cliënt uit de oproeping van verdachte die ik nu bij me heb. Dit is ook het enige adres dat ik van hem ken. Ik weet niet beter dan dat mijn cliënt daar verblijft. Ik ken niet zijn telefoonnummer of zijn faxnummer. Wel heb ik mogelijk het telefoonnummer en faxnummer van [A]."

Aan het proces-verbaal van deze terechtzitting is een faxbericht gehecht, gedateerd 29 september 1999, waarin [verdachte] verklaart dat noch hijzelf, noch een huisgenoot, aan hem gerichte stukken heeft ontvangen, en dat er, indien de Rechtbank zou blijken van betekening van zulke stukken, sprake moet zijn van ontvangst door een derde of van een valse handtekening.

De Rechtbank heeft het onderzoek andermaal aangehouden.

11. De oproeping voor de nadere terechtzitting van 14 december 1999 is verzoeker toegezonden met gebruikmaking van het adres [a-straat] 1/16, [woonplaats], Indonesië. Voorts is een exemplaar van de oproeping verzonden "p/a [A] / [b-straat 1] / [...] / [vestigingsplaats], Indonesië"

Op deze terechtzitting heeft de voorzitter melding gemaakt van de omstandigheid dat een aantal, naar het laatst bekende adres van verzoeker gestuurde, stukken uit Indonesië is teruggekomen met de bemerking "wrong address".

De raadsman heeft een faxbericht overgelegd, gedateerd 14 december 1999, waarin [verdachte] wederom meedeelt "dat ik tot op heden of een huisgenoot van mij geen aan mij gericht (e) officieel (e) stuk( ken) heb ontvangen, en dat deze noch aan mij of een huisgenoot van mij officieel zijn betekend". Tevens deelt [verdachte] in dit bericht mee sinds 1 oktober 1999 niet meer in dienst te zijn van de Firma [A] te [vestigingsplaats].

12. In het op 28 december 1999 gewezen vonnis is overwogen:

"Ten aanzien van de betekening van de oproeping van de verdachte overweegt de rechtbank het navolgende. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting op 30 september 1999 werd geconstateerd dat er onduidelijkheden bestonden omtrent de vraag of in Indonesië wel een adres van verdachte bekend was. De rechtbank heeft daarom het onderzoek ter terechtzitting op 30 september 1999 opnieuw geschorst teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de oproeping van de verdachte per gewone post te verzenden. Thans bevinden zich bij de stukken twee enveloppen die uit Indonesië zijn teruggekomen en waarop staat aangegeven dat het adres van verdachte, te weten [a-straat] 1, [woonplaats], Indonesië, niet juist is.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting op 14 december 1999 heeft Mr. Wilgers een fax overgelegd, afkomstig van verdachte en gedateerd 14 december 1999. Op dit faxbericht wordt geen woon- of verblijfplaats van verdachte genoemd, noch staat daarop een fax- of telefoonnummer waar verdachte zou zijn te bereiken. De rechtbank houdt het er thans dan ook voor dat de verdachte zijn verblijfplaats moedwillig geheim houdt voor de Nederlandse justitie.

De rechtbank is thans van oordeel dat is voldaan aan de voorschriften voor een rechtsgeldige betekening. Verdachte heeft immers noch in Nederland noch in Indonesië een bekend adres terwijl de oproeping van verdachte op 4 november 1999 aan de griffier van de rechtbank is uitgereikt. Voorts is gebleken dat de officier van justitie in deze al het mogelijke heeft gedaan om verdachte van het tijdstip van de behandeling van de onderhavige zaak in kennis te stellen. Tenslotte kan uit het tijdstip van verzending van voormeld faxbericht worden afgeleid dat verdachte wel degelijk op de hoogte was van de terechtzitting en dat hij bewust afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht."

13. Namens verzoeker heeft mr. Wilgers op 7 januari 2000 hoger beroep tegen het vonnis ingesteld. In de daarvan opgemaakte akte is als adres van verzoeker vermeld: "[woonplaats]".

Bij brief van 6 juni 2000 heeft mr. Wilgers zich in hoger beroep als raadsman van verzoeker gesteld, en daarbij als diens adres opgegeven: "[woonplaats], aan de [a-straat]".

14. Bij brief van 9 oktober 2001 heeft de advocaat-generaal bij het Hof de raadsman verzocht te doen weten of het laatst bekend geworden adres van verzoeker, zijnde [a-straat] 1/16, [woonplaats], nog juist was, dan wel de raadsman in het bezit was van een ander adres van verzoeker in Indonesië of in Nederland.

