Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2004:AO3875

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
23-04-2004
Datum publicatie
23-04-2004
Zaaknummer
R03/088HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2004:AO3875
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

23 april 2004 Eerste Kamer Rek.nr. R03/088HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [Verzoeker], wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, advocaat: mr. P. van Schilfgaarde, t e g e n 1. [Verweerder 1], wonende te [woonplaats], 2. [Verweerster 2], wonende te [woonplaats], 3. [Verweerder 3], wonende te [woonplaats], VERWEERDERS in cassatie, advocaat: mr. P.S. Kamminga. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 210
JWB 2004/163
JOR 2004/160
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rek.nr. R03/088HR

mr. L. Timmerman

Parket 23 januari 2004

Conclusie inzake

[Verzoeker]

tegen

1. [Verweerder 1]

2. [Verweerster 2]

3. [Verweerder 3]

1. Feiten en procesverloop

1.1 Bij notariële akte van 16 december 1998 heeft [betrokkene 1] de stichting [A] (hierna: de Stichting) opgericht. Blijkens art. 13 van de oprichtingsakte zijn de oprichter, partijen in de onderhavige procedure en [betrokkene 2] als bestuursleden benoemd.

1.2 Bij afzonderlijke notariële akte van 16 december 1998 heeft voornoemde [betrokkene 1] een testament opgemaakt en daarbij de stichting, onder bezwaar van enige legaten benoemd tot erfgename van zijn gehele nalatenschap.

1.3 Op 14 oktober 2001 is [betrokkene 1] overleden.

1.4 Bij brief van 24 december 2001 heeft [betrokkene 2] bedankt als bestuurslid van de Stichting. Tijdens een vergadering van het stichtingbestuur op 12 januari 2002 waarbij verzoeker tot cassatie (hierna: [verzoeker]) aanwezig noch vertegenwoordigd was, is verweerder sub 1 (hierna: [verweerder 1]) benoemd tot voorzitter, verweerster sub 2 (hierna: [verweerster 2]) tot secretaris en verweerder sub 3 (hierna: [verweerder 3]) tot penningmeester. Verweerders worden gezamenlijk [verweerder] c.s. genoemd.

1.5 Bij beschikking van 20 februari 2002 heeft de rechtbank Groningen op het daartoe strekkend verzoek van [verweerder] c.s. in het kader van een voorlopige voorziening [verzoeker] geschorst als bestuurder van de Stichting. Bij beschikking van 2 mei 2002 heeft het hof Leeuwarden deze beschikking bekrachtigd.

1.6 Bij verzoekschrift gedateerd 30 januari 2002 hebben [verweerder] c.s. de rechtbank Groningen verzocht in de eerste plaats [verzoeker] te schorsen als bestuurder van de Stichting (zie hiervoor 1.5) en in de tweede plaats [verzoeker] te ontslaan als bestuurder van de Stichting.

1.7 Aan dit verzoek hebben [verweerder] c.s. - samengevat weergeven - het volgende ten grondslag gelegd. [Verzoeker] heeft voor het overlijden van [betrokkene 1] een volmacht ontvangen uit hoofde waarvan hij gerechtigd was tot het verrichten van feitelijke- en rechtshandelingen, behartiging van bankzaken daaronder begrepen. Na het overlijden heeft [verzoeker] zijn feitelijke beheersdaden voortgezet. [Verweerder] c.s. hebben aan [verzoeker] een beheersvolmacht verstrekt uit hoofde waarvan [verzoeker] onder meer roerende zaken onder zich heeft genomen en verbintenissen is aangegaan.

1.8 Volgens [verweerder] c.s. is [verzoeker] bij herhaling verzocht om inlichtingen te verstrekken over het door hem gevoerde beheer, om inzage te verstrekken in de bankbescheiden en overige administratieve stukken, om afgifte van de door [verzoeker] onder zich genomen roerende zaken en om toegang tot de woning van [betrokkene 1] te [plaats]. [Verzoeker] heeft deze verzoeken genegeerd. Bij brief van 23 januari 2002 heeft [verweerder 1] [verzoeker] verzocht tot afgifte van een aantal stukken en zaken en de beheersvolmacht ingetrokken. Daaraan heeft [verzoeker] niet voldaan, aldus [verweerder] c.s. Laatstgenoemden menen dat zij op grond van het bepaalde in art. 2:298 BW het recht hebben om de rechtbank te verzoeken [verzoeker] - die geweigerd heeft om vrijwillig als bestuurslid van de Stichting te bedanken - te ontslaan als bestuurslid van de Stichting.

