Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2004:AO3876

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
14-05-2004
Datum publicatie
14-05-2004
Zaaknummer
R03/105HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2004:AO3876
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

14 mei 2004 Eerste Kamer Rek.nr. R03/105HR JMH/IS Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [De man], wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand, t e g e n [De vrouw], wonende te [woonplaats], VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. M.J.W. Hoek. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 245
NJ 2004, 371
RvdW 2004, 73
EB 2004, 65
JWB 2004/180

Conclusie

Zaaknr. R03/105HR

Mr. Huydecoper

Parket, 13 februari 2004

Conclusie inzake

[de man]

verzoeker tot cassatie

tegen

[de vrouw]

verweerster in cassatie

Feiten en procesverloop

1) In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan (p. 1-2 van de in cassatie bestreden beschikking van het hof, onder "Vaststaande feiten"):

2) Bij beschikking van 18 april 1997 heeft de rechtbank tussen de partijen, met elkaar gehuwd op 27 juni 1972, de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is ingeschreven op 27 juni 1997(1). Bij de echtscheidingsbeschikking is bepaald dat de alimentatie voor de verweerster in cassatie, de vrouw, f. 2.250,- (€ 1.021,01) per maand zal bedragen.

3) Op 18 februari 2002 heeft de vrouw de rechtbank verzocht de alimentatie m.i.v. 1 januari 2001(2), althans vanaf 18 februari 2002, danwel vanaf een datum die de rechtbank juist acht, vast te stellen op f. 3.250,- (€ 1.474,79) per maand, danwel op een bedrag dat de rechtbank juist acht. De verzoeker tot cassatie, de man, heeft tegen dit verzoek verweer gevoerd en zijnerzijds verzocht de alimentatie te verlagen en in duur te beperken tot 27 juni 2007. De rechtbank heeft de alimentatie m.i.v. 1 januari 2001 bepaald op € 995,59/f 2.194,20 p.m. (het verzoek van de man werd in zoverre dus gehonoreerd), met afwijzing van het meer of anders verzochte.

4) De vrouw ging in hoger beroep. Het hof heeft de beschikking van de rechtbank vernietigd en de alimentatie, m.i.v. 1 januari 2001, bepaald op € 1.400,- (f 3.085,19) per maand, en m.i.v. 1 januari 2003 op € 1.200,- per maand (het verzoek van de vrouw werd dus alsnog gedeeltelijk toegewezen).

5) De man is (tijdig) in cassatie gekomen. Namens de vrouw is verweer gevoerd(3).

Overige uitgangspunten in cassatie

6) In cassatie kan voorts worden uitgegaan van het volgende (bestreden beschikking onder "Beoordeling", rov. 4):

"De vrouw heeft aangetoond dat haar inkomen uit uitkeringen vanaf 2001 is gedaald, hetgeen door de man is erkend. In zoverre is sprake van een wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401 BW, en zal het hof de behoefte van de vrouw aan een aanvullende alimentatie van de man met ingang van 1 januari 2001 opnieuw vaststellen."

alsmede (bestreden beschikking onder "Ten aanzien van de man"):

"De draagkracht van de man is thans niet in het geding(4). Hij is hertrouwd met een vrouw die in eigen levensonderhoud voorziet."

Bespreking van het cassatiemiddel

7) Het middel bevat een (aanzienlijk) aantal motiveringsklachten, te bespreken in de alinea's 18 - 33 hierna; en één rechtsklacht, die ik aldus samenvat, dat het hof bij de beoordeling van de behoefte van de vrouw geen rekening had mogen houden met het namens de vrouw benadrukte feit dat zij kosten van levensonderhoud en studie voor de beide (jong) meerderjarige zoons van partijen voor haar rekening had genomen. Ik bespreek die klacht, die in het cassatierekest in de alinea's 1.8 en 2.3.1 - 2.3.11 ("Klacht 3") wordt geformuleerd en toegelicht, als eerste.

8) Om te beginnen: ik denk dat de klacht terecht tot uitgangspunt neemt dát het hof in de bestreden beschikking bij de beoordeling van de behoefte van de vrouw de kosten die zij voor levensonderhoud/studie van de zoons van partijen heeft betaald, heeft betrokken: dat blijkt uit rov. 7, al wordt daar (en ook elders in de bestreden beschikking) niet expliciet vermeld welk bedrag aan kosten (en ook niet precies: welke tijdvakken van betaling daarvan) het hof in aanmerking heeft genomen.