Daarop heeft de raadsman een brief gedateerd 22 oktober 2001 aan de advocaat-generaal gestuurd, met een zodanige redactie dat elk antwoord op de vraag van de advocaat-generaal werd vermeden.

15. De voor verzoeker bestemde dagvaarding in hoger beroep is als gewone brief verzonden naar het adres "[woonplaats] (Indonesië), [a-straat] 1".

16. Het proces-verbaal van de op 16 maart 2002 gehouden terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer in:

"De voorzitter deelt mede dat de dagvaarding van verdachte in hoger beroep is uitgereikt ter griffie van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch aan de (waarnemend) griffier van die rechtbank, omdat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is. Vervolgens is de dagvaarding als gewone brief verzonden aan het op de dagvaarding vermelde adres van geadresseerde in het buitenland.

De raadsman van verdachte deelt mede dat hij door zijn cliënt niet bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het voeren van de verdediging. Hij is bekend met de jurisprudentie met betrekking tot het al dan niet voeren van de verdediging door de raadsman in zulke gevallen. Hij vraagt zich af of zo'n beperking van de rechten van de raadsman is te verenigen met de bepalingen van artikel 6 van het Verdrag van Rome, temeer nu in de onderhavige zaak het huidige adres van zijn cliënt bekend had kunnen zijn.

Hij wijst daarbij op het feit dat de verbalisanten Marijnissen en Hoogendoorn in het huis van cliënt zijn geweest; het adres is dus bekend.

Het adres vermeld in de akte van uitreiking van de dagvaarding in hoger beroep voor de zitting van heden is niet correct. Hij woont niet op een huisadres met nummer I, 1 of 16. Deze dagvaarding dient te worden gezonden naar het huisadres met het nummer I/16. In het verleden, voor 1 januari 1996, woonde hij elders, daarna is hij verhuisd naar voormeld huis waar hij nog steeds woont. De betreffende verbalisanten Marijnissen en Hoogendoorn zijn op dit laatste adres geweest.

Er is ook geen bevestiging geweest dat de dagvaarding is doorgezonden door de Indonesische autoriteiten naar het in de akte van uitreiking vermelde adres: mitsdien is er ook geen bevestiging dat dit adres klopt. Zo verwijs ik naar een brief van het hoofd Bureau Internationale Rechtshulp in strafzaken d.d. 16 september 1999 terzake van de in eerste aanleg betekende oproeping voor de zitting van 30 september 1999. Ook hieruit volgt niet dat de oproeping is uitgereikt op het juiste adres van cliënt.

De voorzitter deelt mede de korte inhoud van een brief van het hoofd Bureau Interpol, Patrick Dijk, d.d. 5 maart 2002.

De advocaat-generaal deelt daarop mede dat de raadsman van verdachte niet heeft gereageerd op zijn brieven omtrent gegevens met betrekking tot het adres van verdachte.

De advocaat-generaal voert vervolgens het woord overeenkomstig een op schrift gesteld standpunt, welk standpunt hij aan het hof overlegt en welk standpunt als hier ingelast dient te worden beschouwd.

De raadsman deelt nog mede dat Indonesië het niet goed vindt dat een dagvaarding daar wordt uitgereikt. Indonesië wil cliënt daar vervolgen voor hetzelfde feitencomplex.

Het hof onderbreekt daarop het onderzoek voor beraad. Het hof hervat vervolgens het onderzoek in de stand waarin het zich bevond.

De voorzitter deelt mede dat het hof van oordeel is dat de dagvaarding van verdachte op een juiste wijze is betekend.

Op vordering van de advocaat-generaal verleent het gerechtshof verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt, dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan."

17. Voor de goede orde merk ik op dat de brief van het Korps landelijke politiediensten, divisie centrale recherche informatie, Afdeling Interpol, gedateerd 5 maart 2002, waarnaar het Hof verwees en die zich bij de stukken bevindt inhoudt dat Interpol Djakarta op 5 februari 2002 heeft medegedeeld dat op een bepaald adres de naam van verzoeker niet bekend is en geen bedrijf met de naam [A] is gevestigd.

18. Bij beoordeling van dit middel, voor zover gericht tegen 's Hofs oordeel dat de dagvaarding om in hoger beroep terecht te staan op geldige wijze is betekend en verstek tegen de niet verschenen verdachte kan worden verleend, zullen de navolgende uitgangspunten gevolgd moeten worden.