1.9 [Verzoeker] heeft een verweerschrift ingediend en daarbij verzocht [verweerder] c.s. te schorsen en te ontslaan als bestuurders van de Stichting. In het verweer op het verzoek van [verweerder] c.s. heeft [verzoeker] in de eerste plaats aangevoerd dat de Stichting hem in een vergadering op 29 oktober 2001 te verstaan heeft gegeven dat de mondelinge machtiging op grond waarvan hij en zijn echtgenote de begrafenis hadden geregeld, gecontinueerd zou worden. Tevens is besloten aan [verzoeker] een boedelvolmacht te verstrekken. Deze beperkte volmacht is niet door [verzoeker] aanvaard, omdat een gevolmachtigde zelfstandig dient te kunnen handelen in overleg met de boedelnotaris en met advies van de bank. Volgens [verzoeker] heeft hij op grond van een mondelinge volmacht, tezamen met zijn echtgenote, de verantwoordelijkheid en zorg voortgezet voor het huis van [betrokkene 1] en de levende have. Zij deden dit uit vriendschap met [betrokkene 1] en uit een groot verantwoordelijkheidsgevoel, aldus [verzoeker].

1.10 [Verzoeker] heeft voorts gesteld dat hij nimmer heeft geweigerd om inlichtingen te verstrekken en om de onder hem in bewaring gegeven zaken af te geven danwel financiële verantwoording af te leggen. Hij was daartoe ten overstaan van de boedelnotaris bereid.

Er is sprake van ruzie als gevolg van communicatiestoornissen, verschil van opvattingen en groot wantrouwen van [verzoeker] jegens [verweerder] c.s., maar dat alles rechtvaardigt niet het ingrijpen van de rechtbank door ontslag of schorsing, aldus [verzoeker].

1.11 Bij de mondelinge behandeling van het verzoek hebben [verweerder] c.s. hun standpunt nader uiteengezet. Zij hebben gesteld dat is gebleken dat [verzoeker] aanzienlijke bedragen heeft opgenomen van bankrekeningen van [betrokkene 1], zowel voor diens overlijden als erna. [Verweerder] c.s. menen dat [verzoeker] hierover deugdelijke verantwoording dient af te leggen aan het bestuur; dat is evenwel niet gebeurd.

[Verzoeker] heeft bij de mondelinge behandeling aangevoerd dat hij geld heeft opgenomen om betalingen te verrichten aan bijv. nachtwakers in het huis van [betrokkene 1] en vanwege huishoudelijke kosten onder meer ten behoeve van de dieren die daar nog leefden. [Verzoeker] heeft als productie een verantwoording overgelegd.

1.12 Bij beschikking van 31 mei 2002 heeft de rechtbank [verzoeker] ontslagen als bestuurder van de Stichting. De rechtbank heeft daartoe - samengevat weergegeven - overwogen dat een bestuurder van een stichting op de voet van art. 11 K. rekening en verantwoording dient af te leggen over het door hem gevoerde beheer aan de overige bestuursleden over zowel de periode voor als na het overlijden van [betrokkene 1]. [Verzoeker] kan zich er niet op beroepen enkel rekening en verantwoording te willen afleggen aan een onpartijdige deskundige, nu het zijn wettelijke plicht is dit te doen ten overstaan van het bestuur. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat [verzoeker] uitgesproken onrechtmatig heeft gehandeld door in strijd met art. 11 K. - en nadat er door of namens het bestuur meerdere malen om is verzocht - te weigeren rekening en verantwoording af te leggen. Art. 2:298 lid 1 bepaalt dat handelen in strijd met een wettelijke bepaling een grond oplevert voor ontslag van een bestuurder, aldus de rechtbank.

