Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2004:AO3444

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
20-04-2004
Datum publicatie
23-07-2004
Zaaknummer
01332/03
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2004:AO3444
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verdachte niet-ontvankelijk in te laat ingesteld appèl. Het hof heeft vastgesteld dat a) verdachte bekend was met de eerste terechtzitting van de politierechter, b) op die terechtzitting het onderzoek voor bepaalde tijd is geschorst, c) de politierechter op de nadere terechtzitting uitspraak heeft gedaan, en d) verdachte ruim vier maanden later appèl heeft ingesteld tegen dat vonnis. Op grond van deze vaststellingen en gelet op art. 408.1.c Sv heeft het hof terecht geoordeeld dat het appèl te laat is ingesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 01332/03

Mr. Vellinga

Zitting: 10 februari 2004

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen een bij verstek gewezen vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Dordrecht waarbij de verdachte wegens "verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft" is veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis. Voorts heeft de Politierechter de civiele vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd een en ander zoals in het vonnis vermeld.

2. Namens verdachte heeft mr. M. Bongaarts-Tangelder, advocaat te Aalten, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel bevat de klacht dat het Hof verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep omdat hij het hoger beroep niet heeft ingesteld binnen de daarvoor gestelde termijn zoals genoemd in art. 408 lid 2 Sv.

4. De procedure in de onderhavige zaak is, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, als volgt verlopen.

- In de inleidende dagvaarding, welke volgens de daaraan gehechte akte van uitreiking op 15 november 2001 ter griffie is uitgereikt en op dezelfde dag als gewone brief naar het GBA-adres van verdachte is verzonden, is verdachte opgeroepen om op 21 november 2001 te verschijnen ter terechtzitting van de Politierechter te Dordrecht.

- Bij de stukken van het geding bevindt zich een schriftelijk stuk, waarop in de aanhef wordt vermeld "telefonische mededeling van niet verschijnen ter zitting". Dit stuk kent de volgende inhoud:

"Gesproken met: [verdachte]

Behandeling: verzoek om aanhouding

Reden:

Verdachte [verdachte] is 19/9 neergestoken

Sindsdien verpleegd bij zijn moeder

Meeste post werd doorgezonden, deze dagv. niet

Heeft pas vandaag de dagvaarding voor eerst gezien

Door incident min of meer invalide

Door medicatie bedwelmd

Is niet in staat op zitting te komen morgen

Chirurg verwacht dat herstel ongeveer half jaar zal duren

Svp zaak aanhouden en rekening houden met herstelperiode

Telefonisch te bereiken: -

Rechter: mr. Behrens

Griffier: S. Mackay

Zittingsdatum: 21 november 2001

Tijdstip: 10.40 uur

Parketnummer: 11.080807.01

Meegedeeld:

1. dat de rechter op de zitting beslist

2. dat verzoeker direct na de zitting informeert hieromtrent

Aangenomen door: Angelique Lapré".

- Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 21 november 2001, alwaar verdachte niet is verschenen, houdt onder meer in:

"De politierechter verleent verstek tegen de niet verschenen verdachte.

D.d. 19 november 2001 heeft de verdachte telefonisch contact opgenomen met de griffie en melding gemaakt van het feit dat hij om medische redenen de behandeling ter terechtzitting niet zal kunnen bijwonen. Ook maakt hij melding van het feit dat de onderhavige dagvaarding hem niet bereikt heeft, gezien het feit dat hij tijdelijk op een ander adres verpleegd wordt, en dat hij heden voor het eerst kennis neemt van de dagvaarding. Verdachte verzoekt dan ook aanhouding van de behandeling van de onderhavige strafzaak tot hij weer genezen zal zijn, hetgeen ongeveer een half jaar in beslag zal nemen.

De officier van justitie verklaart zich niet tegen aanhouding van de onderhavige zaak te verzetten.

De politierechter, gehoord de officier van justitie, schorst de behandeling ter terechtzitting van de onderhavige zaak voor bepaalde tijd namelijk tot de terechtzitting van 25 februari 2002, om 11:35 uur.

De politierechter beveelt oproeping van de verdachte tegen dit tijdstip, waarop met de behandeling van de onderhavige zaak ter terechtzitting zal worden voortgegaan."