19. Indien als vaststaand kan worden aangenomen dat de verdachte niet is ingeschreven in een hier te lande aangehouden GBA, niet in Nederland gedetineerd is en evenmin in Nederland een feitelijke woon- of verblijfplaats heeft, maar van hem wel een adres in het buitenland bekend is, geschiedt de betekening van de dagvaarding door toezending daarvan door het Openbaar Ministerie, hetzij rechtstreeks aan het laatst bekende adres van de verdachte, hetzij door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteiten (art. 588, tweede lid, Sv). Slechts indien zulks uit een toepasselijke verdragsbepaling voortvloeit zal niet volstaan kunnen worden met toezending als gewone brief over de post, vgl. HR NJ 2002, 317, r.o. 3.21.

20. In een rolbeslissing die de Hoge Raad heeft genomen ter terechtzitting van 18 november 2003 (griffienr. 00036/03) is een verlenging van de in art. 437, tweede lid, Sv bedoelde termijn voor het indienen van middelen gegund omdat aannemelijk is geacht dat de in art. 435, eerste lid, Sv bedoelde aanzegging ten onrechte was teruggezonden met de mededeling dat de geadresseerde onbekend was.

Naar mijn oordeel moet het in deze rolbeslissing overwogene ook ten aanzien van de behandeling in feitelijke aanleg als algemene regel gelden.

Indien het ernstige vermoeden rijst dat de met postbestelling belaste autoriteiten of instellingen in het desbetreffende andere land het voor de verdachte bestemde gerechtelijk schrijven ten onrechte niet op het aangegeven adres hebben bezorgd, doch het schrijven als onbestelbaar is teruggekomen om een reden die niet gelegen is in handelingen van de verdachte of in andere, de verdachte toe te rekenen, omstandigheden die kunnen rechtvaardigen dat deze het risico van het niet-ontvangen van het gerechtelijk schrijven moet dragen, zal de behandeling ter terechtzitting aangehouden moeten worden teneinde het gerechtelijk schrijven opnieuw door de post te laten bestellen op het van de verdachte bekende adres in het buitenland.

21. Indien door of namens een verdachte hoger beroep is ingesteld (en overigens ook indien het appèl door het Openbaar Ministerie is ingesteld) moet rekening gehouden worden met de waarschijnlijkheid dat de verdachte zijn aanwezigheidsrecht wil uitoefenen. Daaruit vloeit evenwel ook voort dat van de verdachte die hoger beroep instelt, en die bij de behandeling van dat hoger beroep zijn verdedigingsrechten wenst uit te oefenen, de maatregelen verwacht moeten kunnen worden die in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk zijn om te voorkomen dat de appèldagvaarding hem niet bereikt of de inhoud daarvan niet te zijner kennis komt. Tot zulke maatregelen kan in elk geval worden gerekend dat de verdachte zich voor zijn raadsman - die uit eigen hoofde een afschrift van de appèldagvaarding ontvangt indien hij zich in het hoger beroep heeft gesteld of is toegevoegd - bereikbaar houdt, opdat hij ook langs die weg op de hoogte kan geraken van het tijdstip van de behandeling, vgl. HR NJ 2002, 317, r.o. 3.37.

22. Uit de omstandigheid dat rekening gehouden moet worden met de waarschijnlijkheid dat de verdachte in het door hem ingestelde hoger beroep gebruik wil maken van zijn aanwezigheidsrecht volgt voorts dat de rechter in een aantal situaties niet op de enkele grond dat de verdachte niet ter terechtzitting is verschenen aan kan nemen dat deze vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. Een dergelijke situatie doet zich voor indien hetzij bij het instellen van het rechtsmiddel een ander adres is opgegeven dan het inschrijvingsadres (of het voorheen bekende adres dat geen inschrijvingsadres was), hetzij na het instellen van het rechtsmiddel aan het parket van de beroepsinstantie zulk een ander adres is opgegeven. De appèldagvaarding zal de verdachte op dat, tijdens of na het instellen van hoger beroep opgegeven, andere adres toegezonden moeten worden - bij gebreke waarvan het onderzoek ter terechtzitting aangehouden dient te worden om die toezending alsnog te laten geschieden - tenzij kan worden vastgesteld dat het opgegeven adres inmiddels weer achterhaald is.

23. Uit het hiervoor geschetste procesverloop kan het volgende worden opgemaakt.

24. Tijdens de behandeling in eerste aanleg zijn van verzoeker als adressen bekend geworden: "[a-straat] 1, [woonplaats], Indonesië" en "[a-straat] 1/16, [woonplaats], Indonesië".