1.13 [Verzoeker] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Leeuwarden. In zijn grieven heeft hij - kort gezegd - uiteengezet dat art 11 K per 1 januari 2002 is vervallen en dat - indien het geschil desondanks op basis van die bepaling moet worden beoordeeld - [verzoeker] niet in strijd met die bepaling heeft gehandeld nu het daarin gaat om een verplichting tot boekhouding die niet op [verzoeker] rustte. Er is geen sprake geweest van handelen in strijd met de wet in de zin van art. 2:298 BW; [verzoeker] verwijst naar het arrest HR 3 januari 1975, NJ 1975, 222 m.nt. GJS, volgens welke uitspraak het criterium "indien op het moment van het plegen van die handelingen redelijkerwijs geen verschil van mening over de onrechtmatigheid mogelijk was" geldt.

1.14 [Verweerder] c.s. hebben in appel een verweerschrift ingediend. Zij hebben aangevoerd dat na het overlijden van [betrokkene 1] door [verweerder] c.s. tezamen met [betrokkene 2] een beheersvolmacht is verstrekt aan [verzoeker] met het oog op de afwikkeling van de boedel, hetgeen in nauw overleg met de notaris diende te geschieden. Niemand had er aan gedacht om uitdrukkelijk vast te leggen dat hierover ook overleg diende plaats te vinden met medebestuursleden. Men achtte dit zo vanzelfsprekend dat het geen aparte vermelding behoefde; bovendien vloeit dit voort uit art. 7:403 BW op grond waarvan een opdrachtnemer de opdrachtgever op de hoogte moet houden van zijn werkzaamheden en verantwoording moet afleggen.

Voorts hebben [verweerder] c.s gesteld dat de gedragingen (a t/m f) als weergegeven op blz. 10 en 11 van het verweerschrift(1) in appel strijdig zijn met de wet of kunnen worden aangemerkt als wanbeheer, zodat - mede in het licht van het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad uit 1975 - [verzoeker] terecht als bestuurder is ontslagen. Ten slotte hebben [verweerder] c.s. gesteld dat [verzoeker] weliswaar "rekening en verantwoording" heeft afgelegd over door hem opgenomen bedragen in de periode van 24 september 2001 t/m 23 januari 2002 voor een bedrag van in totaal fl. 150.000,=, maar dat meer dan drievierde van de door [verzoeker] gedeclareerde uitgaven niet door een rekening of bon wordt gedekt. Het handelen van [verzoeker] met gelden van de Stichting is volgens [verweerder] c.s. roekeloos en zeer onzorgvuldig, hetgeen te kwalificeren is als wanbeheer(2).

Vervolgens heeft pleidooi plaatsgevonden.

1.15 Het hof heeft bij beschikking van 7 mei 2003 de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. Het hof heeft geoordeeld dat [verzoeker] heeft gehandeld dan wel heeft nagelaten in strijd met het bepaalde in de art. 2:8 en 2:9 BW en met het bepaalde in art. 4 lid 5 van de statuten van de Stichting en voorts dat [verzoeker] zich heeft schuldig gemaakt aan wanbeheer, een en ander als bedoeld in art. 2:298 lid 1 aanhef en onder a BW.

1.16 [Verzoeker] heeft tijdig(3) cassatieberoep ingesteld. [Verweerder] c.s. hebben een verweerschrift ingediend.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 Onderdeel 1 is gericht tegen de rechtsoverwegingen 22 en 23 van het arrest van het hof:

"22. Voor de toetsing van het handelen/nalaten van [verzoeker] is voorts - gelet op het karakter van een volmacht - niet van belang of het stichtingsbestuur aan [verzoeker] een volmacht heet verstrekt, of de eventuele volmacht mondeling dan wel schriftelijk is verstrekt en of de eventuele volmacht al dan niet (rechtsgeldig) is ingetrokken.