- Bij de stukken van het geding bevindt zich een oproeping vanwege de Officier van Justitie gericht aan verdachte om te verschijnen op 25 februari 2002 ter terechtzitting van de Politierechter te Dordrecht. Volgens de daaraan gehechte akte van uitreiking is deze oproeping op 5 februari 2002 ter griffie uitgereikt en op dezelfde dag als gewone brief verzonden naar het GBA-adres van verdachte.

- Blijkens de aantekening van het mondeling vonnis is verdachte op 25 februari 2002 bij verstek veroordeeld door de Politierechter tot de hiervoor in paragraaf 1. vermelde straf. Volgens de aan deze aantekening van het mondeling vonnis gehechte akte van uitreiking is deze mededeling op 10 juli 2002 als gewone brief naar het GBA-adres van verdachte verzonden.

- Op 30 juli 2002 is namens verdachte hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

- Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 22 januari 2003 - waar wel de gevolmachtigde raadsvrouwe van verdachte doch verdachte zelf niet is verschenen - houdt onder meer het volgende in:

"De voorzitter deelt mede dat gesteld zou kunnen worden dat de verdachte te laat hoger beroep heeft ingesteld, nu uit de stukken blijkt dat de verdachte met de griffie heeft gebeld en aanhouding gevraagd voor de zitting van 21 november 2001 en dat vervolgens de zitting is aangehouden tot 25 februari 2002, op welke dag door de politierechter uitspraak is gedaan. De verdachte heeft vervolgens op 30 juli 2002 hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal concludeert en vordert dat de verdachte niet ontvankelijk verklaard moet worden in het hoger beroep.

De raadsvrouw van de verdachte deelt mede dat zij in de veronderstelling was dat de verdachte niet op de hoogte was van het vonnis, aangezien hij nergens naar om keek en zijn post niet openmaakte. Tevens deelt zij mede dat zij niet zeker weet of de verdachte de situatie helemaal begreep. Desgevraagd door de advocaat-generaal deelt de raadsvrouw mede dat de verdachte de feiten ontkent. Zij deelt mede dat zij, gelet op het aangevoerde primair aanvoert dat de vervolging op grond van artikel 16 van het Wetboek van Strafvordering dient te worden geschorst, subsidiair verzoekt zij om aanhouding van de behandeling ter verkrijging van nadere medische gegevens met het oog op een dergelijke beslissing."

- Blijkens zijn arrest heeft het Hof onder meer overwogen:

"2. Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Vast is komen te staan dat de verdachte, naar uit de stukken blijkt, telefonisch om aanhouding heeft verzocht van de zitting van 21 november 2001 en dat de politierechter op die datum de zaak heeft aangehouden tot de zitting van 25 februari 2002.

De eerste rechter heeft vervolgens naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 februari 2002 vonnis gewezen.

Gelet op het bepaalde in artikel 408, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering had de verdachte derhalve binnen veertien dagen na het op 25 februari 2002 gewezen vonnis in hoger beroep moeten komen. De verdachte heeft echter eerst op 30 juli 2002 hoger beroep ingesteld, zodat hij daarin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Niet aannemelijk is geworden, gezien ook de door de verdachte gegeven motivering van zijn verzoek tot aanhouding van de behandeling van zijn zaak op de zitting van 21 november 2001, dat de verdachte op medische dan wel andere gronden niet in staat was tijdig naar de uitkomst van voormelde zitting te informeren en tijdig hoger beroep tegen het door de eerste rechter gewezen vonnis in te (doen) stellen.

3. Beslissing

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep."

5. Art. 408 Sv luidt:

"1. Het hoger beroep moet binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld indien:

a. de dagvaarding om op de terechtzitting te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte in persoon is gedaan of betekend;

b. de verdachte op de terechtzitting of nadere terechtzitting is verschenen;

c. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was.

2. In andere gevallen dan de in het eerste lid genoemde moet het hoger beroep worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is.

3. Indien het onderzoek op de terechtzitting voor onbepaalde tijd is geschorst en de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting niet in persoon is gedaan of betekend, dan is de termijn bedoeld in het tweede lid van toepassing, tenzij

a. de verdachte op de nadere terechtzitting is verschenen of

b. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was.

Indien een van deze twee uitzonderingen zich voordoet, is de termijn genoemd in de aanhef van het eerste lid van toepassing."

6. Het Hof leest het bepaalde in art. 408 lid 2 Sv kennelijk zo dat daar niet alleen is bedoeld een omstandigheid waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is maar ook een omstandigheid waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend had kunnen zijn. Voor die uitleg geeft de tekst van de wet geen aanknopingspunt.