9) Het middel verdedigt de zojuist omschreven rechtsklacht met twee argumenten: (jong)minderjarigen hebben een eigen recht om hun aanspraken terzake van levensonderhoud jegens hun ouder(s) geldend te maken, en dan gaat het niet aan om wat in feite dezelfde aanspraak is, via het recht op alimentatie van de andere ouder voor rekening van de alimentatieplichtige te brengen; en de wet verzet zich tegen verhaalsaanspraken van ouders terzake van na scheiding gemaakte kosten van levensonderhoud e.a. voor kinderen(5).

Voor de beoordeling van deze klacht lijkt mij het volgende van belang:

10) Bij de bepaling van de onderhoudsplicht van ex-echtgenoten jegens elkaar vormen de wederzijdse draagkracht en behoefte de belangrijkste - ofschoon niet de enige - wegingsfactoren.

Beide - behoefte en draagkracht - zijn overigens de door optellen en aftrekken verkregen resultanten van dezelfde gegevens, namelijk: de middelen die de betrokkene tot zijn beschikking heeft enerzijds, en de lasten die (in redelijkheid) voor zijn rekening komen anderzijds. Als die optelling/aftreksom uiteindelijk positief uitvalt - en er dus iets overblijft - spreken wij van "draagkracht"; terwijl als de optelling/aftreksom een tekort oplevert, er "behoefte" is.

Tegen die achtergrond is men geneigd te denken dat de factoren die in de berekening mogen worden betrokken, in beide gevallen dezelfde (moeten) zijn: de redelijkerwijs beschikbare/aan te wenden middelen, en de redelijkerwijs voor rekening van de betrokkene komende lasten. Het doet gewrongen aan dat lasten - bijvoorbeeld: levensonderhoud/studiekosten voor personen die rechtens geen aanspraak kunnen maken op alimentatie, maar ten opzichte waarvan de betrokkene wel "moreel" verplicht is(6)- in aanmerking zouden mogen worden genomen zodra de saldering positief uitvalt (dus zolang er per saldo "draagkracht" is), maar zodra het saldo negatief dreigt te worden (en de betrokkene dus per saldo "behoefte" heeft) niet meer in de telling zouden mogen worden meegenomen. Er zou een degelijke rechtvaardiging aangewezen moeten kunnen worden, wil men die uitkomst voor lief nemen(7).

11) Zo'n rechtvaardiging zou misschien hierin kunnen worden gevonden, dat het als - enigszins - oneigenlijk treft dat de alimentatieplichtige zou (moeten) bijdragen aan het levensonderhoud van personen ten opzichte waarvan hij niet alimentatieplichtig is, langs de band van het feit dat de alimentatiegerechtigde die personen onderhoudt, en de daarvoor gemaakte kosten in diens behoefte worden betrokken. Maar is dat werkelijk "oneigenlijk"?

12) De vraag dringt zich in zijn meest pregnante vorm op als de alimentatiegerechtigde (onderhouds)verplichtingen, "moreel" of anderszins, heeft ten opzichte van personen met wie de alimentatieplichtige rechtens niets uitstaande heeft. Dat komt met enige regelmaat voor. Een praktijkvoorbeeld vormen stiefkinderen: als de stiefouder scheidt van de ouder van de betreffende kinderen, is er geen alimentatieaanspraak van de stiefkinderen op de gewezen stiefvader of -moeder(8). (Men kan een vergelijkbaar voorbeeld bedenken als het gaat om pleegkinderen.)

Het laat zich geredelijk denken dat een alimentatieplichtige ten opzichte van dergelijke personen geen (morele) verplichting ervaart of heeft, maar de op zijn onderhoudsbijdrage aangewezen alimentatiegerechtigde wel. Is dan vol te houden dat de lasten die de alimentatiegerechtigde daarvoor op zich neemt, niet bij de beoordeling van zijn behoefte in aanmerking mogen worden genomen, omdat daardoor de alimentatieplichtige, indirect of "oneigenlijk", alimentatie zou betalen voor personen die niet tot zijn last (mogen) komen?

13) De vraag is mede daardoor lastig, omdat de spiegelbeeldige situatie ongetwijfeld wèl bestaat. Ik bedoel dan dat de alimentatiegerechtigde geconfronteerd kan worden met het feit dat de alimentatieplichtige lasten in mindering op zijn draagkracht brengt die rechtens niet voor zijn rekening komen, en waar de alimentatiegerechtigde niets mee uitstaande heeft - zoals lasten voor levensonderhoud ten behoeve van de (voor)kinderen van de nieuwe partner van de alimentatieplichtige, met wie deze (nog) niet getrouwd is. Uit de in voetnoot 6 genoemde vindplaatsen blijkt dat zulke lasten inderdaad bij de bepaling van de draagkracht in aanmerking mogen (en moeten) worden genomen.