25. De hiervóór, onder 12, weergegeven overwegingen van de Rechtbank houden in dat bij de stukken twee uit Indonesië teruggekomen enveloppen zijn gevoegd waarop is aangetekend dat het adres van verzoeker, te weten [a-straat] 1, [woonplaats], Indonesië, onjuist is.

Bedoelde enveloppen bevinden zich bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken. Het zijn plastic enveloppen van het koeriers/bezorgingsbedrijf TNT. Eén daarvan is geadresseerd aan "[verdachte], [a-straat] 1-16, [woonplaats]". De andere enveloppe is geadresseerd aan "[verdachte] / [A], [b-straat 1], [...], [vestigingsplaats]". Op de beide enveloppen is een sticker geplakt met de mededeling "undeliverable consignment / wrong address".

26. Niet onbegrijpelijk heeft de Rechtbank uit het ter terechtzitting van 14 december 1999 overgelegde faxbericht afgeleid dat verzoeker van het plaatsvinden van die terechtzitting op de hoogte is geraakt.

Gelet op de adressering van de als onbestelbaar teruggekomen enveloppen bevattende de dagvaarding voor de terechtzitting in eerste aanleg van 14 december 1999 en op de zo-even genoemde constatering dat verzoeker van die terechtzitting op de hoogte was geraakt, vindt de door de raadsman in hoger beroep betrokken stelling dat verzoeker gedagvaard diende te worden op het bovengenoemde adres doch met huisnummer "I/16" (het eerste cijfer romeins), en de appèldagvaarding daarom ten onrechte is gestuurd naar dat adres met het huisnummer (arabisch) "1" geen steun in het procesverloop tot dat moment.

27. Naar mijn inzicht kon het Hof aannemen dat het huisnummer "1/16" slechts in zoverre van het huisnummer "1" verschilt dat de toevoeging "/16" een appartement binnen een bepaalde bebouwing aangeeft, en dat het achterwege laten van die toevoeging niet tot gevolg behoeft te hebben dat een poststuk onbestelbaar is of de geadresseerde niet bereikt.

28. Voorts blijkt nergens uit dat bij het instellen van het hoger beroep of nadien door of namens verzoeker een ander adres bekend is gemaakt. Integendeel moet worden vastgesteld dat verzoeker niet heeft voldaan aan zijn in HR NJ 2002, 317, r.o. 3.37, benadrukte verplichting de maatregelen te treffen die konden verzekeren dat gerechtelijke mededelingen betreffende het namens hem ingestelde hoger beroep hem konden bereiken. Uit de faxberichten die zijn overgelegd op de terechtzittingen van 30 september 1999 en 14 december 1999 moet worden begrepen dat verzoeker er reeds in eerste aanleg voor koos om geen nadere adresgegevens op te geven, ofschoon hij zich er terdege van bewust was dat de Rechtbank een tegen hem ingestelde strafvervolging diende te behandelen.

Bij het instellen van het hoger beroep is slechts een woonplaats opgegeven. In de brief waarmee de raadsman zich voor de behandeling in hoger beroep stelde is bij verzoekers adres geen huisnummer vermeld. Ofschoon daartoe door de advocaat-generaal uitgenodigd heeft de raadsman ook nadien geen nadere adresgegevens van verzoeker verschaft. Uit de mededelingen die de raadsman deed moet worden opgemaakt dat verzoeker heeft nagelaten zodanige contacten met zijn raadsman te onderhouden dat deze verzoeker op de hoogte kon brengen van het tijdstip van de behandeling in hoger beroep.

29. Het komt mij daarom voor dat het in dit middelonderdeel bestreden oordeel aldus verstaan moet worden dat het Hof heeft vastgesteld dat geen ander adres van verzoeker achterhaald is kunnen worden dan "[a-straat] 1/16, [woonplaats], Indonesië"; dat daarvan niet wezenlijk verschilt het in de appèldagvaarding vermelde adres "[a-straat] 1, [woonplaats], Indonesië", en dat verzoeker, voor zover hij geen kennis heeft genomen van de naar dit adres verstuurde dagvaarding in hoger beroep, aangemerkt moet worden als een verdachte wiens adres onbekend is om redenen die aan hemzelf te wijten zijn.

30. Aldus verstaan is het oordeel dat de appèldagvaarding naar de wettelijke vereisten is betekend niet onbegrijpelijk, zodat ook de tweede klacht in dit middel faalt.

