Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2004:AO3562

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
18-05-2004
Datum publicatie
18-05-2004
Zaaknummer
02516/03 A
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2004:AO3562
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Antilliaanse zaak; strafoplegging aan rechtspersoon i.c. niet mogelijk nu de bewezenverklaarde feiten – deelneming aan een criminele organisatie en valsheid in geschrifte – volgens de Antilliaanse wetgeving slechts kunnen worden bestraft met gevangenisstraf en niet tevens met geldboete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 270
NJ 2004, 499

Conclusie

Nr. 02516/03 A

Mr. Vellinga

Zitting: 10 februari 2004

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba wegens I "deelneming aan een vereniging die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, gepleegd door een rechtspersoon" en III "valsheid in geschrifte, gepleegd, door een rechtspersoon" veroordeeld tot een geldboete van Naf 300.000,-.

2. Namens verdachte heeft mr. A. Moszkowicz, advocaat te Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.

3. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 02516/03 A tot en met 02523/03 A. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.

4. Het eerste middel bevat de klacht dat het Hof het verweer met betrekking tot de gesloten onrechtmatige overeenkomst met de criminele getuige [getuige 1] dat strekte tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie, op ontoereikende gronden heeft verworpen, dan wel dat de toepassing door het Hof van een strafkorting van 25% onbegrijpelijk is c.q. onvoldoende recht doet aan de door het Hof geconstateerde procedurele onzorgvuldigheden van het openbaar ministerie, in het bijzonder het onvoldoende betrachten van openheid, het aangaan van een disproportionele overeenkomst en het niet voldoen aan de eis van subsidiariteit.

5. Het middel faalt op de gronden uiteengezet in de bespreking van het eerste middel in mijn conclusie inzake [medeverdachte 1] (zaak 02523/03 A).

6. Het tweede middel bevat de klacht dat de bewezenverklaarde feiten, in het bijzonder het bewezenverklaarde opzet op de verweten handelwijze, niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid en dat de bewezenverklaring dus onvoldoende met redenen is omkleed.

7. Blijkens de toelichting is het middel met name gericht tegen een nadere bewijsoverweging van het Hof, luidende:

"Door misdrijf verkregen

Inzake de bewijsvraag aangaande het bestanddeel "door misdrijf verkregen" in de delictsomschrijving van 'witwassen' en heling geldt, dat het Hof de overwegingen van de eerste rechter in diens vonnis nagenoeg ten volle onderschrijft, overneemt en tot de zijne maakt. Naar het oordeel van het Hof heeft op dit onderdeel het volgende te gelden. Het is een feit van algemene bekendheid dat de internationale drugshandel zich in het geldverkeer bedient van koeriers van contant geld en, voor zover de transacties giraal plaatsvinden, van tussenpersonen en constructies van rechtspersonen, opdat de opsporingsautoriteiten het zicht op de relatie tussen de (handelaar in) drugs en de opbrengsten wordt ontnomen c.q. bemoeilijkt.

Op basis van wettige en overtuigende bewijsmiddelen is komen vast te staan -kortweg-:

- dat [medeverdachte 1] zich schuldig heeft gemaakt aan misdrijven, te weten de stelselmatige uitvoer van cocaine naar Nederland, in georganiseerd verband, gedurende de telastegelegde periode;

- dat betaling van de cocaine in Nederland plaatsvond;

- dat het geld, al dan niet na omwisseling in Amerikaanse dollars, hetzij met behulp van koeriers contant naar Curaçao werd overgebracht, hetzij door tussenkomst van anderen (waaronder rechtspersonen) via bankinstellingen in Nederland dan wel Liechtenstein giraal naar Curaçao werd overgeboekt;

- dat de enige bron van legale inkomsten van [medeverdachte 1] bestond in de exploitatie van het bordeel c.a. [verdachte];

- dat [verdachte], indien en voor zover het al geld heeft gegenereerd, dat alleen hier, op Curaçao heeft gedaan;

- dat [medeverdachte 1] derhalve niet over een legale buitenlandse geldbron beschikte.

Geconfronteerd met de diverse vastgestelde geldstromen vanuit het buitenland, heeft [medeverdachte 1] geen verklaring willen afleggen, dan wel heeft hij onaannemelijke verklaringen afgelegd.

Het laatste, de proceshouding van [medeverdachte 1], kan uiteraard op zich niet bijdragen tot het bewijs. Het is evenwel evenmin zonder betekenis. Verwezen zij hier naar HR 3 juni 1997, NJ 1997, 584 en HR 18 mei 1999, NJ 2000, 104. In het eerstgenoemde arrest overwoog de Hoge Raad het volgende:

"De omstandigheid dat een verdachte weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden kan op zichzelf, mede gelet op het bepaalde in art. 29, eerste lid, Sv, niet tot het bewijs bijdragen. Dat brengt echter niet mee dat de rechter, indien een verdachte voor een omstandigheid, die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend moet worden geacht voor het bewijs van het aan hem telastegelegde feit, geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring heeft gegeven, zulks niet in zijn overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal zou mogen betrekken."

Voorts wordt verwezen naar het arrest van het EHRM van 8 februari 1996 (John Murray) waarin het Hof bepaalde dat "in situations which clearly call for an explanation" de waardering van de feiten door de rechter "obvious(ly)" mede kan afhangen van de (zwijgzame) houding van de verdachte. Zo'n situatie doet zich naar het oordeel van het Hof hier voor.