14) Deze lastige afweging wordt weer wat makkelijker als het - zoals in het voorliggende geval - gaat om personen waarmee niet alleen de alimentatiegerechtigde, maar ook de alimentatieplichtige juridisch relevante betrekkingen heeft - dus bijvoorbeeld om kinderen die jegens beide betrokkenen een aanspraak - rechtens of "moreel"- op ondersteuning hebben. Althans in dat geval, zou ik menen, slaat de balans in die zin door, dat niet gezegd kan worden dat het betrekken van de ten behoeve van zulke personen gemaakte kosten bij de behoefte van de alimentatiegerechtigde, ten opzichte van de alimentatieplichtige als oneigenlijk is te beschouwen.

15) Het zou mij, in dit verband, een anomalie toeschijnen wanneer rechtens afdwingbare alimentatieverplichtingen van een kind ten opzichte van zijn beide ouders niet op de eerder besproken manier in aanmerking zouden mogen worden genomen (dus: niet als lasten aan de kant van de alimentatiegerechtigde ouder die het kind in feite levensonderhoud heeft verstrekt, zouden mogen "meetellen"), terwijl dat voor alleen "moreel" geldende verplichtingen wèl zou kunnen (dit aan de hand van de redenering dat in het eerste geval het alimentatiegerechtigde kind de uiteindelijk alimentatieplichtige ouder ook rechtstreeks had kunnen (doen) aanspreken, terwijl dat in het andere geval niet zo zou zijn). Per saldo denk ik dan, dat "meetellen" hier in beide gevallen mogelijk moet zijn.

16) Het tweede argument dat ter verdediging van de onderhavige klacht in stelling wordt gebracht beoordeel ik (eveneens) als ongegrond: een verhaalsrecht voor (een deel van) aan een onderhoudsgerechtigde betaald onderhoud is nu eenmaal iets wezenlijk anders, dan de bevoegdheid om in dat verband gemaakte lasten te betrekken bij de behoefte van een tot alimentatie gerechtigde partij. De bezwaren die tegen het eerste bestaan - namelijk: dat daarbij de afweging die de wet bij de waardering van aanspraken op levensonderhoud voorschrijft, op arbitraire wijze wordt doorkruist - gelden in het andere verband (juist) niet. Daar kan met alle omstandigheden die bij de waardering van levensonderhoudsaanspraken een rol spelen, volledig rekening worden gehouden.

17) Dat brengt mij ertoe de argumenten van de in alinea 7 hiervóór genoemde onderdelen van het cassatierekest van de hand te wijzen. De in het verlengde daarvan aangevoerde motiveringsklachten beschouw ik al daarom als ongegrond, omdat motiveringsklachten een rechtsoordeel als waar het hier om gaat, niet kunnen aantasten(9).

18) De overige klachten van het middel richten zich tegen (verschillende onderdelen van) de motivering van de bestreden beschikking.

Bij de beoordeling van motiveringsklachten in alimentatiezaken gelden een aantal bijzonderheden(10):

- aan oordelen die alleen de vaststelling van de behoefte en/of de draagkracht van de partijen betreffen, wordt geen strenge motiveringseis gesteld(11).

- (Ook) alimentatiebeschikkingen moeten tenminste zodanig worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geven in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang, om de beslissing zowel voor partijen als voor derden - in het geval van openstaan van hogere voorzieningen: de hogere rechter daaronder begrepen - controleerbaar en aanvaardbaar te maken(12);

- De omvang van de motiveringsplicht hangt mede af van het partijdebat(13); op essentiële stellingen/argumenten uit dat debat moet in de motivering (uiteraard: met een logisch houdbaar betoog) worden ingegaan(14).

Voor sommige, meer ingrijpende alimentatiebeslissingen gelden andere (strengere) motiveringseisen. Zo'n beslissing is in deze zaak niet aan de orde(15), zodat ik daar niet op in zal gaan.

19) Aparte vermelding verdient nog: de ingangsdatum van een beslissing tot vaststelling of wijziging van een uitkering tot levensonderhoud. Ingevolge de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever wordt in dat opzicht een ruime vrije marge aan de (feitelijke) rechter gelaten(16).

Men kan licht menen dat daaruit voortvloeit, dat ook de motiveringsplicht van de feitelijke rechter beperkt is, als het gaat om het verband tussen de ingangsdatum van door hem vastgestelde alimentatieverplichtingen enerzijds, en het tijdstip waarop de voor de alimentatieverplichting relevante feiten intraden anderzijds. Ware het immers anders - dus: zou de rechter gehouden zijn om dragende redenen aan te geven voor een beslissing waarbij een ingangsdatum van een alimentatieverplichting anders wordt vastgesteld dan rechtstreeks uit de voor die verplichting relevante (verandering van de) feiten voortvloeit -, dan zou de vrijheid van de rechter bij de bepaling van de ingangsdatum langs deze (indirecte) weg aan beperkingen worden gebonden, die met de door de wetgever beoogde vrijheid slecht te rijmen zijn(17). Desondanks ligt in de rede dat ook hier de minimum-eis van begrijpelijkheid geldt, waarnaar de in voetnoot 12 aangehaalde rechtspraak verwijst. Bovendien zal op evident relevante stellingen van partijen gerespondeerd moeten worden(18).