7. Op het eerste gezicht leidt het voorgaande er toe dat het bestreden arrest dient te worden vernietigd. Gelet op de tekst van in het bijzonder het bepaalde in art. 408 lid 1 onder c dient onder ogen te worden gezien of de beslissing van het Hof, in aanmerking genomen dat het Hof heeft vastgesteld dat verdachte de dag van de (eerste) terechtzitting tevoren bekend was, toch niet juist is.

8. De tekst van art. 408 Sv heeft de wetgever meermalen tot ingrijpen genoopt. Tot 16 februari 1976 luidde art. 408 Sv voor zover van belang:

"1. Het hooger beroep moet (...) worden ingesteld:

a. indien de dagvaarding om ter terechtzitting te verschijnen den verdachte in persoon is beteekend of de verdachte ter terechtzitting is verschenen, binnen veertien dagen na de einduitspraak (...);

b. in andere gevallen, uiterlijk veertien dagen nadat zich eene omstandigheid heeft voorgedaan, waaruit voortvloeit dat het vonnis den verdachte bekend is."

Aan deze tekst kleefde het gebrek dat geen voorziening was getroffen voor het geval het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd was geschorst. Werd een oproeping voor een nadere terechtzitting niet in persoon betekend dan kon zich het geval voordoen dat de verdachte niet op de hoogte raakte van de dag van de nadere terechtzitting. Dat bracht mee dat hij niet op de nadere terechtzitting verscheen en dus onkundig bleef van de dag van de einduitspraak en daarmee van het aanvangen van de beroepstermijn. Stelde hij daardoor, dus buiten zijn schuld, te laat hoger beroep in dan werd hij in het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard (HR 13 februari 1974, NJ 1974, 68; voor cassatie HR 10 december 1974, NJ 1975, 120). Om dit gebrek te verhelpen(1) werd bij Wet van 14 januari 1976, Stb. 9 aan art 408 Sv een tweede lid toegevoegd, waardoor art. 408 Sv met ingang van 16 februari 1976 kwam te luiden:

1. Het hoger beroep moet worden ingesteld:

a. indien de dagvaarding om ter terechtzitting te verschijnen de verdachte in persoon is betekend of de verdachte ter terechtzitting is verschenen, binnen veertien dagen na de einduitspraak;

b. in andere gevallen, uiterlijk veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan, waaruit voortvloeit dat het vonnis de verdachte bekend is.

2. Is in het geval, bedoeld in het eerste lid, onder a, het onderzoek op de terechtzitting voor onbepaalde tijd geschorst en de oproeping om op de nadere terechtzitting te verschijnen niet aan de verdachte in persoon betekend, dan kan, behoudens het geval dat de verdachte alsnog op de nadere zitting is verschenen, het hoger beroep worden ingesteld uiterlijk veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan, waaruit voortvloeit dat het vonnis de verdachte bekend is.

9. Ook deze tekst bleek in de praktijk niet te voldoen. In de Memorie van Toelichting op de Wet van 27 november 1991, Stb. 663 wordt dit als volgt uiteengezet:

"Bij Wet van 14 januari1976 (Stb. 9) kregen de artikelen 408 en 432 hun huidige redactie. De termijn voor het instellen van beroep in cassatie tegen uitspraken werd verlengd van acht dagen tot veertien dagen. De Memorie van Toelichting verwees in dezen behalve naar het hiervoor genoemde arrest ook nog naar HR 10 december 1974, N.J. 1975, 120 (Kamerstukken II, 1974/75, 13 494, nr. 3, blz. 5-6). In beide gevallen was er sprake van een verdachte die buiten zijn schuld te laat een rechtsmiddel had ingesteld. In HR 15 juli 1976, N.J. 1977,76 deed zich het spiegelbeeld van deze situatie voor. De politierechter verleende verstek tegen een verdachte, aan wie de inleidende dagvaarding niet in persoon was betekend. Daarop hield hij de zaak aan. De voor de nadere terechtzitting aan de verdachte betekende oproeping werd vervolgens wèl in persoon betekend. De verdachte verscheen wederom niet en werd bij verstek veroordeeld. Hij werd door het Hof in zijn hoger beroep ontvankelijk verklaard, niettegenstaande het feit dat het hoger beroep veel later dan veertien dagen na de uitspraak was ingesteld. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof een juiste beslissing had genomen, aangezien in artikel 408 onder de "dagvaarding" alleen kon worden verstaan de dagvaarding waarbij overeenkomstig artikel 258 van genoemd wetboek de zaak ter terechtzitting aanhangig was gemaakt.