Het hiervoor overwogene: de feiten die zijn komen vast te staan en het gememoreerde feit van algemene bekendheid vormen, gelet op de ontoereikende verklaring van [medeverdachte 1], een voldoende deugdelijk fundament om te kunnen komen tot het oordeel dat als 'door misdrijf verkregen' zijn aan te merken de aan [medeverdachte 1] toe te schrijven gelden waarvan is kunnen worden vastgesteld dat zij chartaal dan wel giraal van buiten het eiland Curaçao alhier zijn ingevoerd. A contrario geldt het tegendeel voor de gelden waarvan dat niet is kunnen worden vastgesteld. Het gaat dus niet om de munteenheid van het betreffende geld, maar om de feitelijke herkomst ervan.

8. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [medeverdachte 1] essentiële bemoeienis had met het exporteren van cocaïne naar Nederland, dat hij beschikte over totaal fl. 7.000.000,- in contanten, welke hij zonder daarvoor een kwitantie te ontvangen aan een zekere [betrokkene 1] heeft overhandigd teneinde deze gelden door een bank te laten beheren, dat de gelden van [verdachte], dat door [medeverdachte 1] werd geëxploiteerd, op de rekening van [medeverdachte 4] stonden, dat in 1999 ruim Naf. 2.330.000,- vanuit Liechtenstein door [medeverdachte 4] is overgeboekt naar een rekening van [medeverdachte 3] N.V., dat de gelden op rekening van [medeverdachte 3] werden gestort omdat [verdachte] geen lening van de banken kon krijgen, dat [medeverdachte 1] gelden gestort kreeg op de rekening van [medeverdachte 3] en dat [medeverdachte 1] zelf voorzag in betaling van grote bedragen voor verbouwing van [verdachte].

9. Uit deze feiten en omstandigheden beschouwd in onderling verband en samenhang heeft het Hof gelet op de door hem genoemde ervaringsregel kunnen afleiden dat de in de bewezenverklaring genoemde gelden van misdrijf afkomstig waren, dat [medeverdachte 1] - naar het oordeel van het Hof kennelijk moet worden begrepen - daarvan wist, en voorts dat [verdachte] waarover [medeverdachte 1] gezien diens beslissing tot benoeming van haar directeur de feitelijke zeggenschap had, deel uitmaakte van de uit diverse rechtspersonen zoals [medeverdachte 4] N.V., [medeverdachte 3] N.V., [medeverdachte 5] N.V. en [medeverdachte 6] N.V. en natuurlijke personen zoals [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bestaande organisatie waarvan het oogmerk was gericht op onder meer het verwerven, voor handen hebben en overdragen van door misdrijf verkregen gelden. Uit een en ander kan worden afgeleid dat [verdachte] oogmerk had op deelneming aan genoemde criminele organisatie.(1)

10. Het voorgaande brengt mee dat hetgeen het Hof overweegt ten aanzien van de weigering van [medeverdachte 1] op vragen omtrent de herkomst van de gelden antwoord te geven en de bezwaren die in het middel daartegen worden geuit buiten beschouwing kunnen blijven. Daarbij merk ik op dat de overweging van het Hof is toegesneden op de positie van [medeverdachte 1] als verdachte terwijl in de onderhavige zaak [verdachte] verdachte is.

11. Naar aanleiding van het middel en ambtshalve merk ik op dat het bewijs ten aanzien van het onder III bewezenverklaarde feit ontbreekt omdat uit de bewijsmiddelen niet blijkt van - kort gezegd - knoeien in computerbestanden. Daarom ga ik voorbij aan de vraag of het bewezenverklaarde opzet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

12. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering. Over de gevolgen van hetgeen ik opmerkte naar aanleiding van het middel en ambtshalve kom ik hierna te spreken.

13. Het derde middel is gericht tegen 's Hofs motivering van de opgelegde geldboete.

14. Het middel faalt op de gronden uiteengezet in de bespreking van het derde middel in mijn conclusie inzake [medeverdachte 1] (zaak 02523/03 A).

15. Ambtshalve merk ik op dat op overtreding van art. 146 en art. 230 SrNA geen geldboete is gesteld. Art. 28 SrNa kan hierin mijns inziens - evenals het met die bepaling overeenkomende art. 24 (oud) Sr(2) - niet voorzien.(3) Derhalve kan het arrest niet alleen voor wat betreft de bewezenverklaring van feit III maar ook voor wat betreft de oplegging van de straf niet in stand blijven. In aanmerking genomen dat verbeurdverklaring in het Antilliaanse Wetboek van Strafrecht niet als zelfstandige straf kan worden opgelegd en dat dit Wetboek ook niet de schuldigverklaring zonder toepassing van straf kent, zie ik geen reden de zaak na vernietiging te verwijzen naar het Gemeenschappelijk Hof.

16. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft de bewezenverklaring van feit III en de strafoplegging.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 20 juni 1984, NJ 1985, 92; HR 26 november 1985, NJ 1986, 389; HR 4 februari 1986, NJ 1986, 497.

2 Kamerstukken II, 1975-1976, 13 655, nr. 3, p. 22. Vgl. ook T.M. Schalken en S.W. Mul (red.), Het nieuwe Wetboek van Strafvordering van de Nederlandse Antillen en Aruba (1997), deel I, p. 378-379.

3 Anders Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen 22 december 2003.