In alinea 33 hierna, zal dit aspect in de beoordeling worden betrokken.

20) Het vinden van de middenweg tussen de twee hiervóór globaal aangegeven "polen" - geen strenge eisen aan de motivering enerzijds, maar wel een motivering die de beslissing begrijpelijk maakt en aan de essentiële stellingen van partijen recht doet wedervaren anderzijds - plaatst de praktijk wel eens voor moeilijkheden. Zonder de pretentie te hebben die moeilijkheden te kunnen oplossen, verdedig ik dat de aangehaalde bronnen duidelijk maken dat de motivering van een bestreden (alimentatie)beslissing geen lacunes mag vertonen waardoor men niet met een redelijke mate van precisie - maar wel: in grote lijnen, waarbij details (dus) onbesproken mogen blijven - kan vaststellen hoe de rechter over een door partijen opgeworpen geschilpunt heeft geoordeeld, en welke gedachtegang hij daarbij heeft gevolgd(19).

Ik bespreek de verdere klachten van het middel met dit uitgangspunt voor ogen.

21) In onderdeel 2.1 ("Klacht 1") bestrijdt het middel de vaststelling uit rov. 7 van de bestreden beschikking, dat de man niet meer dan f. 300,- per maand aan het levensonderhoud van de (jongmeerderjarige) zoons van partijen zou hebben bijgedragen.

Die klacht lijkt mij om twee redenen niet doeltreffend:

In de eerste plaats is deze vaststelling niet dragend voor het door het hof gegeven oordeel: het gaat er in deze rechtsoverweging om dat de vrouw in redelijkheid kon menen dat zij aan het levensonderhoud van de zoons moest bijdragen, omdat de bijdrage van de man onvoldoende was om de kosten van studie en levensonderhoud te dekken. Hoeveel de man precies bijdroeg is daarbij van secundair belang: het gaat erom dat de vrouw kosten die in redelijkheid gemaakt konden worden, voor haar rekening heeft genomen.

22) Ten tweede bieden de gedingstukken geen steun voor de stelling dat de man na 1 januari 2001 - de datum met ingang waarvan het hof de alimentatie nader heeft vastgesteld - nog in relevante mate aan het levensonderhoud van de zoons heeft bijgedragen. De man heeft verklaard dat hij de alimentatiebetaling ten behoeve van de zoons heeft stopgezet toen die 21 jaar werden. Dat was voor de jongste zoon [de zoon] in mei 2001 het geval. Het overzicht van extra betalingen die de man zou hebben gedaan en waarnaar het middel in alinea 2.1.3 verwijst(20), heeft betrekking op de jaren 1997 - 1999(21).

De stukken lijken dus uit te wijzen dat de man in de periode na 1 januari 2001 (gemiddeld) aanzienlijk minder dan f. 300,- per maand aan het levensonderhoud van de twee zoons van partijen heeft bijgedragen, en niet méér. Uit de verdere uitingen waarnaar het middel in alinea's 2.1.3 - 2.1.5 verwijst, blijken geen gegevens die een andere uitkomst kunnen ondersteunen (al was het maar omdat nergens wordt aangegeven welke periode in die uitingen wordt bedoeld). De bestreden overweging is daarom inderdaad niet goed met de stukken te rijmen - maar het zou aan de vrouw zijn om zich daarover te beklagen, en niet aan de man.

23) In onderdeel 2.2 ("Klacht 2") wordt aangevoerd dat de vaststelling - opnieuw in rov. 7 - dat de vrouw tijdens hun "jong-meerderjarigheid" in de kosten van studie en levensonderhoud van de zoons heeft bijgedragen, in het licht van de gedingstukken onbegrijpelijk zou zijn.