Immers, een volmacht als bedoeld in artikel 3:60 BW geeft de gevolmachtigde de bevoegdheid (rechts)handelingen te verrichten in naam van de volmachtgever. De volmachtgever houdt echter al die bevoegdheden (ook) onverkort zelf. De volmachtgever kan dus op elk moment zelf de rechtshandelingen verrichten waartoe hij de gevolmachtigde volmacht had gegeven. Deze verhouding brengt voorts mee, dat de gevolmachtigde overleg moet plegen over al hetgeen waarover en op ieder moment dat de volmachtgever dat wenst, dat de gevolmachtigde verder inzage en verantwoording moet geven van alles wat hij doet zo de volmachtgever dat wenst en ook dat de gevolmachtigde zich onthoudt van handelingen zo vaak en zo gauw de volmachtgever dat aangeeft. Ten slotte is een volmacht niet aan vormvereisten gebonden.

23. Gelet op het vorenoverwogene zal het hof voorbij gaan aan hetgeen partijen met betrekking tot hun rechtsverhouding hebben aangevoerd en het handelen dan wel nalaten van [verzoeker] als bestuurder van de stichting beoordelen."

2.2 Het onderdeel klaagt dat deze overwegingen in strijd zijn met het recht omdat het hof daarmee het door partijen door hun feitelijke stellingen afgebakende gebied verlaten heeft en voorbij is gegaan aan voor de beoordeling van het geschil essentiële stellingen van partijen. In de toelichting wijst het onderdeel erop dat [verweerder] c.s. hun vordering uitdrukkelijk hebben gebaseerd op een volgens hun stellingen bestaande rechtsverhouding tussen enerzijds [verweerder] c.s. in hun hoedanigheid van bestuurders van de Stichting en anderzijds [verzoeker]. Die rechtsverhouding is door [verweerder] c.s. aanvankelijk geduid als een verhouding tussen volmachtgevers en gevolmachtigde en later als een overeenkomst van opdracht. [Verzoeker] heeft bestreden dat tussen partijen een overeenkomst van opdracht bestond maar heeft wel erkend en zelf gesteld dat er sprake was van een volmachtverhouding. Voorts zet het onderdeel uiteen dat het ontslag is gegeven op de voet van art. 2:298 lid 1 onder a BW en dat deze bepaling een regel geeft voor het geval iemand als bestuurder van een stichting iets doet of nalaat. Een noodzakelijke voorwaarde voor toepassing van art. 2:298 BW is derhalve dat vastgesteld wordt dat betrokkene als bestuurder heeft gehandeld. In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat [verzoeker], voorzover hij handelde, krachtens volmacht in privé en niet als bestuurder optrad. De conclusie moet - aldus de toelichting op de klacht van onderdeel 1 - zijn dat [verzoeker] zich in privé en niet als bestuurder aan bepaalde door het hof laakbaar geoordeelde gedragingen heeft schuldig gemaakt.

2.3 Ik beoordeel dit eerste onderdeel als volgt. Zoals ook in de inleiding van het cassatieverzoekschrift is aangegeven, hebben partijen wisselende standpunten ingenomen over de grond waarop [verzoeker] werkzaamheden voor de Stichting heeft verricht. [Verzoeker] zelf heeft daarover gesteld dat hij werkzaamheden verrichtte op grond van een mondelinge volmacht van de andere bestuursleden en uit vriendschap voor [betrokkene 1] en uit een groot verantwoordelijkheidsgevoel.(4) Het hof heeft op deze wisselende standpunten nog eens de aandacht gevestigd in de rechtsoverwegingen 17-21. In hun pleitnotities voor het hof hebben partijen mijns inziens evenwel duidelijk te kennen gegeven dat het gaat om de positie van [verzoeker] als bestuurder van de Stichting:

"De onderhavige zaak draait om [verzoeker] als bestuurslid van de Stichting [A]. Het bestuurslid [verzoeker] was tegenover de stichting verplicht de geldzaken naar behoren af te wikkelen."(5)

"Het gaat hier niet om een overeenkomst van opdracht, maar om een volmacht en wel om een volmacht van de bestuurders van de stichting aan het medebestuurslid [verzoeker]. Hiermee werd bereikt dat [verzoeker] bevoegd vertegenwoordigingshandelingen kon stellen namens de stichting bij de uitvoering van zijn bestuurdersactiviteiten in het kader van de vereffening van de boedel"(6)

Het proces-verbaal van de zitting bij het hof bevat de navolgende passage die weergeeft hetgeen mr. Van Bladeren namens [verzoeker] verklaart:

"(...) Ik heb de notulen van de vergadering van 29 oktober 2001 er nog eens op nageslagen, maar kan daarin niet ontdekken dat met [verzoeker] een overeenkomst van opdracht is gesloten. De zorg voor het huis en de levende have van [betrokkene 1] rustte op [verzoeker] uit hoofde van zijn lidmaatschap van het bestuur van de stichting. (...)."(7)

Uit deze stellingen blijkt dat partijen er uiteindelijk van uitgegaan zijn dat [verzoeker] als bestuurder van de Stichting heeft gehandeld. Tegen deze achtergrond is het niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat het voorbij gaat aan de discussie over volmachten en het handelen dan wel nalaten van [verzoeker] als bestuurder van de Stichting beoordeelt. Het hof treedt daarmee niet buiten het door partijen afgebakende gebied van de rechtsstrijd. Onderdeel 1 mist hiermee feitelijke grondslag en kan niet tot cassatie leiden. Nu partijen nauwelijks bruikbare informatie hebben verschaft over de inhoud van de (mondelinge) volmachten - hetgeen ook weinig voor de hand lag nu zij het daarover niet eens waren en zelf ook wisselende standpunten innamen - hoefde het hof - anders dan nr. 21 van het cassatieverzoekschrift stelt - daarnaar geen nader onderzoek in te stellen.(8)

2.4 Onderdeel 2 is gericht tegen rechtsoverweging 19 waarin het hof het volgende overweegt:

"Uit een brief van 7 december 2001 van [verzoeker] aan [verweerder 1] en uit de behandeling ter zitting leidt het hof af dat [verzoeker] zichzelf als niet-gevolmachtigde beschouwde en nog beschouwt"

Het onderdeel klaagt dat deze overweging onbegrijpelijk is in het licht van deze brief (blz. 1, voorlaatste alinea) en de in nr. 9 sub l van het verzoekschrift tot cassatie aangehaalde passages uit het proces-verbaal van de zitting bij het hof.

2.5 De klacht faalt bij gebrek aan belang nu de vraag of [verzoeker] zichzelf al dan niet als gevolmachtigde beschouwde of beschouwt, niet van belang is, laat staan beslissend is voor het oordeel van het hof over het ontslag van [verzoeker] als bestuurder; voor die beoordeling heeft het hof - zo blijkt uit mijn beoordeling van onderdeel 1 - zich mijns inziens terecht geconcentreerd op de beoordeling van het optreden van [verzoeker] als bestuurder.

2.6 Onderdeel 3 komt op tegen rechtsoverweging 39 waarin het hof zijn conclusie formuleert over het handelen/nalaten in strijd met de wet en/of de statuten en over wanbeheer als gronden voor ontslag:

"39. Op grond van het vorenoverwogene is het hof van oordeel dat [verzoeker] heeft gehandeld dan wel heeft nagelaten in strijd met het bepaalde in de artt. 2:8 en 2:9 BW en het bepaalde in artikel 4, vijfde lid van de statuten van de stichting en voorts dat [verzoeker] zich heeft schuldig gemaakt aan wanbeheer, een en ander als bedoeld in artikel 2:298, eerste lid aanhef en onder a, BW."

2.7 Het onderdeel betoogt dat bij de toepassing van art. 2:298, eerste lid aanhef en onder a BW - gelet op de wetsgeschiedenis - de in de beschikking HR 3 januari 1975, NJ 1975, 222 genoemde maatstaven in acht moeten worden genomen. Het hof heeft deze maatstaven niet in acht genomen, heeft daarvan in elk geval geen blijk gegeven, heeft althans, indien en voorzover het die maatstaven wel in acht heeft genomen, zijn beslissing - mede in aanmerking genomen de door [verzoeker] aangevoerde gronden voor zijn optreden onvoldoende gemotiveerd, aldus het onderdeel.

2.8 Ik beoordeel dit middelonderdeel als volgt.

2.9 Art. 2:298 lid 1 bepaalt het volgende:

"Een bestuurder die:

a. iets doet of nalaat in strijd met de bepalingen van de wet of van de statuten, dan wel zich schuldig maakt aan wanbeheer, of

b. niet of niet behoorlijk voldoet aan een door de voorzieningenrechter van de rechtbank, ingevolge het vorige artikel, gegeven bevel, kan door de rechtbank worden ontslagen. Dit kan geschieden op verzoek van het openbaar ministerie of iedere belanghebbende."