In zijn arrest van 23 januari 1979, N.J. 1979, 307 m.nt G. E. Mulder gaf ons hoogste rechtscollege uitsluitsel over de strekking van artikel 408. Het onderscheid tussen de in het eerste lid onder a bedoelde gevallen enerzijds, en de in het eerste lid onder b en het tweede lid bedoelde gevallen anderzijds, berust op de volgende gedachtengang. In de laatstbedoelde gevallen is het denkbaar dat de einduitspraak ten gevolge van een omstandigheid waarvoor de verdachte in redelijkheid niet verantwoordelijk kan worden gesteld, niet binnen veertien dagen te zijner kennis is gekomen en dat moet worden voorkomen dat de verdachte dientengevolge de mogelijkheid zou worden ontnomen van die uitspraak in hoger beroep te komen. In de eerstbedoelde gevallen daarentegen mag in redelijkheid van de verdachte worden gevergd, dat hij zelf - eventueelmet bijstand van zijn raadsman - het nodige zal doen om van het verdere verloop van de zaak op te hoogte te blijven. De Hoge Raad bevestigde zijn jurisprudentie dat onder "dagvaarding" slechts kan worden verstaan de dagvaarding waarbij de zaak ter terechtzitting aanhangig wordt gemaakt. Een gewijzigde telastlegging die op de voet van artikel 314, eerste lid, aan de verdachte wordt betekend, valt daar niet onder.

Blijkens HR 12 mei 1981, N.J. 1981, 549 had de verdachte aan wie de oproeping om op de nadere terechtzitting te verschijnen niet in persoon was betekend, aan de officier van justitie een brief geschreven waaruit blijkt dat de verdachte op de hoogte was van de nadere behandeling van de tegen hem aanhangige strafzaak. De verdachte werd door de rechtbank in zijn hoger beroep, dat na afloop van de termijn van veertien dagen was ingesteld, niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank overwoog dat de verdachte, nu hij op de hoogte was van de nadere terechtzitting, gelijkgesteld diende te worden met een verdachte die de dagvaarding om ter terechtzitting te verschijnen in persoon uitgereikt heeft gekregen. De Hoge Raad was evenwel van oordeel dat de verdachte bij het instellen van hoger beroep moet kunnen afgaan op de duidelijke bewoordingen van artikel 408. De omstandigheid dat de verdachte bekend was met de nadere zittingsdatum deed hieraan niet af. De cassatierechter bevestigde nog eens bij deze gelegenheid zijn zienswijze op de strekking van artikel 408. Annotator Van Veen meende dat de rechtbank het gelijk aan haar zijde had, waar zij betoogde dat in het onderhavige geval de verdachte net zo goed had kunnen informeren naar de uitspraak als de niet-verschenen verdachte aan wie een dagvaarding in persoon was betekend.

Bij Wet van 24 maart 1983 (Stb. 135) is een derde lid aan artikel 399 toegevoegd, waarvan de tekst geheel overeenkomt met het huidige tweede lid van de artikelen 408 en 432.

Indachtig de door de cassatierechter ontvouwde gedachtengang, welke ten grondslag ligt aan het in artikel 408 - en dus ook in de artikelen 399 en 432 - aangebrachte onderscheid ten aanzien van de aanvang van de beroepstermijn, acht ik het onbevredigend dat de huidige wettelijke bepalingen de verdachte niet verplichten om binnen veertien dagen na de einduitspraak daartegen het openstaande rechtsmiddel aan t wenden, indien hij redelijkerwijs in staat geacht kan worden het verloop van het strafproces, eindigend met een einduitspraak, te volgen. Ik verwijs in dit verband naar een uitvoerige beschouwing over dit onderwerp van de hand van M. van der Horst, in: Trema, 1986, blz. 314-320, getiteld: Dagvaarding niet, oproepinng wèl in persoon betekend. De ratio van de verruiming van de regeling van het instellen van verzet, hoger beroep en beroep in cassatie is toch te voorkomen dat de verdachte buiten zijn schuld te laat het openstaande rechtsmiddel heeft ingesteld.