24) Voor zover deze klacht ziet op de periode vóór 1 januari 2001 laat ik die onbesproken. Partijen procedeerden immers over de alimentatieverplichting met ingang van die datum, en het hof heeft de nadere vaststelling ook op die datum laten ingaan. Voor het overige geldt dat de vrouw in eerste aanleg had overgelegd(22): een door haar opgesteld overzicht van de kosten die zij voor de kinderen zou hebben betaald(23); bankafschriften tot 07-08-2001 waaruit betalingen aan de kinderen blijken, en brieven van de beide zoons van 14 mei 2002 en 18 april 2002. Uit die stukken kan wel degelijk worden opgemaakt dat de vrouw in de kosten van levensonderhoud en studie van de zoons heeft bijgedragen. Bovendien had de man in de feitelijke instanties niet betwist dat de vrouw een deel van de kosten van de studerende kinderen voor haar rekening heeft genomen (hij heeft alleen weersproken dat die kosten van de door de vrouw gestelde omvang waren).

Ik merk daarom ook deze klacht als ongegrond aan.

25) Voorzover de klacht er ook op doelt dat het hof eraan voorbij zou hebben gezien dat de zoons van partijen sedert 6 mei 2001 beide de leeftijd van 21 jaar hadden bereikt, denk ik dat die op een verkeerde lezing berust. Weliswaar wordt de uitdrukking "jong-meerderjarig" die het hof in rov. 7 ook gebruikt, vaak toegepast om de leeftijdscategorie van 18 - 21 jaar aan te duiden; maar nu van de kant van de man was aangevoerd dat hij de alimentatiebetaling voor de zoons had gestopt toen die 21 werden(24) èn in het verweerschrift in appel op p. 3, zevende alinea expliciet bezwaar wordt gemaakt tegen het feit dat de kosten van levensonderhoud voor kinderen van ouder dan 21 jaar via de behoeftevaststelling van de vrouw "verkapt" ten laste van de man zouden worden gebracht, is het onaannemelijk dat het hof eraan voorbij zou hebben gezien dat de zoons die leeftijd inmiddels hadden bereikt. Kennelijk heeft het hof de uitdrukking "jong-meerderjarig" dus niet in de zojuist bedoelde, beperkte betekenis gebezigd.

26) Onderdeel 2.4 van het middel ("Klacht 4"; ik beschouw de klacht van onderdeel 2.3 ("Klacht 3") als voldoende besproken in de alinea's 7 - 17 hiervóór) is gericht tegen de slotzin van rov. 6: het hof zou niet hebben mogen nalaten, de daar bedoelde uitgaven te kwantificeren.

Ook deze klacht lijkt mij niet doeltreffend. De rechtbank had in de eerste aanleg precies aangegeven welke van de betreffende uitgaven zij als redelijk aanmerkte, met opgave van de daarmee gemoeide bedragen. Anders dan in alinea 2.4 van het cassatierekest wordt gesteld, behoeft men in het verweerschrift namens de man in appel niet "in te lezen" dat tegen deze beoordeling door de rechtbank bezwaar wordt gemaakt. Ik neem dan ook aan dat het hof ervan uit is gegaan dat de man zich bij deze vaststellingen van de rechtbank neerlegde; dat is, ook in het licht van p. 2, alinea 3 van het verweerschrift in appel, alleszins begrijpelijk. Dat zo zijnde, kon van het hof niet worden verlangd dat het zijn oordeel daarover nader motiveerde.

27) Onderdeel 2.5 ("Klacht 5") bevat drie van elkaar losstaande motiveringsklachten.

De eerste daarvan, omschreven in alinea 2.5.2, voert aan dat te zeer onduidelijk zou zijn, van welke inkomensgegevens het hof is uitgegaan.

Voor de jaren 2001 en 2002 lijkt dat verwijt mij niet juist: het hof geeft op p. 2 van de beschikking onder het hoofdje "Ten aanzien van de vrouw" precies aan met welk inkomen over die jaren rekening is gehouden(25). Opgeteld (en waar nodig omgerekend) gaat het dan voor 2001 om (f. 28.406 + f. 1.370 =) f. 29.776 bruto, en voor 2002 om (€ 12.784 + € 1.320) x 2,21 =f. 31.169 bruto. De aldus in aanmerking genomen bedragen zijn inderdaad wezenlijk lager dan het inkomen waarvan bij de oorspronkelijke alimentatievaststelling werd uitgegaan (f. 2.958 per maand, dus inclusief vakantiegeld omstreeks f. 38.000 per jaar) - een gegeven dat overigens, blijkens de in cassatie niet bestreden vaststellingen in rov. 4 van de bestreden beschikking, als zodanig ook niet was weersproken.