Deze bepaling is blijkens de wetsgeschiedenis van Boek 2 de opvolger van art 12 van de Wet op de stichtingen (31 mei 1956 Stb. 1956, 327).

2.10 In zijn beschikking HR 3 januari 1975, NJ 1975, 222 m.nt. GJS heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de bevoegdheid van de rechter om een bestuurder van een stichting te ontslaan ziet op een controle op de rechtmatigheid van het beleid van een bestuurder van een stichting. Het gaat er volgens de Hoge Raad niet om via het ontslag van stichtingbestuurders door de rechter een algemene controle op het beleid van bestuurders van stichtingen in te voeren.(9)

2.11 De wetsgeschiedenis geeft geen antwoord op de vraag hoe de controle op de rechtmatigheid van het beleid van bestuurders moet plaatsvinden; niet is geformuleerd welke gedraging of welk nalaten ernstig genoeg is om een bestuurder met succes voor ontslag voor te dragen. Over bestuurshandelingen "in strijd met de bepalingen van de wet" heeft de Hoge Raad in de zojuist genoemde beschikking aangenomen dat de wetgever deze slechts als grond voor ontslag heeft willen aanvaarden, indien op het moment van het plegen van die handelingen redelijkerwijs geen verschil van mening over de onrechtmatigheid mogelijk was (blz. 694 r.k.). Het gaat met andere woorden om gevallen van uitgesproken onrechtmatig handelen. Volgens Maeijer geldt hetzelfde criterium bij handelingen in strijd met de statuten en dient de beschikking zo te worden uitgelegd dat het de Hoge Raad erom gaat of het bestuur kennelijk in strijd handelt met de wet of statuten.(10)

2.12 De Hoge Raad heeft "wanbeheer" omschreven als falend beleid ten aanzien van het beheer over een vermogen of de zorg voor geldmiddelen. Hierbij merkt de Hoge Raad nog ter verduidelijking op dat het niet gaat om wanbeleid in het algemeen. De Hoge Raad geeft niet aan, hoe ernstig financiële fouten van een bestuurder dienen te zijn, wil men van falend beleid ten aanzien van het beheer over het vermogen en de zorg voor de geldmiddelen kunnen spreken. Bij de door de Hoge Raad voorgestane uitleg van de ontslaggronden "handelen of nalaten in strijd met de wet of de statuten" sluit het aan om alleen in gevallen van evident, uitgesproken falend beleid ten aanzien van het beheer van het vermogen en de zorg van de geldmiddelen van wanbeheer te spreken.

2.13 Het hof heeft in rechtsoverweging 26 e.v. het volgende overwogen:

"*verantwoording over financieel beheer

26. Bij brieven van 3, 8 en 15 januari 2002 van [verweerder 1] aan [verzoeker] en blijkens notulen van de vergaderingen van het stichtingsbestuur op 9 december 2001 en 12 januari 2002 hebben [verweerder] c.s. [verzoeker] bij herhaling verzocht verantwoording af te leggen ten aanzien van het door hem gevoerde financieel beheer. In weerwil van deze verzoeken heeft [verzoeker] daaraan (tot voor zeer kort) niet voldaan.

27. Anders dan [verzoeker] meent, is in dit verband niet van belang dat hij onder door hem te stellen voorwaarden wel bereid zou zijn geweest verantwoording ter zake af te leggen.

28. Voor zover [verzoeker] thans verantwoording heeft afgelegd, is uit de behandeling ter zitting naar voren gekomen dat deze niet volledig is geweest. Die onvolledigheid is hierin gelegen dat [verzoeker] met betrekking tot uitgaven ten laste van de stichting niet (in alle gevallen) het doel heeft aangegeven en voorts dat hij, zo het doel van die uitgaven al was aangegeven, veelal geen onderliggende bescheiden (rekeningen, bonnen, kwitanties), heeft overgelegd. Dat klemt te meer nu [verzoeker] tijdens zijn beheer aanzienlijke bedragen te laste van de rekeningen van de stichting heeft gebracht.