Met een goede strafvordering is evenwel ook het belang verbonden dat een strafzaak binnen een redelijke termijn wordt afgedaan. De Hoge Raad heeft dat nog eens uitdrukkelijk overwogen in zijn arrest van 26 februari 1985, N.J. 1985, 567. Ik stel mij op het standpunt dat van de vervolgende autoriteit, het openbaar ministerie, niet meer mag worden verlangd dan dat deze de verdachte tijdig oproept om op de terechtzitting of, indien de terechtzitting anders dan voor een bepaalde tijd wordt geschorst, op de nadere terechtzitting aanwezig te zijn. Verschijnt de verdachte niet, dan behoort hij te informeren of het onderzoek ter terechtzitting is gesloten, en zo ja wanneer de uitspraak zal plaats vinden, en zo nee wanneer het onderzoek ter terechtzitting zal worden hervat. In het laatste geval voorziet de wet nog bij wijze van "extra service" in een nadere oproeping voor die zitting (art. 319, tweede lid). Slechts wanneer onzeker is wanneer de zittingsprocedure zal worden hervat, mag de verdachte erop rekenen dat het recht om het openstaande rechtsmiddel aan te wenden niet verloren gaat, zolang hij niet op de hoogte is geraakt van hetzij de datum van de nadere terechtzitting, hetzij de einduitspraak."(2)

10. Ingevolge genoemde wet kwam art. 408 Sv met ingang van 1 mei 1992 als volgt te luiden:

"1. Het hoger beroep moet worden ingesteld:

a. indien de dagvaarding om op de terechtzitting te verschijnen of de oproeping of aanzegging om op de nadere terechtzitting te verschijnen de verdachte in persoon is betekend, of indien de verdachte op de terechtzitting of op de nadere terechtzitting is verschenen, of indien zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan, waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting hem tevoren bekend was, binnen veertien dagen na de einduitspraak;

b. in andere gevallen, uiterlijk veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan, waaruit voortvloeit dat het vonnis de verdachte bekend is.

2. Is het onderzoek op de terechtzitting voor onbepaalde tijd geschorst of is de nadere terechtzitting aan de verdachte schriftelijk aangezegd en is de oproeping of aanzegging de verdachte niet in persoon betekend, dan geldt de in het eerste lid onder b genoemde termijn, tenzij de verdachte op de nadere terechtzitting is verschenen dan wel zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan, waaruit voortvloeit dat de dag van de nadere terechtzitting hem tevoren bekend was."

11. Met ingang van 2 februari 1998(3) kreeg art. 408 Sv zijn huidige tekst. Voor zover van belang voor de hier aan de orde zijnde vraag bestaat deze wijziging in niet meer dan een herformulering van hetgeen tot dan toe in art. 408 Sv was bepaald.(4)

12. Tegen de achtergrond van de hiervoor aangehaalde wetsgeschiedenis dient het bepaalde in art. 408 lid 1 onder c Sv aldus te worden verstaan dat het hoger beroep dient te worden ingesteld binnen veertien dagen na de einduitspraak indien zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat òf de dag van de terechtzitting òf de dag van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was. In beide gevallen kan verdachte immers in staat worden geacht het verloop van het strafproces eindigend met een einduitspraak te volgen.(5)

13. Nu verdachte naar het Hof heeft vastgesteld op de hoogte was van de dag van de (eerste) terechtzitting van de politierechter en de zaak daar is aangehouden voor bepaalde tijd, zodat het uitzonderingsgeval van art. 408 lid 3 Sv zich niet voordoet, brengt het bepaalde in art. 408 lid 1 onder c Sv mee, dat het hoger beroep had dienen te zijn ingesteld binnen veertien dagen na de uitspraak van de politierechter. Het Hof heeft dus met juistheid beslist dat het hoger beroep had dienen te zijn ingesteld binnen veertien dagen na de einduitspraak.

14. Het middel faalt.

15. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Kamerstukken II, 1974-1975, 13 494, nr. 3, p. 5-7.

2 Kamerstukken II, 1988-1989, 21 241, nr. 3, p. 26-28.

3 Wet van 15 januari 1998, Stb. 35.

4 Kamerstukken II, 1995-1996, 24 834, nr. 3, p. 9.

5 In deze zin ook G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, vierde druk, 2002, p. 708.