28) Voor 2003 geldt, zoals het onderdeel met juistheid aanvoert, dat het hof in het geheel niet aangeeft in welk opzicht het inkomen van de vrouw verder zou zijn verminderd, en dus ook niet, van welk inkomen het hof voor dat jaar uitgaat. Toch meen ik dat hier niet van een ontoelaatbaar manco in de motivering kan worden gesproken: er was nu eenmaal vanwege de partijen slechts gesteld dát (en ook niet betwist dat(26)) er in 2003 van een verdere vermindering sprake was, zonder nadere gegevens. Het hof kon daarom niet meer, dan dat feit vaststellen en er, voor wat het waard was, rekening mee houden. Het ligt overigens in de rede dat dat feit voor de door het hof gevonden uitkomsten geen noemenswaardig gewicht in de schaal heeft gelegd: van een qua omvang niet nader gepreciseerde wijziging kan immers het gewicht niet worden beoordeeld.

Die beschouwingen leiden ertoe dat ik ook deze klacht afwijs.

29) Hetzelfde geldt voor de klacht van onderdeel 2.5.4. Ik meen dat uit de bestreden beschikking voldoende duidelijk blijkt dat het hof de door de vrouw voor de zoons gedane uitgaven ook na hun 21e verjaardagen (en totdat zij economisch onafhankelijk werden) als redelijke lasten heeft beoordeeld waarmee bij de bepaling van haar draagkracht resp. behoefte rekening moest worden gehouden. Om de in alinea's 7 - 17 hiervóór besproken redenen lijkt mij dat niet rechtens onjuist; en gelezen zoals ik zojuist heb aangenomen, is dit oordeel bepaald niet onbegrijpelijk.

30) Blijft over de zowel in onderdeel 2.5.3 als in onderdeel 2.5.4 tot uiting komende klacht dat de beschikking onvoldoende duidelijk zou maken langs welke weg het hof tot de alimentatievaststellingen per 1 januari 2001 en 1 januari 2003 is gekomen.

31) Voor de vaststelling per 1 januari 2001 begrijp ik de beschikking van het hof zo, dat het aan de hand van de vaststaande inkomensteruggang voor het jaar 2001 is overgegaan tot een nieuwe beoordeling van de behoefte van de vrouw - dus het gesaldeerde verschil tussen haar middelen en de redelijkerwijs voor haar rekening komende lasten. Bij die beoordeling heeft het hof zich expliciet uitgelaten over de punten die in appel in het partijdebat op de voorgrond hadden gestaan: de woonlasten van de vrouw; haar "extra" uitgaven in verband met een boven minimale levensstandaard; en de redelijkerwijs voor haar rekening komende lasten in verband met de zoons. Als men die gegevens in aanmerking neemt kan men geredelijk komen tot de door het hof gevonden alimentatie van € 1.400,- per maand. Uit de vaststellingen van het hof blijkt immers een inkomensteruggang van (ongerekend inflatie) ongeveer € 3000 per jaar (dus ongeveer € 250 per maand), terwijl voor ca. € 100 per maand méér aan woonlasten en pensioenpremie in aanmerking werd genomen dan de rechtbank had gedaan. Voeg daarbij dat het hof, anders dan de rechtbank, de voor de zoons van partijen betaalde kosten wèl als relevant aanmerkte, en de uitkomst van een alimentatie die ongeveer € 400 per maand hoger uitvalt dan het door de rechtbank vastgestelde bedrag, is het tegendeel van verrassend.

Ongetwijfeld ware het de verstaanbaarheid van de beslissing ten goede gekomen wanneer het hof nader had uiteengezet, welke concrete bedragen in zijn afweging werden betrokken en welk gewicht daaraan is toegekend - maar de hoger besproken maatstaf voor de motivering van oordelen over behoefte/draagkracht vereist dat niet. Ik tref hier niet een lacune aan, waar men niet althans de grote lijn waarlangs het hof tot zijn oordeel is gekomen, voldoende kan onderkennen.

32) Met de vaststelling per 1 januari 2003 heb ik wat meer moeite; maar per saldo denk ik dat daarvoor, mutatis mutandis, het zojuist gezegde van overeenkomstige toepassing is.

Ten eerste: het lijkt mij (voldoende) duidelijk dat de nadere vaststelling per die datum is ingegeven door het feit dat de vrouw rondom die datum werd bevrijd van de lasten die zij tot dan toe voor de zoons van partijen had gedragen - vandaar dat de alimentatie voor verlaging in aanmerking kwam. Het ligt in de rede dat de daarbij aan de orde zijnde verlichting niet met veel precisie kan worden bepaald (ik herinner er aan dat het hof het bedrag dat de vrouw in dit verband voor haar rekening nam, ook niet exact heeft vastgesteld - naar mijn stellige oordeel daarom, omdat een exacte bepaling van dergelijke lasten, vooral waar het (ook) een inwonende zoon betreft, nauwelijks zinvol mogelijk is). Klaarblijkelijk heeft het hof gekozen voor een benadering door schatting. Die keuze lijkt mij, gezien het zojuist gezegde, verantwoord. Het bedrag - dat overeenkomt met een lastenvermindering van € 200 per maand - vind ik in het licht van wat de partijen hadden aangevoerd niet verrassend, en dus ook niet onbegrijpelijk.