In dat kader verdient opmerking dat [verweerder] c.s. hebben gevorderd dat [verzoeker] rekening en verantwoording aflegt ten aanzien van het door hem gevoerde beheer, welke vordering thans in behandeling is bij de rechtbank te Groningen.

2.14 Het hof heeft met deze overwegingen tot uitdrukking gebracht dat [verzoeker] zich schuldig heeft gemaakt aan wanbeheer; dat oordeel is hoofdzakelijk feitelijk van aard. Het hof verwijt [verzoeker] niet zozeer dat hij aan het afleggen van verantwoording (aanvankelijk) voorwaarden heeft gesteld maar dat - voorzover hij thans verantwoording heeft afgelegd - deze onvolledig is geweest. Daarop loopt de motiveringsklacht van nr. 29 van het cassatieverzoekschrift vast. De motiveringsklacht van nr. 30 van het cassatieverzoekschrift gaat ten onrechte ervan uit dat [verzoeker] als bestuurder slechts het verwijt van financieel wanbeheer gemaakt zou kunnen worden "indien zou blijken dat de betrokkene een valse voorstelling van zaken geeft of anderzijds de zaak bedriegt, dan wel iets onherstelbaars heeft gedaan" en dat daarvan niet gebleken is. Ook die klacht faalt. Dit criterium voor wanbeheer is te streng. Ik verwijs terug naar onderdeel 2.12 van deze conclusie. Hier komt bij dat [verzoeker] ten aanzien van [verweerder] c.s. een maatstaf voor financieel wanbeheer hanteert die veel lichter is dan het thans - ten opzichte van hem - door het onderdeel voorgestane criterium.(11)

2.15 Het oordeel van het hof over het financieel wanbeheer door [verzoeker] komt mij niet onjuist voor. Een bestuurder van een stichting die grote bedragen ten laste van de stichting brengt, zal daarover gedegen verantwoording dienen af te leggen; die verantwoording moet aan de hand van een sluitende administratie plaatsvinden. Dit is zo elementair en evident dat bij gebreke hiervan van financieel wanbeheer mag worden gesproken. Ik meen dan ook dat het hof de juiste maatstaven heeft gehanteerd bij het geven van een invulling aan het begrip wanbeheer in art. 2: 2: 298, lid 1, onder a BW.

2.16 De wellicht enigszins summiere motivering van het hof op het punt van het wanbeheer vindt mijns inziens verklaring in het verloop van het partijdebat. Daarover is het volgende op te merken.

2.17 [Verweerder] c.s. hebben in eerste aanleg uiteengezet dat [verzoeker] heeft geweigerd inlichtingen te verstrekken over het door hem gevoerde financiële beheer en administratieve stukken af te geven.(12) Zij betogen dat [verzoeker] - nadat hij daartoe in kort geding veroordeeld is - overzichten van bestedingen heeft overhandigd, maar geen onderliggende bescheiden kan tonen, doch dat [verzoeker] beschikt over een plastic tas met alle bonnen die hij nog niet heeft kunnen uitzoeken.(13) [Verzoeker] heeft gesteld dat hij nimmer geweigerd heeft inlichtingen te verstrekken en financiële verantwoording af te leggen; hij was tot e.e.a. aan de boedelnotaris bereid.(14)

2.18 De rechtbank stelt centraal dat [verzoeker] geweigerd heeft rekening en verantwoording af te leggen ofschoon hij daartoe gehouden was. Zij overweegt dat [verzoeker] tijdens de bespreking met de overige bestuursleden van 24 januari 2002 in het bezit was van een tas met bonnetjes en andere financiële gegevens, doch dat hij deze niet heeft overgelegd, terwijl de bespreking plaatsvond in aanwezigheid van boedelnotaris van Eyck. De rechtbank grondt het ontslag van [verzoeker] op zijn weigering rekening en verantwoording af te leggen; zij spreekt van strijd met art. 11 K en ontslag op grond van art. 2:298 lid 1 BW (rov. 7.2).