31. In het tweede middel wordt er over geklaagd dat art. 6 EVRM, art. 263 Sv en art. 68 Sr zijn geschonden doordien de raadsman niet in de gelegenheid is gesteld ter verdediging aan te voeren dat verzoeker in Indonesië is vrijgesproken van een tenlastelegging die betrekking had op hetzelfde feitencomplex dat ten grondslag ligt aan de in Nederland tegen verzoeker aangevangen strafvervolging, en doordat het Hof heeft goedgevonden dat het Openbaar Ministerie weigerde Indonesische opsporingsambtenaren als getuige op te roepen.

32. Om steun te geven aan het betoog dat de raadsman ter verdediging een beroep heeft willen doen op art. 68 Sr, althans het "ne bis in idem" beginsel, (en ook ter nadere adstructie van hetgeen in het eerste middel is aangevoerd) zijn bij de cassatieschriftuur stukken gevoegd, gesteld in het Bahasa Indonesia, die volgens de toelichting op het middel de uitspraken van de Indonesische rechter voorstellen waarbij verzoeker (in eerste aanleg en in hoger beroep) is vrijgesproken.

Aan die stukken zal bij beoordeling van de cassatieklachten voorbijgegaan moeten worden, daar aan deze stukken slechts een feitelijke betekenis gehecht zou kunnen worden en niet blijkt dat daarop reeds in feitelijke aanleg een beroep is gedaan.

33. De raadsman die niet ingevolge art. 279, eerste lid, Sv heeft opgegeven door de verdachte uitdrukkelijk tot het voeren van de verdediging te zijn gemachtigd, is ter terechtzitting slechts bevoegd het woord te voeren ter toelichting van de afwezigheid van de verdachte en teneinde aanhouding van de behandeling te verzoeken, met het oog op het alsnog effectueren van het aanwezigheidsrecht van de verdachte of ten behoeve van het alsnog verkrijgen van een machtiging als zo-even bedoeld. Het staat de rechter niet vrij de raadsman die opgeeft over een dergelijke uitdrukkelijke machtiging niet te beschikken het woord te geven met betrekking tot andere, met de verdediging samenhangende, onderwerpen.

Deze toepassing van art. 279 Sv zal in beginsel niet in strijd zijn met de eisen die voortvloeien uit art. 6, eerste lid en derde lid aanhef en onder c, EVRM. Laatstgenoemd verdragsvoorschrift brengt immers mee dat de verdachte het recht heeft om zich bij zijn verdediging te laten bijstaan door een raadsman van zijn keuze of door een toegevoegde advocaat, doch verzet zich niet tegen het voorschrift dat die keuze, onderscheidenlijk verdachtes instemming met het optreden van de raadsman, tot uitdrukking moet komen in een nadrukkelijke machtiging van de verdachte.

Het valt niet uit te sluiten dat de in art. 6 EVRM gewaarborgde verdedigingsrechten in uitzonderlijke gevallen tot een ander oordeel nopen, vgl. HR NJ 2002, 77, HR NJ 2002, 338 en HR 30 september 2003, LJN AI1571.

34. De bevoegdheden die een verdachte in de zesde titel, tweede Boek, van het Wetboek van Strafvordering zijn toegekend - waaronder de bevoegdheid de oproeping van getuigen te verzoeken - komen, in geval ter terechtzitting niet de verdachte doch wel diens raadsman is verschenen, ingevolge art. 331, eerste lid, Sv uitsluitend aan de raadsman toe indien hij op de voet van art. 279 Sv tot de verdediging kan worden toegelaten.

35. 's Hofs klaarblijkelijk oordeel dat niet is gebleken van een uitzonderlijke omstandigheid die er in het licht van de in art. 6 EVRM gewaarborgde verdedigingsrechten toe noopt de raadsman, ofschoon hij verklaarde niet over een uitdrukkelijke machtiging als bedoeld in art. 279 Sv te beschikken, het woord ter verdediging te laten voeren acht ik niet onbegrijpelijk.

36. Ingevolge de beslissing die de advocaat-generaal voorafgaand aan de terechtzitting op het tot hem gerichte verzoek heeft genomen waren geen getuigen op de lijst geplaatst. Ter terechtzitting kon namens de verdachte geen verzoek worden aangedaan als bedoeld in art. 287, derde lid onder a Sv dan wel art. 315 jis de art. 328 en 331 Sv.

Dientengevolge was het Hof niet gehouden een beslissing omtrent het oproepen van getuigen te nemen.

37. Ook het tweede middel faalt.

38. Mijns inziens leent in ieder geval het tweede middel zich voor afdoening met de in art. 81 RO bedoelde korte motivering.

39. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,