33) Hetzelfde geldt voor de gekozen ingangsdatum: gegeven dat zich drie slechts bij benadering vast te stellen wijzigingen tamelijk kort na elkaar voordeden (de "economische onafhankelijkheid" van de zoons in de zomer van 2002 en het voorjaar van 2003, en de qua omvang niet nader geduide teruggang van de uitkering van de vrouw eind 2002 of begin 2003), lag het voor de hand een datum te kiezen die "het midden hield" tussen de tijdstippen van het intreden van die gewijzigde omstandigheden. De keuze voor 1 januari 2003 is dan een bij uitstek aannemelijke.

In dit verband geldt overigens, meen ik, de wat ruimere discretie voor de rechter, en de navenant beperktere motiveringseis, die in alinea 19 hiervóór ter sprake kwamen; waarbij nog valt op te merken dat er geen omstandigheden in het geding waren die de rechter bij de bepaling van deze ingangsdatum tot uitzonderlijke terughoudendheid noopten.

Dat alles brengt mij ertoe ook de op dit punt aangevoerde motiveringsklacht als ondoeltreffend te beoordelen.

Conclusie

Ik concludeer tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 Prod. 1 bij het verweerschrift, tevens houdende zelfstandig verzoek van de man (eerste aanleg).

2 Dit is de datum van wijziging van de uitkering (het inkomen) van de vrouw (petitum inleidend verzoekschrift).

3 De vrouw beroept zich in haar verweerschrift in cassatie (alinea 14) primair erop dat de man geen belang zou hebben bij zijn cassatieberoep. Dat verweer is ongegrond. Ik beperk me hier tot het daarvoor aangevoerde argument, dat de man reeds voldaan heeft aan de beslissing van het hof: dat is onvoldoende om berusting aan te nemen (o.m. HR 11 april 2003, NJ 2003, 440, rov. 3.1 en 3.2).

4 De man stelde al in de eerste aanleg dat hij in staat was de verzochte bijdrage te voldoen, zodat zijn draagkracht niet ter discussie stond (verweerschrift, alinea 5).

5 Zoals laatstelijk bevestigd bij HR 28 april 1995, NJ 1996, 102 m.nt. JdB, rov. 3.4, met verwijzing naar HR 23 mei 1975, NJ 1976, 412, rov. met betrekking tot het derde onderdeel van het middel in het incidentele beroep.

6 Zie bijvoorbeeld voor lasten in verband met de niet-gehuwde partner en/of diens kinderen HR 3 juli 1995, NJ 1996, 86 m.nt. JdB, rov. 3.3, en voor lasten in verband met (meerderjarige) kinderen HR 12 oktober 2001, NJ 2001, 652, rov. 3.2.1 en 3.2.2; HR 29 juni 1984, NJ 1985, 14, rov. 3.2. Zie echter voor schulden van de nieuwe partner van de alimentatieplichtige HR 18 februari 2000, NJ 2000, 308, rov. 3.3 en 3.4.

7 De zgn. "Trema-norm" (het inmiddels tot de omvang van een klein boekwerk uitgegroeide rapport "Alimentatienormen" van de gelijknamige NVvR-werkgroep; door mij geraadpleegd in de versie-januari 2001 met bijlage 2003) beveelt in § 3.1 dan ook aan, het "draagkrachtloos inkomen" van de alimentatiegerechtigde op dezelfde basis te berekenen als het draagkrachtloos inkomen voor de alimentatieplichtige. Dat impliceert dat "redelijke lasten" die de betrokkene voor onderhoud van anderen besteedt, daarbij (zouden) mogen worden opgeteld (waardoor zij niet gebracht mogen worden ten laste van het saldo, dat de behoefte van de betrokkene vormt, en die behoefte dus groter wordt).

8 Art. 1:395 BW.

9 Zie voor recente rechtspraak HR 30 januari 2004, rechtspraak.nl LJN nr. AN8080, rov. 3.6; HR 28 november 2003, RvdW 2003, 181, rov. 5.2.10; HR 19 september 2003, NJ 2003, 631, rov. 3.2; HR 23 maart 2001, NJ 2003, 715 m.nt. Verstijlen, rov. 3.5.3.

