Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2004:AO3226

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
23-03-2004
Datum publicatie
23-03-2004
Zaaknummer
01205/03 M
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2004:AO3226
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 55 lid 1 Sr en kwalificatie. Hetzelfde feit vervult de delictsomschrijving van art. 242 en 246 Sr en is als feit 1 en 2 als afzonderlijke overtredingen van deze bepalingen tenlastegelegd, bewezenverklaard en gekwalificeerd. Met de aanhaling van art. 55 Sr heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat het bij de strafoplegging slechts één van de strafbepalingen heeft toegepast. Toepassing van art. 55 lid 1 Sr staat er niet aan in de weg de beide feiten (1 en 2) afzonderlijk te kwalificeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 185
NJ 2004, 313
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 01205/03 M

Mr Jörg

Zitting 3 februari 2004

Conclusie inzake:

[verzoeker=verdachte]

1. Bij arrest van 3 juli 2002 heeft de militaire kamer van het gerechtshof te Arnhem verzoeker terzake van 1. primair "verkrachting, meermalen gepleegd", 2. primair "feitelijke aanranding van de eerbaarheid"(1) en 3. "mishandeling" veroordeeld tot één jaar gevangenisstraf. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij onder 3. deels toegewezen en aan verzoeker een betalingsverplichting opgelegd, een en ander als in het arrest vermeld.

2. Namens verzoeker heeft mr G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.

3. In het eerste middel wordt erover geklaagd dat ten aanzien van de feiten 1 en 2 niet uit de bewijsmiddelen kan volgen dat de bewezenverklaarde feiten gepleegd zijn in de periode "tot en met 1 december 1999", nu uit het voor het bewijs gebezigde proces-verbaal bevattende de verklaring van het slachtoffer gesproken wordt over misbruik tot ongeveer medio november 1999.

4. Het middel miskent dat onder 1. primair en 2. primair bewezenverklaard is dat het misbruik plaats vond in de periode van 1 februari 1993 tot en met 1 december 1999. Medio november 1999 valt in die periode. Niet bewezenverklaard behoeft te worden dat het misbruik tot en met 1 december 1999 plaats vond.

5. Het middel faalt dus.

6. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof feit 2 ten onrechte heeft gekwalificeerd als "feitelijke aanranding van de eerbaarheid" en de strafoplegging mede heeft gegrond op art. 246 Sr, terwijl feit 2 betrekking heeft op dezelfde feitelijke handelingen als feit 1 in dezelfde periode en in dezelfde plaats. Het hof had het openbaar ministerie terzake van feit 2 niet-ontvankelijk moeten verklaren, aldus het middel.

7. Het middel maakt ten onrechte geen onderscheid tussen gelijktijdige en ongelijktijdige vervolging ter zake van dezelfde feiten. Ik verwijs voor de volledigheid ook nog naar HR 2 december 2003, nr. 00247/ 03, r.o. 4.5. Aangezien alle klachten van strafrechtsdogmatische aard voortbouwen op dit ten onrechte niet gemaakte onderscheid behoeven zij geen verdere bespreking.

8. Het middel is dus tevergeefs voorgesteld.

9. In het derde middel wordt geklaagd over schending van de redelijke termijn in cassatie.

10. Het middel treft doel. Blijkens de akte cassatie heeft verzoeker op 4 juli 2002 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn evenwel eerst op 4 juni 2003 bij de griffie van de Hoge Raad ingekomen, derhalve elf maanden later. Dit levert een schending op van de maximale inzendingstermijn van acht maanden. Vgl. HR 3 oktober 2000, NJ 2001, 721 m.nt. JdH. Dit dient tot strafvermindering te leiden.

11. Het eerste en tweede middel lenen zich voor de zogenaamde art. 81 RO-afdoening. Ambtshalve gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.

12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Volgens de bewezenverklaring óók meermalen gepleegd.