2.19 [Verzoeker] bestrijdt dit oordeel in appèl slechts met de grief die inhoudt dat art. 11 WvK niet meer geldt, althans geen betrekking heeft op het aan de orde zijnde geschil.(15) In het verweerschrift in hoger beroep hebben [verweerder] c.s. aangevoerd dat meer dan drie/vierde van de door [verzoeker] gedeclareerde uitgaven niet door enig bescheiden (rekening of bon) wordt gedekt.(16) Ook tijdens de mondelinge behandeling besteden [verweerder] c.s. aandacht aan de verantwoording door [verzoeker] voor ongeveer 65% zonder bonnen, nota's of betalingsbewijzen.(17) [Verzoeker] besteedt aan deze kwestie slechts zijdelings aandacht.

2.20 Vanwege de devolutieve werking van het appel en het grievenstelsel stond, bij gebreke van een grief van [verzoeker] tegen het oordeel van de rechtbank over de weigering van [verzoeker] rekening en verantwoording af te leggen, vast dat [verzoeker] op die grond had gehandeld in strijd met art. 2:298 lid 1 BW. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat die grond tevens onder de ontslaggrond "zich schuldig maken aan wanbeheer" kon worden gebracht. Gezien het - vanwege het ontbreken van een grief - vrij summiere debat in appèl over de financiële verantwoording, kon het hof met een eveneens vrij summiere motivering volstaan. Hiermee is de motiveringsklacht van nr. 27 van het cassatieverzoekschrift vergeefs voorgesteld.

2.21 Het naar mijn mening juiste oordeel van het hof over het financieel wanbeheer door [verzoeker] kan zijn beslissing over zijn ontslag in rechtsoverweging 39 van de beschikking en de bekrachtiging van de beschikking van de rechtbank in rechtsoverweging 71 zelfstandig dragen. Financieel wanbeheer is immers in de opzet van art. 2: 298, lid 1 onder a BW een zelfstandige en voldoende grond voor het ontslag van een bestuurder van een stichting. [Verzoeker] heeft hiervan uitgaande geen belang bij de in de nr. 26, 28 en 31-39 van het cassatieverzoekschrift geuite klachten tegen de overwegingen van het hof over strijd met de bepalingen van de wet of van de statuten. Middelonderdeel 3 is hiermee in zijn geheel tevergeefs voorgesteld.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Deze verwijten zijn namens [verzoeker] in bij pleidooi in appel bestreden (pleitnota blz. 7).

2 Onderdeel 20 van het verweerschrift in hoger beroep.

3 Het verzoekschrift is op 7 augustus 2003 bij de Hoge Raad ingekomen.

4 Verweerschrift tevens zelfstandig verzoek rechtbank, nr. 5.

5 Pleitaantekeningen namens [verweerder] c.s. in appèl, blz. 3.

6 Pleitnotities namens [verzoeker] in appèl, blz. 8.

7 Proces-verbaal, blz. 8. Gezien de hiervoor geciteerde passage uit de pleitnota van mr. Van Bladeren berust de weergave van hetgeen mr. Van Bladeren ter zitting heeft verklaard, anders dan mr. Van Schilfgaarde in zijn verzoekschrift op blz. 7 stelt, niet op een misverstaan van het gezegde.

8 Voor de onder 21a geformuleerde gedachtegang vind ik in de beschikking van het hof - gelezen in het licht van de processtukken - geen grond.

9 C.AE. Uniken Venema, 2000 weken rechtspraak (Wijckerheld Bisdom-bundel), blz. 124.

10 J.M.M. Maeijer, Toezicht op het stichtingsbestuur, Slagter-bundel, blz. 149. Zie ook Uniken Venema, a.w., blz. 126.

11 Zie beroepsschrift [verzoeker] blz. 15 en pleitnota in appèl blz. 9.

12 Verzoekschrift rechtbank, nr. 5.

13 Pleitnota eerste aanleg, nr. 7.

14 Verweerschrifteerste aanleg, blz. 6.

15 Beroepsschrift, blz. 11. De grief slaagt maar dat kan [verzoeker] niet baten (rov. 42).

16 Verweerschrift in appel, nr. 20.

17 Pleitnota in appel, nr. 3.