10 Een verhelderend overzicht wordt gegeven in alinea's 2.5 - 2.13 van de conclusie van A-G Wesseling-van Gent voor HR 23 januari 2004, R03/043HR, rechtspraak.nl LJN nr. AN8077; waarbij ik mij veroorloof de vraag op te werpen of het in alinea 2.5 opgenomen citaat uit de conclusie vóór HR 24 december 1982 nog helemaal juist weergeeft, hoe heden ten dage over de materie wordt gedacht. Men zou, vogens mij, licht kunnen menen dat de motiveringseis nu iets strikter wordt gehanteerd, dan dit citaat doet vermoeden.

11 Zie bijvoorbeeld Civiele Conclusies 2002 (verschenen 2004), p. 185 en p. 349, met verdere verwijzingen. Als gevallen die enigszins met het thans te beoordelen geval vergelijkbaar zijn noem ik HR 17 maart 2000, NJ 2000, 313, rov. 3.3 - 3.5 en HR 24 april 1998, NJ 1998, 603, rov. 3.5.

12 HR 10 oktober 2003, NJ 2004, 37, rov. 3.3; HR 29 juni 2001, NJ 2001, 495, rov. 3.3. In dezelfde zin is geoordeeld over andere beslissingen waarbij een relatief "lichte" motiveringseis geldt, zoals beslissingen over faillissementsverzoeken, HR 7 april 1995, NJ 1997, 21 m.nt. EAA, rov. 3.3, en beslissingen in kort geding, HR 4 juni 1993, NJ 1993, 659, rov. 3.4.

13 Opnieuw: HR 10 oktober 2003, NJ 2004, 37, rov. 3.3.

14 O.a HR 17 maart 2000, NJ 2000, 333, rov. 3.4; HR 19 december 1997, NJ 1998, 259, rov. 3.2;

15 Zie bijvoorbeeld HR 30 januari 2004, rechtspraak.nl LJN nr. AL8626, rov. 3.5.1 - 3.5.2; HR 23 november 2001, NJ 2002, 280 m.nt. JdB, rov. 3.4.2.

16 Bijvoorbeeld HR 1 februari 2002, NJ 2002, 185, rov. 3.4.

17 Intussen ligt hier een gemakkelijk te miskennen grens, die zichtbaar wordt in HR 16 oktober 1998, NJ 1998, 854, rov. 3.3: de motivering moet wel (voldoende) duidelijk maken of rekening is gehouden met (mogelijke) wijzigingen in de omstandigheden gedurende de hele periode waarop de nadere vaststelling betrekking heeft. De vrijheid om de ingangsdatum te bepalen doet daaraan klaarblijkelijk niet af.

18 HR 20 september 2002, NJ 2003, 47 m.nt. SW, rov. 3.2.1 (slot).

19 Illustratief voor de toepassing van deze norm (of eerder: vuistregel) noem ik HR 3 oktober 2003, rechtspraak.nl LJN nr. AF5548, rov. 3.3.2; HR 29 juni 2001, NJ 2001, 495, rov. 3.3; HR 14 april 2000, NJ 2000, 359, rov. 3.3. Zoals in voetnoot 10 al aangestipt, kan men betwijfelen of de hier verdedigde maatstaf samenvalt met de maatstaf die in het daar bedoelde citaat (uit NJ 1983, 389) tot uitdrukking komt. Met name de ruimte om onduidelijkheden in een motivering te "dichten" onder de aanname dat de rechter zich daar door intuitie en/of door weging van imponderabele aspecten (een contradictio in terminis, overigens) zal hebben laten leiden, lijkt mij naar de huidige opvattingen discutabel.

20 In het A-dossier is dit het met nr. 5 aangeduide stuk.

21 Behoudens één betaling uit augustus 2000. De op de in handschrift opgestelde lijst vermelde datum van 15 januari 2001 correspondeert niet met het bankafschrift voor de daarbij vermelde betalingen: dat is gedateerd 17 januari 1997.

22 Bijlagen bij een brief van de advocaat van de vrouw aan de rechtbank van 21 mei 2002, A-dossier, stuk nr. 3.

23 Het overzicht ziet klaarblijkelijk op het jaar 2001.

24 Proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg, p. 1 onderaan.

25 Mij is niet duidelijk waarom in deze overweging geen melding wordt gemaakt van de uit de stukken blijkende WW-uitkering (van f. 2.996,-) die de vrouw in 2001 volgens de jaaropgaven waar het hof naar verwijst zou hebben ontvangen; maar hierover wordt in cassatie niet geklaagd.

26 Ik ontleen dit aan het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in appel, eerste bladzij (mededelingen van Mr. Hoek). Het verdere proces-verbaal bevat geen aanwijzingen dat het op dit punt gezegde zou zijn weersproken. De stelling van (onderdeel 2.5.1 van) het middel dat de onderhavige vaststelling "uit de lucht komt vallen" lijkt mij, gezien deze gegevens, niet houdbaar.